1 graven en begraven in monnic­kendam tot 1830



Dovnload 217.65 Kb.
Pagina1/4
Datum23.08.2016
Grootte217.65 Kb.
  1   2   3   4


1



GRAVEN en BEGRAVEN IN MONNIC­KENDAM TOT 1830 (1)
In de steden en dorpen van de Republiek waren begrafenis­sen een bijna dage­lijks gebeuren, al of niet begeleid door het gebeier van de kerkklokken.

Uit allerlei begraafregisters blijkt dat vooral de sterf­te van kinderen eeuwenlang zeer hoog ge­weest. Gemiddeld een kwart van de nieuw­geborenen haalde de eerste verjaardag niet en ouders waren vaak al overleden voordat de kinde­ren de volwas­sen leeftijd bereikt hadden. (2)Er waren maar weinig ouderen van 75 jaar of ouder die boven­dien vaak gebreken hadden waar vrijwel niets aan te doen was.


Diverse oorzaken spelen hierbij een rol:

* slechte, een­zijdige voeding;

* gebrek aan kennis van infectieziekten als bv. pokken en mazelen.

* geen besef van hygi­ne bij bv. een bevalling, waar­door veel moe­ders nodeloos in het kraam­bed stier­ven.

* een te kleine, dikwijls ongezonde behui­zing, met name onder het armere deel van de bevol­king.
Bizonder kenmerk was wel dat vrijwel niemand in eenzaam­heid stierf, maar omringd was van mensen en dingen die hem lief en dierbaar waren. Vooral in de dorpen was de betrok­kenheid van buren en kennissen groot.
Een stukje geschiedenis

In de eerste eeuwen na Christus werden lichamen van overlede­nen op een begraafplaats buiten de stad of het dorp ter aarde bestelt. Ging het om christenen die vanwege hun geloof in God om het leven waren gebracht (martelaren), dan wilden anderen graag in hun nabijheid begraven worden. Begraven 'ad sanctos' (bij de heiligen) heette dat. Eén van de kerkvaders, Johannes Chrysostomus (345-407 na Chr.) had namelijk de opmerking gemaakt, dat 'de duivels de plaatsen ont­vluchtten waar de gebeenten van marte­laren zijn begra­ven'.

Dat begraven worden nabij de martela­ren kwam echter pas goed op gang, toen keizer Constan­tijn de Grote in 313 de christenen vrijheid van godsdienst had gege­ven.
Wat later in de tijd werd het gebeente van gestorve­n martela­ren overge­bracht naar kerken binnen de stadsmuren. Een be­lang­rijke reden daarvoor was het oprukken van allerlei 'barba­ren' die voor grafschennis en roof niet terugdeinsden.
In de Middeleeuwen werden er vervolgens kerken gebouwd, waar­bij het hoofdaltaar zich boven het graf van een martelaar (heilige) bevond. Nog niet in de kerk maar om zo'n kerk heen werden de bevoorrechten begraven.
Nederland

Ook in Nederland is eeuwenlang gebruikgemaakt van begraaf­plaatsen die zich buiten de stad of het dorp bevonden. Pas nadat er, temidden van wat huizen, een kapelletje of kerkje was gebouwd, werden de doden op het terrein van de kerk - het kerkhof- begraven.

En toen keizer Karel de Grote rond het jaar 800 het begraven op 'heidense plaatsen' (begraaf­plaatsen buiten de stad of het dorp) verbood, was er geen keus meer.
Het heeft echter vrij lang geduurd, voordat er mensen binnen de kerkelijke eigendommen begraven mochten worden. Een kerk werd vanouds gezien als een heilige plaats, terwijl een dode, volgens de toenmalige opvatting, onrein was.

Ook keizer Karel de Grote stond het begraven in de kerken niet toe, maar tijdens een synode in 813 te Mainz werd er een uitzondering gemaakt voor bisschoppen, abten van kloosters, priesters en aanzien­lijke leken (adel).


Het verbod om 'gewone' mensen in de kerk te begraven werd tot in de 15e eeuw regelmatig herhaald, maar er werd meer en meer de hand mee gelicht. Zo konden ook burgers in de kerk een laatste rustplaats krijgen, als ze tenminste niets op hun kerfstok hadden en er voor wensten te betalen.

Langzaam maar zeker wonnen de financiële factoren het van de ideële. Immers, met tijdelijke goederen kon nu een plaats in de kerk gekocht worden. Het begraven in de kerk werd zo een bron van inkomsten voor de kerkvoogdij. Vooral een graf op het koor (in de boeken vaak als 'choor' geschreven), dicht bij het altaar, was een zeer begerenswaardige laatste rustplaats, waar met name de beter gesitu­eerden flink wat florijen voor over hadden.


Na de Reformatie

Nadat in de tweede helft van de 16e eeuw veel voormalig Roomse kerken in handen van de Gereformeerden terecht waren gekomen, nam het begraven in de kerk nog meer toe. Niet alleen protes­tanten, ook Rooms-Katholieken, Lutheranen en Doopsgezinden vonden er een laatste rustplaats.

Zo werd de RK pastoor van Monnickenddam, Harmanus Johannes de Weert, op 2 juli 1776 in de kerk op het choor begraven (graf­rij 8 nr. 10).

De Doopsgezinde leraar Jan Nieuwenhuijzen werd op 3 juni 1806 in graf nr 6 op grafrij 1 begraven en de Lutherse predikant Johan­nes Casparus Balthasar in november 1756 in graf nr. 7 op grafrij 51.


Uitzondering vormden de Joden(3). Zij hadden en hebben tot op van­daag een eigen begraaf­plaats die zich aan het Zuidein­de bevindt. Het overlijden van Joodse stadgenoten vinden we daar­om niet vermeldt in de begraafboeken, maar wel in de impostboeken van de gaar­der.
De Gereformeerden eisten gewoonlijk de beste plaatsen voor zich op. Dat had echter meer met status dan met devotie te maken. Op het koor begraven worden was erg gewild, maar was ook het duurst. (4) De grafboeken vermelden de namen van veel vooraanstaanden, zoals burge­meesters en leden van de vroed­schap, rijke burgers predikan­ten. notarissen etc, later ook de gegoede middenstanders.
Het kerkhof.

Voor de armen was in de kerk geen plaats. Hen restte het kerkhof.

Zo'n kerkhof was uiterst sober. Soms stond er een eenvou­dig houten kruis, getimmerd van een paar latten, maar meest­al was begraven op het kerkhof: zand erover en dan niets meer. Een min of meer open vlakte.

En omdat er op het kerkhof geen grafstenen lagen of stonden, von­den er ook wel andere aktivitei­ten plaa­ts. In oude tijden werd er soms markt gehouden. Er graas­de ook wel eens vee en soms waren er heuse vecht­partijen.

Ik kwam een verbod tegen om beesten op 't kerkhof (...) te laten loopen. Soms liepen er paarden, stie­ren, schapen en koeien op het kerkhof, hetgeen de eigenaars bij ontdekking een boete ople­verde.(5)

Om beesten te weren werden er bij de ingang van het kerkhof wel roos­ters aangelegd.


Regelgeving

Sinds 1811 bestaat de wettelijke verplichting om bij de over­heid aangifte te doen van iemands overlijden.

Zowel de wereldlijke als de kerkelijke overheid heeft in voorgaande eeuwen wel aangedron­gen op het aanleg­gen van overlij­densregis­ters, maar dat was niet bij wet gere­geld. Het is vooral te danken aan het persoonlijk initiatief van de koster, de dominee of de pastoor dat er in Holland begraafre­gisters werden gemaakt, waarvan er nog heel wat van bewaard zijn gebleven. Helaas zijn ze niet altijd volledig en ook laat de leesbaarheid soms zeer te wensen over.

Wat Monnickendam betreft zijn er vooral registers van het begraven in de kerk bewaard gebleven. Dat bracht immers geld op en dus was een goede boekhouding ten aanzien van de verkoop van graven en het jaarlijks te betalen graven­geld van groot belang.

Voor de RK priester was er bovendien nog een religieus/practi­sche reden om de overledenen te registreren, nl. de jaarlijkse herdenking op de sterfdag van de parochiaan, de zogeheten 'jaartijde'.
Impostwetgeving 1695

Aan het einde van de 17e eeuw had de overheid, als gevolg van o.a. de vele oorlogen in de voorgaande jaren, dringend geld nodig. Op 26 oktober 1695 wordt in de Staten van Holland het voorstel besproken om een belasting (impost) op huwelijk en begraven te heffen. Op 3 december van dat jaar wordt het voorstel, na enkele aanvullingen en wijzigingen, goedgekeurd. In het jaar­verslag 1997, blz. 109v, heb ik aan deze wetgeving aandacht besteed in het kader van de huwe­lijks-impost.

De bedragen, daar genoemd en de personen op wie de bedragen betrekking hebben, gelden ook voor het begraven. Maar de wetge­ving van 1695 kent ook enkele bepalingen die meer speci­fiek op het begraven betrekking hebben.
Zo bv. art. 11 ' Die geene, die noijt getrout geweest zijnde, komen te sterven ende welckers Goederen het recht van de Collaterale successie subject mochten zijn, sullen betaelen dubbelt recht van de respectieve Classen hiervooren gemelt'.

Comm: Als er een ongehuwd persoon werd begraven, dan staan er in het impostregister woorden van deze strekking:

'15 juni 1728: Ontvangen van Tijmen van Slooten wegens 't lijk van sijn suster Eefje van Slooten. Dubbelt regt van drie gulden om dat deselve noijt is getrouwt geweest en haar goede­ren de 20e penningh subject sijn. Een somma van ses gulden. Zegge f 6 -,-'.

De nabestaanden van niet gehuwde personen betaalden dus het dubbele tarief. Voor een ongehuwde rijkaard (1e klasse) was dat f 60,- en daarbij kwamen dan nog de kosten van de begrafenis zelf en het graf!


art. 14: 'Indien iemandt komende te sterven, ofte begraven werden, sullen de Erfgenamen, ofte die het bewindt van het Sterf-huys is aenbevolen, gelijcke aengevinge moeten doen aen de Kosters ofte Doodtgravers, die gewoon zijn het recht ofte onkosten van het begraven van de Dooden te ontvangen, ende aen selve het voor­schreve recht betalen, ende sullen de selve niet toe staen ofte permitteren, dat de voorz Dooden begraven, ofte uytgevoert werden, ten zij het voorz recht sal wesen be­taeldt'.

Comm: De impost moest dus vooraf betaald worden, los van het feit of men in de eigen plaats of elders zou worden begraven.


art. 15: 'Diegeene, die de Dooden sullen willen vervoeren, om buijten de Plaetse harer residentie begraven te werden, sullen het voorschre­vene recht tweemael betalen, eens daer gestorven zijn, ende eens daer begraven werden'.

Coom: Dubbel tarief dus voor hen die begraven wilden worden in een andere dan de eigen woonplaats.


art. 18: 'Wie een onjuiste aangifte doet van zijn welstands­klasse, krijgt een boete van f 200,-'.

Comm: Dat was voor die tijd een aanzienlijk bedrag. Je deed er dus goed aan nauwkeurig aan te geven in welke van de vier wel­stands­klassen je thuishoorde.


art. 19: 'Als iemand 'sonder eenige acte' vervoert of begraven wordt dan moeten zowel de erfgenamen van de overledene als de koster of doodgraver die 'deselve zonder acte laten vervoeren of begraven' 400 honderd gulden betalen + het oorspronkelijke bedrag'.

Comm: Ook deze bepaling liegt er niet om. Iemand stiekun laten verdwijnen door hem/haar elders te begraven kostte bij ontdek­king een bom duiten, te betalen zowel door de nabestaanden als ook door de daarvoor verantwoordelijk gestelde koster/dood­gra­ver.


art. 21: 'Evenals de secretarissen zullen ook de kosters/dood­gravers een register bijhouden van de ontvangen impost'.

Comm: Aan deze bepaling hebben wij de impostregisters te danken.


In de Impostregisters van M'dam die vanaf 1719 tot 1804 be­waard zijn gebleven, worden de bedragen genoemd die voor het huwelijk of begraven moesten worden betaald. Aan de hand van die bedragen kan enigszins de welstand van een voorou­der worden ingeschat.
De taak van de koster/doodgraver

De koster van de Grote Kerk was tevens gravenmaker. Hij hield niet alleen het impost- maar ook het begraafregister bij (6). In het begraaf­register kom je gere­geld zijn kwartaalafrekenin­gen tegen. Zo maar een voor­beeld:

'Op den 16 Meij met de koster afgerekent en bevonden sedert primo (eerste) februari tot ultimus (laatste) april 1739 begra­ven sijn:

In de Kerk 18 doden, op het Kerkhof 10 doden. 28 doden ontvan­gen = f 211,-.-'


Over de werkzaamheden van de koster die veelomvattend waren, zijn we vrij goed ge­nfor­meerd.

Een resolutie uit 1754 met instructies voor de kos­ter/doodgraver die laat ik hier in z'n geheel volgen in de taal van toen:


Resolutie voor de koster en gravenmaker van de gereformeerde kerk binnen Monnickendam, van 13 juli 1754:
'De Heeren Burgem. (Dirk) Boon, Mr. Willem Houting en Nahuijs beneffens de Heeren vroed­schappen Minnen en Roos hebben inge­volge en ter voldoening van de resoluties Commissoriaal van dato den 6 Jan. 1754 geexamineert 't Concept regelement waar na de koster en gravenma­ker in 't begraven der dooden als anders sigh zouden hebben te gedragen en sijn de gemelden Heeren eenpariglijk van adviesen zijn om aan de Coster voor een reglement ter hant te stellen 't volgenden:
Reglement waar na de Coster zigh zal hebben te gedragen om­trent het begraaven der dooden in de kerk 't zij de klokken daarover geluijt werden dan niet, gelijk meede wegens 't begra­ven op 't kerkhoff, als ook op't regt en betalen van de Leger­steden, wanneer dat er een lijk buijten dezes Stads Jurisdictie werd getransporteert om in een andere kerk begraven te wer­den.
Alzo men van tijd tot tijd ondervonden heeft dat bij het begra­ven der dooden dikwijls ter zaaken van den voorrang onder der overlee­dens vrinden en naastbestaanden de moeijlijkheden en daaruijt voorkomen­den confusien (verwarring) zijn ontstaan, soo is dat de Heeren Burgemeesters en de Kerkmeeste­ren daar in willenden voorsien en dezelven zo veel mogelijk voorkoomen, goetgevonden hebben een sekeren vasten voet en ordre dienaangaande te beraamen en te arresteeren bij deesen, namentlijk dat generaliter zal vast gesteld werden dat de lijken welken in de kerk begraven werden, sullen voorgaan voor diegeene welke op 't kerkhof begraven worden, als­schoon deze laatsten eerder gestorven waren.

Indien daar twee lijken op een dag in de kerk begraven werden over welke geen van beijden de klokken werden geluyt, zoo zal dat lijk voorgaan waarvan aan de Coster eerst 't billiet van aangevingh ter begravingh sal vertoond zijn.


Maar indien de klokken werden geluijt, soo moet dat lijk voorgaan over welke men 't luijden der klokken geordonneert heeft en over beijde de lijken de klok sullende werden ge­luijt, soo sal dat lijk eerst begraven worden over welken deselven 't langste sullen luijden, te weten op de eerste ordre dien aangaande gegeven sonder dat de Coster de Provocatie van den eene of andere sal mogen admiteeren (toegeven) maar stiptelijk opser­veeren de eerste ordre dien aangaan­den gegeven en sigh daar na Presiese reguleeren omtrent de rang en ordre van de begrafe­nisse.
En soo omtrent twee lijken op eenen dagh te begraven gelijke ordre tot het luijden der klokken mogten werden gegeven, sal hij in sulke gevallen sig adresseren (wenden tot) aan den President kerkmeester die hem alsdan zal ordonneeren te gaan aan beij­den de sterfhuijsen ten eijnden aldaar aan de vrinden die gelijke ordre te communiceeren en haar af te vraagen of deselven genegen zijn langer en wel bepaal­delijk hoe veel langer sij sulks begeeren te laaten luijden, zonder des eenen ordre aan den anderen bekent te maken en die in sodanige gevallen bevonden wert ordre tot 't langste luijden gegeven te hebben of in de Hoogste Classen hier gebruijkelijk zal werden gepre­fereert sonder verder verschil ofte provocatie te admiteeren, al­schoon de vrinden van de anderen zijde dan ook dergelijken ordre ofte selven langer wilden geeven, tenzij de wedersijdse vrienden gelijke ordre tot het luijden der klok geliefde te geeven, dat in dien gevallen die welke tot een douceur aan de kerk boven 't luijden van den Clok den tijd van twee uuren alsoo de klok op eenen stont niet langer dan twee uuren sal mogen luijden, de somma van dertig gulden wilden betalen in welk geval de soda­nigen sal gepermitteert sijn eerst te werden begraven. Maar als de vrinden van de wedersijdse lijken ieder dertig guldens boven 't luijden der klok de tijd van twee uren komen uijt te looven, sal in soodanige gevallen voorgaan die 't eerst 't bil­liet van 't regt van begraven aan de Coster of doodgraaver zal hebben vertoont, mits egter dertig guldens aan de kerk boven de vier en twintig gulden voor 't luijden van de klok den tijd van twee uuren te betaalen.
Met het begraven der dooden op het kerkhof sal voortaan mede deze voet en ordre gehouden werden, dat twee lijken aldaar op eenen dag werdende begraaven, dat lijk ook insgelijks sal voorgaan waarvan aan de Coster eerst 'billiet van aangeving ter begraaving, gelijk reeds gezegd is sal sijn vertoont.
Omtrent 't luijden der klokken zal werden geobserveert dat deselven niet minder als een uur en niet langer dan twee uuren zal mogen luijden. (..)
Voorts hebben de Heeren Burgemeester en kerkmeesteren geordon­neert dat soo iemand in deese stad ofte Jurisdictie komt te overlijden en men deselfs lijk in een andere kerk buijten de jurisdictie wil doen begraven, in sulken gevallen daarvoor aan de kerk sal moeten betaa­len het regt van een legerstee van een kerkelijk graf, soo de overlede­ne geen eijgen graf in de kerk gehad heeft of nagelaten, maar een eijgen graf hebbende en egter buijten de stad te werden begraaven zal nochthans gehouden zijn 't regt van de Legerstee voor sijn graf te betaalen.

En zal de Coster in zulke gevallen voor desselfs moeijten ofte alle andere presensies miets meerder mogen vorderen dan eens een gul­den.

Nogh is bij de Heeren voornoemd goetgevonden en verstaan dat voortaan ten behoeve van de kerk sal werden gevordert en betaald voor de legerstede: (volgen de prijzen van de graven, zie onder).
Over welk reglement sijnde gedelibereert is na alvoorens de gecom­miteerden te hebben bedankt voor haar genoomen moeijten gedaan Rapport en uitgebragt advies verstaan en geresolveert om met 'selven in allen deelen te conformeeren en het te sonsenteeren in een finale resolutie soo als sulks geconsen­teert wert bij desen.

Accordeeren met het resolutieboek voornoemt'.

Was getekent Nicolaas Bruijn. (Einde regelment).
Comm: Blijkbaar was er nogal eens onenigheid over de volgorde van de te begraven personen, met name als er meer begrafenissen op dezelfde dag plaatsvonden. Daarin voorziet dit regele­ment. U merkt, ook toen al kregen de mensen met geld voorrang boven de minderbe­deelden.
In het regelement wordt gesproken over een biljet van aangifte van overlijden. Dat biljet luidde als volgt:
'Ick ondergeschreve verklaere bij desen, in gevolge van de Ordonnan­tie op't Middel van Begraven geémaneert (voortvloeiende uit), aenge­vinge te doen van 't Lijck van (naam) als gehoorende onder de classis van (klasse) guldens, om dien conform 't voorsz recht te voldoen. Gedaen (volgt datum)

Ontvangen bij mij, Secretaris van de bovengemelte, (volgt bedrag).

Huijden , den (datum)...
Nog meer instructies voor de koster/doodgraver.

In 1759 is er opnieuw een instrucie opgesteld voor de kos­ter/dood­graver.Uit deze instructie wordt duidelijk hoe veelomvattend zijn taak was en wat het werk hem aan inkomsten opleverde.


Artikel 1:

'De gravenmaker sal gehouden zijn pertinent register te houden van alle de leegersteeden die hij in de kerk om dooden in te leggen zal komen te openen, 't zij of de graven eenige parti­culieren of aan de Kerk toebehorende. Mits die zoo weijnig tijd open te laten staan als doenlijk is, ende de graven in't maken wel te beschoeijen (de zijkan­ten moesten worden gestut), dat die op zijde niet komen uijt te spatten, werden de diepte gereekent 3 diep - 5,5 voet; 2 diep - 4 voet en 1 diep - 2,5 voet, sullende op sondagen geen graven in de kerk mogen openen of open te laten leggen, nog ook geen dooden te mogen laten begraven dan alleen na de predica­tien.

Ook sal deselve geen lijken mogen laten begraven dan voor dat hem vertoont is een billiet waar bij komt te blijken dat het regt van begra­ven is voldaan geworden.
Artikel 2:

De gravenmaker zal ook gehouden zijn telkens wanneer een lijk in de kerk is begraven op den legger en onder dien nommer waar't selve is gelegt af te schrijven en aan te tekenen, wie en wanneer is begraven en dat tot hoe lange daar drie lijken in gelegt zijn als wanneer 't selve voor vol zal werden geree­kent en wanneer iemant sijn graven die vol sijn wil laten schoonma­ken, zal hij zulks gedaan hebbende, dat op de legger afschrijven en als dan weeder van vooren aan schrijven die daar in begraven werden. En soo vervolgens wanneer sulks gedaan wert.


Artikel 3:

De coster of graven,maker sal telkens als er gepredikt zal werden de kussens in de gestoeltens voor de predicatien moeten opschudden en de boecken behoorlijk op zijn plaats leggen en ook zorg dragen, dat geen derselve van de gestoeltens, 't sij op sondagen off in de week werden weggenoomen of door anderen gebruijkt.


Artikel 4:

Van gelijken sal deselve Coster gehouden sijn de stooven met vuur in de gestoeltens der Heeren en in de olij-pot te setten. Des sondaags twee maal daags en in de week dan, wanneer gepre­dikt wert, begin­nende met den eersten november en eijndigend met half april, en wat aanbelangt de stooven der vrouwen, die van den eersten september tot den laatsten april sondags 's morgens en 's namiddags met vuur zal moeten voorzien, ook in de week wanneer er gepredikt zal wer­den en des somers en in de voor of natijd van 't jaar, wanneer het kout is, meede een weijnig vuur daar in te doen, dogh warm sijnde, de koude stooven voor de stoelen te setten. Daar bij behooren ook de kaarssen op de kronen en op de gestoeltens, van den 1e novem­ber tot den 1e maart, in de week voor kerktijd des avonds op te steeken en verder in 't voor of najaar waneer 't donker begint te worden bij den predicant, voorzanger en daar het verder nodig sal bevonden werden kaarssen te plaatsen, als meede in de beijde portaalen in de lantaarns. En voor 't uijtgaan van de kerk in de week een kaars op een behoorlijke blaker bij't sacreti voor de diaconen om haare gegaar­de gelden te kunnen bergen, item des sondags wanneer 't onder de catechisatie begint donker te worden mede behoorlijk ligt aldaar te plaat­sen, als mede vuur in den stooven voor den predicant, ouder­ling diacon en voorzanger, en na gedaane predicatien of catege­satien 't ligt behoorlijk uijt te doen als meede al het vuur uit de stooven en daarme­de alle voorsigtigheijt te ge­bruijken.


Artikel 5:

Insgelijks sal deselve gehouden zijn ten allen tijden als het van nooden weesen sal en insonder­he­ijt na gedane predicatien de kerk schoon te veegen, als meede beijde de portalen en alle vuijle en onreijne plaat­sen, soo in de kerk, de portaalen als daar buijten, mitsga­ders de water­plaats en wat verder de kerk en straat voor de kerk aangaat na behooren te reijnigen, ook mede de kerkeka­mer en al wat tot de kerk is behoorende, item wanneer de kerk wert schoonge­maakt behoorlijk opsigt op de arbeijdsheden te houden, dat ordente­lijk komen te werken in welke gevallen hij daartoe van de Heeren kerkmeesteren werden gesalarieert.


Artikel 6:

De gravenmaker zal gehouden zijn, de graven, welke in de kerk op deze of gene plaats komen in te vallen op te breeken en deselve met sant weeder aan te vullen en regt te leggen soo als het behoort.


Artikel 7:

De gravenmaker zal de sarken of steenen, welke hij komt te ligten behoorlijk op rollen leggen, voorsigtiglijk daarmeede te werk gaan en voor so veel mogelijk is, sorge draagen dat die niet komt te breeken en die geenen welke gebrooken zijn, wanneer een graf komt te openen of digt te leggen de stukken bij de anderen te voegen.


Artikel 8:

De gravenmaker zal gehouden sijn de dooden, welke hij op het kerkhoff sal doen begraaven soo digt bij den anderen te voegen als mogelijk is, sullende de graven, wanneer eem lijk daarin is begraven ten eerste weeder digt gegooijt moeten werden, ten tweeden daar twee lijken op eenen dagh begraven werden en daar meede geplaatst moeten werden, in welk geval sulks sal mogen geschieden en dan weder digt gemaakt werden.

Ook sal den gravenmaker gehouden sijn 't kerkhoff van onkruijt behoorlijk cnap en schoon te houden.
Artikel 9:

De gebeente van de verstorvenen menschen sullen onder in 't graf begraven werden, ten waren eenige particulieren vinden 't selve anders ordonneeren die den gravenmaker daarinne ten diensten zal moeten staan ofte anders in het beenenhok.


Artikel 10:

De gravenmaker en Coster zal gehouden sijn om allen maanden op den eersten dagh na't expireeren van ijder maand volgens de ordon­nantien op 't Collateraal van 't trouwen en begraaven, aan de heer hoofdofficier in der tijd en ter secretarije deeser stad bezorgen een nette lijst van de dooden, soo in de kerk als op 't kerkhoff in de laatste maand begraaven, als meede aan den president weesmeester in der tijd volgens de ordonnan­tie van de weeskamer en sig informee­ren of diegeenen die bij hem begraven werden, kinderen komen na te laaten als wanneer hij agter de naamen van die persoon ofte perso­nen zal moeten stellen: kinderen.


Artikel 11.

De coster en gravenmaker sal ook gehouden en verpligt weesen de heeren kerkmeesteren wanneer die vergadert sijn, als mede den Kerkeraad, Diaconen en verdere Collegien die daar gewoon sijn te vergaderen altijd op te passen en te doen dat geenen hem door haar zal worden geordonneert als meede gedurende die vergaderingen altijd bij en aan de kerk te blijven.


Artikel 12:

De coster en gravenmaker zal hem ten opsigten der rang in het begraven als mede de onkosten van de leegersteeden voor de kerk soo van eijgen als kerken graven, soo in de kerk als op 't kerkhoff, mitsgaders 't loon van klokluijden moeten regu­leeren, naar de Resolu­tie bij de heeren burgemeesteren en vroed­schappen deeses stads genoomen op den 13 julij 1754, die aan hem, beneffens deesen zal werden ter hand gestelt en telkens wan­neer de klok moet worden geluijt onder het ter aarden bestel­len van een lijk de klokkeluijder behoorlijk waarschouwen.

En nadien in de voorgemelde resolutien niet en is geinsereert (vastge­legd) hoe veel den Coster en Gravenma­ker ten behoeven van de kerk boven sijn salaris dat hierna zal werden gereguleert: Voor en van een roef (7) op de kist, die van de kerk wert gestuurt, sal moeten eis­schen, soo wert bij de heeren burgemeesteren en kerkmeesteren daar toe gestelt een somma van ses stuijvers en oversulks het reglement en de Resolutien van 13 julij 1754 hiervoren genoemt daar meede geam­plieert(aangevuld).
Artikel 13:

De Coster sal alle Jaaren van die genen die in de olij-pot plaats genomen hebben of nogh neemen sullen, waarvan hij notitie sal houden, moeten vorderen, te weeten van Nieuwjaar tot Nieuwjaar een somma van vier guldens, soo nogthans dat diegenen die na Nieuwe Jaar inkoomen na maate van de tijd moeten voldoen en na Nieuwe jaar daaruijt gaande of komende te overlijden den vollen som moeten betaalen of door haare erfgenamen betaalt werden.


Artikel 14:

De coster sal ook voor stoovengelt van de vrouwen, te reeke­nen van Maij tot Maij, moeten vorderen een somme van twee guldens en welke gelden gelijk ook die van de olij-pot hij op zijn tijd van de respectieve luijden zal moeten ophaalen en insaam­elen en sulks aan de heeren Kerkmeesteren wanneer sij dat sullen regureren overhandi­gen, waar voor hij voor sijn moei­te sal werden toegevoegt van ijdere gulden twee stui­vers. (In de 17e eeuw heette deze verdienste de 40e penning)


Artikel 15:

De Coster en Gravenmaker sal ook alle vierendeels jaars, wanneer de heeren kerkmeesteren dat komen te requireren, moeten doen reke­ningh van sijn ontfangh van de Legersteeden, zo van eijgen als kerke graaven, mitsgaders van 't klokke­luijden en Roefgelden en na gedaan­e rekeninge onder quitantie die pennin­gen aan de heren kerkmeeste­ren overgeven, voor welke moeijten hij sal komen te genieten van ieder gulden een halve stuijver.


Artikel 16:

De Coster en gravenmaker sal voor tractement genieten een somma van twee en vijftig guldens 's jaars, mitsgaders vrij vuur en ligt, beusems, feijlen en huijshuur en daar boven soodanige emolu­menten als hier agter in een lijste sal werden ter needer gestelt. (Voor 1677 was het tractement f 21,-)


Artikel 17.

Voorts reserveeren de heeren burgemeesteren en kerkmeesteren aan haar de veranderinge, vermeerderinge ofte verminderinge deeser Instructie, zoo als sij te raaden sullen werden.


Aldus gedaan en gearresteert (vastgelegt) bij de heeren Burgemees­teren en kerkmeesteren voornoemd op den stadhuijsen deeser Stad present de Heeren Burgemeesteren de Leeuw, Cornelis Braar en Nicolaas Houtingh; Kerkmeesteren Dirk Minnen, Claas Kous en Mr. Arent van Sanen, desen 20 ocotber 1759'.
Dan volgt nog een 'lijste van salaris voor den coster en gravenmaker in de Gereformeerde kerk binnen de Stad Monnicken­dam":

- voor het ligten van de steenen, 't zij een sark, twee of drie steeen­en tot een vol graf behooren­de f 6,-

- voor 't ligten van twee steenen tot een kint f 4,-

- voor 't ligten van een steen f 2,-

- voor het maken van een graf, een, twee of drie diep f 2,-

- voor 't maken van een kerkegraf, een, twee of drie diepte sonder onderscheijd f 2,-

Dogh de kinderen die onder den arm of sonder baar gedragen wer­den, soo in den eijgen of in de kerk begraven werdende, sal deselve niet meer mogen vorderen dan 10 stuivers.

- Diegene welke op het kerkhoff begraven en op een baar gedra­gen werden, voor 't maken van een graf:

particulieren 18 stuivers, voor den armen 16 stuivers, en onder de arm 6 stuivers.

Voor de roef en het aan huijs brengen van de baar 6 stuivers.

Voor het schoonmaken van een graf, daar éen lijk in gevonden werd f 1,-, twee lijken f 2,- en drie lijken f 3,- ;van een kint 6 stuivers.
In de inkomsten- en uitgaven-boeken van de kerk, die bewaard zijn gebleven over de jaren 1627-1811, is genoteerd wat de coster voor al deze werkzaamhe­den aan inkomsten heeft ontvangen.



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina