1. Het dorp is ver. Hij fietst naar het dorp.



Dovnload 36.9 Kb.
Datum27.09.2016
Grootte36.9 Kb.
Correction de l’interro sur les adverbes pronominaux et le vocabulaire de discothèque

1e version
A. Remplace les mots soulignés par un pronom adéquat. /5
1. Het dorp is ver. Hij fietst naar het dorp. (relie au moyen d’un relatif)
- naartoe ou heen car déplacement et naartoe doit être séparé

- waar car relatif + rejet verbe


Het dorp waar hij naartoe / heen fietst, is ver.
2. Ik ben bang voor mijn zoon.
Ik ben bang voor hem (personne masc)
3. Door die hond werd hij achtergelopen.
- die – inversion

Daardoor werd hij achternagelopen.


4. Tot welke straf werd hij veroordeeld?
- question: waar

– tot devient toe

Waartoe werd hij veroordeeld?
5. Ik voegde niets aan het artikel toe.
- er car het

– toe est la part sép, donc ne change pas et reste en fin de prop


Ik voegde er niets aan toe.

B. Vertaal /10


1. N'en as-tu pas peur? /1
bang voor

en  er


V – S – er – C – 2e partie ?
 Ben je er niet bang voor ?
2. Il a jeté son mégot dedans. /1
dedans  er + in

S – V – er – C – in – pp


Hij heeft er zijn peuk in gegooid/geworpen.
3. Les infirmiers le portaient sur une civière dont il est tombé. /1.5
dont = tomber de la civière = van de draagberrie !! van  af quand mvt haut vers le bas

dont = relatif  waar + rejet verbe


De verplegers droegen hem op een draagberrie waaraf hij is gevallen / waar hij af is gevallen.

4. Je doute que ce soit le chien dont il se plaint. /2
je doute que : j’en doute si : ik twijfel eraan of + rejet

dont : se plaindre de = zich beklagen over / klagen over

dont = relatif  waar + rejet verbe

!! ne pas mélanger les propositions


Ik twijfel eraan of het de hond is waarover hij klaagt / hij zich beklaagt.

5. Qu'en penses-tu? /2
en = penser de  van + er
mot interrog - V – S – er – C – van – RV
Wat denk je ervan ?
Je suis convaincu qu'il l’aspergé avec.
je suis convaincue = j’en suis convaincu que

avec : avec qch  ermee

l’ : hem (si de masc), die (si de sans savoir le genre), het (si nom neutre)
S – V – er – C – 2e partie – RV // S – P – er – C – 2e partie – V - RV

Ik ben ervan overtuigd dat // hij hem/die/het ermee heeft gespoten.



6. Je n'en ai pas besoin. (en = le livre) /1
avoir besoin de : X iets nodig hebben. = je l’ai besoin ® Pas de préposition, mais pron

Ik heb het niet nodig.



7. J’en ai quatre. /0.5
Ik heb vier boeken  pas de préposition mais pron indét er

 Ik heb er vier.


8. Je ne suis pas d’accord avec çà ! /1
avec çà  daar + mee

akkoord = exception, se place après la 2e partie


Ik ga daar niet mee akkoord. ( !! 2 oo)

2e version
A. Remplace les mots soulignés par un pronom adéquat /5
1. Ik ken de auteur van de schade niet.

-de schade  er

-les compléments séparent
Ik ken er de auteur niet van.

2. Ik ga niet akkoord met die ideeën.
- die  daar

met  mee

- akkoord est une exception : se place après la 2e partie
Ik ga daar niet mee akkoord.

3. Ik ben heel trots op mijn zoon.
Ik ben heel trots op hem (personne masc)
4. De stad ligt ver. Hij komt uit de stad. (relie les 2 phrases au moyen d ‘un relatif)
relatif  waar + rejet verbe

van  vandaan car origine et doit être séparé


De stad waar hij vandaan komt, is ver.

5. Tot welke straf werd hij veroordeeld ?
- waar car question

- tot  toe


Waartoe werd hij veroordeeld?

B. Vertaal /10



1. La pastèque avec laquelle il l’a tuée, a survécu. /2.5
avec laquelle : relatif  waar + rejet
De watermeloen waarmee hij haar heeft gedood, heeft overleefd

2. Je suis convaincu qu’il l’a regardé. (l’ : le film) /1
Je suis convaincu que : j’en suis convaincu que

l’ : kijken naar  en ndls, waarnaar


Ik ben ervan overtuigd dat hij ernaar heeft gekeken.

3. C’est là-dedans qu’il a jeté son mégot. /1.5
là-dedans  daarin + inversion
Daarin heeft hij zijn peuk gegooid/geworpen.

Daar heeft hij zijn peuk in gegooid/geworpen.

4. Je n'en ai pas besoin. (en = les livres) /1
avoir besoin de : X iets nodig hebben. = je les ai besoin. ® Pas de préposition, mais pron classique.
Ik heb ze niet nodig.

5. Je doute qu’il y aille seul. /2
je doute que = j’en doute si… (+ rejet)

y = à la mer, naar zee  er naartoe/heen


Ik twijfel eraan OF hij er alleen naartoe/heen gaat.
6. De quoi est-elle accusée ? /1.5
être accusé de : passif présent  worden beschuldigd van

interrogation  waar


Waarvan wordt ze beschuldigd ?

7. J’en ai cinq.
J’ai 5 livres : vijf boeken  pas de préposition  pron indét ‘er’
Ik heb er vijf.


3e version
A. Remplace les mots soulignés par un pronom adéquat /5
1. Naar welke vakantie verlangt hij ?
question  waar

naar : pas de déplacement  reste naar


Waarnaar verlangt hij?

2. De straf is zwaar. Hij werd veroordeeld tot een straf. (relie les 2 phrases au moyen d‘un relatif)
relier deux phrases  relatif  waar + rejet verbe

tot  toe


De straf waartoe hij werd veroordeeld, is zwaar.

3. Ik begrijp niets van het verhaal.
van het verhaal  er
S – V – Er – C – prép
Ik begrijp er niets van

4. Ik ben niet bezig met dat werk.
dat  daar

met  mee

bezig = exception, comme akkoord : se met derrière la 2e partie
S – V – daar – C – 2e partie – bezig

Ik ben daar niet mee bezig.



5. Ik wacht op mijn tante.
Ik wacht op haar (personne fém)

B. Vertaal /10


1. Les infirmiers le portaient sur une civière dont il est tombé. /1.5

dont = tomber de la civière = van de draagberrie !! van  af quand mvt haut vers le bas

dont = relatif  waar + rejet verbe
De verplegers droegen hem op een draagberrie waaraf hij is gevallen / waar hij af is gevallen.

2. Connais-tu le film que j’ai regardé hier ? /1
que j’ai regardé = regarder un film  kijken naar ( = vers lequel j’ai regardé)

relatif  waar + naar + rejet verbe


Ken je de film waarnaar ik gisteren heb gekeken ?

3. Elle est accusée d’avoir tué son fils avec cà. /2.5
être accusé : passif présent  worden beschuldigd

accuser de + inf : en accuser de : ervan beschuldigen te


avec ça :  daar

met  mee


Z – V – er – C – van – RV // daar – C – mee – te + inf + pp

Ze wordt ervan beschuldigd daar haar zoon mee te hebben gedood.

gedood te hebben.
4. Il en a six. /0.5

Il a 6 livres : 6 boeken  pas de prépos  pron indét ER


Hij heeft er zes.

5. Elle a réussi à y aller quand même. /2
réussir : slagen in (zijn)

elle a réussi à + inf = elle y a réussi  ze is erin geslaagd + te inf


y = à la mer = naar zee  er naartoe/heen
S – V – er – C – in – RV // er – C – prép te inf

Ze is erin geslaagd // er toch naartoe/heen te gaan.


6. Qu’en penses-tu? /0.5
en = penser de  van + er
mot interrog - V – S – er – C – van – RV
Wat denk je ervan ?

7. Elle y a survécu. (y = la chute) /1
survivre à = X iets overleven : pas de préposition  pronom normal : Elle l’a survécu

la chute : de val  die


Ze heeft die overleefd.


8. De quoi parle-t-il? /1
parler de : spreken over

interrog waar


Waarover spreekt hij ?

Waar spreekt hij over ?



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina