������ ������� �� ��� �� ������ raphic ���� acket Versie 61 (C) by Ulf Saran, dh1dae 1990-93 inhoud handboek graphic packet 61 ��������������������� 1



Dovnload 121.49 Kb.
Pagina1/3
Datum17.08.2016
Grootte121.49 Kb.
  1   2   3
������ ������� �� ������ �� ��� �� ������ raphic ���� acket Versie 1.61 (C) by Ulf Saran, DH1DAE 1990-93 INHOUD HANDBOEK GRAPHIC PACKET V1.61 ����������������������������������������� 1 ....................................... Algemene informatie 1.1 ..................Het verschil tussen GP.EXE en GP286.EXE 2 ............................................... Installatie 2.1 ................................... Installatie voorbeeld 2.2 ......................... Het werken met meerdere MYCALLS 3 ...................................... De toegevoegde files 3.1 .................................... De configuratie-file 3.1.1 .................................. De kleurinstellingen 3.1.2 ............. De instelling van het terug-scroll-buffer 3.1.3 ................................. De timer-instellingen 3.1.4 ......................... configuratie van de COM-poort 3.1.5 ............................ Directoriepad-instellingen 3.1.6 ........................ TNC-inialisatie/de-inialisatie 3.1.7 .................................. Printer-instellingen 3.1.8 .................................. Overige instellingen 3.1.9 ............................... Variabele configuraties 3.2 .......................................... De files *.GPI 3.2.1 .................................. De file CTEXT???.GPI 3.2.2 ...................................... De file NEWS.GPI 3.2.3 ................................. De files .GPI 3.2.4 .......................... De files F1.GPI .... F12.GPI 3.2.5 ....................................... De file QRT.GPI 3.2.6 ....................................... De file RUN.GPI 3.2.7 .................................... De fren 5.5 ............................. De afstandsbediening van GP VERVOLG INHOUD HANDBOEK GRAPHIC PACKET V1.61 �������������������������������������������������� 5.6 ........................... Externe programma's opstarten 5.7 ............................................ Split-Screen 5.8 ............................................. Scroll-Lock 5.9 .......................................... TNC-commando's 5.10 .................................. Logboek-administratie 5.11 ....................... De verschillende connect-teksten 5.12 ...................................... De SYSOP-funkties 5.13 ................................. De DieBox AutoBin-mode 6 ...................... Het gebruik van de Mailbox-utilities 6.1 ............................................ Het BBS-menu 6.2 ................................... De DieBox-listfunktie 6.3 ......................................... De FIND-funktie 6.4 ........ Problemen bij herkenning van de mailbox-listings 7 .............................................. De GP-editor 8 ............................................... De MH-lijst 9 .............................................. De QSO-SPION 9.1 ........................... QSO uitkiezen om mee te lezen 9.2 ........................................ Het SPION-scherm 9.3 ................................... de automatische SPION 9.4 ..................................... Mogelijke problemen 10 ............................................. De autorouter 10.1 ................................. Rekursieve route-opgave 10.2 ............................. Autorouting via SP-Gateways 10.3 .................... Enige opmerkingen over de autorouter 10.4 .................................... De QRG-administratie 10.5 ....................... Het QRG-afhankelijk autoconnecten 10.6 ......................................... De macro %DIGI% VERVOLG INHOUD HANDBOEK GRAPHIC PACKET V1.61 ................................... Enige tips 19 ....... Enige opmerkingen van de vertalers PE1LLH en PA2JJB 20 .................................................. Appendix 1. - Algemene Informatie. Bij GP gaat het om een terminalprogramma, dat gebruik maakt van de Host-mode van de WA8DED-software, respectievelijk van de Firmware. Er kan ook van andere software gebruik gemaakt worden, zolang deze de KISS-mode maar ondersteunt. In dit geval is toch het programma TFPCR van DL1MEN nodig. Een TNC is niet meer nodig wanneer men TFPCX van DG0FT gebruikt met een bijpassende modem (bv Baycom). GP onderscheidt zich van andere terminalpgm's, omdat men hier gebruik maakt van een graphische interface, en daardoor zeer gemakkelijk te bedienen is. Voor alle belangrijke funkties is een icoon beschikbaar die d.m.v. een muis aangeklikt kan worden. Zonder muis kan men gebruik maken van z.g. Hotkeys. GP maakt gebruik van 10 kanalen, maar kan ook met minder kanalen werken. Bij het werken met een Die-Box BBS bestaat een handige funktie die de opgevraagde listing in een speciale buffer opslaat. Hierna kan men de gewenste artikelen markeren, en opvragen bij de BBS. Vanaf versie V1.20 worden ook andere BBS-systemen ondersteund. Ook is GP voorzien van een eenvoudige editor, waarin men b.v. de configuratie-file kan veranderen. Voor het werken met GP is een IBM-compitabele PC benodigd, met minstens 1MB RAM, EGA- resp. VGA-kaart, en DOS V2.0 resp. een hogere versie. GP draait ook op een DOS-doos met OS/2. Met de standaard VGA-driver kan men zowel met volledig beeld als met een window opstarten, wat met ALT-HOME omgeschakeld kan worden. Heeft men in de PC EMS- of XMS- geheugen geinstalleerd, dan slaat GP het scrollback-buffer hierin op, en gebruikt dan ca 400K van het conventionele geheugen. 1.1. - Het verschil tussen GP.EXE en GP286.EXE. GP is in twee varianten gemaakt, wat nodig was voor de verschillende processor-typen. GP.EXE draait met alle processoren van de 80X86-familie, als ook met de 8088, 8086, 80286 enz. GP286.EXE ondersteund de verbeterde commando-set van de 80286, en draait niet op een 8088 resp. 8086. Draait dus alleen op een 80286. Probeert men toch dit programma op een PC met een andere processor te laten draaien dan zal het programma blijven hangen. (Testen hebben uitgewezen dat GP286.EXE ook op een XT met een NEC V20-processor liep). Uit geheugenplaats overwegingen is bij GP.EXE de QSO-SPION niet opgenomen, en is alleen bruikbaar bij GP286.EXE. 2. - Installatie. GP werkt het best vanaf de harde schijf. De installatie van GP op de harde schijf gaat zeer eenvoudig. Men start INSTAL.BAT vanaf A:, en er wordt automatisch een directorie GP op C: gemaakt, waar alle files naar toe gecopieerd worden. Hierna moet men zelf nog de subdir's EXTERNAL, USER en SAVE maken. In EXTERNAL komen pgm's te staan die op afstand met //RUN opgestart kunnen worden. In USER komen teksfiles en/of pgm's te staan die door het tegenstation met //R of //RP opgeroepen kunnen worden. Tegenstations hebben alleen maar toegang tot deze directorie. In SAVE zet GP automatisch alle 7plus-files neer die men bij een tegenstation opvraagt. (Openen en sluiten van de files gaat volledig automatisch; Bij een tekstfile doet men dit handmatig.) Hierna moet men nog de CONFIG.GP naar persoonlijke behoefte aanpassen. Waarbij natuurlijk in MYCALL de eigen roepnaam gezet moet worden. De commando's in de configuratie-file worden uitgelegd in hoofdstuk 3.1 2.1. - Installatie-voorbeeld. Voor de goede werking van GP zijn de volgende files nodig: - GP.EXE - Het eigenlijke programma. - BINDATA.GP - De data van het openingsvenster. - ICONS.GP - De data voor de iconen. - CONFIG.GP - De configuratie-file. - NL.GPT - De systeem- en remote-tekst. - NL.GPH - De tekst voor de remote-help. De rest van de files zijn niet direct benodigd voor de goede werking van GP. In de files CTEXT.GPI en QRT. GPI kan men resp. een begroetings en een afscheidstekst neerzetten. In de file NAMES.GP worden de namen en routes van de stations opgeslagen die via //NAME-cmd ingevoerd zijn. Ook kan men met de hand stations invoeren, en wijzigen. Wil men een station connecten die in de lijst staat, dan hoeft men alleen maar dit station aan te klikken. GP haalt uit de file de juiste route om de verbinding tot stand te brengen. Voor de juiste werking van GP dienen de paden van de subdir's, voor de afstandsbediening en het opslaan van teksten/pgm's, in de CONFIG.GP juist opgegeven te worden. B.v. : - UserDir = C:\GP\USER.GP - ExternalDir = C:\GP\EXTERNAL.GP - SaveDir = C:\GP\SAVE.GP - LogDir = C:\GP Bovendien moet men nog de eigen roepnaam invoeren: MyCall = PA2JJB De data voor de seri�le poort zijn hier voorlopig op COM1 en 9600 Bd ingesteld, wordt een TNC met een afwijkende baudrate of een andere COM- poort gebruikt dan kan men dit veranderen in SerBaud en SerNr. Wil men met GP aan COM-3 of COM-4 werken, dan moet mem bovendien het Port en het IRQ-nummer opgeven, omdat dit niet is gestandariseerd. Vervolgens dient men in de file NAMES.GP de roepnamen, namen, en routes opslaan, waar men veel mee werkt. De symbolen voor de juiste registratie vindt men in hoofdstuk 3.6 en in de file NAMES.GP van de installatie-schijf. 2.2. - Werken met meerdere MYCALLS. Wordt GP gelijktijdig met meerdere roepnamen gebruikt, dan bestaat de mogelijkheid om voor iedere roepnaam een eigen Connect- Info- en QRT- tekst te maken. De installatie hiervan is zeer eenvoudig; men moet voor iedere roepnaam een aparte subdir maken, en daar de juiste files inzetten. De naam van de huidige subdir bevat de huidige roepnaam. De volgende files kunnen in zo'n MYCALL-Subdir ondergebracht worden: - CTEXT???.GPI Connect-tekst (zie 5.11) - .GPC Call-afhankelijke connect-tekst. - .GPM Call-afhankelijke Post-file. - .GPI Info-file (b.v. stationsbeschrijving) die d.m.v. //Info opgevraagd wordt. - QRT.GPI Afscheidstekst, die met //Quit uitgezonden wordt, voordat er gedisconnect wordt. Elke van deze files wordt in de juiste Mycall-subdir gezocht. Is deze niet aanwezig dan wordt in de GP-dir gezocht. Het is hierdoor ook mogelijk, een deel van de tekst van Mycall voor andere calls te benutten. 3. - De toegevoegde files. 3.1. - De configuratie-file. Hieronder staat de configuratie-file welke in gebruik is bij PA2JJB, achter de cmd's staat een korte verklaring. Na deze file wordt waar nodig, extra uileg van de diverse cmd's gegeven. ; Config file voor Graphic-Packet V1.61 ; Alle regels die beginnen met ; doen niet aktief mee als CFG commando ; ; Grafische-Driver ; "Graphic = EGA" of "Graphic = VGA" Graphic = VGA ; VGA-Graphic instellen ; ; Zoom = 1 : klein schrift; Zoom = 2 : groot schrift Zoom = 2 ; groot Schrift ; MonitorBackGround = Black ; Achtergrond kleur voor Monitor en Editor MonitorForeGround = Lightgray ; Voorgrond kleur voor Monitor en Ed. MonitorInversAttr = Green ; Voorgrond kleur voor Monitor-Header ConnectBackGround = Cyan ; Achtergrond kleur voor Kanaal 1-6 ConnectForeGround = Black ; Voorgrond kleur voor Kanaal 1-6 ConnectInversAttr = Red ; KLeur voor zelf uitgezonden Texten InputBackGround = Cyan ; Achtergrond kleur voor invoerscherm InputForeGround = Black ; Voorgrond kleur voor invoerscherm EditorBackGround = Blue ; Achtergrond kleur voor Editor EditorForeGround = Lightgray ; Voorgrond kleur voor Editor EditorInversAttr = Red ; Cursor kleur bij Editor CheckBackGround = Black ; Achtergrond kleur voor DieBox-Checksch. CheckForeGround = White ; Voorgrond kleur voor DieBox-Checksch. CheckInversAttr = Yellow ; Kleur uitzoekbalk in het Checkscherm ListBackGround = Black ; Achtergrond kleur voor DieBox-Listsch. ListForeGround = White ; Voorgrond kleur voor DieBox-Listsch. ListInversAttr = Yellow ; Kleur uitzoekbalk in DieBox-Listscherm MHBackGround = Black ; Achtergrond kleur voor MH-Lijst MHForeGround = Lightgray ; Voorgrond kleur voor MH-Lijst MHInversAttr = Red ; Kleur van uitzoekbalk in de MH-Lijst StateBackGround = Magenta ; Achtergrond kleur voor Statusmenu StateForeGround = White ; Voorgrond kleur voor Statusmenu MenuBackGround = Red ; Achtergrond kleur voor Menulijsten MenuForeGround = LightGray ; Voorgrond kleur voor Menulijsten MenuInversAttr = White ; Er-is-text-ontvangen kleur Menulijsten BorderAttr = White ; Kleur van de omranding SpyBackGround = Black ; Achtergrond kleur voor "QSO-Spion" SpyForeGround = White ; Kleur ontvangen text in "QSO-Spion SpyInversAttr = Green ; Kleur uitgezonden text in "QSO-Spion" ; Channels = 6 ; Aantal gebruikers kanalen (max.10) ; MaxSpy = 4 ; Aantal stations in QSO-Spion (max.10) ;AutoSpy = fm PA PB PE ; Autospy functie (zie GP.DOC,Hfdst.9.3) NoAutoSpy = PA3EIW,ctl UI ; AutoSpyMinimumSave = 1024 ; Data minder dan 1024 Bytes wordt gewist ; MyCall = PA2JJB ; Screensave = 10 ; Schermsave na 10 min. ; PopUpTime = 2 ; Meldingen worden 2 sec.lang getoond ; TextBuffer = 100,300,100,100,100 ; Monitor, kanaal 1,2,3,4 ; EditBuffer = 560 Inputbuffer = 30 CheckBuffer = 200 ListBuffer = 300 SpyBuffer = 100 MHBuffer = 50 ; ConnectBell = 1 ; 1 maal Bellen bij Connect ; ; TNC-Initialisering TNCINI = DateTime TNCINI = @V0 ; Roepteken-controlle uitzetten TNCINI = N 10 ; Herhalingen van linkaan/uit ; RXClick = 2 ; Klik bij ontvangst ; Questions = ON ; Ja/nee vraag onderdrukken (on/off) ; InsertMonLine = OFF ; ; DefaultPrint = 27,53,27,70 ; Cursiefdruk uit, Vetdruk uit (EPSON) InversPrint = 27,52,27,69 ; Cursiefdruk aan, Vetdruk aan (EPSON) ; ; EINDE 3.1.1. - De kleurinstelling. GP gebruikt diverse schermen, zo kan men het connect- editor- monitor- en listscherm naar eigen smaak instellen. Zie de uitleg van de diverse kleuren in de configuratie-lijst hiervoor. 3.1.2. - Instelling van het terug-scroll buffer. GP reserveert voor ieder kanaal een tekstbuffer, waar de data in opgeslagen kan worden. Zo kan men terugbladeren in een tekst wanneer deze van het beelscherm is weggeschoven. De grootte van ieder buffer kan men naar eigen behoefte instellen. Wel dient men er rekening mee te houden dat men over voldoende RAM- geheugen beschikt, omdat GP voor deze tekstbuffers geheugen reserveert. Per regel van 80 karakters heeft men 84 Bytes nodig. (80 voor de karakters en 4 voor de kleuren). Het aantal regels moet tussen 40 en 780 liggen. 780 Regels is ca 64Kbyte, dat is wat een 80X86-processor maximaal kan adresseren in een geheugen-segment. GP beschikt over de volgende buffers: - CheckBuffer : Buffer voor het BBS-Menu-scherm. - EditBuffer : Buffer voor de editor. - TekstBuffer : Buffer voor monitor en kanaal 1 t/m 10. - InputBuffer : TX-buffer voor kanaal 1 t/m 10 (max. 199 regels). - SpyBuffer : Buffer voor ieder QSO-SPION-scherm in regels. - MHBuffer : Buffer voor de MH-lijst in aantal regels. 3.1.3. - Timer-instellingen. GP beschikt over diverse tijds-afhankelijke instellingen: - Screensave = 5 Schakelt na 5 minuten het beeldscherm uit. - Popuptime = 2 Laat 2 seconden een mededeling zien. - Connectbel = 2 Laat 2 keer een alarm horen. - Time = 0 Zet het klokje op de tijd v/d PC-klok. - Time = -60 Zet het klokje een uu van GP, kan de TNC naar eigen inzicht geinialiseert worden. Het commando is altijd hetzelfde: TNCINI = Voor kunnen alle commando's van TheFirmware gebruikt worden. Er kunnen vele inialisatie-cmd's in de configuratie-file opgenomen worden. Wil men bv de TNC met de tijd van de PC laden dan gebruikt men het commando "TNCINI = DateTime". DateTime is geen echt TNC-cmd, maar GP zet dit om in een voor de TNC begrijpbaar commando. Voor deinialisatie van de TNC maken we gebruik van het commando: TNCINI = Wil men tijdens het werken met GP naar DOS gaan, dan moet de monitor- funktie uitgeschakeld worden, omdat anders de buffer van de TNC vol kan lopen, en foutmeldingen kan geven. Voor dit geval maken we gebruik van het commando: TNCDOS = Wanneer men van DOS teruggaat naar GP, worden automatisch de oude waardes van de TNC weer teruggezet. 3.1.7. - Printer-instellingen. Wil men een QSQ meeschrijven op de printer, dan bestaat de mogelijkheid dat men de uitgezonden tekst anders (bv cursief) print dan de ontvangen tekst. Alle EPSON-Compitabele printers hebben hier verschillende mogelijkheden voor. Er kunnen per instelling 10 stuurtekens gebruikt worden. Deze moeten door een komma gescheiden worden, en in decimale vorm opgegeven worden. Het commando "DefaultPrint" stelt de printersturing voor de ontvangen tekst vast, en het commando "InversPrint" voor de uitgezonden tekst. Syntax: DefaultPrint = karakter 1, karakter 2, .......karakter 10 InversPrint = Karakter 1, karakter 2,........karakter 10 De benodigde opeenvolgende karakters voor de printerbesturing kan men het beste uit het printer-handboek halen. Voor de b.v. de HP510-printer is dit: DefaultPrint = 27,40,115,49,83 InversPrint = 27,40,115,49,83 Men moet, wanneer men ook de uitgezonden tekst op het papier wil krijgen, de echo-optie aanzetten. De ontvangen tekst wordt dan cursief- en de uitgezonden tekst wordt normaal geprint. 3.1.8. - Overige instellingen. Het aantal benodigde kanalen wordt met het commando "Channels" vastgelegd (tussen 1 en 10), maar men mag niet meer kanalen opgeven dan dat de TNC aan kan, omdat er anders foutmeldingen optreden. Voor GP is het niet mogelijk om vast te stellen met hoeveel kanalen de TNC werkt, zodat we dit zelf op moeten geven. Te weinig kanalen opgeven kan ook tot problemen leiden, omdat er dan een kanaal geconnect kan worden die niet door GP ondervraagd wordt. Syntax: Channels = <1....10> Het "MyCall"-commando vertelt het systeem wat de roepnaam is, en inialiseert de TNC dienovereenkomstig. Men kan voor ieder kanaal een andere roepnaam opgeven. Een spatie wordt automatisch door de monitor- roepnaam welke gelijk is aan de Digipeat-roepnaam, vervangen. De roepnamen worden op de de onderstaande manier opgegeven: Syntax: MyCall = ,,.......... B.v.: MyCall = PA2JJB,,PA2JJB-2,,PA2JJB-4 In dit geval werd de monitor-roepnaam op PA2JJB ingesteld; de kanalen 1 en 3 bestaan uit een spatie en zijn daarom ook op PA2JJB ingesteld; kanaal 2 is op PA2JJB-2 en kanaal 4 op PA2JJB-4 ingesteld. Met het "NoName"-cmd kan men opgeven van welke roepnaam men de naam nog niet heeft gekregen, en nog niet inde NAMES-file staat. Hierdoor zal het systeem om de naam vragen. (Macro %N in *.GPI-file) Syntax: NoName = Het commando "Prompt" stelt de systeem-prompt in, welke na een uitgevoerd afstandscmd naar het tegenstation gestuurd wordt. De prompt laat zich gedurende GP in SetUp veranderen. Syntax: Prompt =
In het monitor-scherm kan men tussen de ontvangen packets een regel plaatsen, om het wat overzichtelijker te maken. Dit kan men doen door het cmd "InsertMonline". Syntax: InsertMonline = De automatische logboek-administratie kan men naar wens aan en uitzetten. Syntax: Log = Is het logboek ingeschakeld, dan moet men bovendien de frequentie opgeven waar men op werkt. Dit kan bestaan uit een exacte frequentie- opgave, maar ook gewoon de band waar men op werkt. De lengte van de frequentie of band mag max. 7 karakters lang zijn. Syntax: QRG = Dit commando heeft alleen zin wanneer men geen Multiport-TNC gebruikt. Gebruikt men toch een Multiport-TNC, dan moet men de QRG-instellingen in de file NAMES.GP apart opgeven. Nadere informatie vind men in hoofdstuk 9. Het Backup-cmd geeft GP de mogelijkheid om de tekstbuffers op te slaan wanneer GP beeindigd wordt, en weer te laden wanneer GP gestart wordt. Op deze manier gaat de QSO-data niet verloren, wanneer men tijdens een QSO disconnecten moest. Syntax: Backup = Ontvangen packets kunnen ook met een audio-signaal kenbaar gemaakt worden. Dit is vooral gemakkelijk wanneer men op twee kanalen tegelijk werkt, en er op het niet gekozen kanaal packets binnenkomen. Het cmd hiervoor is "RxClick", welke 3 toestanden kent: 0 - Geen audio-signaal. 1 - Alleen een audiosignaal wanneer op het niet gekozen kanaal packets binnenkomen. 2 - Altijd een audio-signaal, ook op het gekozen kanaal. Syntax: RXClick = <0..2> De taal van de remote-meldingen kan op een default-waarde ingesteld worden. Er mag alleen een taal gekozen worden, waar een *.GPT-file voor bestaat. Syntax: RemoteLanguage = NL Wordt dit bevel niet gebruikt dan wordt de huidig aktieve systeem- taal, als remote-taal overgenomen. Met het commando Remote kan men de afstandscommando,s omschrijven, die de tegenstations gebruiken mogen. De default-instelling is Remote = * Dit betekent dat alle mogelijke afstands-cmd's toegestaan zijn. Wil men alleen bepaalde cmd's toelaten, dan moet men die cmd's gescheiden door komma's opgeven. B.v.: Remote = VER,I,NE,N,# Hier worden alleen de cmd's VERSie, Info, NEws, Name, en chatmode toegelaten, alle andere cmd's worden niet toegelaten. De tegenhanger van "Remote" is het commando "NoRemote". Hier kan men de afstandscmd's opgeven die in geen enkel geval gebruikt mogen worden. Voor de rest is het gebruik hetzelfde als bij "Remote". Wordt men een beetje gestoord van de vragen die steeds op het scherm verschijnen, dan kan men dit door het commando "Questions = OFF" uitschakelen. Men moet wel voorzichtig zijn wanneer men deze optie uitschakelt, want men wordt niet meer gewaarschuwd. Het commando "FastPoll" beinvloed de communicatie-methode van de TNC door GP. "FastPoll = ON" beweegt GP, om op de meest snelle manier met de TNC te communiceren. Hierbij wordt de interrupt-werking van de V-24 ten volle benut. Deze methode kan onder bepaalde omstandigheden tot resync-fouten leiden, dus dataverlies bij V24-ontvangst. Dit is geheel afhankelijk van de gebruikte PC, de geinstalleerde driver, of geheugen- residente pgm's, die door GP geaktiveerd zijn. Heeft men last van resync-fouten, dan moet men "FastPoll = OFF" zetten. De standaard- instelling is "FastPoll = AUTO". Bij deze instelling is het gebruik van de communicatie-methode afhankelijk of er een 16550A UART gebruikt wordt of niet. Bij het gebruik van een 16550A wordt er optimaal gecommuniceerd; bij gebruik van een andere UART werkt deze instelling hetzelfde als "FastPoll = OFF". "PopUpEnableKeyboard" klinkt gecompliceerd, maar het gaat er om of het PopUp-schermpje voortijdig gesloten wordt, (voor de "PopUpTime" voorbij is) d.m.v. van de muis of d.m.v. de RETURN of ESCAPE-toets. Andere toetsen hebben geen invloed, zolang het PopUp-schermpje zichtbaar is. Het typen in het zend-venster is dan niet mogelijk, zoals dat bij vroegere versies van GP wel het geval was. Bij "PopUpEnableKeyboard" = OFF" wordt het toetsenbord gewoon ondervraagd, ook als het PopUp-schermpje aktief is. Gedurende deze tijd kan men gewoon in het zend-scherm blijven typen en wanneer het schermpje gesloten is, verschijnt deze tekst in een flits in het zendscherm. Het PopUp-schermpje kan in dit geval alleen met de muis gesloten worden. Met het commando "MultiPort" wordt aangegeven of de TNC in de standaard of de DSRI-mode gebruikt gaat worden. Normaal herkent GP automatisch, of de TNC de DSRI-mode ondersteund of niet. Soms kan het met bepaalde TNC-software voor komen, dat deze herkenning niet funktioneert. Daarom moet bij het gebruik van een MultiPort-TNC zoals b.v. de FALCON/TNC4 of de TNC3 het commando "MultiPort = ON" aanzetten. Bij het gebruik van TFPCX (vanaf V2.00), kan men het commando "MultiPort = AUTO" (standaard-instelling) gebruiken. Wil men daarintegen van die Multiport-toestanden verlost zijn, dan moet men "MultiPort = OFF" gebruiken. 3.1.9. - Variabele configuraties. In bepaalde omstandigheden kan het aanttrekkelijk zijn, wanneer men GP variabel kan configureren. Vanaf V1.50 biedt GP de mogelijkheid om de "IF"-afvraging in de configuratie-file op te nemen, en deze met behulp van commando-regel-parameters te sturen. De werking is betrekkelijk een voudig, en laat zich het makkelijkst verklaren aan de hand van een voorbeeld: Men heeft b.v. twee TNC's, waarbij een TNC met 9600 Bd en de andere met 38400 Bd werkt. Nu kan men in de CONFIG.GP de volgende commando's opgeven: SerBaud = 38400 SerBaud = 9600 Start men de volgende keer GP op met de parameter "GP 38400" dan wordt de COM-poort met 38400 Bd geinialiseert. Start men GP echter zonder deze parameter dan wordt de COM-poort op 9600 geinialiseert. Ook de volgende combinatie is mogelijk: SerBaud = 38400 SerBaud = 19200 SerBaud = 9600 De -afvraging is niet echt benodigd. Er bestaat ook de logische ontkenning, d.m.v. de afvraging met "NOT" B.v.: SerBAUD = 38400 SerBaud = 9600 In dit voorbeeld inialiseert GP de COM-poort met 9600 BD, wanneer men GP met de parameter "9600" start. In alle andere gevallen met 38400 Bd. Waar men hier speciaal op letten moet is: - De sleutel-woorden "", "" en "", moeten ieder apart op een regel staan, en moeten in de eerste kolom beginnen. - Nesten van meerdere "IF's" is niet toegestaan. Er mag pas met een nieuwe IF worden begonnen, wanneer de vorige met END is afgesloten. Gereserveerde sleutel-woorden: Tot nu toe maakt GP gebruik van ��n gereserveerd sleutelwoord, n.l. "%TFPCX200" Het gebruik van dit sleutelwoord, is niet verschillend van de commando- regel-parameters, alleen of men met de IF-afvragingen kan werken, is afhankelijk of TFPCX V2.00 wel dan niet is geinstalleerd. Bijvoorbeeld: TNCINI = @L 0:DB0FN Het commando "@L 0:DB0FN" wordt dan alleen gebruikt wanneer TFPCX V2.0 geinstalleerd is. Bij het gebruik van andere TNC's of TFPCR, of oudere versie's van TFPCX wordt dit commano genegeerd. 3.2. - De files *.GPI. GPI staat voor: "Graphic Packet Infofile". Files met deze extensie bevatten informatie-tekst, die door andere stations d.m.v. remote-cmd's gelezen kunnen worden. Ook kunnen in deze files macro's gebruikt worden Er kunnen zo'n 15 verschillende macro's gebruikt worden: %V - De gebruikte versie van GP (V1.61) %C - Roepnaam van het tegenstation %N - De naam van het tegenstation %Y - Eigen roepnaam %K - Nummer van het kanaal vanwaar de tekst wordt uitgezonden %T - Huidige GP-tijd is bv: 10:41:34 %D - Huidige datum bv: 15.04.1994 %B - Laat de bel horen (07h) %I - Geeft aan dat er info in de file NEWS.gpi staat %Z - Geeft de lokale tijd aan %_ - Carriage return, line feed %% - Procent-teken %O - Vraagt het geconnecte station zijn naam op te geven %> - Schakelt de prompt in ( alleen van belang bij CTEXT ) %? - Vraagt het geconnecte station zijn naam in te voeren omdat deze nog niet in de NAMES-file bekend is. Aansluitend kan men nog een formaat opgeven, die de totale lengte van de macro's bepaald. B.v. %N#20 bevat de naam van het tegenstation, is de naam korter dan 20 karakters dan wordt dit automatisch opgevuld met spaties. Dit is vooral van belang, wanneer men om een connect-tekst een kaderlijn wil plaatsen. Voor het gebruik van macro's kan men de file CTEXT.GPI bestuderen. 3.2.1. - De file CTEXT???.GPI. De standaard connect-tekst heet CTEXT.GPI, en wordt uitgezonden als een begroetings-tekst, wanneer men door een ander station geconnect wordt. Ook kan een alternatieve connect-tekst gemaakt worden, die tijdens het werken met GP kan worden opgeroepen. 3.2.2 -De file NEWS.GPI. In deze file kan men nieuwtjes onderbrengen. Het tegenstation kan de inhoud van deze file bekijken d.m.v. //NEWS 3.2.3 - De files .GPI. In deze file kan men een stations-beschrijving onderbrengen. Het tegenstation kan die oproepen d.m.v. //Info. moet men vervangen door de eigen roepnaam. Wanneer meerdere roepnamen bij GP gebruikt worden, kan men deze ook voor deze file gebruiken. 3.2.4. - De file F1.GPI....F12.GPI. In deze 12 files kan men handige macro's opslaan die men vaak gebruikt, b.v. bij een mailbox. Zet men in de file F5.GPI: 1e regel: LC GP 2e regel: L Dan zal wanneer men geconnected is met een mailbox, en men SHIFT-F5 indrukt, automatisch de lijst met GP-info door de mailbox uitgezonden worden. Zo kan men 12 verschillende commando's, dan wel standaard-teksten ontwerpen (dit afhankelijk van het gebruikte toetsenbord). 3.2.5. - De file QRT.GPI. De inhoud van deze file wordt uitgezonden, wanneer het tegenstation het commando //QUIT geeft. Na het uitzenden van deze tekst wordt de verbinding verbroken. 3.2.6 - De file RUN.GPI. Wordt door het tegenstation het commando //RUN ? gegeven, dan wordt een korte beschrijving gegeven van de programma's die in deze file staan, die d.m.v. het commando //RUN gestart kunnen worden. 3.2.7. - De file ORIGIN.GPI. In deze file kan de GP-gebruiker leuke spreuken opslaan. D.m.v. de macro %O in b.v. CTEXT, kan men deze spreuken laten zien op het scherm van het tegenstation. Voor elke spreuk is een regel beschikbaar van maximaal 255 karakters. 3.2.8. - Aanwijzingen voor het gebruik van de *.GPI-files. Omdat ieder packet-station deze tekst moet kunnen lezen, onafhankelijk met wat voor type computer men werkt,moet men op het volgende letten: - Geen IBM of grafische karakters gebruiken (wordt rommeltje). - De beschrijving van afstands-cmd's niet direct aan het begin van de regel laten beginnen. 3.3. - De files .GPC. In deze file kan men call-afhankelijke connect-tekst opslaan. Dus PA3EJR kan anders begroet worden dan PA3EIW. Bestaat deze file dan zal CTEXT.GPI niet uitgezonden worden naar het geconnecte station. Ook kan men in deze file gebruik maken van alle macro's. 3.4. - De files .GPM. Deze extensie betekent Graphic Packet Mail. Met behulp van deze file is het mogelijk om persoonlijke berichten aan een bepaalde call te sturen, wanneer men door deze call geconnected wordt. I.p.v. de normale connect tekst wordt deze tekst uitgezonden. Per call kan een mailfile gebruikt worden. Macro's kunnen ook gebruikt worden. Het tegenstation kan d.m.v. het commando //KILL of //DEL deze tekst weer wissen. Handig is om dit aan het einde van dit bericht aan te geven. Het uitzenden van de *.GPM- file gaat voor het uitzenden van de *.GPC-file. 3.5. - De file MHEARD.GP. GP houdt zelf een MH-lijst bij, waarin alle gehoorde roepnamen opgeslagen worden. De grootte van de MH-lijst wordt bepaald in CONFIG.GP door het instellen van MHBUFFER. De MH-lijst heeft twee funkties: - Als menu voor QSO-Spion. - Voor het cmd //Mheard van het tegenststion. Na het beeindigen van GP wordt de MH-lijst in de file MHEARD.GP opgeslagen. 3.6. - De file NAMES.GP. In deze file worden de namen, roepnamen en de connect-paden van de andere stations opgeslagen. Bovendien wordt hier ook de QRG- administratie van GP bijgehouden. Een geconnect station kan d.m.v. het cmd //NAME zijn naam in de lijst zetten. D.m.v. de editor van GP kan men deze lijst naar behoefte bijwerken. 3.7. - De files *.GPB. In Graphic Packet Backup staat alle data die benodigd is voor het opstarten en beeindigen van GP. Onder geen beding mag men deze data veranderen !! Door deze file is het mogelijk wanneer men geconnect is GP te beeindigen, een ander programma te starten, dit te stoppen, en GP weer op te starten, en kan men zondermeer weer verder met het QSO gaan. In de file CSTAT.GPB wordt de QSO-data opgeslagen, In BUFFERS.GPB worden de tekstbuffers opgeslagen. (alleen wanneer in CONFIG.GP "Backup=ON" gekozen is). Bovendien wordt in CSTAT.GPB de Setup- instellingen en QSO-parameters van ieder kanaal opgeslagen. 3.8. - De file BINDATA.GP. Hier staat de data voor het openings-venster van GP. In de EGA-mode wordt het openings-venster niet getoond, vanwege de te lage resolutie. 3.9. - De file ICONS-GP. Deze bevat alle data van de icoontjes van het GP-scherm. Naar behoefte wordt deze van diskette of harde schijf geladen in het EMS- of XMS- geheugen. Op deze manier staat het volledig ter beschikking van GP, zonder dat men steeds delen van het scherm van schijf moet laden. De file moet in dezelfde directorie als GP staan, omdat GP anders niet zal starten. Men kan de icoontjes naar eigen behoefte veranderen d.m.v. het programma GP-PAINT van DL1ELY. 3.10 - De files .GPL. In deze Graphic Packet Logfile wordt de data opgeslagen die door de ingebouwde logboek-manager verwerkt wordt. Voor iedere MYCALL wordt een aparte logboek-file aangelegd, om een beter overzicht te houden. Het formaat van de logboek-file is uitwisselbaar met die van SP. 3.11 - De files *.GPT. Deze files bevatten de systeem en remote-tekst van GP. Hierdoor is het mogelijk om GP met acht verschillende talen te gebruiken. Om de verwerkings-snelheid hoog te houden, wordt deze tekst op een speciale manier opgeslagen, en moet ook op een speciale manier bewerkt worden. Dit kan d.m.v. het pgm G(raphic) P(acket) T(oolkit) van DL1ELY. 3.12 - De files *.GPH. In deze files wordt de tekst van de remote-help opgeslagen. Deze tekst wordt uitgezonden wanneer het tegenstation //Help intypt.Iedere helptekst wordt door @ voorafgegaan en afgesloten met een cijfer. De grootte van dit cijfer bepaald tot hoever dit //commando afgekort kan worden. Typt men //HELP dan krijgt men een overzicht van alle remote- cmd's. Typt men b.v. //H RUN dan krijgt men hulp specifiek voor het RUN-cmd. 3.13 - De files .GPW. Hier worden de PASSWOORD-data opgeslagen. Alleen van belang voor Sysops van TheNet-, Baycom-, Flexnet-, Falcon-,Digiware-Digipeaters en DieBox- Mailboxen. Verdere info vindt men in hoofdstuk 5.12 4.1. - Toets-commando's voor alle kanalen. F1..F10 - Schakel naar kanaal 1..10 F11 - BBS-menu (ook Alt-F1) F12 - DieBox lijst funktie (ook Alt-F2) ALT-F4 - Scherm schoonmaken. ALT-F6 - Laat laatste Link-Status melding zien. ALT-F7 - Laat laatste Fout-melding zien. ALT-M - Schakel naar Monitor kanaal. ALT-E - Schakel naar de Editor. ALT-G - Schakelt de Bel aan/uit ALT-O - DOS-shell. ALT-R - Softscroll aan/uit. ALT-U - Setup ALT-X - Programma beeindigen. ALT-Y - Roepnaam invoeren (mag je niet geconnect zijn) ALT-Z - Zoom aan/uit (alleen bij VGA) - Schakelt tussen overschrijf- en tussenvoegmode (geldt alleen voor de kanalen 1 t/m 10 en de editor) 4.2. - Commando's die alleen geldig zijn voor kanaal 1..10. Shift-F1..F12 Zend textmacro 1..12 (F1.GPI...F12.GPI) ALT-B - Scroll balken aan/uit. ALT-C - Verbinding zoeken. ALT-D - Verbinding beeindigen. ALT-Y - Mycall instellen. ALT-S - QSO wegschrijven. ALT-F - Data zenden ALT-T - Connect tekst uitzoeken. ALT-Q - Frequentie invoeren. ALT-N - Naam tegenstation opslaan. CTRL-D - Schrijft datum in het voorschrijfbuffer. CTRL-T - Neemt de tijd over uit voorschrijfbuffer. CTRL-Y - Delen in voorschrijfbuffer wissen (Wordt in tussenbuffer gecopieerd en kan met Ctrl-P hersteld worden) CTRL-INS - Copieert een geselekteerde tekst uit het RX-scherm in de editor. CTRL-RETURN - Zendt een regel uit zonder CR aan het eind van deze regel. Hierdoor kan men een eindelose regel maken. 4.3. - Editor-commando's. ALT-L - Tekst van schijf laden. *) ALT-S - Tekst op schijf opslaan. CTRL-Y - Regel wissen (wordt in gelijk in een tussen-geheugen gecopieerd, en kan teruggeroepen worden dmv CTRL-P). CTRL-C - Regel in het tussen-geheugen kopieeren (COPY) CTRL-P - Tussen-geheugen in regel kopieeren. 4.4. - BBS-menu & DieBox lijst Commando's ALT-S - Checklijst sorteren (niet bij LIST) SPACE - Markeren/Demarkeren RETURN - Lees-bevel naar Mailbox steuren. ESC - Check-menu verlaten. 4.5. - Beeldscherm en cursorsturing. CURSOR-UP - Scrollt de tekstbuffer naar boven. CURSOR-DOWN - Scrollt de tekstbuffer naar beneden. CURSOR-RIGHT - Beweeg de cursor naar rechts. CURSOR-LINKS - Beweeg de cursor naar links. PAGE-UP - Scroll een bladzijde naar boven. PAGE-DOWN - Scroll een bladzijde naar beneden. CTRL PAGE-UP - Spring naar de begin v/d tekst. CTRL PAGE-DOWN - Spring naar het einde v/d tekst. CTRL CURSOR-RIGHT - Zet de cursor aan het begin v/h rechter woord. CTRL CURSOR-LEFT - Zet de cursor aan het begin v/h linker woord. HOME - Zet de cursor aan het begin v/d regel **). END - Zet de cursor aan het eind v/d regel **). *) Met de funktie "Tekst laden" en "File uitzenden" wordt er een opgave van een naam verwacht. Duiken in deze namen z.g. wildcards op, * of ? dan wordt er een file-selektie-window geopend, en kan men uit een lijst van namen een file uitzoeken. Wordt als filenaam een subdirectorie opgegeven dan wordt automatisch de plaats- vervangende *.* gebruikt, en dienovereenkomstig een lijst getoond. De keuze-lijst begint altijd met een voorhanden zijnde sub- directorie, gevolgd door de eigenlijke files. De sub-directorie herkent men aan de z.g. backslash = \, die direct na de naam volgt. Door keuze van deze "\" wordt een nieuwe sub-directorie gekozen en de inhoud hiervan wordt getoond. Het kiezen van de directorie "..\" wisselt naar de hogere directorie. *) De HOME en END-toetsen worden bij het monitor en connect-scherm gebruikt om de tekst een regel naar boven dan wel naar beneden te scrollen. Dit is gedaan omdat de cursor-toetsen al in het zend- scherm gebruikt worden. 4.6. - Het maken van de ASCII-tekens 1 - 31. Normaal kan men de ASCII-karakters 1 t/m 31 door de toetsen-combinatie CTRL-(A....Z) resp. door andere CTRL-combinaties maken. Enige CTRL- funkties zijn al door GP in gebruik, bv CTRL-D. In dit geval wordt dan niet het ASCII-teken 4, maar de datum in het zendbuffer geschreven. Onder bepaalde omstandigheden heeft men toch een bepaald ASCII-teken nodig, wat door GP al door een macro in gebruik is. In dit geval kan men toch dit ASCII-teken tevoorschijn toveren dmv de ALT-toetst ingedrukt te houden, en dan tegelijk een getal in te typen op het alfa- numerieke blok van het toetsenbord, en daarna de ALT-toets los te laten. Men kan een getal tussen 1 en 255 intoetsen. 5. - Het maken van een QSO met GP. 5.1. - Algemene informatie. Met GP heeft men de mogelijkheid om 10 QSO's tegelijk te voeren (afhankelijk van de gebruikte TNC). Per QSO kan men steeds 1 kanaal gebruiken. Men kan van kanaal veranderen d.m.v. een van de funktie- toetsen F1 t/m F10 te kiezen. Voor ieder kanaal kan men een andere roepnaam kiezen, dit kan men doen, wanneer men nog niet geconnect is, door ALT-Y in te toetsen en de juiste roepnaam in te voeren. Wil men een verbinding met een tegenstation tot stand brengen, dan moet men ALT-C intoetsen. Hierna krijgt men een lijstje met roepnamen waaruit men de benodigde call moet kiezen. Staat deze roepnaam in de NAME-file , maar zonder de juiste route, dan zal men de juiste route achter deze roepnaam op moeten geven gescheiden door spaties. Wil men b.v. PA3GJH via PI8HDR en PI8YRC connecten, en PA3GJH staat nog niet in de NAMES-file, dan moet men via het icoon MyCall "PA3GJH PI8HDR PI8YRC" opgeven (Zie ook het TNC-2 handboek). Is daarintegen PA3GJH in de lijst opgegeven dan is "PA3GJH" voldoende, omdat de rest van de route al in de NAMES-file bekend is. Wil men een connect be�indigen, dan drukt men op ALT-D. Is men gelijktijdig op meerdere kanalen geconnect, en er wordt op het niet gekozen kanaal tekst ontvangen, dan zal dit kanaal-nummer van kleur veranderen. Bovendien is het mogelijk dat men een signaaltje hoort ten teken dat er op een ander kanaal packets worden ontvangen. Zie (hoofdstuk 3.1.8.). Zodra men met een station geconnect is kan men beginnen met typen. De tekst wordt aan de bovenkant van het scherm getoond, in het z.g. zend-scherm. Men kan de tekst editen per regel editen, en wanneer het naar de zin is dit d.m.v. de RETURN-toets uitzenden. Is de regel volgetypt dan zal de automatische word-wrapping er voor zorgen dat een woord niet in het midden wordt afgebroken, wanneer hij niet volledig op de regel past. Dit woord zal automatisch op de volgende regel gezet worden, en de vorige regel zal uitgezonden worden, zonder dat men op de RETURN-toets hoeft te drukken. Is de regel korter dan de ingestelde word-wrap (b.v. 78) dan moet men op RETURN drukken om toch deze tekst uit te zenden. Via het SETUP-icoon kan men het aantal karakters per regel instellen. Wanneer men b.v. in de convers-mode van een digipeater werkt moet men er rekening mee houden dat de roepnaam aan het begin van de regel wordt gezet en daarmee het aantal karakters dat op een regel past verlaagd. Daarom is het beste dan de wordwrap-mode op 65 karakters per regel in te stellen. 5.2. - File-verzenden (ALT-T). Via deze optie wordt een file van schijf verzonden naar het tegenstation, waarbij in dit geval de macro's zoals die in een *.GPI- file gebruikt worden, genegeerd worden. Er bestaan drie mogelijkheden voor file-verzending: 1 - Tekst-file verzending 2 - Binaire-file verzending 3 - Autobin-file verzending 4 - Editor-inhoud verzending Bij het verzenden van een tekst-file wordt de data gewoonlijk sequentieel gelezen, en naar het tegenstation gestuurd. Hierbij worden bepaalde karakters zoals b.v. LF of EOF niet verzonden, dat betekend dat de tekst een beetje veranderd wordt. Dit echter, speelt bij tekst- files totaal geen rol. Wil men echter files verzenden, die precies hetzelfde bij het tegenstation op schijf moeten komen, als ze bij jouw op schijf staan, b.v. EXE-files, GIF- of JPG-files enz. dan moet de data als een binaire-file verzonden worden. De autobin-verzending is een verbetering van de binaire-file verzending. Hierbij wordt n.l. voor het uitzenden een klein en eenvoudig protokol gebruikt, waardoor eventuele fouten bij de overdracht vastgesteld kunnen worden. Voor de eigenlijke uitzending van de file, wordt naar het tegenstation de informatie van de grootte van de uit te zenden file verstuurd, die dit met een bevestiging beantwoord. Hierna begint de eigenlijke data-overdracht. Na het einde van deze overdracht wordt een proefsom naar het tegenstation gezonden, die tijdens de overdracht berekend is, en wordt dan bij beide stations op het scherm getoond. Zit hier verschil tussen dan is de file niet goed overgedragen, en is het programma of plaatje niet te gebruiken, en dient dan weer gewist te worden. Deze manier van data-overdracht is hetzelfde als bij Turbo Packet, TOP, SP enz. Deze overdracht is alleen mogelijk wanneer het tegenstation dezelfde packet- software gebruikt. Wanneer het tegenstation geen GP gebruikt en "7+AutoSave" ingeschakeld is, moet de ontvanger eerst zijn programma op ontvangst schakelen, voordat de zendkant met data-overdracht kan beginnen. Wordt deze wijze van werken niet gebruikt, dan zal de header van de 7+ file niet gedecodeerd worden en geen bevestiging teruggezonden worden waardoor geen data-overdracht plaats zal vinden. GP herkent echter de Auto-Bin header bij ingeschakelde "7+ AutoSave" automatisch, zodat de ontvangst-kant AutoBin niet met de hand in hoeft te schakelen. Het DieBox-systeem biedt vanaf V 1.9 de mogeleijkheid, files m.b.v. de Auto-Bin-mode, naar de mailbox up- en down te loaden. Het uitzenden van de editor-inhoud, bestaat alleen hieruit dat de inhoud van de tekstbuffer van de ingebouwde editor wordt uitgezonden. Een verschil met het bovengaande is dat de gebruikte macro's nu wel worden uitgezonden. Men moet er dan ook voor waken, dat men voorzichtig met de %-tekens omgaat, omdat het tegenstation anders vreemde teksten op zijn scherm krijgt. Moet een % toch gebruikt worden dan doet men dit d.m.v.(%%) in te typen. Alle manieren van data-overdracht kunnen tussentijds onderbroken worden, wanneer de toegepaste funktie opnieuw gekozen wordt. Wordt GP tijdens een file-uitzending met ALT-X be�indigd, dan zal deze wanneer GP weer opnieuw opgestart wordt, verder worden uitgezonden naar het tegenstation. Vanaf GP V1.5 wordt tijdens het uitzenden van data een status-scherm getoond met vele leuke opties. Zo wordt naast de naam van de file die uitgezonden eze file kan daarna ierer moment vanuit DOS ook met "Copy filenaam.ext PRN" geprint worden. OPGEPAST: Wordt een file "geprint" dan vervalt de vraag of er al een file bestaat met dezelfde naam. Is dit het geval dan zal deze file worden overschreven. Deze ondervraging vervalt omdat men normaal vanuit een file print die al reeds bestaat. 5.3.3. - Stuk tekst opslaan. Met deze optie kan men een willekeurig stuk tekst uit de tekst-buffer naar schijf kopi�ren. Het komt vaak voor dat men een bericht uit de mailbox haalt, en men is vergeten de tekstsave-funktie aan te zetten; dan heeft men hiermee dee mogelijkheid om dit alsnog te doen. Het is dan ook aan te bevelen om voor 1 kanaal een grote tekstbuffer te reserveren van ongeveer 500 regels, zodat men niet de kans loopt, wanneer een stuk tekst niet in de tekstbuffer past, deze zal worden overschreven, en men niet de volledige tekst kan markeren en wegsaven. GIF-plaatjes enz. die met 7-plus in een tekstformaat zijn gecodeerd kunnen beter on-line met Code-Autosave weggesaved worden, omdat dan de minste kans bestaat op fouten. (zie hoofdstuk 5.3.5) Als bestemming kan men hier ook een file of een DOS-apparaat kiezen. Wordt voor de printer gekozen dan wordt er net zoals in 5.3.2. geprint. Voor het drukken van een stuk tekst moet men de juiste printer-poort opgeven b.v. "LPT1". Kiest men met markeren de laatste regel van de tekstbuffer, dan heeft men de mogelijkheid, om de verdere tekst in de save-mode "tekst-file online" aan deze file vast te knopen. 5.3.4. - Save-mode AutoBin. Deze funktie slaat een binaire-file op met een overdrachts-protocol gelijk aan Turbo Packet, SP en AHP (auto-mode). Voor de beschrijving zie hfdst. 5.2. Wil men een binaire-file van een tegenstation ontvangen dan moet men eerst bij het eigen station de save-mode "binaire-file" kiezen, voor dat bij het tegenstation de verzending gestart wordt. Wil men een binaire-file opslaan die met 7Plus enz. gecodeerd is, dan kan deze file zonder meer als een tekst-file op schijf opgeslagen worden. (zie hfdst. 5.3.1.) Vanaf GP V1.50 hoeft men de AutoBin-mode niet meer met de hand te starten, en wordt verder alles door GP geregeld, als men de schakelaar op het scherm "7+ AutoSave" ingeschakeld heeft, en het tegenstation de uitgebreide AutoBin-header verstuurd heeft, waar de file-naam in staat. Bij SP V6.0 en DieBox-mailbox V1.9A is dit het geval. OPMERKING: Files die in een DieBox-mailbox in AutoBin-formaat is opgeslagen, herkent men aan een (BIN) voor de naam. Gebruikt het tegenstation niet de uitgebreide AutoBin-header, dan wordt de file opgeslagen onder de naam .xxx, hierbij is de roepnaam van het tegenstation, en xxx wordt een getal tussen 000..999. Bestaat de file PA2JJB.000 al dan wordt de volgende keer de file PA2JJB.001 aangemaakt, wanneer geen uitgebreide AutoBin-header gebruikt wordt. 5.3.5 - Code-AutoSave Code AutoSave is een zeer handige funktie voor het opslaan van 7plus- en LCplus-gecodeerde files. Het opslaan wordt namelijk geheel automatisch door GP verzorgd, en hoeft men zich geen zorgen te maken over naam enz. Alle 7Plus- en LCplus, .ERR- en .COR-files worden automatisch herkend. Met de laatste versie van 7Plus is het nu ook mogelijk om b.v. een GIF-file in 10 files te decoderen en deze als ��n gezamelijke file .upl klaar te zetten. Het enige wat het tegenstation dan hoeft te doen is //r .upl te typen, en GP regelt voor de rest alles automatisch, en kan men met een gerust hart een bakkie koffie/thee gaan drinken. Wanneer alles overgezet is, zoekt men in de directorie SAVE de naam die men hebben moet, men typt 7plus .p01 en alle delen worden weer samengevoegd tot een GIF-file, of een .EXE-file enz. De werking van deze funktie is vrij eenvoudig: Zodra een 7plus-header herkent wordt, en er is geen save-mode ingeschakeld, dan aktiveert GP automatisch de "Online"-save, en laat dit door het info-scherm zien. De navolgende data wordt zoalang op schijf opgeslagen tot een EOF wordt ontvangen. De zo onstane file op schijf bevat alleen de informatieve data, en niet overige tekst, b.v. van de mailbox-header, deze wordt niet opgeslagen. Aan- en uitzetten van deze funktie doet men in het SETUP-menu, voor verdere info zie hfdst. 10. Vanaf GP V1.50 is het automatisch opslaan in de AutoBin-mode ook verbeterd. (Zie hfdst.5.3.4.) Vanaf GP V1.61 is het nu ook mogelijk, de AutoSave-funktie met ingeschakelde tekst-opslag te gebruiken. 5.4. - Tekst naar de editor kopie�ren. Vanaf GP V1.20 bestaat de mogelijkheid, om een stuk tekst vanuit de tekstbuffer naar de editor te kopi�ren, en het daarna verder te bewerken en op schijf op te slaan. Wil men een stuk tekst markeren, dan kan men dat het beste met de muis doen. Hiertoe gaat men met de muispijl naar de eerste regel van de te markeren tekst, houdt de linker-muistoets ingedrukt en beweeg de muis naar onderen of boven, net zolang totdat het gewenste tekstblok met de inverskleur is gemarkeerd. Laat de muistoets los en druk nu op CTRL-INS of CTRL-K, en de gemarkeerde tekst staat nu in de editor. Stond er al een tekst in de editor die nog niet opgeslagen was, dan wordt men gevraagd dit alsnog te doen. Klikt men weer met de muis in de gemarkeerde tekst dan zal deze markering weer verdwijnen, en kan men een nieuw stuk tekst markeren. 5.5. - De afstandsbediening van GP. GP biedt een hele lijst met afstand-bediening-commando's, die het tegenstation benutten kan. ieder commando dient te beginnen met twee schuine strepen (//), zodat GP weet dat het om een afstand-besturings- cmd gaat. Toch kunnen er soms nog fouten optreden, wanneer er in de eerste kolom // gebruikt wordt. Dit kan vooral gebeuren bij het werken met een mailbox, wanneer bepaalde stations in een mail aan u, // gebruiken in de tekst. Daarom kan men bij het werken met een mailbox beter de afstandbediening uitschakelen, of in de NAMES-file de roepnaam van de mailbox voor af te laten gaan door een "B>". Voor roepnamen voorafgegaan met een "B>" wordt door GP automatisch de afstandbediening afgezet. Voor de commando's die betrekking hebben op het lezen en schrijven op schijf dient wel het juiste pad opgegeven te worden in CONFIG.GP. Alle gebruikers hebben bij GP dezelfde prioriteit, d.w.z. 7+ files en autobin-files gaan automatisch naar de SAVE-directorie, en tekst files gaan naar een opgegeven pad in de USER-directorie. Hierin kan men ook allerlei interessante teksten zetten voor de tegenstations. Ook is het mogelijk om onder de USER-dir weer sub-directories te maken, zodat men de pgm's cq teksten overzichtelijk op kan slaan, en door de tegenstations d.m.v. //cat een inhoud van deze directories op te vragen is. Ook is het mogelijk om zelf afstandbesturing-cmd's geven d.m.v. "ESC" in te toetsen en dan het cmd in het TNC-venstertje in te typen b.v. //help. Het tegenstation zal door dit cmd een overzicht van alle remote-cmd's krijgen, en dan lijkt het net of hij dit zelf heeft opgevraagd. (TNC wordt voor de gek gehouden). 5.6. - Externe programma's opstarten. Met het afstand-cmd "//RUN


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina