1. 1 Wat is licht? Natuurlijk daglicht = vorm van elektromagnetische straling



Dovnload 111.89 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte111.89 Kb.
Fotografie.

1) Licht en kleur.

Licht


1.1) Wat is licht?

Natuurlijk daglicht = vorm van elektromagnetische straling

 uitgestraald door de zon als serie van golven

(zon zend enorm bereik(=spectrum) uit van elektromagnetische stralingen, gammastralen (frequentie) radiogolven (frequentie))

golflente = afstand tussen 2 opeenvolgende toppen v/d golfvorm

frequentie van een straling = aantal toppen dat bepaald punt passeert voor bep. tijd (1sec.)

(bij licht worden de golflengte gemeten in nm (= 1/1000.000mm), menselijk oog slechts gevoelig voor smalle band van het spectrum)
1.2) Wat is kleur?

=ontbonden licht

rood grootste golflengte, wordt minste gebroken

violet kleinste golflengte, wordt sterk gebroken

oorspronkelijk witte licht zo in samenstellende delen, kleuren ontleed

mate van breking afhankelijk van golflengte v/h licht

korte golflente, meer afgebroken dan lagere
1.3) Lichtbronnen.

Kleurtemperatuur.

Elke lichtbron geeft licht van bepaalde kleurtemperatuur


natuurkundig begrip 

= absolute temperatuur, die een volkomen zwart lichaam zou moeten hebben om bepaalde kleurenspectrum uit te stralen


bij relatief lage temperatuur voornamelijk langgolvig licht uitgestraald  rood

bij stijging v/d temperatuur  meer kortgolvig licht uitgestraald

 verschuiving van oranje geel wit blauwwit

Dag –en kunstlicht


Daglicht: belangrijkste bron = zon

verandert voortdurend - kwaliteit

- kwantiteit
op- en ondergaan:

voornamelijk langgolvig licht doorgelaten

 roodgetint = roodzweem

(effect atmosferische absorptie van blauw doordat de zon door dikke laag atmosfeer moet)

dramatische effect rood-geel-paars
’s middags:

korte golven bereiken ons beter

 blauwzweem
bewolkte dagen:

diffuus licht, blauwe kleurtemperatuur


als de zon net onder is, maar nog niet helemaal donker = blauw uur  blauweffect

= schaduwpartijen

 onderwerp niet verlicht door direct zonlicht, maar enorm blauwvlak = hemel
Kunstlicht: vervanger van natuurlijk daglicht

Belangrijkst kunstlichtbronnen:

- gloeilamp  geel

- halogeenlampen

- TL-lampen  groen
belangrijk nadeel = hinderlijke kleurzweem bij kleurenfilm

 nauwelijks merkbaar voor menselijk oog

mens past zich aan oog-hersenwerking
film veel gevoeliger licht- en kleurveranderingen

fotografische film geen aanpassingsvermogen  afgestemd op kleurtemperatuur.


1.4) Soorten licht

Gericht licht


Makkelijkst herkenbare daglichtsoort

heldere lucht  zon vrij

 licht valt onbelemmerd op het onderwerp

zon = enorme spot

 zonnezijde onderwerp vangt veel lichtandere zijde  diepe schaduw

 hoog contrast, overgang tussen licht en schaduw = abrupt = hardlicht


geschikt voor landschapsfotografie  geeft rijke kleuren en scherpe details weer

(mooie blauwe hemel = achtergrond voor elk ond.)



Diffuus licht


Wolkendek tussen zon en aardoppervlak verstrooit zonlicht

Niet meer vanuit 1punt, maar  richtingen belicht

 schaduwpartijen vloeien in elkaar over

 contrast tussen beide veel kleiner

 hoeveelheid licht kleiner = zacht licht

personen fotograferen  zacht licht vleiender

 kleuren, schaduwen, details matiger weergegeven
zonnige dagen  zacht licht fotograferen: onderwerp in de schaduw plaatsten

 (vermijd ook dichtgeknepen ogen)

verzachtend  gefilterd licht (vb: bladerdak)

milderen  flitsen


bij regenachtig weer: niet te veel witte/ grijze lucht in beeld,

beter closer of details fotograferen




Gereflecteerd licht


Ontstaat door gericht licht dat via spiegelend oppervlak wordt teruggekaatst

(water, licht zand, witte muur, sneeuw)

reflectie gebruiken om schaduwen op te helderen (veroorzaakt door gericht zonlicht)

(!gekleurde reflectievlakken)



Indirect licht via een raam


Zon door raam = harde licht van buiten, met zeer lichte partijen en zware schaduwen

Natuurlijk indirect licht = kwaliteiten van gericht licht + diffuus licht


Bij bewolking begrensde grote v/d raamopening

 diffuse licht toch globaal uit 1richting

 mooie, zachte versie van gericht licht
1.5) lichtrichting

= vrij belangrijk

3 manieren:
frontaal licht:

mee met richting van zon  onderwerp frontaal verlicht

zonnige dag  egaal verlicht onderwerp met rijke, verzadigde kleuren, scherpe details

weinig problemen bij belichting v/d film

nadeel = frontaal licht  vlakke indruk  geen schaduwen
zijlicht:

meer schaduwen  vormen en diepte worden belangrijker, onthuld structuur van je ond.

! mensen met grove huid

als je je onderwerp niet zijwaarts ten opzichte van de zon kan opstellen

 wachten tot zon in juiste hoek staat

zon laag  meer, langere schaduwen tov zon hoog aan hemel staat


tegenlicht:

= meest dramatisch spel tussen licht en schaduw

zon staat achter onderwerp  contour en transparantie versterkt
nat oppervlak of waterplas in tegenlicht  1000 kleine, helder, reflecterende lichtpuntjes die water doen schitteren
technisch  tegenlicht trekken moeilijk  misleiden van lichtmeter

belichting v/d film is niet evident  manueel bijgestuurd



Kleur

Kleuren waarnemen

1.6) Kleur van een voorwerp

 selectieve absorptie van bepaalde lichtfrequenties door de atomen van het oppervlak


voorwerpen hebben dus bepaalde kleur als ze licht v/h zichtbare spectrum meer reflecteren dan een ander deel

vb: rood boek = rood  allen golflengten  rode eind van het spectrum: gereflecteerd

zelfde boek verlicht door groen of blauw lijkt zwart rode oppervlak absorbeert groen/blauwe licht, er wordt geen licht gereflecteerd
reflectie = terugkaatsen van licht

 diffuse reflectie: licht door oppervlakte in alle richtingen weerkaatst

 spiegelende reflectie: gereflecteerd licht wordt als puntlicht weerkaatst

absorptie = opnemen van licht

transparantie = doorlaten van licht
1.7) werking van het menselijk oog

de info over kleur in oog = bepaald door 3signalen van cellen die gevoelig voor - rode

- groene delen van het spectrum

- blauwe
resultaat = 3”primaire” kleuren voldoende om elke tint te verkrijgen = trichromatie

cornea + transparante hoornvlies + lens: vormen afbeelding van alles, wat buiten oog op netvlies of retina binnenin oog
sommige opzichten oog = camera

beiden hebben: lens, filmstrook waarop beeld terecht komt, middelen om scherp te stellen en de lens is verantwoordelijk voor bundeling van inkomend licht


binnen het netvlies  speciale cellen: staafjes, kegeltjes

 absorberen licht zetten om in elektrische signalen doorgestuurd naar cortex =buitenste laag v/d hersenen


in oog 3  soorten kegeltjes met elk  pigment

elk pigment absorbeert licht van bepaalde kleur sterker dan andere (1tje blauw, ander groen/rood)

kegeltjes: informatie over lichtintensiteit afhankelijk van kleur doorsturen naar hersenen
staafjes: 1type, meestal gevoelig voor blauw/groen,

sturen info over lichtintensiteit onafhankelijk van kleus door naar de hersenen

staafjes 10 000x gevoeliger dan kegeltjes

 bij schemer geen kleur onderscheiden


kleurenblindheid

 bepaalde kegeltjes zijn afwezig/ werken niet correct

 bepaalde kleuren worden gezien als grijswaarden

(meest voorkomend bij mannen, totale kleuren blindheid is haast onbestaande)


1.8) Waarneming van kleur

lichtsterkte:

soort + hoeveelheid licht beïnvloed kleuren,

kleuren lijken anders bij sterk zonlicht/ nevel


nabijheid van andere kleuren:

kleurenindruk beïnvloed door andere kleur in nabijheid

vb: geel naast rood of geel naast blauw
1.9) Eigenschappen van kleur

tint:


naam kleur

kleurtint geeft basiskleur aan of eigenschap die ene van andere kleur onderscheid

vb: verschil tss rood en groen
helderheid:

hoe licht/ donker is een kleur

hoe dicht ligt kleur bij zwart of wit  vb: licht of donker blauw
verzadiging:

levendig of dof? Hoe zuiver is de kleur?

Mate waarin kleur niet donker wordt geen grijs bevat

Vb: rood uit potje niet roder maken, wit/ zwart toevoegen  verzadiging afnemen + toonwaarde toenemen

Fel of gedempt rood 100% rood + 0%wit = 100%verzadigd rood

10%rood + 90%wit = 10% verzadigd rood



Kleuren zien op 3 manieren

1.10) Kleuren in de natuur:

 volledig spectrum komt van zon als zuiver wit licht,

door materie doorgelaten   componenten worden zichtbaar

zichtbare spectrum bestaat uit miljoenen kleuren (niet allemaal door menselijk oog te zien)


1.11) Beeldschermkleuren:

Opgebouwd uit rode, groene, blauwe lichtstralen = RGB-model

(Optelmodel: rood, groen, blauw = additieve kleuren

100%rood+groen+blauw neemt  zie je wit

is er geen van deze kleuren aanwezig  zie je zwart)
1.12) Drukkleuren

gebaseerd op reflectie van pigmenten en papier

drukinkten voor 4kleurendruk pigment van: cyaan, magenta, geel (CMY)

(aftrekmodel: 100%magenta + cyaan+ geel zwart

afwezigheid van kleur  wit : substractieve kleuren)
Zwart als 4e drukkleur

3substractieve (CMY) kleuren samen theoretisch = zwart

onvolledige absorptie  samen donkerbruin

daarom supplementair zwart nodig

CMYK kleuren K= key color

zwart  schaduwen verdonkeren en echt zwart beschikbaar voor letters en lijnelementen

zwart verbetert scherpte + dieptewerking van afbeelding

Kleurmanagement


Grafische vormgevers die ontwerpen maken om te drukken !  zichtbare kleuren

op beeldscherm (RGB)

drukken (CMYK)

kalibratie van apparatuur nodig

 nauwkeurig afstellen van apparatuur op elkaar om kleuren nauwkeurig-constant op elkaar af te stemmen

(kleur op scherm veranderen  licht in kamer veranderd

 monitor tot monitor)

Kleurenleer

harmonieën  verhouding binnen kleurencirkel

contrasten


primaire kleuren: geel, rood, blauw

secundaire kleuren: opgebouwd door 2pimaire kleuren te mengen


1.13) Kleurcontrasten

kleurwerking vergroot/ verkleind door contrastkleuren naast te zetten


Kleur-tegen-kleur contrast

werken tegen elkaar

Primaire kleuren sterk kleur-tegen-kleur contrast

Alle zuivere (niet met wit/zwart vermengd) laten zich samenvoegen tot dergelijk kleurig contrast

! overdreven gebruik  kakelbont effect (winkelstraat, verliezen kleurwaarde)
Licht-donker contrast

Met wit/grijs/zwart licht-donker contrast maken

Kleuren  lichtsterkte  sterk licht-donker contrast

Binnen hoofdkleuren licht-donker contrast sterkst tss geel en paars


Koud-warm contrast

Opgeroepen door warme kleuren uit spectrum rood, oranje, geel tov koele kleuren blauw, violet, groen = contrast in gevoelswaarden

Warmte van kleuren belangrijker voor ontwerpen waarin je warmte wil suggereren

vb reisgids voor zon of winter bestemmingen


warme kleuren meestal minder geschikt om te gebruiken als achtergrond op scherm

 verhogen intensiteit kans op vibratie van kleuren



Complementair contrast

 staan diametraal tov elkaar in kleurencirkel

- versterken elkaar als ze naast elkaar staan

- vernietigen elkaar als ze gemengd worden


tegengestelde kleuren  tegenstellingen moeten worden gemaakt

belangrijkste complementaire kleurenparen = rood-groen

geel-violet

oranje-blauw


complementaire kleuren  atmosfeer van dynamiek en vibratie

op scherm intensiteit nog versterkt oppassen kleurencontrast in multimedia-applicaties

te subtiele contrasten  moeilijke leesbaarheid

zwarte achtergronden meestal minst vibraties

aftiteling film meestal witte tekst op zwarte achtergrond, gedrukte media = omgekeerde

Effectief gebruik van kleur

1.14) Kleurwerking

Kleuren roepen emoties op, geven stemming weer, sfeer, afstoten/aantrekken,…

Moderne reclamemakers bewust van kleurwerking

consument laat zich eerder door emoties verleiden dan rationeel

kleuren zijn ideaal instrument

Psychologische kleurwerking


Roepen reacties en associaties op (automatisch/ onbewust)

Ontstaan doordat we bepaalde dingen op zelfde manier ervarenleid langzamerhand eigen leven

Vb: groen= natuur, onrijp, rustgevend,…
Culturele kleurwerking

Verschillende levenswijze verschillende culturen kleuren  werking

Vb: groen Eu  landschapskleur

Woestijnvolkeren  kleur van paradijs, heilige kleur


Politieke kleurwerking

Politiek = eigen kleur, eigen symboliek


1.15) Kleuren en hun karakter

zwart:

kleur zoals alle andere

niet uitsluitend  ontbrekend licht, echt zwart =  contrast heldere omgeving
wit:  zwart

relatief helder voorwerp tov omgeving, voorwerp reflecteert veel licht


grijs:

intermediaire waarde tss wit en zwart, mengproduct



rood

eigenschappen in vlak van superlatieven

langste golflengte van specturale kleuren, grenzend aan onzichtbare infrarood
geel

belangrijk  zon, bron van leven

 kleur van goud, edelmetaal

meest verwant met wit


groen

kleur waarvoor oog gevoeligst is, golflengte groene spectrum vallen perfect op netvlies

(=spectrale gevoeligheid van het oog)

niet geval voor rood/blauw


blauw

meest populaire kleur


violet

ontstaat wanneer tegengestelde naturen tot elkaar worden aangetrokken


oranje=mengkleur

identiteitscrisis, niet rood niet geel


roze rood

typisch vrouwelijk


1.16)bewuste kleurkeuze

de warmte van kleuren

de tinten van elke kleur van spectrum kunnen temp. hebben dan basiskleur


vrouwelijke kleuren

ingespeeld bij verpakkingen huishoudelijke artikelen, producten voor jonge kinderen

pasteltinten, voorkeur voor roze, blauw, gele pasteltinten
mannelijke kleuren

sterke uitstraling, weinig kleur, sober, donker

toegepast voor bedrijfsimago, die liever indruk van degelijk en betrouwbaarheid wekken dan kleurrijke lichtzinnigheid
frisse kleuren

helder blauw-groen-geel

associatie met fris water, koelte, …
gezonde kleuren

aardkleuren, gezond, natuurlijk maar ook tradities, nostalgie,…


opwindende kleuren

gewaagde kleurcombinaties, moeilijk & kan rampzalig zijn




verfijnde kleuren

kleur kan ook indruk wekken van rijkdom, verfijning, kwaliteit

hoeveelheid goud/ zilver

gemengd met andere kleuren  metaalblauw, bruine, grijze, kastanjebruine kleuren

geen regels voor “kwaliteitskleuren”
de kleur van de doelgroep

welk beeld wil je overbrengen?

welke kleur past bij dit beeld
2) Techniek van de fotografie

2.1) camera obscura

= lat. voor donkere kamer

= afgesloten ruimte met aan ene kant halfdoorschijnend vlak (vb:matglas, stukje vet papier) wordt de camera ergens opgericht  afbeelding verschijnt op matglas

lichtstralen kruisen elkaar in (gaatje=)objectief  beeld op matglas op zijn kop en links/rechts verwisseld

(fototoestellen en filmcamera’s belichamen zelfde principe)
2.2) lens en objectief

belangrijkste element camera = lens

= onderdeel dat beeld van onderwerp op film projecteert, kwaliteit scherpte en helderheid foto’s bepaalt.
Enkelvoudige lens  vaak fouten

 vermijden door verschillende lenzen = objectief


omdat afbeelding op filmvlak zo scherp mogelijk moet  afstand tussen lens en film kunnen veranderen

juiste afstand hangt af van afstand tussen lens en onderwerp

handeling van afstellen v/d lenspositie = focusseren of scherpstellen  scherp beeld

draaien aan ring  lensvatting beweegt de lenssamenstelling dichter naar/ verder v/h filmvlak


brandpuntsafstand (=focus, f)

brandpuntsafstand van een lens = punt op optische as waarop evenwijdig aan de optische as binnenvallende lichtstralen samenkomen


soms op brandpunt werkelijk brand

lens  loep, op zon gericht + instellen dat brandpunt op licht ontvlambaar materiaal valt


brandpuntsafstand = afstand tss brandpunt en lans of centrum van het objectief

 zegt iets over beeldgrootte

Hoe groter brandpuntsafstand  hoe groter voorwerp afgebeeld


soorten objectieven

vast, niet verwisselbaar:

beperkt in kiezen van standpunt, als fotograaf niet in staat is goed standpunt te vinden, kan men daar weinig aan doen.


verwisselbaar:

middel om beeldhoek van camera te veranderen

 duidt aan hoeveel onderwerp via objectief gezien (kan) wordt(en)

geven fotograaf mogelijkheid om hoeveelheid onderwerp op foto te veranderen vanuit gegeven standpunt


indien niet anders aangegeven objectief bij kleinbeeldspiegelreflexcamera

 brandpuntsafstand standaard/normaal (50mm)  zichtveld menselijk oog


objectieven met

- grotere brandpuntsafstand dan standaardobjectief  kleinere beeldhoek kunnen op groter afstand onderwerp formaatvullend in beeld krijgen

waarom? 1) Onderwerp niet voldoende benaderbaar vb: wilde dieren

2) Vaak beter bepaald onderwerp van afstand te fotograferen die groter is dan standaardlens om natuurlijker perspectief te krijgen

vb: portretfotografie
- korter brandpuntsafstand dan standaardobjectief  grotere beeldhoek + geven vanuit zelfde standpunt groter beeldveld dan standaardlens

vb: fish eye  objectief met grote beeldhoek  vervorming van beeld


- zoomobjectieven:

objectieven met variabele brandpuntsafstand

bestaan uit samenstelling van lenzen die langs optische as bewegen

 brandpuntsafstand + beeldhoek tss bepaalde grenzen continu variabel


- macro-objectieven:

speciaal ontwikkeld  voorwerpen dichtbij camera toch scherp op foto


perspectief

verwijst naar afstand tss meest nabije en verste voorwerp tegelijk zichtbaar

brede beeldhoek (korte brandpuntsafstand)  perspectief duidelijk zichtbaar

smalle beeldhoek (lange brandpuntsafstand)  perspectief minder duidelijk

beeld bij teleobjectief = meer gecomprimeerd: voorwerp verte lijken net achter meer dichtbije.
2.3) diafragma

= maat van de opening waar licht doorheen valt

waarden worden uitgedrukt in getallen = f-stops

getallen op diafragmaring van objectief staan aangegeven als f-stops elk getal duidt op opening dubbel of helft van getal ernaast (verschil 2aangrenzende getallen =stop)

vb: f/5.6 laat 2x zoveel licht door als f/8 maar slechts half zoveel licht als f/4

klein diafragma =  getal vb: f/22niet groter dan speldenkop

groot diafragma =  getal vb: f/1.4

openen lens = groter maken diafragma

sluiten lens = kleiner maken diafragma

2.4) scherptediepte

gebied waarbinnen alles van voor- tot achtergrond scherp is

vb: storende elementen  aanpassen scherptediepte onscherp = niet storende voor ond.

(vermijdt “wazig”  verwijst naar weersomstandigheden als je over scherptediepte praat)

scherptediepte klein of weinig(klein gebied) naar groot(alles/groot deel scherp)
scherptediepte en diafragma

scherptediepte omgekeerd evenredig met diafragma-opening

vb f/1.8wijd geopende lens  scherptediepte miniem

lens gesloten tot f/16 vrijwel alles voor- tot achtergrond scherp

sluitertijd  snelheid v/d beweging van onderwerp

diafragmawaarde hoeveelheid scherptediepte


scherptediepte en objectieven

teleobjectieven  minimale scherptediepte

groothoek-objectieven  zeer veel scherptediepte + scherpstelling niet zo’n kritiek punt

(vb: heldere dag 28mm-objectief   alles scherp, teleobjectief grijze dag kans op probmlemen)


scherptediepte en opnameafstand

verschillend volgens opnameafstand

wanneer overige omstandigheden =

onderwerp verder van camera verwijderd  meer scherptediepte dan dichtbij


2.5)sluiter en sluitertijd

functie = film in camera afsluiten van licht

vroeger:

belichting van meerdere minuten nodig, sluiters niet echt nodig

( lensdop erop en eraf draaien)

door ontwikkeling lichtgevoeligere emulsies nu:

fractie van seconde snellere, nauwkeurig sluiters nodig
spleetsluiter:

vlak voor camera geplaatst

2gordijnen uit dun metaal,

voor ontspanning: 1e gordijn voor filmvlak gebrachtfilm ontvangt geen licht

sluiterknop wordt ingedrukt verdwijnt 1e gordijn (opgerold aan zijkant filmvenster)

vastgestelde tijd na 1e gordijn  beweegt 2e (totdan opgerold andere zijnde filmvenster)

neemt oorspronkelijke positie 1e in opening weer afgedekt film geen licht meer ontvangt
sluitertijd verwijst naar duur van de belichting

korte sluitertijd = 1/1000sec. kort moment open (meestal scherp)

lange sluitertijd = 1/30sec. lang open

(open = wordt belicht)


uit hand  !sluitertijd

algemeen (50mm objectief) 1/60of korter sluitertijd(1/30te lang ) uit hand geen probleem

statief nodig  langere teleobjectieven  bewegingsonscherpte vergroten

(28mm 1/30=goed; 300mm-superteleobjectief, min. sluiter tijd 1/250secuit hand (bewegingsonscherpte))

korte sluitertijd fotograferen oog niet kan zien, ond. lijkt bevroren vb: pijl op weg naar roos

lange sluitertijd beweging in onderwerp te zien

instelling B sluitertijd zelf kiezen, zolang ingedrukt = open

vb: verlichte stad bij nacht, autoweg in waas voortrazende auto’s, rode/witte lichtstrepen



2.6) belichting

meeste toestellen  lens (D.D.L.) meeting

meting verricht door camera  licht via lens op fotocellen  vanaf matglas gemeten

voordeel: alleen uitgevoerd op delen van onderwerp gefotografeerd worden

objectief verwisselt  meethoek belichtingsmeter automatisch aangepast

moderne camera’s 4 systemen:


- integraalmeting:

licht over hele beeldveld gemeten

(fouten: hoofdond. slechts deel foto  rest veel lichter/donkerder foute meting)
- centerspotmeting:

licht over gehele beeld, basisprincipe = belangrijkste foto in midden

 nadruk op middengedeelte
- spotmeting:

scherp afgebakend gebied in centrum van beeld uitgevoerd

 door zoeker aangegeven

+: bied volledige vrijheid in keuze deel v/h ond. dat belichtingsbepaling wordt gebruikt


- matrixmeting:

maakt gebruik van meetvelden

matrixsensor berekend(via helderheid)contrast+onderwerpsafstand meetvelden gem. waarde

 preciezere belichting  houdt rekening met vb: links boven zon

(hoe duurder camera hoe meer zones)
diafragma en sluitertijd

 bepalen beide hoeveelheid licht film bereikt

 hebben beide reeks instelmogelijkheden variërend met een stop

- diafragma: f/5.6 2x zoveel licht door dan f/8

- sluitertijd: 1/60sec.  2x zoveel licht door dan 1/125 sec.
beiden tegen elkaar afgewogen vb: juiste belichting zoeken

1/60 sec, f/5.6  je wil kortere sluitertijd: beweging ond. vast te leggen 1/125sec

 om belichting goed te houden diafragmawaarde = hoeveelheid aan te passen  opening diafragma x2 stop  f/4 (=2x zoveel licht doorgelaten dan f/5.6)
- niet elektronische camera’s belichtingsmeter meestal naald in zoeker

diafragma en sluitersnelheid instellen naald in midden van zoeker  goede belichting

pijl onderaan  onderbelicht, pijl bovenaan  overbelicht

- elektronische camera’s geen kwetsbare naald

sluitertijd + diafragma in heldere cijfers digitaal aangegeven
2.7) belichtingsprogramma’s

manueel(enkel bij spiegelreflexcamera’s)

sluitertijd, diafragma,filmgevoeligheid instellen (met belichtingsnaald of digitale display in zoeker)

+: scherptediepte en bewegingseffecten perfect instelbaar

-: vrij uitvoerig/omslachtig




sluitertijdvoorkeuze

kies sluitertijd geschikt voor mate van beweging ond.

automatische belichtingssysteem kies juist diafragma afhankelijk van licht situatie

1parameter instellen toestel doet rest

+: vlug toch zelf sluitersnelheid zelf bepalen

geschikt voor: sportfotografie, nachtfotografie, bewegingseffecten


diafragmavoorkeuze

kies diafragma geschikt voor scherptediepteveld wil bepalen

automatische belichtingssysteem kiest juist sluitersnelheid afhankelijk van licht situatie

geschikt voor: portretfotografie, landschapsfotografie, reclamefotografie


volautomatisch

+:heel snel

-:geen controle
2.8) soorten camera’s

compactcamera

=kleinbeeldcamera, waarbij niet door lens maar door aparte zoeker naar ond. wordt gekeken

naast objectief geen exacte beeldinhoud(=parallax)

lenzen niet verwisselbaar


filminleg \

instellingen van filmgevoeligheid (door middel van DX-code) \

belichtingsregeling \

sturing ingebouwde flitser  volautomatisch

scherpstelling: uitzenden signaalond. reflecteert signaalberekenen afstand /

filmtransport /

terugspoelen /
veel gewerkt met infrarood licht ook bij weinig/ geen licht  scherpgesteld

(! Oppassen opnames door glas)


technische tegenslagen uitgesloten

alle automatische functies afhankelijk van batterij + elektronica

(flitser verbruikt veel energie batterij vlug uitgeput, extreme levensomstandigheden – voor elektronica)
- aan kleine camera objectief:

bij goedkopere vast brandpunt (groothoek, 35mm)

bij duurdere zoomlens (35-70mm)

 mindere kwaliteit objectieven  goedzichtbaar bij vergrotingen



kleinbeeldspiegelreflexcamera (éénogige spiegelreflexcamera)

je kijkt door lens naar onderwerp

 achter objectief spiegel (in hoef 45°met filmvlak) beeld op matglas geprojecteerd dakkantprisma  loep (=zoekeroculair)  geen vervorming van beeld
bij opname

lens = zoekerlens indrukken van ontspanknop spiegel klapt omhoog

zoekerlens  opnamelens

(onmiddellijk na opname oude situatie)


moment opname niets te zien  spiegel opgeklapt

-: opklappen  lawaai

+: objectief = verwisselbaar, geen parallax opnamelens = zoekerlens
diafragma, sluitertijd, scherpstelling, filmgevoeligheid  manueel ingesteld

belichting  meeste toestellen met programma uitgerust

automatisch of half-automatisch (sluiter-diafragmavoorkeuze)

(zelfs ingewikkelde sturing van externe flitser, sneller te werken automatische scherpstel systemen = autofocus)


eenogige spiegelreflex voor rolfilm

=kleinbeeltoestellen maar geconstrueerd voor rolfilm


tweeogig spiegelreflex voor rolfilm

uiterlijke kenm.: 2objectieven boven elkaar

 bovenste=zoekerlens

 onderste=opnamelens


bovenste objectief projecteert eveneens door spiegel

 hier links, rechts verkeerd

eenvoudigere mechaniek maakt betrouwbaarder niet opklappen = stiller/ onopvallender
vierkante negatieven 6x 6  kwalitatieve vergrotingen
technische camera

(=oervorm v/d camera obscura)

vlak met daarop objectief en filmvlak (beide op rail) tss 2vlakken balg(harmonica-achtig iets)

in filmvlakmatglasbeeld ondersteboven, links-rechts omgekeerd weergegeven


+: objectief + filmvlakdankzij rail onafhankelijk bewegen

vallende lijnen kunnen worden rechtgezet, onder bepaalde omstandigheden onbeperkte scherptediepte (het is zelfs mogelijk in spiegel opname te maken zonder zelf zichtbaar te zijn)

grote negatieven enorme vergrotingen met uitstekende kwaliteit (vb: grote reclame borden)

-: werksnelheid + comfort = vrij laag

per opname nieuwe film laden

direct-klaarcamera’s (enkel door polaroid gemaakt)

uniek chemisch procédé foto na enkele seconden klaar/ ontwikkeld

belichting, scherpstelling, transport = automatisch
+: snelheid

-: objectief niet verwisselbaar

slechts foto’s van 1formaat

niet reproduceerbaar (uniek)


2.9) film

Principe

In natuur  stoffen onder invloed van licht veranderen

Vb:zilver

Fotografische film eenvoudigste vorm (zwart-wit film) = 2dunne lagen


Emulsie:

1e: lichtgevoelige laag = emulsie

= verbindingen van minuscule zilver deeltjes + halogeniden (broom, jodium, chloor)

= zilverhalogeniden


bij belichting worden de zilverhalogeniden waarop licht valt geactiveerd

geen licht = geen verandering  beeld verkregen in emulsie niet zichtbaar = latente beeld


Drager:

= 2e laag van zwart-wit film

nu = polyester

vroeger = glas beperkingen gebruiksgemak

belangrijkste eigenschappen drager van moderne film =

- flexibel - transparant

- sterk - waterresistent

- duurzaam


Ontwikkeling:

Latente beeld (verkregen na belichting)

 blijft gevoelig voor licht in complete duisternis verwerkt

 (deel zilverhalogenide nog niet geactiveerd)


1e stap: verwerking = ontwikkeling

ontwikkelaar belichte zilver omzetten in zwart (ontstaat negatief beeld v/h ond.)

(witzwart, zwartwit, andere kleurengrijswaarden)

waar meeste licht op viel  meeste zwart


Fixeren:

Na spoelbad ((water)om resten ontwikkelaar weg te halen)

Film fixeren fixeerbad onbelichte zilverhalogeniden weg te halen

 film niet lichtgevoelig meer

resten fixeren weggehaald in laatste spoelbad


Soorten

Zwart-wit negatieffilm:

Jaren 50 enige op markt


Zwart-wit diafilm:

Tegenwoordig zelden gebruikt  niet overal verkrijg/verwerkbaar


Kleurnegatief film:

Bestaat eigenlijk uit 3 zwart-wit films over elkaar

elke film gevoelig voor primaire kleur

(bovenste blauw, middelste groen, onderste rood)

rode tas enkel zilver roodgevoelige laag activeren

tijdens ontwikkeling elke laag geactiveerd zilver vervangen door complementaire kleur

rode tas cyaankleurig op negatief
Kleurendiafilm-omkeerfilm:

Diafilm geen afdruk gemaakt  na 1e ontwikkeling 2e chemische belichting

 niet-geactiveerde zilver  geactiveerd

positief beeld bij 2e ontwikkeling


Kunstlicht - daglicht film:

Kunstlicht= afgestemd op 3200°Kelvin = gloei- en halogeenlampen

Daglicht= afgestemd op 5600°Kelvin = kleurentemperatuur van het zonlicht overdag

(je kan met daglichtfilm binnen fotograferen mits gebruik flits)


gevoeligheid

uitgedrukt in ISO (international standard organisation)

vroeger ook wel eens ASA of DIN  normen vervagen door ISO-waarden

ISO vooraf gegaan door getal = maat van gevoeligheid

Diafragma, sluitersnelheid  100 ISO=2x(=1stop) zo gevoelig als 200 ISO

(2x meer licht nodig)

afhankelijk van situatie keuze van filmgevoeligheid aanpassen

binnen opname hooggevoelige film (vb:concert)

reis naar zonnige bestemming laaggevoelige/trage film
groot verschil in opbouw:

soort zilverkorrels

laaggevoelige kleine korreltjes dunnere laag

hooggevoelige grotere korrels dikkere film

  beeldkwaliteit

grotere korrels  hooggevoelige film  uitvergroten sneller korrel zichtbaar

kleine korrels  laaggevoelige film  minder scherp
laaggevoelige film = contrastrijker dan hooggevoelige

dunnen laag zilver  minder grijswaarden


2.10) flitsers

functie = licht geven

vroeger:

flitslampen/ flitspoeder gebaseerd op verbranding van o.a. magnesium

nu:

elektronenflitsers



 gestuurd door batterij: flitslicht komt elektronisch niet langer chemisch tot stand

ingebouwd of los op/ naast camera


sluiter camera bepaalde tijdsduur zoals flitser 1/500 tot 1/50 000sec.

sluitertijd altijd langer dan flitstijd zoniet film onvoldoende belicht

(op sluitertijdschaal vaak synchronisatietijd voor flitsen aflezen  aangeduid  bij sluitertijd 60 of 125)

max. hoeveelheid licht aangeduid met richtgetal richtgetalmeer licht


afhankelijk afstand tot onderwerp flitser en diafragma instellen

regel:


diafragma = richtgetal

afstand


(flitser richtgetal 32diafragma 4+ ond. op afstand van 8meter

ond. op 2meter zelfde omstandigheden  diafragma 16)

(meeste flitsapparaten schaal voorzien die afstanden diafragma afbeeld  bepaalde afstand tov diafragma maar af te lezen , meestal enkel filmgevoeligheid instellen)

flitser max. bereik  geen zin ond. 10m ver te proberen flitsen


frontale flits hard puntlicht

 indirect flitsen

 vb: weerkaatsen op wit plafond

!lichtverlies door lange afstanden meestal 1, 2 stops overbelichten

!gekleurde weerkaatsing
andere flitstechniek=

invulflitsen:

geschikt bij tegenlichtopname of opname persoon voor raam

meestal situatie waarbij ond. te donker is tov veel lichtere achtergrond
meet achtergrond  flitserinstellingen daaraan aanpassen, eerste meting

(vb: diafragma 8, bij sluitertijd 60onderwerp op 4meter plaatsen!als richtgetal flitser 32!) (32/8=4)


2.11) filters en statieven

principe filter = eigen kleur doorlaten + complementaire kleur neutraliseren

(vb: blauwfilter blauw doorlaten + geel absorberen)

filter meestal gebruikt voor kleuren correcties en bepaalde effecten

meeste filters nemen licht weg  langer belichten = verlengingsfactor van filter

(indien fototoestel licht meet doorheel lens  geen belang verlengingsfactor)


ultraviolet filter

uv-filter neutraliseert schadelijke effecten v/h uv-licht op emulsie

geeft frissere kleurweergave bij nevel

(tegenwoordig emulsies zo weinig hinder schadelijke uv-stralen)



skylight filter

= werking uv-filter, maar sterker

gebruikt in bergen tegen sterk uv-licht

kleurtemp. oplopen tot 7000°K

door skylight filter hoger contrast in compositie
polarisatiefilter

gebruikt tegen storende reflecties op reflecterende oppervlakken


kleurcorrectie filter

gebruikt voor overschakeling tss dag- en nacht kunstlicht

oranjefilter (cco) kunstlicht opnames gemaakt met daglichtfilm

blauwfilter(ccb) buiten opnames maken met kunstlichtfilm


effectfilters

sterfilter:alle lichtpunten worden afgebeeld als een ster

sepia:bruinachtige effect oude foto

diffuus filter:rand onscherp, centrum scherp

gradatiefilter:helft beeld andere kleur

vormfilters:hartje, sleutelgat,…

regenboogfilter:regenboog in elke compositie waar er geen is
kleurfilters

rood en geel filter bij zwart-wit gebruik om contrastrijkere lucht te krijgen


zonnekap

niet echt filter, rubberen ring op lens om hinderlijke zonnestralen bij tegenlicht te vermijden, stooilicht vaak diafragma-ringen (flare) in compositie


statieven

belangrijkste statief = 3potige

- vooral bij lange sluitersnelheid (vanaf 1/30)

- als compositie groot belang heeft

- zware camera/ lenzen
3)digitale fotografie

uiterlijk = ouderwets fotocamera

innerlijk groot verschil

(digitale camera beeld niet langer opgeslagen chemische emulsie)


Traditionele fotografie:

Energie v/h licht gebruikt om chemisch spoor na te laten op lichtgevoelige laag v/d film

(door lens binnen valt) tijdens ontwikkeling omgezet in reëel beeld

 negatief afgedrukt op fotopapier originele beeld


Digitale fotografie:

Idem  energie v/h invallend licht gebruikt om beeld op te bouwen

Maar binnenvallend licht naar lichtgevoelige chip(CCD-chip) geleid bestaat uit duizenden beeldpuntjes = pixels meer of minder geladen naargelang hoeveelheid licht

Elektrische lading elke pixel door elektronica uitgelezen omgezet naar grafisch beeld = 1 foto

((Bestanden opgeslagen op geheugenkaartje, tijdens fotograferen vaak mogelijk foto’s onmiddellijk te bekijken  slechte te wissen)

wie werkt met wat? Fotografen krant digitaal

tijdschriften dia reclame portret 2systmen naast elkaar

voor internet toep. foto’s op kleine formaten digitale toestellen toereikend)


3.1) factoren die de prijs bepalen

- aantal pixels = resolutie - manuele instellingen - …

- zoomobjectief - grote toestel

- kleurweergave - opslagmedium


3.2) resolutie

in beeldbewerkende industrie:

indicator van fijnheid waarmee beelden weer worden gegeven

hoe  resolutie hoe  beeldkwaliteit

 details, kleur worden beter weergegeven, beeld is scherper
in digitale fototoestellen  resolutie uitgedrukt in pixels

1e getal breedte en 2e aantal rijen pixels in hoogte


aantal pixels  naargelang medium

daarom belangrijk te weten wat eindresultaat foto wordt

= rede waarom foto op beeld anders (beter) uitziet dan geprint op print en op print nog beter dan gedrukt op drukwerk.
3.3) conversie

aantal pixels delen door 120 bij resolutie van 300dpi  afmeting in centimeter van foto


3.4)bestandsformaten en compressie

foto’s kunnen op  manier worden opgeslagen afhankelijk van de toep.


GIF-formaat:

+: weinig plaatst

-: maar 256 kleuren
JPEG:

Niet ideaal, wel populair

+: gecomprimeerd (klein)

-: verlies van kwaliteit


TIFF:

+: geen kwaliteitsverlies

-:  manieren comprimeren  niet alle beeldbewerkings prog. kunnen deze bestanden lezen.

kost vrij veel ruimte om te bewaren



4) compositie

4.1) elementen van een compositie

contour

= 2dimensionale omtrek van voorwerp

begrenzingen tss contrasterende vlakken, tonen/ kleurenbelangrijke elementen in compositie
structuur

geheel van karakteristieke kenm. v/h oppervlak van een voorwerp

voor elke soort structuur  passende belichtingstechniek verzinnen

 door schaduw, lichtspel structuur accentueren of verbergen


vorm

fotografie moet via 2dimensionale aanwijzingen 3e dimensie suggereren

manier van schaduw vallen, effect door perspectief, manier verderafgelegen objecten door nabije worden overlapt kunnen ruimte + substantie creëren
kleur

kleur lijkt meest opvallende maar meestal laat het onverschillig je ziet kleur die je verwacht


4.2) elementen toepassen in de compositie

ritme

ontstaat wanneer visuele elementen met regelmatige/ bijna regelmatige tussenpozen worden herhaald

oog via herhaling over beeld geleid gevoel van orde, eenheid

visueel ritme kan bijdragen tot vergemakkelijken kijken


evenwicht

zeer statisch, evenwichtige compositie (beeld uit 2 identieke helften)

andere foto’s subtieler, asymmetrisch evenwicht wisselwerking van visuele componenten

evenwicht hangt vaak af van goed op elkaar afgestemde afmetingen en vormen


soms ook van “gewicht”afzonderlijk aan beeldelementen wordt toegekend

naargelang omvang, kleur, plaats en belang  uiterst subtiel tov elkaar afwegen van die factoren harmonie foto vergroten

- soms deel voorwerp interessanter dan geheel

- niet centrale plaatsing mooier den centraal


plans

voorplan= voorgrond

sfeerbepalende voorwerpen aanwezig

verwijzen naar leef/ werkomgeving

naar verhouding groot afgebeeld

+ scherp + centraal gekaderd = aandacht onderwerp
middenplan

hier bevindt zich onderwerp

scherp + in grootte belangrijk genoeg afgebeeld + op dominante plaats
achterplan=achtergrond

sfeerbepaling, vult info aan, al dan niet scherp



4.3) perspectief en opnamehoek

perspectief voorwerp kleiner naarmate verder weg

evenwijdige lijnen komen samen aan horizon

 op foto 3dimentionele ruimte gesuggereerd

zorgt voor aanwijzingen door hersenen in verband gebracht met diepte

2 speciale vormen in perspectief



  • kikkerperspectief: opkijken, ond. goed tot recht, herkenbaar?

  • vogelperspectief: horizontale lijnen ond. belangrijk, ondergrond = achtergrond, foto van bovenaf genomen, vereenvoudigde lijnen/ vormen


lijnen

in compositie beeld opgedeeld in helften

plaats v/d lijn bepaalt evenwicht in compositie

enkelvoudige lijnen kunnen horizontale, verticale, diagonale, kromme zijn

horizontale en verticale best evenwijdig met fotografisch kader

samengestelde lijnen vormen kruis punt waarop lijnen kruisen trekt aandacht

kruis loodrecht of diagonaal in compositie
parallellisme

= als lijnenm eer of minder evenwijdig aan elkaar lopen

 herhaling en ritme minder statisch

vloeiend of stomende beweging wordt uitgedrukt

(vb in stormend water, zand,…)
vormen

belangrijkste vormen in compositie=

- cirkel - veelhoeken

- ovaal - onbestemde vormen

- rechthoek - driehoek
staande of liggende

bij rechthoekig opnameformaat keuze staan of liggend bepaalde rol

onze ogen zien breed horizontal beeld onder vaste beeldhoek

 staan beeld beetje vreemd + onnatuurlijke begrenzing met veel voor en achtergrond(vb:lucht)

schept ruimtelijk gevoel, gevaar niet terzake doende invulling beeld ontkracht

staande beeld versterkt lengte-indruk van verticale objecten en omgekeerd werkt een breed beeld weids en ruimtelijk



de gulden snede

1/3 lucht + 2/3 voorgrond

moeilijk waarom gebleken dat menselijk oog aangenaam vind

kruispunten van derde opbouw van compositie = gulden snede


boom of persoon gefotografeerd 2denkbeeldige verticale lijnen  beeld in 3

2 horizontale lijnen  beeld nog eens in 3



 op kruispunten lijnen = perfecte compositie plaats

traditie bewust/onbewust doorbroken? artistiek beeld




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina