‘ Het mensbeeld in de Kabbala’ Samenvatting



Dovnload 411.57 Kb.
Pagina1/7
Datum21.08.2016
Grootte411.57 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7
Het mensbeeld in de Kabbala’

Samenvatting

Weinreb F.

1 Wat is de mens en wie is hij? 1

2 De hemelse paleizen 7

3 Liefde 10

4 Afgrenzing van de oerruimte 14

5 De schepping 18

6 De letters krijgen vorm 23

7 De mens als Abraham 25

8 Mannelijk en vrouwelijk 29

9 Geschiedenis en mythe 32

10 Fasen in de schepping van de mens 35

11 Begrenzing en wet 39

12 Het breken der vaten 41

13 Hij, jij en ik 43

14 Het ongeduld van de mens 46

15 De dualiteit in de mens 52

16 De tijd en het tijdloze 54

17 Het gaan en het rusten 57

18 Herhaling van het oude 60

19 Van leed naar vreugde 67

20 Zonde 70

21 De dubbele aardse werkelijkheid 75

22 De raderen 77

23 De vier elementen aan deze en gene zijde 78

24 De weg naar huis 83

1 Wat is de mens en wie is hij?

Is de menselijke verschijning een hoger ontwikkeld zoogdier na miljoenen jaren selectie uit onverwachte mutaties, beheerst door het toeval? Het is niet zonder meer onjuist. Zelfs intellect, fantasie, moraal, ethiek en godsdienstige voorstellingswijzen kan men beschrijven als producten van een lange ontwikkelingsgang. Het verschijnt toch zo voor ons? Er zijn de stoffelijke getui­gen uit een ver verleden, maar er zijn ook andere getuigen. Overal ter wereld, bij alle volkeren en in alle culturen, bestaan verhalen over een rijk, geheel anderssoortig verleden dan dat van de opgegraven primitieve dierlijke voorvaderen. In die wereld verkeerden goden met mensen, waren er reuzen en dwergen, gigantische dieren die met de mensen spraken. Er werd daar gelachen en geleden, wijs en dom gehandeld. Men had er lief en men haatte er. Overal komt een zelfde patroon tevoorschijn.

Deze laatste verhalen vormen een onoverbrugbare tegenstelling met het weten­schappelijk onderzoek. De wetenschappelijke macht wil deze verhalen dan ook niet horen tenzij als sprookjes, legenden en sagen. Men ontleedt ze zoals de oude fossielen en men klasseert volgens groep, ouderdom, oorsprong. Men ontleedt grammaticaal, vergelijkt de gebezigde woorden en men ontdoet de tekst van het leven. De ene realiteit verschilt zozeer van de andere dat ze de andere wel moet doen instorten.

De mythologie van alle volkeren weet van een verloren paradijs, van wereldondergangen, van grote ram­pen en van grote koningen. Zij weet van wijzen, tovenaars, wonderen die tijd en ruimte doorbraken. Zij weet van goden die uit een andere wereld neerdaalden en weer terugkeerden.

Het woord leek er een andere kracht te hebben. Het gebaar werd veel hoger gewaardeerd. Handelingen van de mens waren bepalend. Alle mythen vertellen van offers, van nauwlettend uitgevoerde rituelen, zinvolle namen en woord­combinaties. Waarom werd zoveel betekenis gehecht aan vreemde, soms zelfs afschuwelijke beelden? Wat betekenen de schrikaanjagende maskers? De dieren en planten schijnen in de mytholo­gische werelden geheel anders in het menselijk leven geïntegreerd te zijn geweest dan nu.

Oude verhalen vertellen dat bij een wereldondergang een deel van de mensheid tot apen werd en als zodanig voortleefde en dat een ander deel tot domme, wilde, onwetende wezens werd omgevormd. Waar bleef de mens van vóór die ondergang? Werd hij bij opgravingen dan niet ook terug gevonden? Zoekt de wetenschap dusdanig verkeerd dat men aan die andere mens voorbijgaat?

Heeft de huidige mens misschien iets geheel anders in zich, wat wetenschappelijk onder­zoek eenvoudig niet vat? Of is het bij de huidige mens inderdaad verloren gegaan, zoals de verhalen van de wereldondergangen vertellen? Is deze huidige mens inderdaad slechts een product van wezens die na die wereldondergang verschenen?

Het heelal schijnt zelfs gewijzigd. Er zijn andere sterren, vroegere sterren zijn verdwenen. Het medium waarin de mens verschijnt verandert. De mens ziet anders, begrijpt anders. Eroebin van de Talmoed Bawli: 'Het hart van de vroegere ouden was zo wijd als de poorten van de grote hallen, dat van de latere ouden was als de deuren van zalen, het onze echter is nog als het oog van een naald waarlangs het inzicht moet binnen komen.' En dan te bedenken dat dit werd gezegd door mensen wier inzicht en begrip, vergeleken met de huidige mens alweer immens moet worden geacht. Ik denk aan een bekende chassidische vertelling, midden 19°E. Rebbe Israël ben Ruzhin, de stamvader van de czortkower chassidiem, vertelde van de verbijsterende teruggang van inzicht in zijn tijd. Bedenk dat tussen mid 18° en mid 19°E de zogenaamde 'Verlichting' zit, alsook de industriële revolutie en de Franse revolutie. 'Als de Baal Shem (1700 tot+/- 1760) een heilige daad verrichtte, ontstak hij een vuur op een heel bepaalde plaats in een speciaal bos. En als dat vuur lichtte, wist hij tot God woorden te richten die God vernam en waarop God hem direct antwoordde. Bij het volgende geslacht (de grote zoon, leerling van de Baal Shem, de maggid Dow Bar, grootvader van Ruzhiner) ging, als men een heilige daad te verrichten had, ook Dow Bar naar het bos en begaf zich naar die zelfde bepaalde plaats. Hij wist echter niet meer hoe men het vuur ontstak. Hij sprak de woor­den tot God zonder dat vuur en God antwoordde hem dien­overeenkomstig.

Weer een geslacht verder ging ook de grote rebbe Moshe Löw van Sassow, als een heilige daad verricht moest worden, naar het bos. Hij kende nog die bepaalde plaats in dat bos, maar hij wist niet meer hoe het vuur te ontsteken. Hij wist ook niet meer de woorden die hij daar tot God richten kon. En zo wendde hij zich op die plaats in dat bos tot God zonder het vuur en zonder de woorden die nog aan het vorige geslacht bekend waren. En God antwoordde hem naar intensiteit die dat geslacht kon opbrengen.

Als dan in het daaropvolgende geslacht rebbe Israël van Ruzhin een heilige daad te verrichten had, kon hij alleen zeggen: 'Wij, arm geslacht, wat weten wij nog? Wij weten niet eens meer de plaats in dat bos dat door ons betreden moet worden. Wij kunnen alleen het verhaal vertellen. En God ant­woordde dienovereenkomstig.'

En wat weten wij nu, vergeleken met deze groten? Wat wordt überhaupt met dat bos bedoeld, met die bepaalde plaats, met dat vuur, de woorden? Tussen rebbe Israël van Ruzhin en onze generatie liggen 2 wereldoorlogen, de Russiche revolutie, de technische revolutie, de uitroeiing van dat chassidisme. Wat kan dit geslacht zelfs nog maar vermoeden van het inzicht van het geslacht van de Ruzhiner? En wat een werelden liggen er tussen deze Ruzhiner en de giganten die het traktaat Eroebin nog wisten op te schrijven 2000 jaar geleden?

De oude verhalen vertellen hoe de wereld meerdere malen geheel veranderde, hoe de mens telkens een andere lucht inademde en hoe bij iedere verandering de stof waarin de mens leefde een geheel nieuwe uitdrukking kreeg.



De groten verrichtten het ondenkbare door in woorden vast te leggen wat gedurende onmetelijke tijden als heilig vuur van leraar op leerling was en is overgegaan, nl het weten van God, van zijn woning, van de mens door alle werelden heen, de zin van het bestaan, de zin van de schepping, de weg van de mens, waarmee hij in dit leven de zin van alle andere werelden vervult. Deze groten noemden zichzelf zo nietig dat zij hun weten als ogen van naalden beschouwden, vergeleken met de poorten waardoor de vroegeren het weten lieten binnenstromen. Deze groten die de Talmoed Bawli realiseerden, een werkelijk niet te beschrijven grootse schepping, leefden al in de wereld na de verwoesting van de tempel door Nebukadnezar. Met die verwoesting van Gods woning door de koning van Babel (de koning van de wereld van verwarring) veranderde de wereld onvergelijkbaar. De overlevering duidde de gevolgen als een verspringing van de aarde met 40 PARSA, dwz een verspringen naar een geheel ander tijdsaspect. Er ontstond een geheel nieuw ruimtegevoel en ruimtebewustzijn. Alleen dit al maakt ieder vergelijk in het materieel verschijnende onmogelijk. Het wetenschappelijk onderzoek negeert deze mededelingen. De verhalen van de ouden vertellen over vele wereldondergangen.

  1. het verhaal van de mens in GAN EDEN, in het paradijs en zijn ondergang.

  2. Kajins verdrijving

  3. De wereldondergang van het geslacht van Enosh.

  4. De zondvloed.

  5. De ondergang met de HAFLAGA. (Torenbouw van Babel)

  6. Sodom.

  7. De ondergang van Mitsraïm.

  8. Wereldwijzi­gingen als hongersnoden.

Hongersnood is niets anders dan een opdrogen van de boodschap uit de hemel. Oude verhalen vertellen over de wijzigingen in afstand tussen hemel en aarde, dwz veranderingen in inzicht en potenties van de mens. De overlevering spreekt van 10 hongersnoden en 10 veranderingen in de afstand tussen hemel en aarde. Het getal 10 wil zeggen dat de veranderin­gen en ondergangen zeer talrijk waren. Met de 10 is het hoogste getal in de opbouwende reeks bereikt.

Door al deze revoluties is het woord evenwel blijven bestaan. Het verhaal bleef en blijft vertelbaar. Het woord is de verpakking (voor) van het leven. De TEWA, de 'ark' van Noach, betekent 'woord'. In de TEWA (komt) zit alles in zijn dualiteit, mannelijk en vrouwelijk. Zo blijft (het) alles bestaan. Zo wordt (het) alles in de nieuwe wereld overge­bracht en komt (het) alles opnieuw tot leven maar dan in geheel andere omstandigheden dan de ondergegane wereld. Het woord draagt het leven (door) over de wereldondergangen heen. Alle ervaringen en kennis wordt in het woord verpakt. En zo dra­agt de TEWA het leven van vroegere werelden, vanaf het oerbegin door alles heen, doch vandaag is ‘het woord’ ons dus weliswaar als mythologieën bekend. Mythos betekent 'woord', vol leven, vol schakeringen. Het woord openen is de TEWA laten spreken, de mythos tot leven wekken; een nieuwe wereld openen?

De huidige mensen gebruiken woorden slechts voor uiterlijke contacten. Ik geloof dat onze huidige maatschappij in moeilijkhe­den raakt als men de woorden zou kunnen openen. Wat zou men voelen als waarnemen echt het ‘waar’ of 'ware'-nemen is, dat lijf leven is, herinneren her (opnieuw)-'inneren' is? Men weet van deze voor de hand liggende voorbeelden niets meer. Werden de wezens na de wereldondergang niet tot apen? De woorden vandaag veruiterlijkten, ze geraakten verwrongen en braken. Het verhaal van de HAFLAGA (splijting; de geschiedenis van de zogenaamde torenbouw van Babel; de verwarring in het woord), van het breken van de mens en de wereld gebeurde omdat het woord (het uit een andere wereld gekomen wonder) werd misbruikt. Met de HAFLAGA braken de talen, verloren de meeste woorden hun verbinding met de oertaal, met het door God gesproken woord. Ondanks de wereldondergangen bleef de ware mens nochtans ergens verborgen voortbestaan. Zo ook bleef door de HAFLAGA heen die ongebroken taal met zijn volle goddelijke kracht in ieder woord ergens verder bestaan. Er bleef een draad. De wereld zou zinloos zijn geworden als deze draad verloren zou zijn gegaan. Zelfs de grootste vernietiger van het heilige ziet dat onschijnbare, nietige over het hoofd. Die oertaal, de taal van God kan de aarde doen loskomen en doen opstijgen naar andere werelden. Het is een taal die gespaard bleef voor misbruik. Ze behield haar verbinding met de oorsprong.

Met het breken van de taal gaat ook de herinnering (de oorsprong aan het hogere) verloren. Het woord bepaalt immers de herinnering. Het woord is het schip dat het leven door de tijd draagt, van wereld tot wereld, van eeuwigheid naar eeuwigheid. Waarom oertaal? Het wonder van de schepping wordt er in weerspiegeld zoals ook de samenhangen met een andere wereld.

Het woord vormt het karakter van de mens. Het nog hele woord, begrepen en gewaardeerd als heelheid, verheft de mens. Zijn voeten staan op de aarde, zijn hoofd is in de hemel. Dit woord kan mededelingen dragen van wereld naar wereld, van leven naar leven, zonder dat ze hun karakter verliezen. De spraakverwarring (HAFLAGA) betekent niet dat men verschillende talen spreekt maar hetzelfde woord verschillend begrijpt. Zeer zeker kan ook de heilige oertaal misbruikt worden voor het uiterlij­ke. Dan verliest zij haar bijzondere kracht. De HAFLAGA is evenwel een scheppingsbeginsel. Zij behoort tot de structuur van de wereld.

Zo gevarieerd als er mythologieën zijn, zo vast staat het verhaal in de TEWOTH van de Thora. In de andere mytho­logieën ziet men de HAFLAGA; bij de Thora zit de vaste verbinding. Ook de mondelinge Thora toont binnen zijn variaties een vaste structuur. In de kern zijn de potenties voor deze variaties. Juist in hun gevarieerd­heid vormen zij een bijzondere harmonie. De verhalen geven een antwoord op de vraag wat en wie de mens is. De verhalen in andere talen en andere culturen zeggen onge­veer hetzelfde. Tenslotte komen alle talen uit dezelfde HAFLAGA voort. Er is beslist een gemeenschappelijk weten. De HAFLAGA werkte op alle gebieden als een explosie.

De verhalen vertellen van een mens met een rijk, verheven verleden, bijzonder levendig, diep tragisch en ook niet-uitdrukbaar gelukkig. Het is diametraal tegengesteld aan wat de mens in de aarde opgraaft. De verhalen beantwoorden ook vragen over het leven van deze mens op de huidige aarde. Ook hij draagt het stempel van Gods evenbeeld, en dat is veel meer dan alleen maar een aantal uiterlijke kenmerken.



De mens is Gods evenbeeld. Het is de mens als kwaadaardige rover, moordenaar, heilige, wijze, domme, slappe, slaperige, egoïstische, luie burger. Het is de mens die zoekt en wanhopig is en de mens die meent te weten en zich gelukkig waant.

Men stuit op de oervraag naar God, naar het 'wat' (MA) en het 'wie' (MI). De vraag naar de mens is uiteindelijk ook de vraag naar God, zoals het vragen naar God de vraag naar de mens oplevert. Hoe is dit alles? Welke zin heeft het? Waarheen voert het? Is de menselijke verschijning hier de werkelijke mens? Bestaat de mens hier en elders tegelijk? Wat is tijd?



De mens in Gods beeld en gelijkenis heeft onmetelijke consequenties. Alles wat de mens heeft en kenmerkt is dan ook bij God. En het goddelijke vindt uitdrukking in de mens.
Hoe kan men woorden die begrenzen tegenover andere woorden, in hun beperktheid en bepaaldheid gebruiken om de eenheid met het onbegrensde uit te drukken? Woorden kenmerken zich door hun individualiteit. Zij streven naar exact begrepen te worden. Hoe kunnen zij spreken van een EIN SOF (1-10-50 60-6-80) waar geen grenzen bestaan; de wereld van God waarin alles één is, geen begin, geen einde, in tijd noch ruimte. Alles is er aanwezig, niets is er begrensd. Alles is hier en tegelijk daar. Alles kan dit zijn en tegelijk dat. Het is volkomen eenheid zonder enige beperking. Beper­king is een gevolg van grenzen; schept onbehagen, drukt neer. Een mens kan niet alles vullen, alles hebben, overal zijn, totaal begre­pen worden, kortom, alles heeft zijn grenzen, alles heeft zijn einde, zijn slot.

Taal, SAFA (300-80-5) houdt het begrip grens in. SAFA is ook ‘oever’, waar land aan water grenst. Enerzijds staat de taal aan de grens. Zij vormt de overgang van het EIN SOF naar de wereld van de grenzen. Door de taal krijgt ieder begrip zijn grens. Maar taal kan niet alles uitdrukken. In het gebied waar de grenzen vervagen of wegvallen kan men met woorden niet veel uitrichten.

SAFA en SOF zijn nauw verwant. In de wereld van het EIN SOF, 'niet'-SOF, afwezig zijn van het SOF, is het woord beperkt. Het woord houdt gevangen. Het begrip zit in het woord, zoals Noach in de TEWA.

In het EIN SOF heerst ‘een zich volledig kunnen geven’, zich volkomen voldaan en gaaf voelen, een allesomvattend weten, een door en door kennen van alles, ononderbroken, onafhankelijk van tijd.

De mens heeft toegang tot dit gebied. Is de mens niet als enige in de hele schepping in Gods beeld en gelijkenis? De eerste schrede op dit terrein is de menselijke fantasie. In de fantasie kan de mens grenzen overschrij­den. Hij kan tijd en ruimte aan zich onderwerpen; situaties creëren en weer wegnemen; voorstellingen maken van het onbestaanbare; doden laten leven en levenden dood maken; zieken genezen en stormen tot zwijgen brengen enz… Hij kan met zijn fantasie een hele wereld creëren. Hij leeft ook in die andere wereld. Hij moet er zich evenzeer in thuis voelen want de fantasie geeft hem de mogelijkheid ook andere werelden, toestanden, hoedanigheden voor te stellen en te laten leven. Het beperken van fantaseren is onmenselijk.

De mens kent ook de droom. Ook daar zijn grenzen onvast zonder wetten van tijd en ruimte. De droom komt tot de mens, de fantasie daaren­tegen creëert de mens actief. Maar ook voor de droom geldt dat niets kan worden gezien dat niet ook in het EIN SOF bestaat. De droom komt uit een reeds bestaande realiteit. Alles ervan is al in het EIN SOF aanwezig.

Enige schreden verder staan de visioenen. Zij vertellen over die andere werelden waar aardse wetma­tigheden geen rol spelen. Visioenen doorbreken evenzeer de grenzen. Deze wereld kan niet bestaan zonder haar wetmatigheden. Andere werelden kennen veel minder vaste grenzen zoals tijd of ruimte. Zoals alles bestaan ook zij in het EIN SOF. Men kan tot visioenen toetreden. Men kan ernaar opstij­gen of afdalen. Men kan door een levenswijze, door denken, door inzicht, zicht krijgen op die andere werelden. Het EIN SOF is voor de mens niet afgesloten. Hij is immers in Gods beeld en gelijkenis gemaakt. Zoals bij de droom kan het visioen tot de mens komen, in waakbewustzijn of in de slaap. Dan openen andere werelden zich voor hem. Er wordt hem iets getoond en er wordt tot hem gesproken. Met visioenen betreedt de mens andere werelden. Hij kan ze aanschouwen en verstaan. Alleen ontbreken de woorden die het aanschouwde en gehoorde kunnen uitdrukken omdat het aanschouwde en gehoorde niet is gebonden aan de grenzen van het woord. Hoe zou men het onbegrensde in woorden moeten uitdrukken? Daarom is ook de naam van God onuitspreekbaar. God is niet bepaalbaar in deze wereld. Er zijn vele namen van God in deze wereld. De naam 10-5-6-5 is per definitie onuitspreekbaar. De klinkers voor deze naam zijn allen tegelijk geldig. Door de naam alsnog uit te spreken maakt de mens slechts alternerend voorstellingen zonder tot eenheid te komen. Er is de naam ELOKIEM en er is de naam SHAKKAI (300-4-10) en er zijn de verbindingen die uit deze namen bestaan. Er zijn vele andere namen eenvoudig onuitspreekbaar, bv de naam met de 72 letters. (verzen 19, 20, 21 Ex.14) Eigenlijk is de hele Thora één naam van God, uitspreekbaar in aardse beelden, maar veel meer bevattend dan deze beelden. Met deze woorden en letters doorbreekt de mens de grenzen van tijd en ruimte en verheft hij zich tot de andere werelden. Daar vertoeft hij (in Gods beeld en gelijkenis) zoals hier.

2 De hemelse paleizen.

Hechalot – Het gevaar van het water zien – 6-7


Als alle verlangen en zoeken een verlangen en zoeken naar God is, bouwen die andere werelden zich voor de mens op. Er wordt hem dan evenredig getoond en verteld. De menselijke belangstelling toont welke werelden de mens reeds bezit. Zijn zoeken, verlangen, inzichten vertellen het hem. De mens heeft toegang tot het allerhoogste, nl. de hemelse paleizen of HECHALOTH en daar wordt de mens als zoon van God ook verwacht. God maakt hem, zoals Adam zijn zoon maakt.

HECHALOTH heeft als stam het woord KOL (20-30), 'alles'. In deze hallen is alles aanwezig. Zij zijn allesomvattend. Zij zijn in aantal en omvang grenze­loos. Zij vormen de wereld van het EIN SOF.

God vertelt via Mozes op de Sinaï aan de mens over de pracht en de schittering van deze hallen. Mozes is de 'uit het water gehaalde', dwz de uit de begrenzing van tijd en ruimte gehaalde. De hallen staan voor ons open. Wij worden er verwacht.

Vele verhalen trachen het niet-uitdrukbare, grenzeloze van deze HECHALOTH in woorden te laten voelen. In deze hallen ontmoet men de hele schepping, alle werelden, alle men­sen. Alles is daar in een staat van eenheid, alles vullend en tevens aan alles plaats gevend. De significante punten in de schepping en in de wereldgeschiedenis zijn er. Men vertelt er uitvoerig van de uiterst belangrij­ke en beslissende overgang van de 6° dag naar de 7°. Het is het punt waar de mens in Eden de NACHASH slang, ontmoet en het paradijs verliest. In de HECHALOTH komt dit gebeuren op geheel andere wijze tot uitdrukking. Juist van daaruit weten we wat de NACHASH bedoelt en wil en wat de mens dan kan doen of niet moet doen. Kort geschetst, zei die er eerder al waren waarschuwen nadrukkelijk daar niet in onvoorstelbare en uiterst tragische moeilijkheden te komen. De oude bronnen en ook de 'verslagen' van zij die deze weg reeds mochten volgen, spreken met een absoluutheid van 7 hemelen, met in iedere hemel weer 7 paleizen of HECHA­LOTH. Daar, in de eenheid zit het beginsel van de 7. Al het weten, inzicht en begrip, alle zaligheid schittert er als edelstenen. Men kan de vervulling die de mens daar overstroomt niet anders in woorden beschrijven. De mathematische harmonie, de eenheid in de veelheid, de veelvuldigheid waarmee het licht op die stenen breekt is het vele inzicht dat daar op de mens toekomt. Er komt een onbegrijpelijke lichtheid over hem. Hij voelt zich omhoog gevoerd, staande en bewegend tegelijk van zaal tot zaal, van hemel tot hemel, terwijl hij bij de eerste hal, in de eerste hemel, al overtuigd was dat er niets grootser kon bestaan. De mens krijgt door dit weten en door die beleve­nis, inzicht in nieuwe ongekende woorden, SHEMOTH, namen van God en van zijn wereld. Hij stamelt ze en ongeziene deuren openen zich. Hij betreedt een 2° hal in deze 1° hemel. Weer ondergaat hij het ongelooflijke. En bij de pracht van deze 2° hal schijnt die van de 1° hal nagenoeg verbleekt, hoewel zij in hem een gevoel achterlaat van een heerlijk huis, waar hij onbegrensd lang heeft geleefd en waar hij eigenlijk ook nog steeds thuis is.

Hoewel alles in de schepping de menselijke gelijkenis met God tegenspreekt en de mens de weg door de hallen en hemelen wil belemmeren, is het juist de mededeling in Gods namen die de mens na zo'n fase toevalt, die aan de mens de poorten van een volgende hal of hemel opent.

Komt hij nu in de 7° hemel, aan de poort met de 'namen', met het zegel, het CHOTHAM (8-400-40) om ze te openen, komt er een zeer beslissend moment. CHOTHAM heeft CHETH, 'acht' als stam. Met de 'acht' wordt gezegeld, gewaarmerkt. Wie het stempel (het CHOTHAM) heeft, kent het geheim van de 'acht'. Daarmee openen zich de poorten waarvan men niet eens wist dat ze bestonden omdat men zich al in de opperste volkomenheid waande. Men vergelijke dit ook met de zalfolie, de SHEMEN HAMISH-CHAH (300-40-50 5-40-300-8-5). De stam van het woord SHEMEN is dezelfde als die van het woord voor 'acht', SHMONA (300-40-50-5). De 'acht' is steeds het geheime, onverwachte en onver­moede woord dat de poorten in de HECHALOTH opent. Met de 'acht' kan men de tocht door de 7 hemelen volvoeren.


Aan de overgang nu van de 6° naar de 7° hemel, en ook aan de overgang van de 6° naar de 7° hal, ontmoet de mens een fenomeen van de allerhoogste orde. Hij staat namelijk voor een wereld van schitterende stenen, SHESH-stenen. Men vertaalt SHESH (300-300) gewoonlijk met 'marmer'. SHESH betekent ook '6'. Men vindt deze SHESH-stenen oa in het Hooglied 5:15, waar het vrouwelijke het mannelijke beschrijft. Daar spreekt zij van de 'zuilen van SHESH' als de bovenbenen van het mannelijke. Ook in Esther, 1:6, komen deze 'zuilen van SHESH' voor.

Marmer is in steenvorm wat water is voor het vloeiende. In marmer heeft EWEN (1-2-50) het begin en het einde, de 'vader' en de 'zoon' gebonden. De steen kent niet de tijd; niet het lijdelijke. Het vloeiende is gekristalliseerd in het 'ene'. De als waterrimpels verschijnende tekeningen in het marmer zijn een aanduiding dat de SHESH het water is in de wereld van het absolute. Water is eigenlijk SHESH, want water is tijd en tijd is een fictie, is het gevolg van een 'val', van een neerdaling. De zuilen waarop de 'koning' staat zijn zuilen van SHESH, niet zuilen van water; niet op de tijd, maar op de AMOEDÉ SHESH (70-40-6-4-10 300-300), op de zuilen van 'marmer'. Een



  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina