1. Enige inleidende beschouwingen



Dovnload 122.24 Kb.
Pagina1/8
Datum24.08.2016
Grootte122.24 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8
Sociologie… Speelveld& spelregels…

1. Enige inleidende beschouwingen


Sociologie is de wetenschap die het sociale handelen van mensen bestudeert, evenals de daaruit voortgekomen patronen en structuren in hun ontstaan, voortbestaan en veranderen. Handelen is sociaal handelen wanneer het wordt beïnvloed door het handelen van andere mensen. Dat sociaal handelen heeft min of meer vaste resultaten. Sociologen kijken vooral naar de structurele kenmerken van samenlevingsverbanden. Structuren geven aan dit handelen vorm. De belangrijkste structuren:

  1. Netwerken: worden zichtbaar via interactie- en communicatiepatronen.

  2. Cultuurpatronen: hebben betrekking op waarden en normen. Waarden zijn collectieve opvattingen over het wenselijke. Normen zijn collectieve meer of minder bindende gebods- en verbodsregels.

Sociologen proberen dit sociale handelen en de structuren te beschrijven, te analyseren, te verklaren en te voorspellen. De sociologie kent een comparatief karakter. Alles kan in sociologisch perspectief worden geplaatst:

  • Eten en drinken

  • Emoties

  • Sport

  • Mode

  • Life style

  • Liefde

2. Sociale feiten


We geven vorm aan de samenleving en ondergaan haar invloeden. Marx introduceert het begrip vervreemding. Het behoort tot de essentie van het menselijk bestaan dat zijn eigen scheppingen een eigen leven gaan leiden en zich tegen hem opstellen. Aan de samenleving neemt iedereen deel. De samenleving is niet onpersoonlijk en individuen zijn niet onmaatschappelijk. Elk individu heeft ruimte om autonoom te handelen. Individuen hebben unieke persoonlijke eigenschappen, maar vertegenwoordigen ook structuren van de samenleving. Vele met elkaar verbonden individuen brengen sociale processen voort, die geen van hen van tevoren zo bedoeld of gepland heeft. Gewilde individuele gedragingen kunnen leiden tot ongewilde sociale gevolgen.

Onze interacties hebben een routinematig karakter. Er bestaan routines, zodat we niet bij iedere ontmoeting opnieuw alle regels van het onderlinge gedrag hoeven te herdefiniëren. Feitelijke solidariteit gaat over mechanismen die in de samenleving werden ontwikkeld en waardoor we elkaar het leven makkelijker maken.

Emile Durkheim noemt de sociale werkelijkheid een eigensoortige werkelijkheid die niet kan worden herleid tot de eigenschappen van de individuen. De bouwstenen van die werkelijkheid zijn de sociale feiten. Dat zijn de sociale relaties tussen de mensen, de instellingen die door het menselijk leven tot stand zijn gekomen, en allerhande regels.

De samenleving kent strijd en solidariteit. Er kan een spanning bestaan tussen individuele verantwoordelijkheid en maatschappelijke solidariteit. Maatschappelijke welvaart gaat samen met individuele hulpeloosheid. Solidariteit verwijst naar wat een groep bijeenhoudt, solide maakt, een identiteit geeft. Zonder het bindmiddel solidariteit kan een samenlevingsverband niet bestaan. Het is nodig voor de sociale cohesie.

Mensen zijn volgens Durkheim waarderende en normerende wezens. Binnen een zelfde samenlevingsverband delen zij een collectief bewustzijn. Men vormt samen met anderen een gemeenschap en is moreel verplicht de eisen van die gemeenschap te honoreren. Het collectief bewustzijn is een sociaal feit waaraan het individu zijn sociale identiteit ontleent. In de loop van het moderniseringsproces veranderde de sociale solidariteit van karakter. Durkheim onderscheidde de traditionele samenleving, gekenmerkt door een geringe arbeidsverdeling en een relatief eenvoudige sociale structuur, en de moderne samenleving waarin het proces van arbeidsverdeling ver is voortgeschreden. In een voormoderne samenleving geldt het principe van soort zoekt soort. Er heerst mechanische solidariteit. Onderlinge banden tussen mensen vloeien mechanisch voort uit de ongecompliceerde sociale structuur. Individueel en collectief bewustzijn vallen grotendeels samen. Er heerst een hoge graad van conformisme. In de loop van de tijd werden mensen steeds afhankelijker van elkaar. Mensen en groepen klitten samen omdat ze elkaar nodig hebben. Durkheim spreekt van organische solidariteit. De samenstellende delen moeten op elkaar zijn afgestemd en met elkaar samenwerken. De organen zijn ook autonoom voor wat betreft hun intern functioneren. In de moderne samenleving kennen individualisering en desintegratie een grote opmars. Durkheim stelt dat het bij de moderne samenleving passende, organisch solidariteitstype niet alleen meervoudiger en fijnmaziger, maar ook vrijblijvender van aard is dan de traditionele, mechanische solidariteitsvorm. Het collectieve bewustzijn boet in aan invloed. Dit leidt volgens Durkheim tot maatschappelijke desintegratie en anomie.

Een samenleving kan niet functioneren zonder vormen van sociale strijd. Een sociaal conflict is een strijd over sociale goederen zoals status, macht en hulpbronnen. Doel is het neutraliseren, kwetsen of elimineren van rivalen. Marx beklemtoont conflicten die inherent zijn aan samenlevingen. Er bestaan verschillende soorten conflicten. Op sociaal-economisch vlak is er het klassenconflict. De dynamiek van de samenleving wordt gereduceerd tot de strijd tussen twee tegengestelde klassen. Ook bestaan conflicten op het domein van religie en zingeving, etniciteit en zelfbeschikking.

Individuele conflicten zijn het best waarneembaar. Er bestaat een onderscheid tussen een waardeconflict en een belangenconflict. Een belangenconflict rijst wanneer in een situatie van relatieve schaarste twee actoren dezelfde sociale goederen opeisen. Een waardeconflict is er wanneer de ene actor wordt gedreven door zijn vurige overtuiging van het eigen gelijk en aan de andere actor zijn waarden, normen of opvattingen wil opleggen.

Conflicten kunnen manifest zijn of latent. Een manifest conflict wordt bewust ervaren door de actoren. Een latent conflict is feitelijk aanwezig, mar wordt niet waargenomen door de betrokkenen. in theorie bestaan er op het gebied van conflicthantering vijf gedragsalternatieven:



  1. concurrentie

  2. samenwerking

  3. vermijding

  4. aanpassing

  5. compromissen

Ze kunnen binnen twee dimensies worden gesitueerd:

  1. Coöperatie: de mate waarin de ene actor probeert aan de behoeften van de andere actor tegemoet te komen.

  2. Assertiviteit: de mate waarin de ene actor probeert de eigen behoefte te vervullen.

A+ C+             => samenwerking

A+ C-              => concurrentie

A- C-             => vermijden

A- C+             => aanpassing

A± C±            => compromis

Conflicten kunnen uitlopen op dominantie of op een evenwicht van krachten. Ze kunnen leiden tot het behoud van de bestaande sociale orde of tot sociale verandering. Een conflict is functioneel, wanneer het bijdraagt tot de groei of de continuïteit van het samenlevingsverband. Conflicten zijn disfunctioneel, wanneer het functioneren van een verband wordt gehinderd. De conflictparadox.




  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina