1 Context en thema's: een plaatsbepaling 3 1 a. Historische context 4



Dovnload 0.55 Mb.
Pagina1/11
Datum25.07.2016
Grootte0.55 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11
Bouwen onder Chruščëv.

Bouwen in het licht van destalinisering en consumptie in de USSR. 1953-1964.
Opmerking over translitteratie 3

1 Context en thema's: een plaatsbepaling 3

1 a. Historische context 4

1 b. Vraagstelling 5

1 c. Thema’s en bronnen en onderzoeksmethode 6

1 d. Theoretische invalshoeken ten aanzien van periodiseringen en continuïteit 8

1 e. Behandeling van de ideologie 9

1 f. Taal en architectuur 15

1 g. De centrale positie van de woningbouw 22

1 h. De centrale positie van de periode vanaf 1953 voor de Sovjet Unie 25
2. Monumentalisme 29

2 a. De wanorde van de planning in de jaren dertig 29

2 b. Monumentalisme, regionalisme, classicisme 35

2 c. Monumentalisme en de internationale moderne stijl 40

2 c. Het klaterende communisme 49
3. Na Stalin - een nieuw beleid 57

3 a. Het Stalinisme in maart 1953 57

3 b. De kritiek 61

3 c. Na Stalin: consumptie of geen consumptie 64

3 d. Na Stalin; de helden van de destalinisatie 71

3 e. Bouwen 75
4. De praktijk 80

4 a. De terugkeer van de boer 80

4 b. Grootblokkig bouwen en grootpanelig bouwen; inleiding 85

4 b. Grootblokkig bouwen en grootpanelig bouwen – toepassing en stijl 95

4 c. De terugkeer van het buitenland 104

4 d. Planologie: van experiment naar praktijk 110

4 e. Het gedestaliniseerde paleis 124

5. Uitdrukking van een bewind 138
6. Conclusie 143
7. Gebruikte litteratuur 156

Opmerking over translitteratie
De naam van de schrijver Чехов wordt in Latijnse lettertekens weergegeven als Tsjechov, Tschechow, Chekhov en Tchékhoff.1 Dergelijke weergaven van het Cyrillisch gaven de uitspraak het beste weer, maar worden niet langer wetenschappelijk geacht. Een translitteratie moet terug kunnen worden vertaald: van elk Latijns letterteken moet duidelijk zijn van welk Cyrillisch teken het komt. Vandaar bijvoorbeeld dat de Cyrillische в steeds als een v wordt weergegeven, terwijl die, wanneer die aan het begin van een woord staat, wordt uitgesproken als een w (zie het voorbeeld van Volga, in het schema hieronder). Tegenwoordig volgt men in Nederland vaak de Amerikaanse translitteratie. Die heeft echter nadelen, bijvoorbeeld dat de Cyrillische letter х, die wordt uitgesproken als een ch-klank (als in kachel), wordt weergegeven met kh. Er kleven meer nadelen aan, zo wordt de jo-klank weergegeven met een e. De wetenschappelijke translitteratie die wordt gebruikt aan Nederlandse universiteiten heet ISO/R9 en heeft alleen als nadeel dat dezelfde Cyrillische х wordt weergegeven met de Latijnse x. Lezers zullen denken dat die letter wordt uitgesproken als ks. Gelukkig is er een variant waarin de Cyrillische х kan worden weergegeven als ch.2 Die transliteratie wordt hier gevolgd. Het schema hieronder geeft in vijf kolommen: 1. het Cyrillisch, 2. de vroegere weergave van de Cyrillische tekens in Nederland, 3. de Engelse translitteratie, 4. de translitteratie ISO/R9 die aan de meeste Europese universiteiten wordt gebruikt en 5. de uitspraak wanneer die van ISO/R9 afwijkt. Wanneer een woord begint met de Russische е, wordt dit hier vertaald met je.

Dat de Amerikaanse transcriptie van de Russische lettertekens in Nederland doorgang heeft gevonden, bijvoorbeeld bij aankondigingen van radioprogramma's, heeft ertoe geleid dat omroepers spreken van Joeri Egorov en Nikolaj Obukov (in die transcriptie geschreven als Obukhov), terwijl het gaat om Jegorov en Obuchov.

cyrillisch: trans NL: trans GB: ISO/R9: uitspraak:

Чехов Tsjechov Chekhov Čechov -

Хрущёв Chroesjtsjov Khrushchev Chruščëv ChroeSJóv(met een nadrukkelijke sj-klank; soms ook sjtsj)

там tam tam tam -

Волга Volga Volga Volga Wolga

1 Context en thema's: een plaatsbepaling
1 a. Historische context

Chruščëv kondigde een jaar na Stalins dood, in 1953, aan dat er in de Sovjet Unie beter en goedkoper gebouwd moest worden. Dat betekende een afscheid van de typisch Stalinistische bouw. In enkele steden in het voormalig Oostblok zijn er Stalinistische gebouwen te zien waarvan éénderde van de gevel is gedecoreerd met Sovjet-heraldiek - voorstellingen vol gelukkige burgers en vlaggen - maar die voor de overige tweederde kaal is gelaten. Deze scheiding tussen het gedecoreerde en het kale deel van de gevel is er haarscherp.3 Aan een dergelijke scheiding is te zien hoe ver de decorateurs met hun versieringen waren gevorderd tot Chruščëvs nieuwe decreten van kracht werden. Na 1953 verschenen er ook artikelen over consumptie, waarin werd aangekondigd dat de Sovjet Unie de Verenigde Staten spoedig zou voorbijstreven. In 1958 ontstond het plan de huizenschaarste in tien tot twaalf jaar op te heffen. Deze plannen vormen met hun ideologische bedding de omgeving waarin dit onderzoek is geplaatst. Al richt dit onderzoek zich in de eerste plaats op de bouw uit de periode Chruščëv, voor een vergelijking zal regelmatig op het bouwen in de Stalinistische periode moeten worden teruggegrepen.

Er zullen twee lijnen worden gevolgd: de eerste is die van de monumentale bouwwerken. Een bepaald type monumentaliteit wordt vaak met de Stalinistische periode geassocieerd. In de jaren dertig werd het Paleis van de Sovjets ontworpen: een megalomaan project, waar veel over is geschreven. Altijd wordt gemeld dat het Paleis nooit werd verwezenlijkt, maar zelden dat de planning van het Paleis, na de onderbreking van de Tweede wereldoorlog, weer werd opgepakt.4 Er is bijna geen tekst waarin wordt gemeld dat hetzelfde thema, Paleis van de Sovjets, ook onder Chruščëv in 1957 nog eens werd opgepakt. Het resultaat uit 1959 was echter aan die uit de jaren dertig tegengesteld. Ondanks die tegenstelling bleef ook onder Chruščëv aandacht uitgaan naar het gebouw als representerend teken: het gebouw als representerend teken is aldus een lijn die doorloopt van Stalin tot Chruščëv.

De andere lijn loopt omgekeerd, van Chruščëv terug naar Stalin. Dat is de lijn van de ontwikkeling van de systeembouw. Deze bouw wordt meestal met Chruščëv geassocieerd. Systeembouw, of prefab, is bouw uit platen die in fabrieken worden geprefabriceerd, dan naar de bouwplaats worden overgebracht en daar door middel van een montagesysteem aanéén worden geschakeld. Midden- en Oost-Europa staan er vol mee, van Berlijn tot de Oeral. Er zijn verschillende soorten systeembouw en het Russisch kende voor deze bouw verschillende namen; de standaardisering die men nastreefde in de bouw, vond geen weerslag in de taal die haar beschreef.5 Onder Stalin waren er echter ook al prefab-bouwwerken gerealiseerd. Deze bouwmethode werd toen niet obsessief gepropageerd, als in de tijd van Chruščëv. Bijvoorbeeld de sluispoorten voor het Volga-Don kanaal - een typisch Stalinistisch project - zagen er uit als neoclassicistische, neo-palladiaanse paleizen, maar waren geheel uit dergelijke geprefabriceerde elementen opgetrokken.6

Van belang is het onderscheid van de architectuur uit de periode 1953-1960 met die uit eerdere periodes in Rusland en de Sovjet Unie, en met die uit West-Europa en de VS. Nog belangrijker is de specifieke hoedanigheid die de architectuur kreeg binnen het beleid in de Sovjet Unie; binnen de productie, technologie en consumptie, zoals zij in deze ideocratie werden voorgesteld.
1 b. Vraagstelling

De redes en besluiten die volgden op Stalins dood hadden mede betrekking op het bouwen en de architectuur. Op welke wijze werden de beloftes uit deze redes en besluiten in de architectuur zichtbaar?


De systeembouw was kenmerkend voor de architectuur vanaf de periode Chruščëv. Als deelonderzoek is het goed te onderzoeken in hoeverre er sprake was van een breuk; ook vóór 1953, vóór Chruščëv, Beria en Malenkov als nieuwe leiders aantraden, was er al sprake van systeembouw. Daaruit ontstaat deze deelvraag: welke resultaten waren er al bereikt met de systeembouw in 1953, en liepen deze vooruit op de resultaten uit de periode 1953-1960?

Omgekeerd wordt een bepaald type monumentaliteit kenmerkend geacht voor het Stalinisme. Maar ook na Stalins dood in 1954 was er aandacht voor monumentale en representatieve gebouwen. Daaruit ontstaat de andere deelvraag: Wat werd er gepubliceerd over monumentale, representatieve bouwwerken uit de periode 1953-1960?

Wat zijn andere kenmerkende veranderingen in de bouw die volgden op Stalins dood?
Een belangrijk oogmerk bij deze deelvragen is de vraag:

Welke ideologische implicaties laten zich duidelijk uit de ontwerpen en gebouwen afleiden? Deze ideologische implicaties wijzen terug naar de eerste vraag: naar de wijze waarop de beloftes uit de redes en besluiten na Stalins dood zichtbaar werden in de architectuur.


1 c. Thema’s en bronnen en onderzoeksmethode

In de toenmalige vakbladen staan de artikelen, vaak met veel illustraties, die het materiaal geven om bovenstaande onderzoeksvragen te benaderen. De Sovjets beeldden in hun bladen alles meermaals af, terwijl in West-Europese en Amerikaanse tijdschriften aan alles doorgaans één keer aandacht wordt gewijd. Er zijn in West-Europa en Amerika echter veel naast elkaar bestaande, uiteenlopende tijdschriften binnen één vakgebied. In de tijdschriften in de Stalinistische Sovjet Unie konden projecten steeds weer verschijnen, in steeds andere stadia, maar zonder referenties aan de voorgaande publicaties, alsof de tijd stilstond. Er waren echter verhoudingsgewijs weinig tijdschriften en de tijdschriften waren allen van bijna gelijke strekking. Redevoeringen en decreten van de partij speelden in alle vakbladen een rol, omdat zij voor het beleid van de partij tevens als doorgeefluik fungeerden. Zo was het beleid van de partij ook prominent aanwezig in de vakbladen. De discussies, die op aanwijzing van de Partij door de architecten en theoretici werden gevoerd, maakten ook in belangrijke mate van deze vakbladen deel uit, net als de ontwikkeling van de praktische uitwerking van de lijn die door de Partij was uitgezet.

Het scala aan onderwerpen in de bladen was beperkt, omdat de thema’s van bovenaf werden aangereikt. Hoe fel de discussies soms ook waren, hoezeer de standpunten ook uiteenliepen, degenen die zich in deze discussies mengden, hielden zich aan de gegeven thema's. Daardoor zijn ontwikkelingen in de architectuur via de vakbladen makkelijk te volgen. Ten aanzien van sommige punten veranderden de discussies zich in de loop van enkele maanden, soms in de loop van jaren. Een voorbeeld van een snelle verandering is de onmiddellijke verschijning van dorpen en kolchozen in de vakbladen in 1954. De herintroductie van het modernisme verliep daarentegen zeer geleidelijk, van ongeveer 1955 tot en met 1960.

Door de relatieve eenvormigheid van de informatie in deze bladen is het duidelijk welke veranderingen zich laten zien. Die veranderingen zijn onder te brengen in vijf thema's. Het eerste thema is het platteland. Het tweede thema is de systeembouw. De herintroductie van het modernisme levert twee thema's op: het thema van de algemene stedelijke buitenwijk (met appartementen in vier tot zes verdiepingen) en dat van belangrijke publieke gebouwen. Deze bouw bestond, zoals hierboven al opgemerkt, ook onder Stalin, maar werd onder Chruščëv waarschijnlijk meer expliciet gethematiseerd als kenmerk van publieks- en consumptiegericht bouwen, maar ook als kenmerk van de industrieel technologische ontwikkeling, en daarmee als kenmerk van vooruitgang. Ten slotte, het vijfde, heel belangrijk, is de herintroductie van het buitenland. In Stalins tijd, vanaf 1932, waren de bladen in de eerste plaats gericht op Moskou, in de tweede plaats op Rusland en, als laatste, op de satellietstaten. De landen buiten het Warchaupact werden wel genoemd, maar alleen als antipode. Er verschenen vanaf 1945 tot 1954 geen afbeeldingen van de nieuwe architectuur uit het westen. Dat veranderde bij het aantreden van Chruščëv. Ineens werd er weer gerefereerd aan de internationale architectuur, die bovendien werd afgebeeld. Zelfs het werk van van de verklaarde vijand van de Sovjet Unie en koploper van de westerse decadentie en formalisme, Le Corbusier, was weer te zien. Het berichtgeving over architectuur in andere landen zou bepalend zijn voor de slag die in de Sovjet Unie zou worden geleverd om het modernisme weer terug te halen.

Voor dit onderzoek staat het materiaal centraal uit het blad Architektura SSSR, jaargangen 1953-1960. Het blad Architektura SSSR is opgericht in 1933, toen het centralisme haar greep op de architectuur vestigde en alle vroegere verbanden tussen architekten werden opgeheven om te worden opgenomen in één organisatie.7 Het was mede toonaangevend omdat het bepalend voor de hele Sovjet Unie en verscheen tot 1991, met een onderbreking in de oorlogsjaren. Andere architectuurbladen waren soms plaatselijk, zoals Architektura i stroitelstvo Moskvy (Architektuur en bouw van Moskou), of omspannen niet zoveel jaren, zoals Sovremennaja architektura (Hedendaagse architectuur), dat voor de oorlog verscheen. Overigens toonden deze bladen vanaf de gelijkschakeling rond 1933 dezelfde gebouwen, dezelfde redes en bijeenkomsten.

Een ander type blad, USSR im Bau (oorspronkelijke naam) of Sovietunion (zoals USSR im Bau werd herdoopt) kwam uit in verschillende talen (L'USSR en construction, etc.) en geeft een algemene context. Sovjetunion was een blad voor de salontafel en de bibliotheek, niet gespecialiseerd, maar met algemene informatie over het leven in de Sovjet Unie, de ontwikkeling van de industrie, belangrijke politieke gebeurtenissen, streken en steden en beroeps- of volksgroepen – een soort luxe Katholieke illustratie voor de communist, uitsluitend gericht op de Sovjet Unie. In Sovietunion is ook te volgen hoezeer de architectuur van belang werd geacht; de volkshuisvesting was representatief voor wat men in de Sovjet Unie had bereikt. Net als het Amerikaanse blad Time Life, dat beroemd is gebleven doordat het vanaf de jaren dertig een belangrijk podium was voor de Amerikaanse documentaire fotografie, waarbij het werk van fotografen als Margereth Bourke-White, Dorothea Lange en Walker Evans een belangrijkere rol speelde dan de tekst, bestonden ook USSR im Bau en Sovietunion goeddeels uit reportages die rijk met foto’s waren geïllustreerd. Het bouwen speelde daarin een terugkerende rol.

Ook van belang zijn de redevoeringen en uitgevaardigde besluiten. Alle besluiten die de partij of de bond van architecten van belang achten werden in al dan niet gekorte versie in de vakbladen afgedrukt en zo nodig becommentarieerd.
De onderzoeksmethode is begonnen met het doorbladeren van de jaargangen 1953-1964 van het bovengenoemde blad, Arkhitektura SSSR. Daarbij zijn een aantal kenmerken waargenomen, die veel duidelijk maken over de veranderingen die zich voltrokken vanaf Stalins dood tot ongeveer 1960. De thema's zijn hierboven genoemd. Zij hoeven niet helemaal te corresponderen met hoofdstukken uit het uiteindelijke werkstuk; een thema als de verschijning van de bouw voor de kolchozen kan misschien in enkele woorden en een illustratie worden uitgedrukt. Ik heb zoveel mogelijk foto's en scans gemaakt, die uit de bladen de opvallende elementen laten zien. Ook enkele kenmerkende teksten zijn gescand en gefotografeerd. Hierin kunnen de mogelijke politieke en ideologische verbanden worden gevonden waarin de specifieke kwaliteit van het onderwerp tot uiting komt. Daaruit moeten onvermijdelijk verbanden ontstaan met algemene, historische opvattingen over de periode, die hierboven gedeeltelijk al zijn aangestipt.

Het gaat om een kwalitatief onderzoek. Beschrijvingen vinden plaats naar aanleiding van zichtbare eigenschappen van de architectuur.


1 d. Theoretische invalshoeken ten aanzien van periodiseringen en continuïteit

Wat betreft historiografische debatten zijn de periodiseringen van belang - ik doel hier op de periodes zoals deze worden gehanteerd in de literatuur over de Sovjet Unie ten tijde van Stalin en Chruščëv. Het beeld is dat er bij het aantreden van Chruščëv een grote breuk werd aangekondigd met de periode die viel onder het bewind van Stalin. Chruščëv heeft dat beeld met zijn redes mede zelf geschapen. Ook de woningbouw zou het gezicht van de Sovjet Unie aanzienlijk veranderen. In de periode Chruščëv liggen bepaalde ideeën betreffende planning, bouw en technologie echter nog sterk in het verlengde van ideeën uit de periode Stalin. Enkele overtuigingen, zoals die ten aanzien van de electrificatie en de nieuwe steden die ten oosten van Moskou verrezen, stamden zelfs van voor 1928 - van voor het eerste vijfjarenplan en van voor de tijd dat Stalin zijn macht had geconsolideerd. Het beleid ten aanzien van het samenhangende systeem van stuwmeren, bevloeiing, energiecentrales en nieuwe industriesteden, dat onder Stalin was ingezet, werd onder Chruščëv voortgezet en uitgebreid. Het is een uitdaging met deze twee beelden om te gaan - het beeld van de breuk, vooral gelegen in de persoonsverheerlijking, praal en andere ideocratische symbolen, en daar tegenover het beeld van de continuïteit, dat vooral ligt in het grote industriële, technologische programma en in de centraal geleide bevel-structuur waarop de economie gebaseerd bleef.

Het gaat er bij de periodiseringen niet om de grenzen te verleggen of nieuwe grenzen aan te wijzen. Het gaat om de elementen die voor de periode bepalend worden geacht. Het kan bijvoorbeeld zijn dat het vermoeden bevestigd zal worden dat het gebruik van technologie onder Chruščëv geheel in het verlengde lag van dat onder Stalin. Daar zou uit kunnen volgen dat het onderscheidend verschil tussen die twee periodes zich beperkt tot het zichtbare retorische deel: tot het taalgebruik in de redes en de decoraties in de gebouwen.

Bij het werk aan mijn voorgaande scriptie bleek dat er bij historici veel aanhang was voor een beeld waarin het beleid van Stalin als consistent en continu wordt voorgesteld.8 Dit beeld was het sterkst aanwezig bij economen en economisch georiënteerde historici. De historici die met hun werk omvangrijke vertellingen geven, als Robert Service met zijn Stalin. A Biography uit 2004, gaan ook uit van een continu beleid, maar minder expliciet. Service staat ook afwijkingen toe (zoals de ommezwaai uit 1943, waarin Stalin ineens contact zocht met de vertegenwoordigers van de orthodoxe kerk, die hij in voorafgaande jaren had laten vervolgen). Maar Service meent dat dergelijke afwijkingen werden afgedwongen door de Grote Vaderlandse Oorlog; hij zet deze afwijkingen aldus weg als noodzakelijke uitzondering op een verder continue lijn. Historici die culturele uitingen beschrijven, hebben daarentegen helemaal geen moeite een vroege Stalin van een late Stalin te onderscheiden.9 De opvattingen van historici omtrent continuïteit of breuk moeten in verband met de overgang van Stalin naar Chruščëv waarschijnlijk opnieuw kritisch worden bekeken.

Er is besloten het onderzoek tot 1960 te laten lopen, omdat uit de bronnen bleek dat de veranderingen in de architectuur die hier worden beschreven in dat jaar waren verwezenlijkt. Bij de bronnen zijn er uitzonderingen, als het boek dat in 1965 over het Congrespaleis verscheen; het Congrespaleis dat daarin wordt beschreven was echter in 1960 al gereed.
1 e. Behandeling van de ideologie

Belangrijk is het motief achter de bouwkundige en esthetische keuzes die in de regimes werden gemaakt. Christiane Hannemann gaat in haar artikel Architecture as Ideology in op de wil en noodzaak van communistische bestuurders om voor de burgers woningen te bouwen. Zij schrijft dat het gebruik van prefab-systeembouw daarmee in het verlengde stond van de communistische ideologie.10 Echter ook in West-Europa wilden overheden bouwen voor hun burgers; daarin week Midden- en Oost-Europa niet van het westen af. Wat mogelijk wel afweek is de technologie: in het Oosten koos men voor een seriematige, industriële bouw, waarvoor men de onderdelen in fabrieken moest maken. Die onderdelen werden dan naar de bouwplaats gebracht en daar in elkaar gezet. Ook dat was in het westen vanaf 1945 aanvankelijk het geval, tot het beton steeds vaker op de bouwplaats zelf werd gestort. En daar schuilt mogelijk een ideologisch verschil: in Midden- en Oost-Europa stelde men de technologie en de industrialisering voorop, zelfs toen bleek dat andere bouwmethodes zowel flexibeler als goedkoper waren. De keuze voor systeembouw komt daarom mogelijk niet zozeer voort uit de vertaling van de communistische ideologie naar de woningbouw voor het volk, maar ontstond wellicht doordat het communistische bestuur de technologisering en industrialisatie vooropstelde.

Het boek Die Architektur Stalins. Studien zu Ideologie und Stil, van Dmitrij Chmelnizki, lijkt op het eerste gezicht gedeeltelijk hetzelfde onderwerp te beschrijven: zijn proefschrift omvat immers ook de afwikkeling van het Stalinisme tijdens de regeerperiode van Chruščëv.11 Dat is bij nader inzien toch niet juist. Er kan wel worden gezegd dat Chmelnizki voor zijn onderzoek dezelfde artikelen heeft gebruikt, maar er zijn tussen zijn en dit onderzoek vooral veel belangrijke verschillen. Hij wijst er in zijn werk verschillende malen op dat de uitspraken in de Sovjet Unie uit die tijd geen vrije uitspraken waren. Soms legt hij daarmee de waarde van een toenmalige tekst terzijde. Dat is niet altijd terecht. De teksten uit de Sovjet bladen zijn heel anders opgesteld dan teksten uit West-Europa; Sovjet schrijvers verbloemen bijvoorbeeld niet dat het gaat om opdrachten die, vanuit het Centraal Comité van de Partij, dwingend aan de architecten worden meegegeven. Ook verbloemen zij niet dat de architectenbond voor de Partij diende als doorgeefluik naar de architectonische praktijk. Dat betekent niet alleen onvrijheid, maar ook een ander systeem van organisatie.

In West-Europa bestond soms net zo'n hechte band tussen bestuur, planologie en architectuur. De onvrijheid was in de Sovjet Unie gegarandeerd veel groter dan in het westen, maar ook in het westen zou tijdens de twintigste eeuw het vrije bouwen goeddeels worden vervangen door voorschriften, werd de planologie door overheden opgedragen en gedelegeerd aan semi-overheden als woningcorporaties.12 Anders dan bij de ontwikkeling van een stad als Los Angeles of Atlanta, waar het initiatief voor de ontwikkeling van de stad grotendeels in de handen van zelfstandig ondernemende ontwikkelaars ligt,13 bleef in West-Europa het primaat van de ontwikkeling vaak bij de overheden. Zelfs in het Angelsaksische systeem, in Groot Brittannië, werd het initiatief en de planologische ontwikkeling voor grootscheepse stadsuitbreiding door de overheid genomen.14 Waar het initiatief in West-Europa direct na de Tweede Wereldoorlog in handen van zelfstandige ontwikkelaars lag, leidden dat vaak tot wanorde en illegaliteit, zoals in het Rome van na de Tweede Wereldoorlog: daar werden nieuwbouwwijken uit de grond gestampt zonder te worden aangesloten op welke voorziening dan ook en zonder op kaarten te worden ingetekend – wijken als die uit de film Fietsendieven van Vittorio da Sica.15 Juist de bouw in deze wijken komt sterk overeen met de wetteloosheid in Moskou die ontstond nadat Stalin zijn greep op Moskou had gevestigd. Het voorbeeld van Moskou’s buitenstad Ismailovo, waar vele huizen nergens stonden ingeschreven, zal hier verderop nog worden gegeven. Een ander voorbeeld van regelloze willekeur uit de Sovjet Unie van de jaren dertig is het uitblijven van enige oplossing voor de woningnood. Door de hongersnoden, ontstaan door de landbouwhervormingen en de uithongering van de koelakken, door de collectivisatie en economische ontworteling trokken juist deze jaren nieuwe golven immigranten naar Moskou en de andere steden. Er is geschat dat er tussen 1926 en 1939 minstens 23 miljoen boeren van het land naar de stad trokken.16 Dat probleem werd opgelost door de stedelijke bevolking van passen te voorzien. Immigranten werden illegaal verklaard. Wie geen paspoort had, had geen recht op woning en arbeid. Illegalen konden worden opgepakt en gedwongen te werk gesteld in het uitgebreide systeem van oude en nieuw ingerichte kampen voor strafarbeid.17 Als gevolg van hetzelfde gebrek aan planning werden fabrieken geplaatst op plaatsen waar wegen moesten lopen en ziekenhuizen moesten komen. Ook werden er huizen gebouwd in de groene zones.18

De tegenstelling van dwang tegenover vrijheid, waarbij dwang steeds het instrument was van de overheid, zoals in Chmelnitzki’s boek impliciet wordt gesuggereerd, heeft in grote delen van West-Europa nooit bestaan. Quota aan huizen, spreiding van nieuwbouw, infrastructuur, zelfs geheel nieuwe delen land, zoals de polders in de Zuiderzee, werden doorgaans vanuit overheden zowel geïnitieerd als ontwikkeld. Niet alleen planning, maar ook de ontwikkeling van nieuwe technologieën werd veelal door de overheden ter hand genomen en eventueel aan semi-overheden of andere partijen ter uitvoering opgedragen. De resultaten werden door diezelfde overheden geëvalueerd.

Waar een bespreking van de Sovjet-ideologie naar voren komt, is het van belang dat er bij het bestuderen van de bronnen open is gekeken naar datgene wat er plaatshad. Alleen dan kan worden duidelijk gemaakt wat de specifieke positie van de architectuur in de Sovjet Unie was. Dat is niet mogelijk wanneer de beschrijving van de verschijnselen blijft bij het ogenblikkelijke oordeel dat het slechts ging om overheidsdwang en schijnideologie. Dat kan een bagatelliserende uitwerking hebben, waarbij het beeld van de verhouding tussen de overheid en de praktijk van het bouwen zich niet verder ontwikkeld. Dit vindt men niet alleen bij Chmelnitzki, maar ook bij William C. Brumfield, zelf schrijver over Russische architectuur, wanneer hij echter in een recensie meldt dat hij onderzoek naar de bouw in de landen van het Warschaupact een slecht onderwerp vind, omdat deze door de Sovjet Unie dwingend aan deze landen werd opgelegd en dus geen originaliteit kent. Architectuur is echter niet alleen van belang om de exceptionaliteit van stijlkenmerken, maar ook de uitdrukking van organisatie en politiek.19 Iets verder komt Hugh Hudsons' Blueprints and Blood aan de orde om een vergelijkbaar probleem.

In 1932 poogden de verschillende Sovjet-architectenbonden de macht naar zich toe te trekken. Sommigen deden dat door allerlei soorten ontwerpen naar voren te schuiven, dan weer in de ene stijl, dan weer in een andere. Deze ontwerpen mochten niet westers, decadent of kosmopolitisch zijn, maar verder leek alles nog open te staan. In hun teksten goten architecten en critici hun stellingen soms in marxistisch-leninistische frasen. Subtiele middelen om marxistische ideeën in stijlanalyses en in een sociologie van de bouw te implementeren, zoals zouden voortkomen uit de Frankfurter Schule, werden er niet ontwikkeld: er was niets iets dat vergelijkbaar zou zijn de teksten van Theodor W. Adorno over muziek of Walter Benjamin over cultuurproducten en de passage. Een filosoof als Georg Lukács mengde zich in 1932 wel in de discussies over fotografie, literatuur en propaganda, maar zou in de Sovjet Unie nooit maatgevend worden. Dat komt waarschijnlijk mede omdat Lukács zich teweer stelde tegen een communistische ideologie van een te platte aard en zich keerde tegen de opvatting dat de schrijver een klassengebonden psychologie representeert. Zijn opvattingen waren in de Sovjet Unie onder Stalin kansloos.20

Voor teksten over architectuur zochten de vertegenwoordigers van de architektenbonden aanvankelijk wel toevlucht tot de woordenschat en grammatica van het dogmatisch Marxisme. Dat gebeurde door, bij wijze van spreken, woorden als 'volk' en 'brood' te vervangen voor 'woning' en 'baksteen'. Deze pogingen om tot een nieuwe ideologie en taal te komen zijn door historici zelden besproken; de periode vanaf ongeveer 1932 wordt vooral gezien als een einde: het einde van de progressieve architectuur, van de avant garde, het einde van de positie van de Sovjet Unie in de internationale ontwikkelingen. In het hoofdstuk 2 c Monumentalisme en de internationale moderne stijl zal nog worden beschreven hoe de bouw van het Stalinisme door het westen steeds meer werd genegeerd en van de moderne architectuur werd uitgesloten. Decennia lang sierden de Stalinistische torens uit Moskou wel de folders van Intourist, maar bleven zij in handboeken uit het westen ongenoemd. Toen veel later, vanaf de jaren 80 van de 20e eeuw, het Stalinisme door de kunst- en architectuurgeschiedenis werd ingesloten, bleef het Stalinisme toch vooral gezien worden als het einde of de ondergang van de avant garde. Voor een geschiedschrijving die de avant garde als uitgangspunt heeft kan dit ook niet anders. Er zijn ook boeken die zich geheel op de dertiger jaren richten, als Hugh D. Hudsons Bleuprints and Blood. The Stalinisation of Soviet Architecture. Ook hierin verschijnt de periode vooral als een teloorgang. In Hudsons Blueprints is zelfs een hoofdstuk gewijd aan de ondergang van het intellectuele niveau.21 Hij meldt de ideologische frasen wel, maar laat er ook zijn veroordeling er aan vooraf gaan, net als Brumfield en Chmelnitzki.22

De hoeveelheid bronnen die Chmelnitzki in zijn proefschrift noemt is indrukwekkend, maar hij zegt van de frasen die er in voorkomen meermaals dat ze onbegrijpelijk waren. In die zin worden de frasen bij verschillende schrijvers negatief geduid, maar niet positief; er wordt gezegd wanneer het de begrippen, frasen en theorieën aan redelijkheid ontbeert, maar niet geanalyseert welke eigenschappen zij wel hebben. Toegegeven: het specifieke van de taal van het Stalinisme ligt vaak ook in de pejoratieve bijvoeglijke naamwoorden (formalistisch, decadent, westers) en de al even pejoratief ingezette, uit bijvoeglijke naamwoorden afgeleide zelfstandige naamwoorden (woorden eindigend op –isme als formalisme).23 Inderdaad werd met de plompverloren brutaliteit van een schijntheorie verklaard dat goede architectuur socialistisch realistisch is, en inderdaad werd daarbij geen poging gedaan dat inhoud te geven. Het lijkt echter of het er enkele historici van weerhoud op te merken wanneer bijvoorbeeld wordt gepoogd zo'n begrip voor de architectuur later alsnog een betere invulling te geven. Dat kan van een historisch onderzoek naar theorie en frasen natuurlijk nooit de bedoeling zijn.

De wijze waarop de meningen ontstonden die door de Partij zouden worden gehuldigd is interessant. Hubertus Gaβner geeft in zijn artikel Heartfields Moskouer Lehrzeit een analyse van de levendige discussies binnen het zich steeds verder verstrakkende klimaat, die tot een steeds eenvormiger socialistisch realisme zouden leiden. Zo hebben ook op het gebied van de architectuur daadwerkelijk discussies bestaan. De verhouding tussen de meningsuitingen en directieven van de Partij kan misschien zo worden omschreven: voorafgaand aan de directieven van de partij waren er discussies en een machtsstrijd gaande, waarbij de vrijheid groter is dan menige westerling van de Sovjet Unie zal willen geloven. Het komt misschien overeen met wat Lenin ooit heeft omschreef als democratisch centralisme.24 Het communisme, de Partij en de eerste secretaris van de partij (Stalin of Chruščëv) waren in die discussies wel onaantastbaar. De Partij en de eerste secretaris poneerden bovendien vaak de probleemstelling waarmee professionele vaklui aan het werk moesten gaan. Vanuit die probleemstelling gaven deze vaklui vorm aan nieuwe concepten, waarbij tussentijds meermaals knopen worden doorgehakt door Partijfunctionarissen. Soms worden de knopen doorgehakt door de eerste secretaris zelf. Het uiteindelijk resulterende concept was van boven gesanctioneerd en werd vervolgens als opdracht aan alle ontwerpers en uitvoerders opgelegd. Omdat alle besturende organen gelieerd waren aan de Partij, waren direct of indirect ook de architectenverenigingen gelieerd aan de Partij. Bovendien waren alle opdrachtgevers direct of indirect gelieerd aan de partij. De resulterende regels werden als directieven van de Partij dwingend aan alle spelers opgelegd. Daarmee was eenheid gewaarborgd. Misschien moet dit beeld worden bijgesteld. Dit systeem van het democratisch centralisme werd in de periode van het Stalinisme na 1932 nog maar ten dele toegepast, maar is later, gelijk met de machtsovername door Malenkov, Beria en Chruščëv in 1953 weer ingesteld. Ik hoop in het stuk een stukje iets van een dergelijke werking tussen meningsvorming en Partijdirectieven te kunnen laten zien.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina