0421 Eigenaren der Aanwassen onder Fijnaart, 1651-1975



Dovnload 398.92 Kb.
Pagina1/6
Datum23.07.2016
Grootte398.92 Kb.
  1   2   3   4   5   6
0421 Eigenaren der Aanwassen onder Fijnaart, 1651-1975
* INLEIDING

* INVENTARIS

* 1 Stukken van algemene aard

* 1.1 Agenda's en notulen

* 1.2 Correspondentie

* 2 Stukken betreffende bijzondere onderwerpen

* 2.1 Ontstaan en vestiging

* 2.2 Organisatorische inrichting

* 2.2.1 Juridische status

* 2.2.2 Reglementering

* 2.2.3 Eigenaren

* 2.2.3.1 Algemeen

* 2.2.3.2 Verwerving en vervreemding van aandelen

* 2.2.3.3 Overige stukken betreffende de aandelen

* 2.2.3.4 Individuele eigenaren

* 2.2.3.5 Verstrekking van volmachten

* 2.2.4 Commissarissen

* 2.3 Personeel

* 2.3.1 Penningmeester

* 2.3.2 Overig personeel

* 2.4 Financiën

* 2.4.1 Administratie

* 2.4.2 Rekeningen

* 2.4.3 Belastingen

* 2.4.4 Overige stukken

* 2.5 Archief

* 2.6 Eigendom

* 2.6.1 Begrenzing

* 2.6.2 Verwerving

* 2.6.3 Vervreemding

* 2.6.4 Recht van erfpacht

* 2.6.5 Recht van vogelarij en jacht

* 2.6.6 Gemeene 's lands huis

* 2.6.7 Veerhuis en veer

* 2.6.8 Bedrijfsmatige werkzaamheden

* 2.6.8.1 Bedijking, bekading en onderhoud

* 2.6.8.2 Beplanting

* 2.6.8.3 Schouwvoering

* 2.6.9 Verpachting en verhuur

* 2.6.9.1 Algemeen

* 2.6.9.2 Pachtgelden

* 2.6.9.3 Pachters

* 2.6.9.4 Afzonderlijke zaken

* 2.6.10 Werken van derden aan, op of onder het eigendom van de Aanwassen

* 2.6.10.1 Telegraaf- en telefoonnet

* 2.6.10.2 Electriciteitsnet

* 2.6.10.3 Waterleidingnet

* 2.6.10.4 Gasleidingnet

* 2.6.10.5 Diverse personen en instanties

* 2.6.11 Geschillen

* 2.6.12 Overige stukken

* 2.7 Betrekkingen met andere organen

* 2.7.1 Polders en waterschappen

* 2.7.2 Rijksorganen

* 3 Kaarten

* 4 Retroacta

* 5 Stukken waarvan het verband met het archief niet duidelijk is

* 6 Aanhangsel


INLEIDING


Inventaris van het archief van de Eigenaren der Aanwassen onder Fijnaart, 1651-1975.
door W.A.M. Goverde
versie; Streekarchief Nassau-Brabant, 1990.
INLEIDING

1 Geschiedenis


De Noordwesthoek van Noord-Brabant bestond, vóór de bekende St. Eliasabethsvloed van 1421, uit vele kleine gebiedjes, van elkaar gescheiden door grotere en kleinere waterlopen, met hoogten waarop de eerste bewoning plaats vond. De vloed veranderde het landschap in een onherbergzame streek, waar het water vrij spel had. Het duurde tot aan het einde van de vijftiende eeuw, voordat langzamerhand begonnen werd met het land te herwinnen op het water.

Staatkundig gezien ressorteerde het gebied rond 1250 onder twee heren, die van Breda en van Strijen. De laatste had ongeveer het gebied van de huidige gemeenten Klundert en Zevenbergen. De heer van Breda bezat het overige gebied. In 1290 viel de heerlijkheid Breda uit elkaar in een heerlijkheid Breda en een heerlijkheid Bergen op Zoom, alsmede een groot gebied, dat gemeenschappelijk werd beheerd. Onder dit laatste gebied vielen ondermeer de huidige gemeenten Willemstad, Fijnaart en Heijningen, en Standdaarbuiten. Deze toestand duurde tot 1458, toen het gemeenschappelijk bezit door de heren van Breda en Bergen op Zoom werd verdeeld, wat ertoe leidde dat het gebied van de hierboven vermelde gemeenten toekwam aan de heer van Bergen op Zoom. Tengevolge van de houding van de markies van Bergen op Zoom (de heerlijkheid was in 1533 door keizer Karel V verheven tot markgraafschap) gedurende de Tachtigjarige Oorlog, waarbij deze de Spaanse zijde koos, werd deze in 1580 door de Staten Generaal vervallen verklaard van zijn rechten op het markizaat en werd dit land aan prins Willem van Oranje geschonken, na diens dood aan prins Maurits. Gedurende het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) werd de situatie in het markizaat genormaliseerd, echter zonder Willemstad, dat aan prins Maurits en zijn opvolgers bleef (1). Na de verdeling van "het gemyne land van Breda en Bergen op zoom" brak kennelijk een meer gunstige tijd aan om het water- en moerasland tot ontwikkeling te brengen (2).

Rond Oudenbosch vonden de eerste inpolderingen plaats in de jaren 1460-1485, wanneer er sprake is van Nieuwe Land (op latere kaarten Oude Land geheten) en de St. Maartenspolder. In 1526 kwam de bedijking van een gebied van ruim 820 bunders gereed, het Oudland van Standdaarbuiten. Het grote watergebied de Meeren, gelegen ten noorden en noordwesten van Zevenbergen werd in de periode 1542-1570 drooggelegd. Bloemmendaal, gelegen tussen de twee zojuist vermelde polders, volgde in 1546.

In 1548 verkocht de markiezin van bergen op Zoom, Jacqueline de Croy, aan haar zoon Jan IV van Dlymes een deel van het gors de Fijnaart om dit te bedijken onder de naam Vrouwe Jacobsland. Deze bedijking werd nog in hetzelfde jaar voltooid. De bedijkingen van de Nieuwe Fijnaart en Niervaert werden gemeenschappelijk door de prins van Oranje en de markies van Bergen op Zoom aangepakt, met welk groots werk in 1558 werd begonnen. Een van de grootste, in één slag uitgevoerde dijkages in westelijk Noord-Brabant werd op initiatief van markies Jan IV van Glymes gerealiseerd in 1564, toen het gors de Ruigenhil werd bedijkt. In 1583 liet prins Willem I als markies van Bergen op Zoom de gorzen de Heijningen bedijken. Het ten zuiden van de Oude Fijnaart gelegen gorzenveld Appelaar, het Dorpsgors en Schuddebeurs werd in 1597 ingepolderd (Oude Appelaar). In 1614 gaven de voogden van de toen vierjarige markiezin van Bergen op Zoom, Maria Elisabeth I Clara van den Bergh, het daarnaast gelegen gors uit: de Juffrouwenpolder kwam in 1615 gereed. De gorzen en slikken, ten westen van de Juffrouwenpolder, waren al in 1624 bezomerkaad. Bij akten van 11 november 1648 en 20 maart 1649 werden deze gorzen, genaamd het Slobbegors en de Hoge Heijningen, door markiezin Maria Elisabeth II van den Bergh, ter bedijking uitgegeven onder conditie dat beiden bedijkt zouden worden tot èèn polder, die polder, die naar de markiezin Elisabethpolder zou worden genoemd, maar waarvoor de naam Slobbegors in gebruik is gebleven. Overeengekomen werd, dat de bedijkers van de Hoge Heijningen, Mattheus van Innevelt, dijkgraaf te Dordrecht, en Jan van Eck, schepen te Schiedam, de helft van dit te bedijken gebied zouden krijgen; de markiezin behield de andere helft (3). Op 30 november 1650 verkocht de markiezin aan Van Innevelt en Van Eck haar aandeel in de Hoge Heijningen (4).

Het ontstaan van de maatschap "Eigenaren der Aanwassen onder Fijnaart" is te dateren op 3 april 1651, wanneer markiezin Elisabeth II van den Bergh aan Aernout van Beaumont, heer van Cromstrijen en Numanspolder, lid van de Raad van Brabant en van de Nassause Domeinraad, verkoopt voor het bedrag van 21.000 gulden "de gorzen, slikken en blikken, gelegen buiten en bewesten de Heijningen, beginnend aan de noordzijde naast het gors Maltha op de grens van de gronden en gorzen van de polder de Ruigenhil, lopend in zuidwestelijke richting, tot aan de Amer bij de dijk van het Slobbegors in de Elisabethpolder", welke verkoop door de Raad van Brabant op 16 mei daaraan volgend werd bevestigd (5).

In dat contract werd de koper verplicht de aanwassen te onderhouden en te "bevorderen" door de nodige voorzieningen te treffen. De koper bleef cijns- en tiendplichtig aan het Huis van Bergen op Zoom. In het geval de aangekochte aanwassen zouden worden voorzien van een winterdijk, heeft de heer van Bergen op Zoom het recht een polderbestuur aan te stellen.

Het gebied bleef ressorteren onder de jurisdictie van het markiezaat. Voor de toekomstige inwoners zouden de rechtsregels van Fijnaart gelden. Voorts was bepaald, dat ingeval problemen zouden ontstaan met Van Innevelt en Van Eck over hun gebied de daaruit voortvloeiende kosten ten laste van Van Beaumont zouden komen.

Op 18 november 1654 verklaarde Van Beamont, dat Dirck van Baersenburgh, rentemeester van de domeinen van de prins van Oranje te Willemstad, voor eenvijfde deel participant was in de aanwassen. Deze verklaring bevat tevens enkele bepalingen, die "het beleid en de directie" regelen (6). Van Beaumont breidde zijn gebied verder uit door de aankoop van de buitengorzen, gelegen langs de Elisabeth- en Juffrouwenpolder, het eilandje de Rolleplaat en het recht van aanwas, overgenomen van de markiezin bij akte van 13 april 1655 (7).

Bij de overdracht werd wel bedongen, dat de ingelanden van de polder Heijningen gerechtigd bleven - overeenkomstig het bedijkingscontract van 28 maart 1581 - kosteloos het water uit hun polder te blijven lossen door eventueel nieuw aan te leggen polders. De ingelanden werden wel verplicht aan Van Beamont en zijn rechtsopvolgers jaarlijks 100 schuiten pootzoden te leveren "tot benefitie van de aanwas". Slechts een klein gedeelte van de door Van Beamont gekochte gorzen werd in hetzelfde jaar bedijkt en kreeg de naam Beamontspolder, ook wel West Heijningen geheten (8).

Bij de hierboven vermelde koopcontracten trad steeds Van Beaumont op als enige koper. Op 3 maart 1661 echter verklaarde hij voor de Raad van Brabant, dat deze contracten waren gesloten met goedvinden van zijn medeparticipanten Laurens Busero, griffier van de prins van Oranje, de reeds eerder vermelde Dirck van Baersenburgh, Sebastiaan Anemaet, secretaris van Hooge en Lage Zwaluwe, en Willem Nieuwpoort, rentemeester-generaal van de domeinen van Noord-Holland, die per 19 januari 1661 was toegelaten als participant (9).

Reeds spoedig beschikten de eigenaren der aanwassen over een huisje, dat dienst deed als woning voor de opzichter en later ook gebruikt werd als vergaderruimte. In de rekening over 1669 (10) wordt gesproken over het "vervalle houte huys"van de gorswachter van de West Heijningen "te doen opmaecken van steen". In de rekening van 1673 (11) wordt dit huis omschreven als "het huys van de heeren ingelanden", later steeds aangeduid als "gemeene 's lands huys".

Geruime tijd beperkten de activiteiten van de eigenaren der aanwassen zich instandhouding en onderhoud van hun eigendom door aanleg van sloten, dammen, sluizen en zomerdijken. In 1762 lieten zij het zogenaamde Hoge Gors, gelegen voor de Elisabethpolder, van een zomerdijk voorzien. In deze inpoldering was ook de Rolleplaat opgenomen. Aan deze bezomerdijkte polder werd door de eigenaren de naam Sabinapolder gegeven naar Sabina Louisa Orizandt, weduwe van Hendrik van den Santheuvel, omdat zij de grootste portionaris was in de gorzen en zij het initiatief tot deze bedijking had genomen (12).

In 1784 werden de eerste plannen ontwikkeld tot het bedijken van de gorzen, riet- en weivelden, gelegen voor de West Heijningen, Oude Heijningen en Elisabethpolder. Op 4 november 1786 werd door de eigenaren in een apart daarvoor belegde vergadering, die gehouden werd in het logement het Zwijnshoofd te Rotterdam, besloten tot bedijking. De polder zal genaamd worden Sabina Henricapolder, vermoedelijk zo genoemd naar Sabina Henrica van den Santheuvel, weduwe van Michiel Matheus van Oosterzee. Van de prins van Oranje en markies van Bergen op Zoom werd voor de tijd van de dijkage vrijstelling van belasting- en cijnsverplichtingen verkregen. In het besluit tot de bedijking zijn 31 artikelen opgenomen, die de rechten en verplichtingen van de eigenaren der aanwassen en de toekomstige bezitters omschrijven, het beheer regelen over de nieuwe polder vanaf het moment van de bedijking tot aan het moment van de verkaveling, die bepaald was in 1793, en de rechten omschrijven inzake het planten van bomen langs wegen, dijken en dijkbermen. Het werk kwam in 1787 gereed, waardoor het grootste gedeelte van de door Van Beaumont in 1651 en 1655 verworven "gorzen, slikken en blikken"tegen het water was beschermd en het droog gevallen land zijn vruchten kon gaan afwerpen. Na de verkaveling van de polder in 1793 kwam deze onder een afzonderlijk bestuur te staan, dat aangesteld werd door de markies van Bergen op Zoom (13).

Vanaf deze grote bedijking concentreert de aandacht van de "eigenaren der aanwassen"zich op het behoud en het op peil houden van hun bezit om daarvan de vruchten te plukken.


2 Organisatie
Volgens rechterlijke uitspraken vormen de Eigenaren der Aanwassen onder Fijnaart een maatschap. Zij hebben namelijk steeds de gronden, het genot daarvan en de aan de eigendom verbonden of hun persoonlijk verleende octrooien en rechten in gemeenschap gehouden of gebracht met het doel de aanwassen te verbeteren om zo gemeenschappelijk voordeel te behalen en dat voordeel met elkaar te delen (14).

Vanaf het ontstaan van de Aanwassen zijn de bevoegdheden van de eigenaren/participanten in een reglement vastgelegd. Het eerste reglement dateert van 18 november 1654 (15); in 1661 worden de bepalingen herhaald (16). De participanten hebben ieder eentiende deel met elk èèn hoofdstem. In geval bij overgang van eentiende deel dit gesmaldeeld of gesplitst moet worden, blijven die smaldelen tesamen eentiende deel uitmaken. Een persoon wordt gemachtigd namens de gezamenlijke portionarissen van dat eentiende deel in de vergadering van de Eigenaren een stem uit te brengen. Er wordt altijd met meerderheid van stemmen beslist.

In 1680 wordt een nieuw reglement vastgesteld (17). De bepaling over de verdeling van het eigendom in tien hoofddelen met daaraan verbonden het recht om per hoofddeel één stem uit te brengen is gelijk aan die van 1661. Beslissingen bij meerderheid van stemmen blijven eveneens gehandhaafd, echter uitgezonderd worden zaken, die vaststelling van omslagen betreffen en het maken van nieuwe dijkages, waartoe bij unanimiteit dient te worden besloten. In dit reglement wordt bepaald, dat een penningmeester (ook wel rentemeester genoemd) moet worden aangesteld, die jaarlijks in het "gemeene 's lands huis" rekening moet afleggen ten overstaan van de hoofdparticipanten. Na het sluiten van de rekening worden twee personen uit hun midden aangewezen, de commissarissen, die de besluiten dienen uit te voeren en de directie voeren. Met de penningmeester voeren zij tweemaal per jaar de schouw. De penningmeester mag eerst betalingen verrichten na machtiging van de twee commissarissen.

In 1886 wordt het reglement van 1680 vervangen door een nieuw(18). Het aandeel van de eigenaar wordt bepaald door de titel van eigendom. De eigendom van elk veertigste aandeel geeft recht tot het uitbrengen van één stem. Besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Jaarlijks wordt een gewone algemene vergadering gehouden, die vooraf gegaan wordt door een inspectie der aanwassen. Tijdens de jaarvergadering worden de commissarissen gekozen, onder wier toezicht de penningmeester het algemeen beheer over de aanwassen uitoefent. De penningmeester wordt door eigenaren benoemd en ontslagen.

De latere reglementen zijn ongeveer van gelijke inhoud.

Voor de penningmeester wordt voor het eerst in 1720 een instructie vastgesteld (19). Is in deze instructie alleen sprake van het financieel beheer, in de latere reglementen komt duidelijker naar voren zijn taak als degene, die de administratie voert, het secretariaat verzorgt, de werkzaamheden controleert enz. (20). De penningmeester wordt meestal aangeduid als rentemeester.


3 Geschiedenis van het archief
De zorg voor het archief blijkt veelal, wanneer de papieren bij wisseling van de penningmeester worden overgedragen. De aftredende penningmeester maakt ten behoeve van zijn opvolger - en zeker ook om zich te verantwoorden - een overzicht van de over te dragen bescheiden.

Een dergelijk overzicht treffen we voor het eerst aan in de jaren 1721 - 1723, opgesteld bij gelegenheid van de wisseling van de functie van penningmeester, wanneer Sabina van Steeland, weduwe van Lodewijk Orizandt, de papieren overdraagt aan Jan van den Enden (21). De eerste lijst is gedateerd op 15 oktober 1721. De daarop vermelde stukken zijn genummerd 1-25 en hebben betrekking op de periode 1701-1719. Op 11 maart 1722 is een nieuwe lijst gemaakt; da daarop beschreven stukken zijn genummerd 1-19 en dateren uit de periode 1651-1720. In 1723 is de lijst van 15 oktober 1721 uitgebreid met nummers 26-32, bij welke nummers wordt verwezen naar de bergplaats van de stukken, namelijk pakketten D en E.

Bij de opvolging van Adriaan van den Enden door Anthony van den Santheuvel Hzn. werd een inventaris van de onder Van den Enden berustende papieren gemaakt, gedateerd 27 oktober 1757 en 18 januari 1760 (22). De indeling daarvan is als volgt:

A. Lias met rekeningen;

B. nrs. 1-19. Pakket papieren, door mevrouw Orizandt overgedragen aan J. van den Enden op 11 maart 1722;

C. nrs. 1-25. Pakket papieren, door mevrouw Orizandt overgedragen aan J. van den Enden op 15 oktober 1721;

D. nrs. 1-48. Pakket papieren, berustend onder A. van den Enden;

E. nrs. 1-54. Pakket berustend onder A. van den Enden.

Voorts worden in deze inventaris nog vermeld: kaart van Smath, 1721; register; 60 stuks bekendmakingen.

In 1758 wordt er besloten een kist met twee sloten te laten ter berging van de documenten en papieren. Iedere commissaris krijgt een sleutel, die echter bewaard blijft ten huize van de penningmeester (23). In gevolge besluit van de vergadering van de eigenaren der aanwassen van 18 augustus 1784 (24). Dient de penningmeester de belangrijkste documenten in een apart boek te registreren. Een jaar later wordt de opdracht herhaald, echter kennelijk zonder resultaat, want in hun vergadering van 15 augustus 1787 wijzen zij de penningmeester erop, dat hun eerder genomen resolutie blijft gehandhaafd. In dezelfde vergadering wordt tevens besloten, dat de penningmeester een apart boek dient aan te leggen om de resolutiën betreffende de nieuw bedijkte polder (Sabina Henricapolder) te registreren (25).

In 1835 heeft de aftredende penningmeester M.H. van Oosterzee een inventaris opgemaakt ten behoeve van de nieuw benoemde penningmeester C.W. Maris (26). Deze is ingedeeld met de letters A tot en met L, waarvan A tot en met H verder zijn ingedeeld met volgnummers; de letters I tot en met L kennen geen onderverdeling. Voorts is in deze inventaris een overzicht van kaarten, genummerd 1-20, opgenomen.

Waarschijnlijk tezelfdertijd werd een register aangelegd, waarin de voor de Aanwassen meest belangrijke stukken werden afgeschreven (27). In dit register zijn ook uittreksels uit diverse stukken afgeschreven "om jaarlijks bij het doen der rekening te worden gelezen".

Penningmeester C.W. Maris legt in 1870 een inventaris aan "van alle charters, papieren, kaarten enzovoort van de eigenaren der aanwassen en dijken, gelegen voor de Sabina Henrica-, Beaumonts, Oude Heijningsche-, Elisabeth- en Juffrouwenpolder"(28). Deze inventaris bijgehouden tot circa 1905. De indeling is gelijk aan de vorige namelijk hoofdindeling A - R, waarvan A - M met volgnummers. De kaarten zijn in een apart hoofdstuk opgenomen.

Ten vervolge op deze inventaris is in 1905 een nieuwe aangelegd, die tot circa 1965 in bijgehouden (29). Deze inventaris is alfabetisch op onderwerp ingericht, waarbij verwezen wordt naar de vindplaats in de pakketten A tot en met U. De kaarten zijn in een apart hoofdstuk beschreven, waarbij onderscheiden worden de kaarten, die in de grote en kleine portefeuille zijn geborgen, en die door d opzichter zijn getekend.

Op 26 juni 1916 werd tijdens de jaarvergadering op voorstel van A.C. Crena de Jongh en J.W. M.J.A. Ranitz besloten dat de commissarissen en de penningmeester in overleg zouden treden het archief op een brandvrije plaats onder te brengen, waarbij tevens nagegaan zou worden of een herordening van de archiefstukken nodig zou zijn (30). Een jaar later deelde de penningmeester C.W. Maris jr. mede, dat de onderhandelingen over een archiefbewaarplaats waren getaakt, omdat zijn gezondheid hem in de steek liet. Een andere ordening aanbrengen achtte hij niet nodig, omdat de alfabetische lijst van 1905 een goede ingang gaf op het archief.

De toestand van het archief was nog hetzelfde als toen M.H. van Oosterzee in 1835 zijn bescheiden overdroeg aan C.W. Maris sr.

Bij besluit van 25 juni 1918 verkreeg de penningmeester op eigen verzoek toestemming brieven en rekeningen tot 1880 te vernietigen (31). In hoeverre hij dit heeft uitgevoerd is niet geheel duidelijk. Misschien moet hier gedacht worden aan het verwijderen van dubbele exemplaren van de rekeningen en de in zijn ogen onbelangrijke correspondentiestukken.

Bij de overdracht van het archief aan het Streekarchief Nassau-Brabant in 1986 werd door de streekarchivaris een plaatsinglijst opgemaakt. De op de bundels aangetroffen kenmerken, de letters A tot en met U, en omschrijvingen werden overgenomen. Een aantal bundels waren niet van een kenmerk voorzien. Daarnaast werden circa 75 cm. ongeordende penningmeester berustten, waren reeds in 1976 globaal beschreven door G.J. van Donschot, medewerker van het Streekarchief.

Bij besluit van 24 juni 1986 werd door de Algemene Vergadering van Eigenaren van de Aanwassen onder Fijnaart besloten het archief in bewaring te geven aan het Streekarchief Nassau-Brabant te Zevenbergen.
4 Verantwoording van de inventarisatie
Zoals uit het voorgaande blijkt zijn er in het verleden diverse lijsten/inventarissen van de archiefbescheiden van de Aanwassen gemaakt. Afgezien van de aangetroffen reeksen rekeningen, pachtcontracten, erfpachtovereenkomsten en van de verzameling kaarten is een duidelijk beginsel, waarop stukken zijn bijeengebracht en waarop de onderlinge volgorde van de stukken in bundels is bepaald, niet te archiefstukken bij elkaar zijn verpakt. De practische hanteerbaarheid de archiefstukken bij elkaar zijn verpakt. De door de penningmeesters opgestelde overzichten bevatten overigens niet alle archiefbescheiden.

Op grond van dit gegeven en de ervaring bij het inventariseren van het archief werd besloten met handhaving van de aangetroffen reeksen en bundels, voorzover die duidelijk een onderwerp of zaak betreffen, het resterende gedeelte van het archief als "ongeordend"te beschouwen. Na de beschrijving van alle stukken werd een inventarisschema ontworpen, dat gebaseerd is op voorzover aanwezig een oude bruikbare ordening, en op het doel, organisatie en werkwijze van de Aanwassen. Als leidraad voor het ineen zetten van de inventaris zijn de artikelen van H.B.N.B. Adam en A.J.M. den Teuling gehanteerd (32).

De kaarten en tekeningen zijn als vanouds als afzonderlijke verzameling bijeen gehouden. Deze zijn chronologisch geordend en opgeborgen in een kaartenkast. Waar echter kaarten en tekeningen bij de dossiers werden aangetroffen, zijn deze daar gelaten.

In de inventaris is een hoofdstuk "Retroacta" opgenomen. De hierin vermelde archiefbescheiden, die betrekking hebben op de periode vóór het ontstaan van de Aanwassen, hebben vermoedelijk mede gediend tot bewijsstukken voor de rechten van de Aanwassen. Daar het niet mogelijk bleek de stukken terug te voeren naar hun oorspronkelijke bestemming, werd besloten deze in een apart hoofdstuk bijeen te zetten.

Vernietiging van archiefbescheiden heeft niet plaatsgevonden. De materiële toestand van het archief is in het algemeen goed te noemen met uitzondering van de verpachtingscontracten van 1758 tot 1775.

De inventaris bestrijkt de periode vanaf het ontstaan der Aanwassen tot aan circa 1975. De omvang van het archief is circa 12 m.


5 Overzicht van de penningmeesters
1661-1667 Dirck van Baersenburgh

1669-1673 Johan van Baersenburgh

1676-1677 Adriaan Renoy

1681-1700 Paulus Loy

1701-1704 Johan Orizandt

1705 Angela van der Lisse, weduwe van J. Orizandt

1706-1707 Johan van Hartel

1708-1719 mr. Lodewijck Orizandt

1720-1730 Johan van den Enden

1731-1756 Adriaan van den Enden

1757-1791 Anthony van den Santheuvel Hendrikzn.

1792 Anna de Coningh, weduwe van A. van den Santheuvel

1793-1833 Mattheus Hendrik van Oosterzee

1834-1882 Cornelis Willem Maris

1883-1916 Conelis Willem Maris jr.

1917-1936 Jan Adriaan Maris Willemszn.

1937-1982 Willem Maris J. Azn.

1982-heden B.P. de Visser.


6 Aanwijzingen voor de raadplegers



  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina