078. Tienden Ma’as’rot tvr>im



Dovnload 53.57 Kb.
Datum19.08.2016
Grootte53.57 Kb.

078. Tienden - Ma’as’rot - tvr>im - pagina

078. Bijbelstudie over de

TIENDEN - MA’AS’ROT

tvr>im
De primaire taak van de hlyhq Q’hila [gemeente] is de geestelijke verzorging van alle mensen, dus de verkondiging van de Tora en het Evangelie, en daarnaast de pastorale zorg voor haar leden, alsook de dienstverlening aan en ondersteuning van sociaal zwakkeren, met inachtneming van alle financiële consequenties ervan. Het lidmaatschap van de Kehille [Jiddisch voor gemeente] houdt derhalve ook een financiële verantwoordelijkheid in, want het geld voor de ondersteunende taken, alsook voor onderhoud en instandhouding van de gemeente moet wel ergens vandaan komen. Elke vereniging stelt immers een contributie vast en iedere stichting kent naast subsidies ook vaste bijdragen van haar sympathisanten. De inkomsten van de christelijke kerken en Messiasbelijdende Joodse gemeenten dienen daarentegen gebaseerd te zijn op vrijwillige giften en kerkelijke bijdragen. Dat wil zeggen, dat een ieder bijdraagt hetgeen hij of zij op het hart heeft. Dat is echter alleen mogelijk indien er sprake is van wedergeboren gelovigen, dus mensen die hun hart echt aan de Eeuwige hebben gegeven en zich bewust zijn van hun financiële verantwoording ten opzichte van Hem en de gemeente. Omdat dit in het praktijk helaas vaak niet het geval blijkt te zijn, is de kerkelijke bijdrage meestal niet zo vrijblijvend. In traditionele kerken wordt de hoogte ervan derhalve naar draagkracht geregeld, maar is er sprake van een minimumbijdrage. Als richtlijn wordt 2% van het besteedbare inkomen genoemd. Evangelische gemeenten gaan uit van 10% van het besteedbare inkomen. Maar er zijn ook gemeenten waar men echt onder druk gezet wordt om zelfs een tiende van het bruto-inkomen te betalen! Men gaat daarbij bovendien zo ver om de loonstrookjes van de gemeenteleden te controleren, wat uiteraard irritaties en ongenoegen met zich mee brengt. Van “blijmoedige gevers” kan derhalve geen sprake meer zijn! Zo zijn er twee uitersten: enerzijds neemt vooral in traditionele kerken het aantal mensen toe, die geen of zo goed als geen kerkelijke bijdrage betalen, wat als een groot probleem wordt ervaren omdat er als gevolg daarvan inmiddels talrijke kerkgebouwen verkocht moeten worden omdat er geen geld meer is om ze te onderhouden en tevens moeten sommige kerken fuseren omdat er geen geld is om de dominee te betalen. Het niet of onvoldoende betalen van kerkelijke bijdragen zou vooral een mentaliteitsprobleem zijn wordt gezegd, maar in feite is het een geloofsprobleem. Als men niet verlicht is met de Heilige Geest, stelt men uiteraard andere prioriteiten en wordt het geld aan verre vakanties, grote huizen, luxe badkamers, dure auto’s enz. besteed, en als er dan nog wat overblijft, dàn is het voor de kerk, als..., wat meestal niet het geval is! Daarom wordt op de overige gemeenteleden, die wél trouw hun kerkbijdrage betalen, dikwijls een beroep gedaan om die te verhogen! Men neemt hiervoor de tiende als maatstaf. Voor dit principe van het “tienden geven” beroept men zich op de gedachte: “als G’d het in het Oude Testament oplegde als een gebod, dan moet het voor ons nú ook een veilige richtlijn zijn, dan kan 10% van mijn inkomen om weg te geven nú niet onverantwoord veel zijn”. Zo probeert de éne kerk heel voorzichtig het betalen van de tiende te stimuleren en te relateren aan de draagkracht en de omstandigheden van de leden, terwijl men in een andere kerk behoorlijk onder druk gezet wordt om de tiende te betalen. Er blijven dan genoeg vragen over:

  1. Als je het niet gewend bent, moet je dan zomaar ineens van bijvoorbeeld 2% naar 10% springen?

  2. En als je nu niet kan uitkomen van die overige 90%?

  3. Moet je echt alles aan de gemeente geven of horen giften aan liefdadige instellingen ook bij de tiende?

  4. Hoeveel zou je dan moeten geven aan de gemeente en de zending, en hoeveel voor andere belangrijke doelen?

  5. Hoe weet je dat het geld goed terechtkomt? Wie garandeert je dat het niet belegd wordt?

  6. Hoe zit het met belastingaftrek van giften?

  7. Waar staat het in de Bijbel, dat wij als nieuwtestamentische gelovigen de tienden aan de gemeente moeten betalen?

U ziet het: reden genoeg om G’ds Woord over dit onderwerp nauwkeurig te onderzoeken. Vandaar deze Bijbelstudie!

Tiende Penning

Het getal tien, in het Hebreeuws r>i eser en in het Grieks  deka, waarmee de reeks van de grondgetallen sluit, drukt het denkbeeld van de volledigheid, van het geheel, uit. Evenals bij bijna alle volken in de oudheid werden ook door de Israëlieten de tienden van alle goederen afgestaan ten behoeve van de G’dsverering. Men wilde daarmee te kennen geven, dat alle eigendom G’d behoorde, en zocht men door het afstaan van de tiende het bezit en het genot van het overige te heiligen. Hoewel de tienden het best bekend zijn uit de Tora, treft men ze in de geschiedenis ook wel aan op niet-joods terrein: de Atheners lieten bijvoorbeeld een oproep uitgaan aan alle Grieken om de godinnen in Eleusius de tiende te betalen, en bij een altaar op de Romeinse rundermarkt beloofden kooplieden voordat ze een zakenreis gingen doen aan Hercules het tiende van hun winst. De concilies van de rooms-katholieke kerk hebben de gelovigen de verplichting opgelegd, tienden te geven aan de kerk. De tienden kwamen toe aan de plaatselijke kerken van de parochie, maar later zijn op allerlei wijzen tienden in handen gekomen van wereldse personen. Zo werd de “tiende penning” het meest omstreden onderdeel van het nieuwe belastingstelsel, dat hertog Alva in de Nederlanden wilde invoeren. Hij liet op 21 maart 1569 de vergadering van de Staten-Generaal te Brussel bijeenroepen, om dit bekend te maken. De tiende penning werd uiteindelijk de hoofdoorzaak voor de opstand die uitmondde tot de tachtigjarige oorlog. Maar ook na 1795 is in Nederland het tiendrecht blijven bestaan en pas bij wet van 16 juli 1907 en met ingang van 1 januari 1909 afgeschaft. Maar dat is allemaal iets heel anders dan wat de Bijbel ons over het geven van de tienden zegt!


De tienden zijn van de Eeuwige
In principe is de tiende helemaal niet voor de gemeente bedoeld, maar voor de Eeuwige, de G’d van Israël, zelf! Dat blijkt heel duidelijk uit ty>arb B’reshit [Genesis] 28:22, waarin Ya’aqov [Jakob] plechtig de beloofde: “En deze steen, die ik tot een opgerichte steen gesteld heb, zal een huis G’ds wezen, en van alles wat Gij mij schenken zult, zal ik U stipt de tienden geven.” - Ya’aqov had geen priesters aan wie hij het tiende deel van zijn eigendom kon geven en er waren nog geen gemeenten of instellingen van g’dsdienstige strekking, die hij met zijn tienden kon verblijden. Maar toch wist Ya’aqov, dat G’d geëerd moest worden door de tienden van zijn bezittingen aan Hem te offeren. Als wij meer dan gewone zegeningen van de Eeuwige ontvangen, dan moeten wij er ons op toeleggen om een bijzonder bewijs te geven van onze dankbaarheid jegens Hem! Tienden, die de volledigheid, het geheel, symboliseren, zijn een zeer voegzaam deel om aan G’d te wijden en voor Hem te gebruiken. Wat wij hebben, is immers het onze niet, tenzij G’d ervan heeft, wat Hem toekomt. Een prachtig voorbeeld voor deze houding kunnen wij in het Talmud-traktaat ]ylvx Chulin 7b lezen: “Toen de rabbi bij een herberg kwam, gaf men gerst aan zijn ezel, maar hij vrat het niet. Het werd gezeefd, maar het vrat het niet. Het werd uitgelezen, maar hij vrat het niet. Opeens zei de rabbi tegen hun: Misschien is de gerst niet vertiend? Daarop vertienden zij de gerst, en toen vrat de ezel! Hij zei: Het arme beest loopt, om de wil van zijn Verlosser te vervullen, en jullie geven aan hem iets te vreten, waarvan de tiende nog niet afgedragen was!” - Het lieflijke van al onze bezittingen kunnen wij eerst dan genieten, als de Eeuwige er uit ontvangen heeft, wat Hem toekomt, dan, en niet anders, zijn ons alle dingen rein.
Mal’ki-Tzedeq
Voor de allereerste keer komen wij het geven van tienden in de Bijbel tegen in het wonderlijke verslag van de ontmoeting van ,rba Av’ram [Abram] met qdj=yklm Mal’ki-Tzedeq [Melchisedek], waar ik in een aparte bijbelstudie t.z.t. nog nader op in zal gaan: “En Mal’ki-Tzedeq, de koning van Shalem [Salem], bracht brood en wijn; hij nu was een priester van G’d, de Allerhoogste. En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Av’ram door G’d, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde, en geprezen zij G’d, de Allerhoogste, die uw vijanden in uw macht heeft overgeleverd. En hij gaf hem van alles de tienden.” (ty>arb B’reshit [Genesis] 14:18-20). In tegenstelling tot Ya’aqov had Av’ram hier wél een priester, aan wie hij zijn tienden kon geven, maar was deze priester wel een mens van vlees en bloed? Was hij wel een priester zoals de andere priesters die later in de Bijbel worden genoemd? Waarom heeft Av’ram zich niet bij diens gemeente aangesloten? Tegenwoordig betaal je de tiende immers toch pas als je lid bent van de gemeente, of niet soms? Antwoord op deze vragen vinden wij in de Hebreeënbrief: “Want deze Mal’ki-Tzedeq, koning van Shalem, priester van de allerhoogste G’d, die Av’raham bij zijn terugkeer na het verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegende, aan wie ook Av’raham een tiende van alles gegeven heeft, is vooreerst, volgens de uitlegging van zijn naam: qdj ;lm Melech Tzedeq [Koning der gerechtigheid], vervolgens ook: ,l> ;lm Melech Shalem [Koning van Salem], dat is: ,vl>h ;lM Melech haShalom [Koning des vredes]; zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, en, aan ,yhlah=]b Ben-haElohim [de Zoon van G’d] gelijkgesteld, blijft hij priester voor altoos. Merkt dan op, hoe groot deze is, aan wie de aartsvader Av’raham een tiende gegeven heeft van het beste van de buit. Nu hebben zij, die uit de zonen van Levi het priesterambt verkrijgen, volgens de wet wel de opdracht tienden te heffen van het volk, dat is, van hun broeders, hoewel dezen uit de lendenen van Av’raham zijn voortgekomen; maar hij, die zich niet tot hun geslacht kon rekenen, heeft van Av’raham tienden genomen en een zegen gegeven aan de drager der beloften. Nu is het onwedersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend. En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch daar iemand, van wie wordt getuigd, dat hij leeft. Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Av’raham aan het tiendrecht van een ander onderworpen, want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Mal’ki-Tzedeq deze tegemoet kwam.” (,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 7:1-10). Av’raham gaf hem van alles de tienden (vers 3). Dat deed Av’raham als uitdrukking van zijn dankbaarheid voor hetgeen Mal’ki-Tzedeq hem gedaan had; als een bewijs van zijn hulde en van zijn onderwerping aan hem als koning; of als een offerande, gewijd en opgedragen aan G’d, om door zijn priester aangeboden te worden. En zo zijn wij verschuldigd alle mogelijke bewijzen van oprechte liefde en dankbaarheid aan Yeshua Adoneinu te geven, voor al de rijke en koninklijke gunsten, die wij van Hem ontvangen; Hem onze hulde en onderwerping te brengen, als onze Koning, en al onze offeranden in Zijn handen te stellen, opdat ze door Hem aan Zijn Vader gebracht mogen worden in het reukwerk van Zijn eigen offerande. Mal’ki-Tzedeq droeg de beeltenis van haShem [G’d] in zijn g’dsvrucht en gezag; hij stond boven allen als een onsterfelijke priester, hij is het oude type van de eeuwige, eniggeboren Zoon des Vaders, die priester blijft in eeuwigheid. Laat ons nu de raad van de apostel opvolgen en overwegen hoe groot Mal’ki-Tzedeq was, en hoe ver zijn priesterschap stond boven dat van de ordening van Aharon [Aäron]. De grootheid van deze koning en van zijn priesterschap blijkt daaruit dat Av’raham aan hem tienden gegeven heeft en wel beschouwd betekent dit, dat Levi in Av’raham tienden geeft aan Mal’ki-Tzedeq (vers 9). Levi ontving de bediening van het priesterschap van G’d en moest tienden nemen van het volk (ik kom daar later nog op terug); en toch brengt Levi zelf tienden aan Mal’ki-Tzedeq als aan een grotere en hogere priester dan hijzelf is; en daarom moest die Hogepriester, welke daarna zou verschijnen, voortreffelijker zijn dan één van de levitische priesters, die in Av’raham aan Mal’ki-Tzedeq tienden brachten. Mal’ki-Tzedeq zegende Av’raham, want het is een onweerlegbare regel: de mindere wordt gezegend door de meerdere (vers 7). Hij, die de zegen geeft, is meer dan hij, die hem ontvangt; en daarom is Yeshua het type van Mal’ki-Tzedeq, de Verwerver en Middelaar van alle zege-ningen voor de kinderen der mensen, groter dan al de priesters naar de ordening van Aharon [Aäron]. Aan Yeshua haMashiach, onze grote Mal’ki-Tzedeq, moet hulde bewezen worden; door een ieder van ons moet Hij nederig erkend worden als onze Koning en Priester, en niet slechts van alles de tiende maar alles wat wij hebben, moet Hem overgegeven worden! Maar ook daar kom ik later nog op terug. Hoe dan ook, in beide gevallen, zowel bij Ya’aqov alsook bij Av’raham had het geven van de tienden geen betrekking op de gemeente, maar op de Eeuwige zelf!
Hypocriet omgaan met de tienden
Op mijn speurtocht door h>dxh=tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] op zoek naar aanwijzingen, dat het afdragen van de tienden aan de gemeente ook voor nieuwtestamentische gelovigen van toepassing zou zijn, zoals sommige kerken beweren, kwam ik eigenlijk behalve het bovenstaande uit de Hebreeënbrief maar drie teksten tegen, waarin de tienden (zijdelings) worden genoemd. Zo lezen wij in vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 23:23 de bekende terechtwijzende woorden van Yeshua: “Wee u, Sof’rim [schriftgeleerden] en P’rushim [Farizeeën], gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw. Dit moest men doen en het andere niet nalaten.” Deze berisping wordt in Lucas 11:42 nog een keer herhaald: “Maar wee u, P’rushim [Farizeeën], want gij geeft tienden van de munt en de ruit en van alle kruiden, en gij gaat voorbij aan het oordeel en de liefde G’ds. Dit moest men doen en het andere niet nalaten.” - Om te beginnen moet ik er nadrukkelijk op wijzen, dat Yeshua het hier niet tegen christenen heeft, en ook niet tegen Messiasbelijdende Joden, maar tegen orthodoxe Joden! De hier genoemde tienden hebben dan ook geen betrekking op christelijke kerken! Maar één ding stelt Yeshua hier wel duidelijk aan de kaak: het hypocriet omgaan met de tienden! De Farizeeën waren streng en stipt in de kleine bijzonderheden van de wet, maar onverschillig omtrent de gewichtiger zaken. Zij kozen zich de plichten uit, die met hun belangen strookten. De oprechte gehoorzaamheid is algemeen en betoont zich in alles. Wie oprecht aan de wet van G’d gehoorzaamt, let op al Zijn geboden, zoals o.a. in Psalm 119:1-8 geschreven staat: “Welzalig zij, die onberispelijk van wandel zijn, die in de Tora van Adonai [wet des Heren] gaan. Welzalig zij, die Zijn getuigenissen bewaren, die Hem van ganser harte zoeken; die ook geen onrecht plegen, maar wandelen in zijn wegen. Gij hebt Uw bevelen geboden, opdat men die ijverig onderhoude. Och, dat mijn wegen vast waren om Uw inzettingen te onderhouden. Dan zou ik niet beschaamd staan, als ik op al uw geboden zie. Ik zal U loven in oprechtheid des harten, wanneer ik Uw rechtvaardige verordeningen leer. Uw inzettingen zal ik onderhouden; verlaat mij niet geheel en al.” Of men leeft volgens de wet, of men doet het niet, maar men moet er wel consequent in zijn, en dat waren de genoemde Farizeeën duidelijk niet! Zij hielden zich aan de kleinere plichten, maar lieten de grotere na. Zij waren zeer stipt in het betalen van tienden, zolang het de munt, en de dille en de komijn gold. Hun nauwkeurigheid in het vertienen daarvan kostte hun niet veel, maar het werd hoog geroemd, en bezorgde hun heel goedkoop een roep van vroomheid. Wie kent niet de bekende zelfroem in het verhaal van de Farizeeër en de tollenaar: “Ik geef tienden van alles wat ik bezit!” (Lucas 18:12). Het betalen van tienden was hun plicht, en werd door de wet geëist. Yeshua zegt hun, dat zij dit niet moeten nalaten. Iedereen behoort immers bij te dragen tot de instandhouding van de eredienst! Tienden terug te houden noemt de Bijbel G’d te beroven (ykalm Mal’achi [Maleachi] 3:8-10). Maar waar Yeshua hen om veroordeelt is, dat zij de belangrijkste geboden van de wet nalieten, namelijk het oordeel, de barmhartig-heid en het geloof; en hun nauwkeurigheid slechts in het betalen van tienden was. Al de dingen van G’ds wet zijn belangrijk, maar die zijn het gewichtigst, die het meest een blijk zijn van de innerlijke heiligheid van het hart; de voorbeelden van zelfverloochening, van minachting voor de wereld, en onderworpenheid aan de Eeuwige, waarin het leven van de G’dsdienst is gelegen. Barmhartigheid jegens de mensen en geloof in G’d zijn de belangrijkste onderdelen van de Tora. Rechtvaardig te zijn voor de priesters in hun tienden te geven, en ieder ander te bedriegen en te benadelen, dat is spotten met G’d en onszelf misleiden. De liefdadigheid wordt ook boven het offer gesteld (i>vh Hoshea [Hosea] 6:6). Hen te voeden, die zich mesten met het voornaamste van de offeranden des Heren, en tegelijk de ingewanden der barmhartigheid toe te sluiten voor een broeder of zuster, die naakt is, gebrek heeft aan het dagelijkse voedsel; aan de priester de tienden te betalen en een stukje brood te weigeren aan Lazarus, is blootgesteld te zijn aan het oordeel zonder barmhartigheid! Het is voor ons Messiasbelijdende Joden en christenen een groot gevaar als we er naast G’ds Woord nog een aangepaste Bijbel op na houden. Onze eigen ideeën en zo. Nauwgezette wetbetrachting is binnen het Jodendom zeker niet af te keuren. Integendeel, Yeshua bekritiseerde het geven van tienden op zichzelf niet. Hij had wèl kritiek op de overdreven stiptheid in kleine dingen, terwijl het belangrijkste van de wet, het liefhebben van de medemensen met rechtvaardigheid, barmhartigheid en trouw, verwaarloosd werd. Ik zei het reeds eerder: Wat wij hebben is het onze niet, tenzij G’d ervan heeft gekregen wat Hem toekomt, en het is door vrijgevigheid aan de armen, dat wij de vrijheid kunnen hebben om van onze tijdelijke zegeningen te genieten. Neen, Yeshua veroordeelde de P’rushim beslist niet om die nauwgezetheid in het betalen van de tienden, want dit werd door de wet geëist! Hij veroordeelde hen omdat zij wat betreft de tienden nogal hypocriet omgingen met de wet. Zij betaalden wel de tienden, maar hielden zich niet even nauwkeurig aan de rest van de wet. Eigenlijk is het met sommige kerken net andersom: men wil wél de tienden hebben, maar niet de Shabat, om maar iets te noemen! Het is mijns inziens net zo hypocriet om enerzijds steeds maar te blijven hameren op het feit, dat wij vrij zijn van de wet en elke poging om o.a. de Shabat en de Bijbelse feestdagen in ere te herstellen, als wettisch te bestempelen, maar aan de andere kant wél tienden van de gemeenteleden te willen opeisen! Ironisch genoeg moet men zich daarvoor juist beroepen op dezelfde wet die men in ander verband niet meer van toepassing acht, want buiten de wet om komt men de tienden in de Bijbel nergens tegen! Zo gaan sommige kerken wel erg selectief om met de wet! Yeshua keurde deze houding bij de Farizeeën af. Hij zei: “Dit moest men doen en het andere niet nalaten.” In het Nederlands is er een gezegde: “Als je A zegt, moet je ook B zeggen!” - Iets om over na te denken...
Eerste en tweede tienden
Gezien het feit, dat de weinige teksten in het Nieuwe Testament, die betrekking hebben op het geven van de tienden, uitsluitend wijzen op de strikte naleving van de inzettingen uit de Tora, zullen wij deze dus nader onder de loep moeten nemen om te kijken wat we ermee kunnen doen. In tegenstelling tot h>dxh=tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] staan er in ;’’nt TeNaCH [het z.g. Oude Testament] zovéél teksten over dit onderwerp dat het voor mij binnen het kader van deze Bijbelstudie onmogelijk is om allemaal op te noemen, laat staan te behandelen. Om veelvuldige herhaling te voorkomen moet ik derhalve een keuze maken uit het beschikbare materiaal. Om te kunnen begrijpen welke positie het geven van tienden binnen de context van de Tora inneemt, moeten we ons eerst realiseren, waar de wet zelf toe dient. Yeshua heeft alle 613 geboden inclusief die van de tienden samengevat in twee: “Gij zult de Eeuwige, uw G’d, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 22:37-39). Onze liefde tot haShem moet een oprechte liefde zijn, en niet slechts bestaan in het woord en met de tong. Dit is het eerste en het grote gebod, want gehoorzaamheid hieraan is de bron der gehoorzaamheid aan alle overige geboden. Onze naaste lief te hebben als onszelf is het tweede grote gebod. Het is aan het eerste gelijk, want het is er op gegrond, en vloeit er uit voort; en een zuivere liefde voor onze broeder, die wij gezien hebben, is zowel een voorbeeld als een bewijs van onze liefde tot Adonai, die wij niet gezien hebben. In dit licht moeten wij dus ook het geven van onze tienden zien. Daarom is er in de Tora ook geen sprake van r>im Ma’aser [dus tiende in enkelvoud], maar tvr>im Ma’as’rot [tienden in meervoud]! Geheel in overeenstemming met hetgeen Yeshua over de wet gezegd had, waren er namelijk ook twee soorten tienden: ]v>ar r>im Ma’aser Rishon ofwel de Eerste Tiende ten behoeve van de dienst aan G’d, en yn> r>im Ma’aser Sheni ofwel de Tweede Tiende ten behoeve van de dienst aan de naaste. Deze twee soorten tienden waren op hun beurt weer onderverdeeld in elk twee gedeelten:
]v>ar r>im Ma’aser Rishon [Eerste Tiende]:

  1. De jaarlijkse tienden die de Israëlieten moesten geven aan de Levieten.

  2. De tienden, die de Levieten van deze tienden moesten afdragen aan de priesters.

yn> r>im Ma’aser Sheni [Tweede Tiende]:



  1. De jaarlijkse tienden die gebruikt moesten worden voor buitengewone maaltijden opdat de Israëlieten met hun huisgezinnen, dienstknechten, dienstmaagden en de Levieten moesten vrolijk zijn voor de Eeuwige

  2. De driejaarlijkse tienden voor de armen, de weduwen, de wezen, de vreemdelingen en de Levieten.

Ik zal proberen, deze vier onderdelen van de tiende één voor één in het kort nader toe te lichten. Duidelijk blijkt in elk geval uit de Tora, dat het oorspronkelijk altijd slechts om één en dezelfde tiende ging, evenals beide door Yeshua genoemde geboden deel uitmaken van één en dezelfde wet! Pas later, toen de rabbijnen begonnen de Tora uit te breiden met een netwerk van regels, die Yeshua herhaaldelijk afgekeurde, werden de tienden uit rbdmb Bamid’bar [Numeri] en ,yrbd D’varim [Deuteronomium] gecombineerd (zie ook: Josephus Flavius, Antiquitatum Judaicarum IV, 68vv; 205). Bovendien werden de tienden van de armen als toevoeging op de tweede tienden geïnter-preteerd (Targum Jonatan Deut 26:12v; Josephus Flavius, Antiquitatum Judaicarum IV, 240). Voor een uitgebreide beschrijving hiervan adviseer ik de Talmud te raadplegen. Een precieze opsomming evenals een uitbreiding van de aan tienden onderworpen bodemopbrengst vindt u in de Mish’na Ma’as’rot en de Mish’na Ma’aser Sheni. Ook in de Talmud-traktaten Chulin 7b en Yevamot 86b wordt aandacht besteed aan de tienden.


Tiende voor de Eeuwige
De Eeuwige gaf aan Zijn volk Israël het land Kanaän als eeuwig erfdeel. Elke stam kreeg een gedeelte van het land in bezit, behalve de Levieten. Voor hun had haShem iets anders: “Wat nu de Levieten betreft, zie, Ik geef hun alle tienden in Israël als erfdeel, een vergoeding voor de dienst die zij verrichten, de dienst van de tent der samenkomst. De Israëlieten namelijk zullen niet meer tot de tent der samenkomst naderen, zodat zij zonde op zich laden en sterven; de Levieten echter zullen de dienst van de tent der samenkomst verrichten en zij zullen hun ongerechtigheid dragen, een altoosdurende inzetting voor uw nageslacht, en in het midden der Israëlieten zullen zij geen erfdeel verkrijgen; want aan de Levieten geef Ik als erfdeel de tiende, die de Israëlieten de Eeuwige als heffing brengen; daarom heb Ik van hen gezegd: In het midden der Israëlieten zullen zij geen erfdeel verkrijgen. De Eeuwige nu sprak tot Moshe [Mozes]: Tot de Levieten zult gij spreken en tot hen zeggen: Wanneer gij van de Israëlieten de tiende ontvangt, die Ik u van hen als erfdeel geef, dan zult gij daarvan als een heffing voor de Eeuwige een tiende van de tiende brengen, en het zal voor u als een heffing beschouwd worden, als ware het het koren van de dorsvloer en de inhoud van de perskuip. Aldus zult ook gij van al de tienden die gij van de Israëlieten ontvangt, een heffing voor de Eeuwige brengen en gij zult daarvan de heffing voor de Eeuwige aan de priester Aharon [Aäron] geven. Van alles wat u geschonken wordt, zult gij de gehele heffing voor de Eeuwige brengen, van al het beste ervan, hetgeen daarvan geheiligd wordt. En gij zult tot hen zeggen: Wanneer gij het beste daarvan als heffing brengt, zal dat voor de Levieten beschouwd worden als de opbrengst van de dorsvloer en van de perskuip; gij zult het met uw gezin op elke plaats mogen eten, want het strekt u tot loon als vergoeding voor uw dienst aan de tent der samenkomst. Gij zult ten aanzien daarvan geen zonde op u laden, indien gij maar het beste daarvan als heffing brengt; zo zult gij de heilige gaven der Israëlieten niet ontwijden, opdat gij niet sterft.” (rbdmb Bamid’bar [Numeri] 18:21-32). Met deze woorden toont G’d, dat Hij, door de tienden aan de Levieten te schenken, afstand doet van Zijn eigendomsrecht, omdat deze voor Hem zijn als een soort van koninklijke belasting. In de verzen 26-29 lezen wij, dat de Levieten op hun beurt het beste deel van de tienden, die zij ontvangen hadden, moesten afstaan aan de priesters. Dat wordt dan ook in hymxn Nechem’ya [Nehemia] 10:38 nog eens herhaald: “Een priester, een zoon van Aharon, zal de Levieten vergezellen, wanneer de Levieten de tienden heffen, en de Levieten zullen een tiende van de tienden brengen naar het huis van onze G’d, naar de vertrekken van het voorraadhuis.” - Naast de tiende (r>im Ma’aser) moesten de Israëlieten ook de eersteling (rvkb Bikur) en een heffing ofwel offer (hmvrt T’ruma) aan de Levieten en de priesters geven voor de dienst in de tempel. Omdat zij allen datgene zijn, wat van een groter geheel voor de Eeuwige apart wordt gezet, is het verklaarbaar dat in de Torateksten deze drie begrippen in elkaar overgaan, al zijn zij nooit identiek. In de Mish’na tvmvrt T’rumot hebben de rabbijnen regels voor de heffingen gegeven. Het eerstelingenoffer heeft binnen het Jodendom een ontwikkeling in vele fasen doorgemaakt (zie Mish’na-traktaat ,yrvkb Bikurim) en zo heeft x>dxh=tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] later dit begrip overgedragen op Yeshua.
Tiende voor de armen
Omdat het eerste grote gebod zegt, dat wij G’d moeten liefhebben, is onze tiende op de eerste plaats ook voor de dienst aan G’d bestemd en pas op de tweede plaats voor onze naaste. Maar let op: volgens Yeshua is het tweede grote gebod wél daaraan gelijk! Dat blijkt ook heel duidelijk uit de samenvatting van al het bovenstaande, die wij in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 14:22-29 tegenkomen: “Gij zult de gehele opbrengst van het zaad dat uit uw akker voortkomt, stipt vertienen, jaar op jaar. Gij zult voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, in de plaats die Hij verkiezen zal om Zijn naam daar te doen wonen, eten de tiende van uw koren, uw most en uw olie, en de eerstelingen van uw runderen en van uw kleinvee, opdat gij de Eeuwige, uw G’d, uw leven lang leert vrezen. Wanneer de weg voor u te lang zou zijn, zodat gij ze niet zoudt kunnen vervoeren, omdat de plaats die de Eeuwige, uw G’d, verkiezen zal om dáár Zijn naam te vestigen, te ver van u verwijderd is, wanneer de Eeuwige, uw G’d, u gezegend heeft, dan zult gij ze te gelde maken en dat geld bij u steken en naar de plaats gaan, die de Eeuwige, uw G’d, verkiezen zal, en gij zult dat geld besteden voor alles waarin gij lust hebt, voor runderen of kleinvee, voor wijn of bedwelmende drank, of wat gij ook wenst, en gij zult daar voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, eten en u verheugen, gij met uw huisgezin; ook de Leviet, die binnen uw poorten woont, zult gij aan zijn lot niet overlaten, want hij heeft geen bezit of erfdeel met u. Na verloop van drie jaar zult gij alle tienden van uw opbrengst in dat jaar brengen en in uw poorten neerleggen; dan zullen de Leviet, omdat hij bezit noch erfdeel met u heeft, en de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen, komen en eten en zich verzadigen, opdat de Eeuwige, uw G’d, u zegene in al het werk, dat uw hand doet.” Een uitgebreidere versie hiervan staat in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 12:1-28. Hier lezen wij, dat de tienden niet alleen maar besteed werden voor het levensonderhoud van priesters en levieten en voor de dienst met de vele offers, die zij in de tempel verrichtten, maar ook om daarmee de buitengewone maaltijden te houden tijdens de drie pelgrimsfeesten tvkvc Sukot [Loofhuttenfeest], xcp Pesach [Pascha] en tvivb> Shavuot [Wekenfeest]. Elke Israëliet was namelijk verplicht om deze feesten in Jeruzalem te vieren. Dit aspect komt in ,yrbd D’varim 12:17-19 bijzonder duidelijk naar voren: “In uw woonplaatsen zult gij de tiende van uw koren niet mogen eten, noch die van uw most en uw olie, noch de eerstelingen van uw runderen en van uw kleinvee, noch iets van de gelofteoffers, die gij beloven zult, noch uw vrijwillige offers, noch uw wijgeschenken. Maar voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, zult gij ze eten, op de plaats die de Eeuwige, uw G’d, verkiezen zal (Jeruzalem), gij en uw zoon en uw dochter, uw dienstknecht en uw dienstmaagd, en de Leviet, die binnen uw poorten woont, en gij zult u verheugen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, over alles wat gij ondernomen hebt. Neem u ervoor in acht, dat gij de Leviet niet aan zijn lot overlaat, zolang gij in uw land woont.” - In ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 14:28-29 werd er wel summier gesproken over de tiende voor de armen, maar hoofdstuk 26:12-15 gaat er wat dieper op in: “Wanneer gij in het derde jaar, het jaar der tienden, gereed gekomen zult zijn met het afzonderen van alle tienden uit uw opbrengst, dan zult gij ze geven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, opdat zij eten en zich verzadigen in uw steden. En gij zult voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, zeggen: Ik heb het heilige uit het huis weggedaan; ook heb ik dat gegeven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, geheel overeenkomstig het gebod, dat Gij mij gegeven hebt. Ik heb geen uwer geboden overtreden of vergeten; in mijn rouw heb ik daarvan niet gegeten, noch daarvan iets weggedaan, terwijl ik onrein was, noch iets daarvan aan een dode gegeven; ik heb geluisterd naar de stem van de Eeuwige, mijn G’d, ik heb gedaan naar alles wat Gij ons geboden hebt. Zie neder uit Uw heilige woning, uit de hemel, en zegen Uw volk Israël en het land, dat Gij ons gegeven hebt (zoals Gij onze vaderen onder ede beloofd hebt) een land, vloeiende van melk en honig.” - De tienden moesten in het derde jaar thuis besteed worden om de armen te onthalen. Omdat dit nu niet onder het oog der priesters geschiedde, en er groot vertrouwen werd gesteld in het volk, dat zij er eerlijk over zouden beschikken overeenkomstig de wet, voor de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, werd vereist dat zij, als zij bij het volgende feest voor het aangezicht van G’d verschenen, zouden betuigen, als het ware onder ede, dat zij trouw en eerlijk hun plicht hadden gedaan. Zij moesten een plechtige verklaring hiervan afleggen dat ze van hun tiende niets stiekem achtergehouden hadden: “Ik heb het heilige uit het huis weggenomen, er is niets anders in gebleven dan hetgeen mijn deel is.” Voorts moesten zij plechtig verklaren dat de armen, in het bijzonder arme leraren, arme vreemdelingen en arme weduwen, hun deel gehad hebben gekregen overeenkomstig het gebod. Het is voegzaam dat de Eeuwige, die door Zijn voorzienigheid ons alles geeft wat wij hebben, ons door Zijn Woord zal besturen in het gebruik er van. Daarom moeten wij in deze ons hart laten spreken ten opzichte van het gebruik van onze inkomsten, en zo is ons toch in het algemeen geboden om een deel van onze rijkdom aan de behoeftigen te geven, dan, en niet anders, zijn ons alle dingen rein. Van onze bezittingen kunnen wij dan eerst genieten, als de Eeuwige er uit ontvangen heeft wat Hem toekomt en wij ook onze naaste niet vergeten. Verder moesten zij verklaren, dat niets uit deze tienden verkeerd werd aangewend. Zij moesten verklaren, dat zij er niet van gegeten hebben in hun leed, wanneer zij door hun rouwbedrijf over de doden gewoonlijk onrein waren; dus bij een maaltijd na een begrafenis, en ook niets gegeven hebben aan een dode, wat een heidens gebruik was. Ook moesten zij verklaren, dat zij het niet heiligschennend vervreemd hadden voor eigen gebruik, want het was niet van hun. Dat zij nu verplicht waren aan het einde der drie jaren deze plechtige verklaring af te leggen, bracht de verplichting voor hen mede om getrouwelijk te handelen, wetende dat zij geroepen zullen worden om zich aldus te zuiveren. Het is onze wijsheid om ten allen tijde ons geweten rein te houden, opdat wij, als wij geroepen worden om rekenschap af te leggen, ons aangezicht smetteloos kunnen opheffen (zie Job 11:15). In de Joodse traditie wordt gezegd, dat zij deze verklaring van hun oprechtheid met zachte stem moesten afleggen, omdat zij de schijn had van eigen lof te zijn, maar dat de voorafgaande belijdenis van G’ds goedheid met luider stem moest uitgesproken worden, tot Zijn eer en verheerlijking.
Waarom berooft gij Mij?
Mag een mens G’d beroven? Toch berooft gij Mij. En dan zegt gij: Waarin beroven wij U? In de tienden en de heffing! Met de vloek zijt gij vervloekt, en Mij berooft gij, gij volk in zijn geheel! Breng de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in Mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt Adonai Tz’vaot [de Heer der heerscharen], of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten.” (ykalm Mal’achi [Maleachi] 3:8-10). We lezen dat men als volk in gebreke bleef de tienden te geven die toekwamen aan de priesters en de Levieten. Zo misten de dienstknechten van G’d hun inkomsten. De Eeuwige nam dit hoog op en onthield het volk Zijn zegen. Misoogsten waren het gevolg. Zij hadden hun Meester beroofd en Zijn goederen verduisterd. Zij hadden ze nog het lef om te vragen: “Wat hebben wij verkeerd gedaan?" G’d gaf antwoord door Zijn profeet. Zij werden beschuldigd van roof, van heiligschennis, (Gij berooft Mij!). Met zou het niet voor mogelijk houden: Zal een mens zo ontzettend onbeschaamd wezen, G’d te beroven? De mens, een zwak schepsel, die met G’ds macht zich geenszins meten kan, denkt die erover, G’d te beroven? De mens, die van G’d volledig afhankelijk is en alles van Hem moet ontvangen zal zijn weldoener beroven? Dat is inderdaad ondankbaar, onrechtvaardig, onheus; het is meer dan dwaas, Hem te tergen, die ons oordelen zal! En toch gebeurde het, en het gebeurd nog steeds, want er zijn helaas nog steeds talrijke gelovigen, die hun financiële verplichtingen tegenover de gemeente en hun naasten niet nakomen. G’d te beroven is zulk een afschuwelijke misdaad, dat degenen, die zich daaraan schuldig maken, onwillig zijn hun schuld te erkennen. Men staat er gewoon niet bij stil! Zij beroven G’d en weten niet wat zij doen. Zij beroven Hem van Zijn eer, beroven Hem van wat Hem gewijd is, dat in Zijn dienst zou gebruikt worden, beroven Hem van henzelf, omdat zij zich niet helemaal aan Hem hebben gegeven, beroven Hem van Zijn Shabat, beroven Hem van wat voor de instandhouding van Zijn eredienst gegeven is, beroven Hem van wat zij Hem schuldig zijn. En toch vragen zij nog: “Waarin beroven wij U?” Wat G’d op hun verontschuldigende vraag antwoordt: “In de tienden en het hefoffer.” Daarin vonden de priesters en Levieten hun bestaan voor zichzelf en hun gezinnen. Maar die onthielden zij hun; zij bedrogen de priesters, wilden de tienden niet of niet geheel betalen brachten het beste niet. Zij gaven niet de offers, die de Eeuwige eiste, zij namen daarvoor het kreupele het lamme, het bedorvene, wat voor het gebruik ongeschikt was. Zij waren aan deze zonde allen schuldig, het hele volk, alsof zij samenspanden tegen de Eeuwige, om Hem van het Zijne te beroven en elkander daarbij te steunen. Hierom werden zij met een vloek vervloekt! G’d strafte hen met hongersnood en schaarste, door ongunstig weer of insecten, die de vruchten des lands opaten. Dit moet voor ons een les zijn. Degenen, die Adonai het Zijne uit hun goederen onthouden kunnen terecht op een vloek in die goederen rekenen: “Met een vloek zijt gij vervloekt, omdat gij Mij beroofd hebt en daarmede voortgaat.” Een ernstige waarschuwing om zich hiervan te bekeren, met de belofte, dat, zo ze zulks deden, het oordeel spoedig zou weggenomen worden. G’d wil de zondaars, die zich bekeren, niet alleen verzoenen, maar ook hun Weldoener zijn. De Eeuwige heeft overvloedig zegeningen voor ons in voorraad, maar door de zwakheid van ons geloof en de geringheid onzer begeerten, ontvangen wij zo weinig. De Israëlieten bekeerden zich inderdaad van deze zonde en heel Juda en Israël bracht de tienden naar de tempel. En de zegen der belofte is niet uitgebleven in terugkeer van de overvloed, onmiddellijk na terugkeer tot hun plicht. Nu konden ze duidelijk onderscheiden, dat ze met G’d verzoend waren. De vloek was niet alleen weggenomen, maar in een zegen veranderd! Dit moet ook voor ons gelden! De Israëlieten brachten de tienden naar de tempel. Als wij ervoor hebben gekozen om ons hart een tempel te laten zijn waarin Yeshua kan wonen dan betalen wij naar vermogen en streven naar de tiende, niet voor de gemeente alleen, maar ook of beter gezegd vooral voor de naaste!
De eerste gemeente
Hoe ging de eerste gemeente van Yeshua met de tienden om? Zoals ik reeds eerder zei, kwam ik de tienden bijna nergens tegen in het Nieuwe Testament, behalve bij de Farizeeën en met betrekking op het hogepriesterschap in de Hebreeënbrief. Of was het geven van tienden, dat onderdeel uitmaakt van de wet, soms niet meer van toepassing op de nieuwtestamentische gemeente? Wij kijken even wat in tvlipm Mif’alot [Handelingen] 2:41-47 staat over het leven der eerste gemeente: “Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich onderdompelen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden G’d en stonden in de gunst bij het gehele volk. En de Eeuwige voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden.” In hoofdstuk 4:32-34 staat verder: “En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel, en ook niet een zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, doch zij hadden alles gemeenschappelijk. En met grote kracht gaven de apostelen hun getuigenis van de opstanding van Yeshua haAdon, en er was grote genade over hen allen. Want er was ook niet één behoeftig onder hen.” - Dat de eerste Messiasbelijdende Joden alles met elkaar deelden, wil niet zeggen dat ze daarnaast de tienden niet meer betaalden. Ze leefden immers naar de woorden van Yeshua: “Geeft dan de keizer wat des keizers is en G’de wat G’ds is.” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 22:21). Bovendien bestond de eerste gemeente voornamelijk uit toragetrouwe Joden: “Gij ziet, broeder, hoevele duizenden er onder de Joden gelovig zijn geworden en allen zijn zij ijveraars voor de wet.” (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 21:20). Natuurlijk betaalden zij de tienden, want zoals wij net lazen, waren zij in de omgang met de wet niet zo hypocriet als de door Yeshua terechtgewezen Farizeeën. We lezen juist dat ze elke dag naar de tempel gingen, dus zullen ze daar ook hun financiële verplichtingen zijn nagekomen. De tempel is er niet meer, maar G’d is er nog wel en Hij zal er altijd zijn, evenals er ook altijd armen zullen zijn. Bij de besteding van onze tienden moeten wij derhalve een verdeelsleutel hanteren, waarbij wij ons hart laten spreken! Enerzijds mogen wij ons beslist niet aan onze financiële verantwoordelijkheid ten aanzien van de gemeente waartoe wij behoren, onttrekken. De gemeente maakt onkosten en die moeten worden betaald. Maar daarnaast moeten wij met onze tienden ook denken aan onze naasten in nood! Dat wij hier in Nederland goede sociale voorzieningen hebben doet daaraan niets af. Ook hier zijn er daklozen en sociaal zwakkeren, ook hier zijn er zieken die méér zorg nodig hebben dan door de overheid vergoed wordt. Maar wij moeten ook verder kijken dan onze landsgrenzen! Niet voor niets zijn er talrijke liefdadigheidsorganisaties, waarvan u regelmatig accept-girokaarten in de brievenbus krijgt. In het geven van tienden moeten wij dus de juiste balans vinden. Wij moeten er in elk geval niet te krampachtig mee omgaan. Ik zeg niet, dat de verdeelsleutel nu per sé fifty-fifty moet zijn. Het zou wel mooi zijn, maar dat hangt van iedereen persoonlijk af. Ik zei het al: laat uw hart spreken en breng het in gebed. Het zou best kunnen, dat de één het op zijn hart heeft om de héle tiende aan de gemeente te geven en af en toe wel eens ergens een gift overmaakt. Een ander geeft misschien 2% aan de gemeente en doet met de rest goed werk, bijvoorbeeld via het Foster Parents Plan of het Koningin Wilhelmina Fonds. Maar het zou ook kunnen, dat iemand zegt: “Allemaal mooie woorden, maar wat doe jij zélf?” - Mijn antwoord is: mijn vrouw en ik zijn er in de loop der jaren steeds bewuster mee omgegaan. Soms zijn er jaren geweest dat we die 10% niet elke maand helemaal gehaald hebben, maar er waren ook jaren dat we er zelfs bovenuit kwamen. Tegenwoordig houden we voor zover mogelijk de richtlijn van 10% naar boven toe aan, met als verdeelsleutel uiteraard bijdragen voor onze eigen Beit Midrash Groep en giften voor een sjoel die we af te toe bezoeken en diverse Messiaanse organisaties. Daarnaast vaste giften voor behoeftigen en goede doelen zoals Magen David Adom en de gaarkeukens in Israël en de rest voor uiteenlopende projecten in het kader van de verkondiging en naastenliefde. Wij hebben er vreugde aan leren beleven en in ons eigen leven mogen ervaren, dat het zaliger is te geven, dan te ontvangen (Handelingen 20:35).
Werner Stauder



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina