1 door Frans Schurer2 0 Samenvatting



Dovnload 116.57 Kb.
Pagina1/3
Datum24.08.2016
Grootte116.57 Kb.
  1   2   3


Over leven en werk van Willem Kloos (1859-1938)1
door
Frans Schurer2



0 Samenvatting
De verschijning van de biografie van Bart Slijper in 2012 over Willem Kloos was voor mij aanleiding me te verdiepen in deze door velen bewonderde en door sommigen verguisde dichter. Naast Slijpers boek heb ik een aantal van Kloos’ publicaties geraadpleegd, waaronder voor de poëzie zijn Verzen en voor het proza zijn Veertien jaar literatuurgeschiedenis. 1880-1893. Met behulp hiervan en nog een aantal andere bronnen, geef ik in het volgende een schets van het leven en werk van deze kleurrijke Tachtiger, waarbij de periode 1900-1938 – omdat daarover weinig interessants valt te melden – naar verhouding slechts summier wordt behandeld. In Kloos’ leven nemen de (verbroken) vriendschappen met Jacques Perk en Albert Verwey een belangrijke plaats in. Aan (de oprichting van) het tijdschrift van de Tachtigers, De nieuwe gids – onverbrekelijk verbonden met Kloos – wordt uiteraard ook aandacht besteed. Bij de keuze van de gedichten in sectie 6 heb ik me laten leiden door persoonlijke voorkeur en me beperkt tot een vijftal van zijn vroege sonnetten. De citaten uit de Veertien jaar in sectie 7 zijn bedoeld om Kloos als criticus over het voetlicht te brengen: een indruk te geven van de vileine formuleringen die hij bezigt om zijn tegenstanders te lijf te gaan, zijn gedrevenheid om het wezen van de poëzie zoals hij dat zag te schetsen (beïnvloed met name door Shelley), en om zijn meesterschap over de taal te illustreren. Niet zelden echter gebruikt hij ingewikkelde zinsconstructies die grammaticaal moeilijk toegankelijk en daardoor slecht leesbaar zijn. Bij de geraadpleegde bronnen wordt een aantal opmerkingen gemaakt. De literatuurstudie wordt afgesloten met een register met namen, data en paginaverwijzingen.

1 Jeugd
Willem Johannes Theodorus Kloos wordt geboren op 6 mei 1859 in Amsterdam. Zijn ouders wonen op de Botermarkt (het huidige Rembrandtplein) en zijn vader is kleermaker. Enkele maanden na de geboorte van een tweede kind overlijdt Kloos’ moeder, Anna Cornelia Amelse, aan tuberculose op 18 september 1860, en in oktober van hetzelfde jaar ook Willems broertje. Op 14 november 1861 hertrouwt zijn vader met de 36-jarige weduwe Sophia Petronella van Beresteijn die één zoon van tien heeft. Tot zijn twintigste woont Kloos, samen met zijn vader, stiefmoeder en stiefbroer, op verschillende adressen in Amsterdam. Kennelijk heeft hij weinig liefde en warmte gekregen van dit drietal. In [5] blikt Kloos herhaaldelijk terug op zijn jeugd, maar het is de vraag of de daar opgetekende herinneringen wel altijd betrouwbaar zijn: hij lijkt het verleden soms door een matglas te zien. Op pag. 278-285 van dit Zelfportret is een aantal (onderdelen van) gedichtjes opgenomen die onder de titel Binnengedachten zijn gepubliceerd in verschillende jaargangen van De nieuwe gids. Ik geef een tweetal voorbeelden waarin de stiefmoeder het moet ontgelden.

Gebaarde
Ik, even maar, met radde hand, lijk kindren doen, gestuit


Wierd ‘k dan onmiddlijk door ’t dof-kort gebiedende geluid
Van stroeve stem, die zei, dat ‘k stil moest doen;

Ja, ‘k leefde, heel mijn jeugd, als schrale Muis in enge klem.


Want ging ‘k iets doen of zeggen, mooi-spontaan, onmiddlijk rem
Wierd, aan mijn voet of mond gelegd, maar had ‘k dan strikt gezwegen
Een paar uur lang, zei ‘t Stiefmens luid zichzelf, dat wel terdege
Een Kind moest slecht zijn, dat niet praatte.


In maart 1870 heerst er een tyfusepidemie in Amsterdam; Kloos raakt ook besmet en overleeft maar ternauwernood. Wel houdt hij er een wat slap hangende arm aan over en, soms, weinig onderscheid in kleuren. De schoolvakanties vormen een lichtpunt in zijn leven; die brengt hij vaak door bij de ouders van zijn stiefmoeder in Gouda, lieve mensen, waar hij het erg naar de zin heeft. Willem is een stille, kwetsbare, eenzelvige jongen met een passie voor lezen. Het openbaar lager onderwijs dat hij volgt is van uitstekende kwaliteit. Voor verdere bijzonderheden verwijs ik naar [5], [7] (pag. 23-37) en hoofdstuk 1 van [10].

2 Middelbare school en universiteit
In juli 1873 doet hij met succes toelatingsexamen voor de hbs aan de Keizersgracht, zowel voor de eerste als voor de tweede klas! Jacques Perk en Frank van der Goes zitten op dezelfde school, maar in een parallelklas. Leraar geschiedenis is Willem Doorenbos, een man met een veelzijdige belangstelling en van een ontzagwekkende belezenheid; hij zal in het leven van Kloos een belangrijke rol spelen. De leraar Duits brengt Kloos belangstelling bij voor de Duitse letterkunde. Hij maakt kennis met o.a. het werk van August von Platen en reeds in 1876 schrijft hij een aantal sonnetten in het Duits. In 1881 volgt publicatie van een deel3 van deze ‘Knabenklagen’ – later heeft Kloos deze poëzie getypeerd als ‘onkruid op een graf geplukt’ – in het tijdschrift Astrea. Tijdens zijn middelbare schooltijd komt hij ook in aanraking met Engelse literatuurgeschiedenis; zijn grote bewondering voor Keats, Shelley, Swinburne en Wordsworth dateert uit die periode. In augustus 1877 behaalt hij het hbs-diploma met goede cijfers voor de talen, maar met een vier voor wiskunde. Een maand daarna doet zich een tragedie voor in het leven van Kloos: Jan Beckering, een hbs-leerling waaraan Willem zich zeer had gehecht, pleegt zelfmoord. Hij is nooit over dit eerste ‘gevreesd gemis‘ heengekomen: tot aan Kloos’ overlijden zal de herinnering aan de vriend en diens lotgeval mét de gedachte aan de dood zijn denken en doen beheersen (cf. [7], pag. 44), ook tot uitdrukking komend in een aantal van zijn sonnetten (cf. [7], pag. 152-154).
Om als hbs-er te worden toegelaten tot de universiteit is een toelatingsexamen verplicht. Dat behelst ook een toetsing in Grieks en Latijn en om zich de daarvoor benodigde kennis eigen te maken, krijgt Kloos privélessen bij Doorenbos aan huis. Dat een oudtante hem destijds 5200 gulden heeft nagelaten waarover hij kan beschikken op 6 mei 1882, zal een rol gespeeld hebben om van zijn vader toestemming te krijgen te gaan studeren. In juni 1879 slaagt hij voor genoemd examen en Kloos laat zich inschrijven als student in de klassieke letteren aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Hij betrekt een eigen kamer en maakt kennis met een aantal studenten die later een belangrijke rol in zijn leven zullen spelen, zoals bijvoorbeeld Hein Boeken, Frederik van Eeden, G. Jelgersma en Henry Samson. Aan het studentenleven neemt hij nauwelijks deel. Van de colleges is hij niet onder de indruk; in [5] komt hij daar herhaaldelijk op terug. In mei 1882 – de erfenis is tot uitkering gekomen – vertrekt Kloos naar Brussel waar het gezin van Doorenbos woont. Hij wordt verliefd op Martha, een dochter van zijn leermeester. Kloos in een brief aan Verwey (cf. [10], pag. 107): [Zij] ‘is lief en niet leelijk: dus heb ik haar het hof gemaakt, dus ben ik verliefd op haar geworden, dus toont zij zich niet ongenegen in nadere betrekking tot mij te treden’. Dat er bij Kloos slechts sprake is van ‘the light fire in the veins of a young man’ (vrij naar Swinburne; cf. [7], pag. 335), wordt duidelijk uit het navolgende sonnet dat hij tijdens de knipperlichtrelatie – die zich voortsleept tot in januari 1885 – naar de in Brussel wonende dichteres Hélène Swarth stuurt (cf. [2]4, LXIII; [7], pag. 244; [10], pag. 111).

Omdat mij andre en ouder banden binden


Omdat een mindere arm zich om mij legt,
Omdat ik eens: ik min u, heb gezegd,
Toen flauwer oogen mijnen blik verblindden,–

Zou ‘k ú niet grooter, schooner mogen vinden,


Het niet bekennen mogen? Ben ik slecht,
Daar ‘k eerst violen om mijn lokken vlecht,
En nú ga rozen door violen winden?

Ik nader u dan niet, zoolang een mond,


Die mij niet zoet meer is, mijn lippen raken
En aan mijn ooren vleiend fluistren zal.

Maar, bij der rhythmen weelderigen val,


Mijn plicht met stille vreugde te verzaken,
Dát let mij niemand tot mijn laatsten stond.

Mede omdat hij te zeer met dichten en het schrijven van literaire kritieken bezig is, maakt hij weinig voortgang met de studie en hij zal deze dan ook niet voltooien; wel slaagt hij op 9 juli 1884 voor het kandidaatsexamen. In januari 1880 treedt hij in correspondentie met Carel Vosmaer5, dichter, novellist, essayist, kunstcriticus en redacteur van De Nederlandsche spectator. Vosmaer was een man met groot gezag (voor een schets van hem verwijs ik naar [8], pag. 202-203), en zijn wekelijks verschijnende Vlugmaren, beschouwingen over kunst, wetenschap, godsdienst en politiek, werden gretig gelezen. Evenals dat bij Doorenbos het geval is, is de invloed van Vosmaer op Kloos’ leven moeilijk te overschatten.


Door zelfstudie (in zijn hbs-tijd las en excerpeerde hij het twaalfdelige werk History of Greece van George Grote) en de universitaire colleges heeft Kloos zich een grondige kennis verworven van de klassieke oudheid. Bij zijn eind jaren zeventig geschreven lyrisch-dramatisch fragment Rhodopis (cf. [2], pag. 137-164; [7], pag. 163-187) komt dat goed van pas. Het wordt, met een aanbevelingsbrief van Doorenbos, gestuurd naar De gids en het tijdschrift Nederland. De gids wil het niet hebben, maar Nederland plaatst het in mei 1880. Kloos stuurt Vosmaer onmiddellijk een overdruk (cf. [7], pag. 323-324) en hoopt zodoende gedichten van hem geplaatst te krijgen in de De Nederlandsche spectator. Voor nadere bijzonderheden omtrent deze periode in Kloos’ leven verwijs ik opnieuw naar [5], [7] en [10].

3 De episode met Jacques Perk6
In de voorafgaande sectie is vermeld dat Jacques Perk en Kloos op dezelfde middelbare school zaten. Ze zullen elkaar daar ook wel ontmoet hebben, maar daarover is niets bekend. Kloos dateert hun eerste ‘echte’ ontmoeting op 15 mei 1880 in de Kalverstraat in Amsterdam; Slijpers biografie [10] opent daarmee. Absolute zekerheid daaromtrent bestaat echter niet; Kloos’ data zijn vaak onbetrouwbaar en in [7], pag. 14, wordt betoogd dat zij waarschijnlijk reeds vanaf medio 1879 met elkaar in contact hebben gestaan. Hoe het ook zij, bij hun treffen medio mei heeft Perk Rhodopis al gelezen. Kloos zal toen ongetwijfeld te horen hebben gekregen dat Perk in het najaar van 1879 de eerste versie7 van zijn Mathilde had voltooid, geschreven na een bezoek met zijn ouders in de zomer van 1879 aan Laroche in de Belgische Ardennen waarbij hij ook Oscar Wilde heeft ontmoet. Tussen Kloos – somber en zwijgzaam – en Perk – druk en levenslustig – ontstaat een hechte vriendschap, waarbij de eerste Perks sonnettencyclus van commentaar voorziet. In hoeverre de vriendschap homo-erotische aspecten heeft gekend, is niet met zekerheid vast te stellen en eigenlijk ook niet relevant. Wat telt zijn de verzen die ze geschreven hebben onder invloed van de passie voor elkaar; Stuiveling schrijft daar in gloedvolle bewoordingen over in [11], pag. 148-152. In het voorjaar van 1881 bekoelt de vriendschap. Kloos is erg dominant en legt een zodanig beslag op Perk dat deze dat als benauwend ervaart; bovendien is Jacques (weer eens) verliefd geworden op een meisje (Joanna Blancke). Hij beëindigt de vriendschap met Willem die daarover hevig teleurgesteld en kwaad is. Kloos voelt zich verstoten; in het derde en vierde sonnet van sectie 6 klinkt door dat hij daar rekening mee heeft gehouden, sterker, dat hij dat ‘wist’. Jacques Perk overlijdt op 1 november 1881 – hij is dan 22 jaar oud – aan tuberculose; van zijn korte leven wordt verslag gedaan in [11]. Kloos schrijft, luttele dagen daarna, een indrukwekkend herdenkingsartikel dat gepubliceerd wordt op 19 november in De Nederlandsche spectator. De eerste, mijns inziens monumentale, zin – ‘een kunststuk van neerbuigende ironie en hooghartigheid’ in de woorden van Slijper – luidt als volgt (cf. [3], deel I, pag. 69; [7], pag. 280):
‘Hoeveel oprechte achting men ook moge koesteren voor de vlijt, de gemoedelijkheid en de welwillende bedoelingen onzer nieuwere hoofddichters, toch voelt men in sommige oogenblikken van zijn leven den niet onnatuurlijken wensch in zich ontstaan, dat ook òns land eindelijk eens in het bezit eener literatuur gerake, die niet den verliefden jonkman, den teederen vader, den vromen christen alleen ter ontspanning en verpoozing dienen, maar ook de kleine en stille gemeente stichten kan, wier zielen in dagelijksche gemeenschap plegen te verkeeren, met wat er schoonst en heerlijkst op deze wereld is gedicht en gedacht.’
Met dat artikel legt Kloos veel eer in, niet alleen bij de ouders van Jacques maar ook bij Vosmaer; op 24 november schrijft hij aan Kloos: ‘Het is voor onze richting een manifest, een canoniesch stuk, dat een datum zal stellen!’ Maar het roept ook veel weerstand op bij de gevestigde orde, bijvoorbeeld bij Jan ten Brink (redacteur van Nederland en leraar Nederlands van Marcellus Emants en Louis Couperus). De reden daarvan? Welnu, in het In memoriam Jacques Perk neemt Kloos de gelegenheid te baat om, alvorens het over Perk te hebben, een aantal laatdunkende opmerkingen te maken over de poëzie van Beets, de Génestet en Ten Kate8. Jongeren die het heilige ernst is met de verheffing van de letteren, kunnen zich volgens hem beter wenden tot de grote Engelse dichters en die uit de klassieke oudheid. Pas daarna komt hij over de betekenis van Perk te spreken. Hij illustreert de schoonheid van Jacques’ verzen aan de hand van drie voorbeelden uit de Mathilde, waarvan ik de eerste twee hier vermeld: het erotisch getinte sonnet Ochtendbede (cf. [8], pag. 57) en De stroomval (cf. [8], pag. 106), een plastische natuurbeschrijving met een schitterend beeld in de laatste regel.


Ochtendbede

De Nacht week in het woud, en bij haar vluchten


Heeft ze op struweel en bloem een dauwkristal
Geweend, dat glinstert in de zon, en zuchten
Luwt ze uit het woud langs berg en beemd en dal;

En daar, op ’t smalle pad, in hooger luchten,

Ontwaar ik haar, die wuift, mijn ziel, mijn al,

Doch uit mijn hart rijst naar die hooge luchten


De klacht: hoe klein, hoe klein is mijn heelal!

Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud,

En ’s hemels blauw is ’t blauw dier droomende oogen, –
Haar boezem is de berg en ’t golvend woud:

O, zomer, zonneschijn en hemelbogen,


Waarin mijn aangezicht haar liefde aanschouwt,–
Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!


De stroomval

Gelijk wanneer men de armen strekt, en schrijdt,


En ziet, maar zonder zien, en denkt aan spoken,
- Die zijn, waar niets is en wier schaduw glijdt
In ’t Niet, als iets, wat licht geeft, wordt ontstoken,–

Zoo is het nacht. Een schal klinkt wijd en zijd,


Daar waar des daags men ziet den stroomval koken, –
Een dof gegrom van bruisend rotsenstrooken
Dreunt, met het klaatren als in worstelstrijd.
En ’t is of ’ t spattend schuim, den nacht besproeiend,
Met bleeken glimp het zwoele duister splijt…
Daar knalt de donder, ’t donderen ten spijt

Des stroomvals, over kolk en afgrond loeiend –


En bij de schelle schicht, die ’t zwerk doorsnijdt,
Prijkt daar de waterval in zilver gloeiend.

Omdat hij de sonnetten van Perk hogelijk bewonderd, door zijn commentaar er mede vorm aan heeft gegeven, wil Kloos de nalatenschap van Perk dolgraag bezorgen, en hij voelt zich daartoe ook bij uitstek gekwalificeerd. Perks vader echter wil, heel begrijpelijk, daarvoor een literator van naam en faam inschakelen. Door handig te manipuleren slaagt Kloos erin dat Vosmaer die taak op zich neemt – die heeft het eigenlijk veel te druk en wil het alleen doen wanneer Kloos hem daarbij terzijde staat –; aldus komt de redactie toch feitelijk in handen van Kloos. In [11], pag. 186-198, wordt minutieus beschreven hoe Kloos met de nalatenschap van Perk is omgegaan. Stuiveling is daar uiterst kritisch over. Zo heeft Kloos eigenmachtig tientallen vaak ingrijpende tekstwijzigingen aangebracht. Verder breekt Stuiveling de staf over het weglaten van de opdracht bij Iris, een eerbetoon aan Joanna Blancke. In [8], pag. 232-236 en [10], pag. 95-97 wordt eveneens beschreven hoe Kloos te werk is gegaan bij de samenstelling van de eerste druk van de Mathilde; het oordeel van Stolk en Slijper dienaangaande is milder dan dat van Stuiveling.


De Inleiding op de uitgave van de gedichten van Jacques Perk (cf. [3], deel I, pag. 1-24; [7], pag. 290-311; [8], pag. 24-40) is geschreven in de maanden augustus en september 1882 in Brussel, toen Kloos bij de familie Doorenbos verbleef (zie ook sectie 2 over zijn affaire met Martha). De Voorrede9 (zie [8], pag. 7-23) bij de uitgave is van de hand van Vosmaer. De Inleiding wordt algemeen als Kloos’ meesterwerk beschouwd. Het artikel bestaat uit twee onderdelen. Deel I bevat waardevolle beschouwingen over het wezen der poëzie – de typering van Leigh Hunt: ‘Poetry is imaginative passion’ vindt men daar ook –, die ook vandaag de dag nog zeer lezenswaard zijn. De invloed van Shelley’s A defence of poetry [9] is duidelijk merkbaar. Perk wordt in deel I niet genoemd. Deel II leidt de lezer door de Mathilde. Het bevat ook een loflied op het sonnet, de versvorm die, in navolging van o.a. Dante, Petrarca en Shakespeare, door Kloos en de overige Tachtigers verheerlijkt wordt10 – door Vestdijk ‘de koningin onder de versgestalten’ genoemd11 –, maar waarvoor J.J.L. ten Kate geen waardering kon opbrengen. Hij omschreef in 1842 het klinkdicht als volgt12:

Geverfde pop, met rinkelen omhangen,


gebulte jonkvrouw in uw staal’ korset,
lamzaligste aller vormen, stijf Sonnet!
Wat rijmziek mispunt deed u ’t licht erlangen?

Het is verleidelijk uitvoerig uit de Inleiding te citeren; hier zij volstaan met de volgende twee passages (cf. [3], deel I, pag. 8-10; [7], pag. 296-298; [8], pag. 28-29).


‘Het verwijt van duisterheid, waarmede men een dichter vervolgt, is, in vele gevallen, niets anders dan de onvrijwillige bekentenis van den kant des lezers, dat de beelden, die hij vóór zich moest krijgen, buiten den kring liggen, waarin zijn fantasie zich bewegen kan, of dat de vormen waarin zij voor oor en oog verschijnen, verschillen van de gebruikelijke, en dus eenige inspanning vorderen, om te worden begrepen en gezien.’

‘De poëzie is geen zacht-oogige maagd, die, ons de hand reikend op de levens-baan, met een glimlach leert bloemen tot een tuiltje te binden, en zonder kleur-scheuren over heggen heen te stappen, ja zelfs zich bukt en ons wijst, hoe de scherpste stekels het best kunnen dienen, om het schoeisel te hechten, dat de lange weg had los gewoeld, doch eene vrouw, fier en geweldig, wier zengende adem niet van ons laat, die ons bindt aan haar blik, maar opdat wij vrij zouden zijn van de wereld-zorg, die hart en hoofd in bedwelming stort, maar ook den drang en de kracht schenkt, zich weder op te richten tot reiner klaarheid dan te voren, die de hoogste vreugd in de diepste smart, doch tevens de diepste smart in den wel-lust van de pijn verkeert, en tot bloedens toe ons de doornen in het voorhoofd drukt, opdat er de éénige kroon der onsterfelijkheid uit ontbloeie.’


De gedichten van Perk, verschenen in december 1882, kunnen op veel waardering rekenen, maar de Inleiding wordt lauw ontvangen. Pas in de jaren daarna zal hij onder de jonge dichters faam en invloed verkrijgen.

4 De nieuwe gids13

Op 14 juni 1881 wordt in Amsterdam op initiatief van Frank van der Goes de literaire vereniging Flanor opgericht; de naam is identiek aan het pseudoniem dat Vosmaer hanteert. Een groot aantal aanstaande Tachtigers wordt dan of enige jaren later lid. Er worden plannen ontwikkeld om een eigen tijdschrift uit te geven. De oprichtingsvergadering daarvan vindt plaats in juni 1885; het eerste nummer verschijnt op 1 oktober van dat jaar. De redactieleden zijn tevens de eigenaren van het tijdschrift en dus ook verantwoordelijk voor het financiële reilen en zeilen ervan. Het kost moeite om een uitgever te vinden. Het is de verdienste van Paap geweest – die overigens ook de naam van het tijdschrift heeft bedacht – dat hij de Groninger Versluys bereid vond dat te doen. Merk op (cf. voetnoot 13) dat ook de voornamen van de redactieleden worden vermeld, met uitzondering van die van Van der Goes. Gebruik van voornamen was toentertijd uitzonderlijk en een ander teken van het zich afzetten tegen het gerenommeerde tijdschrift De gids, dat in 1837 werd opgericht door Potgieter en Robidé van der Aa. Natuurlijk dient hier ook Bakhuizen van den Brink te worden genoemd, die, door Potgieter als redacteur aangetrokken, al gauw de stuwende kracht van het tijdschrift wordt.


In [1] wordt aan elk der redactieleden een hoofdstuk gewijd, met uitzondering van Van der Goes. De serie opent met Van Eeden14 omdat die volgens Colmjon de grootste bekendheid bij het publiek heeft gekregen door de gemeenschap Walden, De kleine Johannes en Grassprietjes, geschreven onder de naam Cornelis Paradijs (let op de keuze van het pseudoniem). Daarin hekelt hij o.a. de gedichten van Ten Kate; het voorwoord is van Sebastiaan Slaap, een pseudoniem van Kloos. Van der Goes was makelaar/assuradeur en schreef toneelrecensies; later heeft hij mede de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij opgericht (1894).
Paap staat, evenals Van der Goes, literair niet op het niveau van Kloos en Verwey. Al gauw treden er spanningen op tussen Paap en de overige redactieleden – de radicale opvattingen van de nuchtere Groninger zullen ongetwijfeld gebotst hebben met de weinig zakelijke instelling van Kloos die een buitenmaatschappelijk dichterschap voorstond –, en reeds in augustus 1886 verlaat hij de redactie. Paap is vooral bekend geworden door de satire die hij in 1898 schreef over de Tachtigers: Vincent Haman. Daarin moet vooral Lodewijk van Deyssel (pseudoniem van K.J.L. (Karel) Alberdingk Thijm) het ontgelden, die model staat voor Vincent; Kloos voor Moree. Dat Kloos later de belangrijke rol die Paap heeft gespeeld bij de oprichting van De nieuwe gids stelselmatig heeft verzwegen, is volgens Colmjon te wijten aan genoemde satire.
Verwey is pas in laatste instantie bij de redactie gehaald, op voorspraak van Kloos. Over de relatie van Kloos tot Van Eeden het volgende: Er ontstaat al gauw verschil van mening tussen hen hoe het principe l ‘art pour l ‘art geïnterpreteerd moet worden. Voor Kloos is schoonheid allesoverheersend – ‘esthetisch mooi’ –, terwijl Van Eedens voorkeur uitgaat naar ‘ethisch mooi’. Dat hangt uiteraard samen met beiderlei maatschappijopvattingen. Van Eeden huldigt het standpunt dat kunst en literatuur ook een maatschappelijke functie hebben; Kloos is daar wars van. Midden jaren negentig is ook Verwey van mening dat kunst en literatuur zich niet los kunnen zingen van de maatschappij, dit onder invloed van de Duitse schrijver Stefan George. Al eerder, ultimo oktober 1889, verlaat Verwey de redactie van De nieuwe gids, te wijten aan de verstoorde relatie tussen hem en Kloos (zie sectie 5). Er wordt een contract opgemaakt dat Verwey nog wel bijdragen aan het tijdschrift zal leveren. In 1894 richt hij samen met Van Deyssel het Tweemaandelijksch tijdschrift op waarvan de naam later veranderd wordt in De twintigste eeuw. Nog weer later, als er een conflict tussen Van Deyssel en Verwey ontstaat over de richting van de Eeuw, stapt Verwey15 op en wordt hoofdredacteur van het invloedrijke tijdschrift De beweging (1905-1919).

Het eerste nummer van De nieuwe gids opent met het begin van het sprookje De kleine Johannes. Verwey levert een bijdrage over de sonnetten van Shakespeare, en van Kloos zijn vier sonnetten opgenomen waaronder twee die tot de mooiste mogen worden gerekend die hij ooit geschreven heeft; deze zijn opgenomen in sectie 6. Voor een volledig overzicht van de inhoud van de eerste jaargang verwijs ik naar [1], pag. 207-216.


Kloos neemt het met zijn taak als redactiesecretaris niet zo nauw. Citaat uit een brief van Jacobus van Looy aan Verwey, gedateerd 30 juli 1886 (cf. [12], pag. 203): ‘Ik stuur je deze twee sonnetten van de laatste tijd. die ik onderstel dat je in elk geval lezen zult willen. Zeg me, wat er aan mankeert. Want. al stuur ik een heele Odyssee aan de Gids Secretaris. dan krijg ik toch geen antwoord […]’. Karel Alberdingk Thijm heeft anderhalf jaar later dezelfde ervaring (cf. [12], pag. 395): ’Ik zal zoo vrij zijn, als je ’t goed vindt, mij in ’t vervolg tot jou te richten voor Nieuwe-Gids-korrespondenties, want de sekretaris schijnt het korresponderen met de auteurs van kopie voor zijn tijdschrift niet tot zijn taak te rekenen.’
Na het vertrek van Verwey zet geleidelijk de neergang van het tijdschrift in. In zijn plaats wordt in 1890 de ervaren journalist P.L. Tak aangetrokken. Hij komt er achter dat de financiële situatie van De nieuwe gids verre van gezond is. Eind 1892 stellen Van Eeden en Tak voor de redactie uit te breiden met Herman Gorter – zijn gedicht Mei verschijnt in 1889 in De nieuwe gids –, maar Kloos houdt dat tegen. Dat komt uiteraard de samenwerking in de redactie niet ten goede. Omstreeks dezelfde tijd zijn de tegenstellingen verder verscherpt tussen Van der Goes enerzijds en Van Deyssel en Kloos anderzijds, dit naar aanleiding van Van der Goes’ vertaling van Bellamy’s utopistische Looking backward. Van der Goes is een aanhanger van de socialistische beginselen, Van Deyssel (en in zijn kielzog Kloos) kant zich daar fel tegen in zijn fameuze Gedachte, kunst, socialisme. Van Eeden probeert een bemiddelde rol te spelen, wil boven de partijen staan, maar, karakteristiek voor hem, raakt er ook nu weer tussen. Van deze ‘hooggaande discussie’ wordt verslag gedaan in [1], pag. 302-303. Al met al zijn de persoonlijke verhoudingen tussen de hoofdrolspelers zodanig verziekt dat men niet meer met elkaar verder wil en kan. De bloeitijd van De nieuwe gids is daarmee definitief voorbij.
Wanneer het oktobernummer 1893 verschijnt, blijkt dat Van Eeden, Van der Goes en Tak niet meer op de omslag als redactieleden worden vermeld; vanaf nu is Kloos de alleenheerser over het tijdschrift. En hij maakt daar op een walgelijke manier misbruik van door in dit nummer haat-, wrok- en scheldsonnetten op te nemen, waarin Van Eeden, Van der Goes, Gorter, Verwey en Veth worden beschimpt. Slijper: ‘De aflevering is een orgie van dronkenschap en gekte geworden.’; cf. [10], pag. 224-225 voor een aantal staaltjes daarvan. In april 1894 maakt het tijdschrift een nieuwe start; in de redactie heeft Kloos zich omgeven met Hein Boeken en Pet Tideman, vazallen die aan zijn leiband lopen. Voor een beschrijving van de verdere geschiedenis van De nieuwe gids kan men het beste het boek van ’s-Gravesande16 raadplegen; in [1] en [10] wordt daar ook veel naar verwezen. In juli 1943 gaat het tijdschrift, na in fascistisch vaarwater te zijn terechtgekomen, uiteindelijk ter ziele. Vermeldenswaard is nog dat Van Deyssel, lid van de redactie, medio 1941 terzijde wordt geschoven; voortaan is hij ‘eere-redacteur’ (cf. [1], pag. 18). In [6] is veel interessant materiaal te vinden over de penibele financiële situatie van De nieuwe gids gedurende de laatste decennia van zijn bestaan, de niet aflatende pogingen van Kloos’ vrouw om het tijdschrift drijvende te houden en de steun die ze daarbij van P.H. Ritter Jr17. – een groot bewonderaar van Kloos – ondervindt.


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina