1. Het fenomeen ‘religie’ Religie: een psychologische benadering



Dovnload 26.78 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte26.78 Kb.
1. Het fenomeen ‘religie’

1.1. Religie: een psychologische benadering
1.1.1 Een verband tussen godsdienst en muziek.
Heel wat moderne muzikanten maken gebruik van religieuze symbolen. Soms gaat het echter nog verder: oprechte gebeden op of voor het podium, gospells, een religieus imago, etc… Misschien kan dat fenomeen ons op het spoor zetten van de aard van religiositeit.

Muziek, maar ook vooral ritme en dans zijn al van voor de mens kon praten media bij uitstek om emoties te evoceren en door te geven. Vooral wanneer het gaat om diepere emoties die moeilijk te verwoorden zijn doet de mens nogal eens beroep op muziek. We kunnen gemakkelijk aannemen dat religiositeit met zulke moeilijk te verwoorden emoties te maken heeft. Het gaat immers hoofdzakelijk om een gevoel dat alle rationaliteit overstijgt. Dat wordt vooral in onze tijd en cultuur duidelijk. Een groot aantal mensen blijft hier immers religieus ondanks elk rationeel tegenargument. Zij blijven zitten met ‘het gevoel dat er iets meer is.’

Het feit dat religie te maken heeft met het vieren van uit een diepe dankbaarheid, een dankbaarheid om het feit dat we leven hebben ontvangen en het feit dat religiositeit te maken heeft met een fundamenteel vertrouwen in de rijkdom van het leven getuigen ervan dat religie te maken heeft met diep gewortelde emoties omtrent dat leven. Zulke fundamentele emoties zouden wel eens tevens de bron kunnen zijn van muziek van allerlei slag die mensen blijvend boeit. Misschien raakt dit soort muziek die snaar in de persoonlijkheid die bij sommigen ook de religiositeit doet opwellen.

1.1.2. Een verband tussen godsdienst en verdovende middelen.
Marx noemt religie ‘opium van het volk’, en dikwijls wordt en ‘religieuze ervaring’ vergeleken met ‘trippen’. Ook dit fenomeen kan ons misschien helpen religie te begrijpen, zij het vanuit de fundamentele verschillen die er zijn.

Verdovende middelen worden (commercieel) aangewend om in een roes te raken waar niets het gevoel van een soort eeuwige gelukzaligheid kan komen storen. In zekere zin streeft religiositeit iets gelijkaardigs na. Geloof als psychologisch proces is er op gericht een gevoel van evenwicht en harmonie te bewerkstelligen. Dat evenwicht moet echter ontspruiten vanuit een fundamenteel vertrouwen in het leven zelf (Men noemt het ‘het basisvertrouwen’). Dat wil zeggen dat men in een authentieke geloofshouding zijn gevoel van evenwicht put uit de confrontatie met de totale maar soms pijnlijke realiteit die de wereld is. Het probleem van religie is echter, en dat is ook wat C. Marx haar verwijt, dat ze, net als drugs, gebruikt kan worden als een vlucht om de realiteit juist niet onder ogen hoeven te zien of als een valse troost om het leven draaglijker te maken. Dit soort troost valt niet terug op het psychologische fenomeen van het basisvertrouwen. Het duikt juist op waar dit basisvertrouwen ondermijnd werd.


1.1.3. Basisvertrouwen.
Het basisvertrouwen is eigenlijk een intressant fenomeen in verband met de religiositeit. Geloof lijkt er een soort rationaliserend gevolg of een uitdrukking van te zijn. Het basisvertrouwen is een fundamenteel menselijk gevoel van geborgenheid dat waarschijnlijk gewekt wordt door de aandacht van de moeder voor de zuigeling. De basis ervan wordt duidelijk gelegd in de eerste maanden van het nieuwe menselijke leven. In de verdere ontwikkeling van de mens kan het worden bevestigd of ondermijnd, maar eens aanwezig is het uiterst weerbaar. Geloof is een uiting van vertrouwen in het leven. Religie is een verzameling verhalen, rituelen en symbolen die, als je ze allen optelt in de eerste plaats uitdrukken dat de gelovige een groot vertouwen in het leven heeft. De vraag is echter of de weerbaarheid in de regel vanuit de werkelijkheid wordt versterkt of dat daar eigenlijk helemaal geen aanleiding toe is.

In het menselijke bewustzijn kunnen we dan ook, samen met andere tendensen, een zekere tendens naar religiositeit vermoeden. Het gaat echter om niet veel meer dan een vermoeden. Het gaat bovendien zeker niet over meer dan een vage tendens naar religiositeit en zeker niet over een drang naar één of andere specifieke godsdienst. En tenslotte gaat het om een tendens die nooit zou doorbreken, moesten er niet bepaalde ervaringen bestaan die hem aanwakkeren, vooral als die ervaringen door de sociale omgeving als religieus bestempeld worden..


Dit alles wil echter niet zeggen dat eenieder tot geloof kan of zou moeten komen. Het is niet omdat je vertrouwen in het leven hebt dat je dit op de specifieke manier van aan hang van een of ander geloof moet uiten. Er is niets dat erop wijst dat een geloofshouding tot vollere menselijkheid zou kunnen leiden, hoewel de meeste religies inderdaad beweren of ten minste geloven dat ze hiertoe een aangewezen weg zijn. Mensen die geloven, voelen zich daar blijkbaar zo goed bij dat ze de indruk hebben dat de mensheid er beter aan toe zou zijn, moest iedereen even veel aanleg voor devotie hebben.


1.2. De religieuze ervaring: een mystieke benadering
Hier willen wij even stilstaan bij de ervaringen die de persoonlijke tendens naar religiositeit blijken aan te wakkeren. Het gaat om momenten van diepe verwondering, die ons dieper raken dan de alledaagse ontmoetingen en toevalligheden. Het zijn momenten waarop plots iets van het geheimvolle grootse mysterie van de werkelijkheid lijkt door te breken. We laten echter beter een wetenschapper aan het woord: E. Van Walcheren in Collationes 1975, nr. 3:
“Godsdienstpsychologen en -filosofen spreken hier van ‘diepteërvaring’, ‘transcendentie-ervaring’ en ‘religieuze ervaring’. Het zijn ervaringen waarbij men zich onverwacht betrokken weet op, of verbonden (religare) met die dimensie van de werkelijkheid waaraan we meestal zomaar voorbij gaan: het ‘sacrale’, het ‘numineuze’, het ‘absolute’, het ‘transcendente’ of het ‘heilige’. Het zijn topmomenten, geladen met een merkwaardig eenheidsbesef.

‘Religieuze ervaring’ is die ervaring waarin de mens stoot op het omvattende, bergende en tegelijk huiveringwekkende geheim van de werkelijkheid.

Religieuze ervaring is werkelijkheidservaring maar dan zo dat deze werkelijkheid een dubbele bodem vertoont. Doorheen de aanwijsbare dingen wordt iets transparant van een overstijgende werkelijkheid die niet grijpbaar is en toch onmiddellijk gegeven is.

Zo is eigenlijk niets religieus in zich, maar alles kan teken worden. Een bloem, een orkaan, de stille tonen van een lied, de ogen van een kind, het samenzijn met velen, geboorte, ontmoeting en dood, dat alles kan plots opengaan voor een dragend mysterie dat tegelijk vreemd is en waar men zich toch intens mee verbonden weet.



Er is méér in de werkelijkheid dan men kan overzien en hanteren en dat méér dat zich in sommige momenten ontsluit voor de mens die met heel zijn persoon, d.w.z. niet alleen met zijn intellect maar ook met zijn ‘hart’ ervoor open staat, sluit de belofte in van een vervulling, een overstijgen van alle gespletenheid, maar kan ook ervaren worden als iets dat ons ten diepste kan bedreigen en vernietigen. De confrontatie met dat heilige is fascinerend en vreeswekkend, zegt R. Otto. Deze dimensie van uiteindelijkheid kan in vele schakeringen en gestalten oplichten. Zij kan soms grillige vormen vertonen en demonische trekken aannemen. Zij kan zich uiten zowel in pure zuiverheid van mystieke stilte als in extatische dansen of cultische prostitutie. Op zich blijft de religieuze ervaring veelzinnig en confuus. Zij heeft nog iets vrijblijvends over zich. Zij sluit niet noodzakelijk een godserkenning in. Zij kan blijven bij een vaag gevoel van versmelting met het oneindige mysterie. Daarmee zijn we nog niet aan de geloofshouding toe.”

1.3. Wat is ‘godsdienst’ ?: een filosofisch-antropologische benadering
Om te beginnen is het misschien aangeraden het begrip ‘godsdienst’ te vervangen door ‘religie’. We willen immers alles omvatten dat bij de mensheid gegroeid is als antwoord op de ervaring van ‘het Heilige’. Het begrip ‘godsdienst’ beperkt ons teveel in die zin dat het ‘theïsme’ en zelfs ‘monotheïsme connoteert. Bovendien legt het sterk de nadruk op de cultische uitdrukking van de religie. Het woord sluit op die manier een goed begrip van, bijvoorbeeld, het Boeddhisme als religie uit.
Vervolgens zouden we eens een definitie onder de loep kunnen nemen. T.P. Van Baaren, de auteur van een belangrijke studie die de aard van het religieuze tracht bloot te leggen aan de hand van de vergelijking van een groot aantal definities, komt uiteindelijk zelf tot de volgende, uiterst brede en omstandige maar bruikbare omschrijving: ‘religie is een complex van voorstellingen, in de regel verbonden met gevoelens, die als regel een min of meer samenhangend systeem vormen betreffende mens en wereld en waarin een belangrijke functie is weggelegd voor één of meerdere wezens en/of machten die in mindere of meerdere mate anders zijn dan menselijke wezens, in de regel van een hogere kwaliteit, en aan welke als regel wordt gerefereerd ter verklaring van het ontstaan en het bestaan van de wereld en de mensheid en met betrekking tot het leven na de dood indien een dergelijk geloof bestaat. De wezens in welke wordt geloofd, worden geacht het heil en het onheil van de mensen individueel en collectief in mindere of meerdere mate in de hand te hebben. Het geloof in het bestaan van deze wezens en/of machten beïnvloedt het gedrag van degenen die daarin geloven. Om van godsdienst te kunnen spreken moet er tenslotte een minimum aan rituele vormen en aan institutionalisering aanwezig zijn.
Deze definitie biedt, door een overvloed aan schakeringen de mogelijkheid voor een groot aantal uitzonderingen op alle vlakken, maar ze slaagt erin ‘de menselijke betrokkenheid op het heilige’ veilig te stellen. En dat is uiteindelijk de essentie van de zaak. Onder dat ‘Heilige’ moeten we echter niet noodzakelijk iets persoonsmatig veronderstellen. Het gaat om wat P. Tillich definieert als ‘The ultimate concern’. Het gaat om de ‘ultieme zijnsgrond’ waaruit de gelovige zelf bestaat of ontstond of voortdurend ontstaat en het is tevens de ultieme realiteit waarop hij gericht is. Het is ‘het Absolute’, zowel objectief (het was er voor hemzelf en hij is eruit ontstaan) als subjectief (het is hetgeen hij zelf als doel voor zijn leven verkozen heeft). Het is ‘volkomen transcendent’ of 'het gans andere’.
Het is ondertussen wel duidelijk dat het Heilige, voor de gelovige, het begrippelijke overstijgt. Het kan voor hem dan ook maar gekend worden in de mate dat het zich openbaart. Dit grijpt plaats in wat men noemt de ‘hiërofanie’. Die hiërofanie kan wel beschreven worden. Maar dat is uiteindelijk het Heilige zelf niet. Het verwijst er alleen maar naar. Het Heilige zelf kan dan ook niet uitgedrukt of uitgezegd worden. Het kan slechts (door beelden, gebeurtenissen of symbolen) aangeduid worden. Er is wat men noemt ‘een oneindige discrepantie’ tussen God en het Godsbesef, de Godskennis of het Godsbeeld. Vele religies ontwerpen zelfs geen Godskennis omdat ze beseffen dat het Godsbesef alleen al weigert beperkt te worden door het cognitieve, juist omdat het geen intellectuele maar een totaal-menselijke ervaring is. (Een Indiaan beweerde ooit dat ‘de blanken teveel spreken, zelfs wanneer ze zingen’. Dit doet het besef doordringen dat het Godsbesef inderdaad even terecht moet kunnen worden uitgezongen, uitgedanst, uitgevierd of, zoals in het Boeddhisme, uitgezwegen, als uitgesproken.
De ingesteldheid op de werkelijkheid van de homo religiosus wordt, in principe, helemaal bepaald door zijn religiositeit (Het is misschien toch nodig hier op te merken dat de graad van bepaling waarschijnlijk toch wel sterk wordt beïnvloed door de graad van openheid voor de technologische beschaving. Dit wil zeggen dat de volgende beweringen sterker opgaan voor de ‘primitieve’ gelovige dan voor de vrijgevochten, moderne westerse gelovige.) Dit wil zeggen dat, over het algemeen, de godsdienstige ervaring van de mens identiek is met zijn existentiële ervaring. Hij weet zich deel van de kosmos, die het grote werk van de goden, en daarom de grote hiërofanie, is. Hij weet zich onderworpen aan de goede orde die krachten die hem ver te boven gaan hebben ingesteld. Zijn eigen leven is homoloog aan het leven van de kosmos. Hij is in zoverre hij in en van het zijn is dat zich in de kosmos openbaart. Zijn existentie is werkelijk en authentiek in zoverre zij een participatie is van de heilige realiteit. De orde van de kosmos, het plan van de goden zoals het zich aan hem openbaart in de levensnoodzakelijke orde van het universum, wordt de norm van zijn handelen: een zo getrouw mogelijk herhalen van het paradigmatische of prototypische handelen van de goden. De kosmische verschijnselen worden ervaren als de werkzame tegenwoordigheid van het Heilige in de kosmos, m.a.w. als hiërofanieën.
De existentiële nood van de religieuze mens is te leven in het Heilige, omdat het de werkelijkheid is, de wezensgrond, de zijnskrachtvolheid. Het zijn van het Heilige is voor de primitief zijn wijze van in de wereld zijn. Zijn menselijke existentie wordt geconditioneerd en geconstrueerd door zijn bovenmenselijk deelhebben aan het leven en de kosmos van de goden. Dat hij die kosmos van de goden deelt, wil hij ervaren. Hij wil af en toe een blik kunnen werpen in de werkelijkheid van het totaal andere. Vooral het voorkomen van het ongewone verleent hem die gelegenheid. Dat ongewone omringt zijn wereld. Zijn wereld rust als het ware in een andere wereld, een heilige wereld die zich aan hem openbaart omdat hij in deze wereld, en tijd en ruimte, in de zichtbaarheid of ervaarbaarheid treedt. Het is deze existentiële ervaring van de homo religiosus, in haar tijdelijke en ruimtelijke verschijningsvormen, binnen de perken van de concrete uitdrukkingsvormen, maar over het gamma van het totaal van de menselijke uitdrukkingsmogelijkheden verspreid, die de religie vormt en die men moet begrijpen en kunnen situeren t.o.v. de religieuze intentionaliteit van de gelovige, wil men in staat zijn haar op haar authenticiteit te beoordelen.
Kahlil Gibran, een Libanees-Amerikaanse dichter (1883-1931), laat in zijn boekje ‘De Profeet’ een jonge profeet, nadat hij ondervraagd is over de grote existentiële vragen: leven en dood, liefde en haat, lijden en geluk, enz..., de vraag beantwoorden wat de godsdienst moest inhouden. Hij antwoordde als volgt:
‘Heb ik deze dag over iets anders gesproken ?

Is godsdienst niet iedere daad en iedere bespiegeling, én dat wat geen daad noch bespiegeling is, maar een wonder en een verrassing die eeuwig in de ziel opborrelt, zelfs terwijl de handen de steen houwen of het weefgetouw bedienen ?

Wie kan zijn geloof scheiden van zijn daden of zijn mening van zijn bezigheid ?

Wie kan zijn uren voor zich uitspreiden, zeggende: “Dit uur voor God en dat voor mijzelf, dit voor mijn ziel en dat voor mijn lichaam ” ?

Al uw uren zijn vleugelen die door de ruimte zweven, van zelf naar zelf.

Hij die zijn zedelijkheid als zijn beste kleed draagt, zou beter naakt zijn.

De wind en de zon zullen geen gaten in zijn huid trekken.

En wie zijn gedrag bepalen laat door zijn zedenleer, zet zijn zangvogel in een kooi gevangen.

Het vrije lied komt niet door tralies en draden.

En voor wie aanbidding een venster is, dat geopend maar ook gesloten kan worden, hij heeft nog niet het huis zijner ziel bezocht, welks vensters van dageraad tot dageraad reiken.

Uw dagelijks leven is uw tempel en uw godsdienst.

Wanneer gij het binnentreedt, neem dan al wat ge hebt mede.

Neem de ploeg en het aambeeld, de hamer en de luit, en wat gij voor uw gebruik of voor uw genoegen gemaakt hebt.

Want in uw droom kunt ge niet uitstijgen boven uw verworvenheden, noch lager vallen dan uw mislukkingen.

En neem alle mensen mede: want in aanbidding kunt ge niet hoger vliegen dan hun verwachtingen, noch dieper verootmoedigen dan hun wanhoop.

En zo gij God wilt kennen, tracht dan geen raadselen op te lossen.

Ziet liever om u heen en gij zult hem zien spelen met uw kinderen.

En kijkt naar de hemel; gij zult hem zien wandelen in de wolk, zijn armen uitstrekkend in de bliksem en neerdalend in de regen.



Ge zult Hem zien glimlachen in de bloemen, en zijn handen zien oprijzen en wuiven in de bomen.’

1.4. Componenten van religies.
Door de universaliteit van de homo religiosus is niet alleen religie universeel maar zijn er ook een aantal componenten die in haast al die religies werden uitgebouwd. De ene component in de ene religie al iets meer dan een andere in dezelfde of een andere religie.
Grosso modo kunnen we vijf steeds terugkerende componenten onderscheiden. Het gaat om de existentiële component, dit is wat (volgens de gelovige) in de werkelijkheid of de ervaringswereld aanleiding geeft tot het geloof. Daarnaast is er een doctrinele component die de visie inhoudt op de mens, de wereld en het Heilige en hoe die drie zich tot elkaar verhouden. Het is deze component die al het doen en laten van de gelovige verantwoordt. Vervolgens is er de cultuele component die alles inhoudt wat aan cultus of uiterlijke handelingen en vertoon naar voor komt. Daarbij komt nog de morele component die een bepaalde moraal voorschrijft. En tenslotte is er ook meestal een institutionele component die inhoudt dat er zoiets als rollen en regels voorzien zijn en een hele organisatie die alles vlot doet draaien.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina