1 het moderne wereldbeeld



Dovnload 152.33 Kb.
Pagina1/8
Datum20.08.2016
Grootte152.33 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8


Ik geloof in God de Schepper


Volgens leerplan PEGO derde graad,

Scheppen en Herscheppen

samenstelling: Jart Voortman

1 het moderne wereldbeeld



afzettingsgesteente in de buurt van Alpe d’Huez





* bijgaande foto toont een

geplooide rotsformatie;

dergelijke structuren

vinden wij overal in de

wereld;

hoe zijn die structuren

volgens jou ontstaan?



* Hieronder zie je een man die in een verticaal rotsmassief sporen aanwijst.

Verklaar deze foto

* in het schema op de volgende pagina wordt de geologische kolom weergegeven.

Diep onder de grond vinden wij lagen met afzettingsgesteenten, waarin we

fossielen kunnen vinden. Met kleine variaties blijkt dat overal in de wereld in

dezelfde volgorde fossielen worden gevonden. Wat voor verklaring heb jij

daarvoor?

Het is niet eenvoudig om in een paar bladzijden een samenvatting te geven van de resultaten van 200 jaar wetenschappelijk onderzoek. Toch zullen we het proberen In het begin van de 19e eeuw waren er al velen die op grond van erosie vaststelden dat er tijdperken van miljoenen jaren nodig geweest moeten zijn om diepe rivierbeddingen te laten ontstaan.

Men ontdekte dat in zulke uitgesleten dalen ook afzettingsgesteente zichtbaar werd. In afzettingsgesteente werden fossielen gevonden en toen men dit systematisch ging onderzoeken ontdekte men dat er een bepaalde volgorde was in wat we nu de geologische kolom noemen. In de diepere aardlagen was er sprake van een ander biotoop (een samenstelling van dieren en planten) dan in de hogere aardlagen. Dit betekent dat het leven op aarde in andere tijdperken heel anders is geweest. De mens komt pas in de bovenste lagen van de geologische kolom naar voren. Er zijn tijden geweest dat de dynosauriërs de dominerende diersoort waren op aarde. Kleine zoogdieren waren er toen nog niet.

Voor het tijdperk van de dynosauriërs was er lange tijd alleen maar leven in zee. Op aarde was er niets.
Er werden in het begin van de 19e eeuw nog andere ontdekkingen gedaan.

De Zwitser Louis Agassiz maakte veel tochten in de Alpen en constateerde dat dezelfde structuren die gletsjers veroorzaken ook elders in Europa vastgesteld konden worden. Hij was de eerste die sprak over ijstijden. Dit paste niet in het denken van die tijd, dat algemeen uitging van het bestaan van een wereldwijde zondvloed. Agassiz wist echter velen te overtuigen, omdat hij op verkenningstochten kon voorspellen waar restanten van morenes zouden moeten zijn. Het zou nog lang duren voordat er een verklaring zou komen voor het bestaan van ijstijden. Milankovic dacht in 1920 aan een verklaring vanuit de stand van de aardas ten opzichte van de zon en de wisseling van de ellipsvormige baan van de aarde om de zon. Zo kwam hij tot drie verschillende cycli. Hij zei: ‘history will prove I’m right’ en hij kreeg gelijk. Meer dan 50 jaar later kwamen de eerste onderzoeksgegevens binnen over veranderingen in het klimaat. IJsboringen, diepzeeboringen, koraalriffen, afzettingen langs rivieren, verandering van het biotoop in opeenvolgende aardlagen. Ze leveren allemaal dezelfde grafieken op. Milankovic kreeg inderdaad gelijk.




Tijdens zijn reis met de Beagle ontdekte Charles Darwin dat er verschillende soorten vinken waren op de Galapa-

gos eilanden. Pas toen hij terug was in Engeland begon het

voor hem te dagen dat het waarschijnlijk te maken had met

het verschil in voedsel dat die vogels konden eten.

Bovendien stelde hij vast dat er een structurele overeenkomst is in de anatomie van gewervelde dieren. Darwin zocht naar een samenhangende theorie en die



ontleende hij aan Maltus. Jarenlang was Darwin in stilte bezig met dit onderwerp totdat hij ontdekte dat een ander, Wallace, bezig was dezelfde theorie van de evolutie der soorten te ontwikkelen. Toen schreef hij in een korte tijd zijn boek The origin of species.

Dit boek sloeg in als een bom en zorgde voor veel controverse, omdat men algemeen ervan uit ging dat God de wereld en al de dieren afzonderlijk had geschapen. Darwin hield zich in deze discussie afzijdig. Hij had een hekel aan conflicten en ging gewoon verder met zijn vele onderzoekingen.


In de jaren twintig van de vorige eeuw ontdekte Wegener dat er een grote overeenkomst is tussen de gesteenten en de fossielen tussen Latijns Amerika en Afrika. Zo kwam hij tot de theorie van de schuivende continenten. Het probleem was echter dat hij geen goede verklaring kon vinden, door welke krachten die verschuiving wordt veroorzaakt. Daarom werd hij door weinigen serieus genomen.

Er kwam een doorbraak toen Harry Hess in 1962 voor het eerst vaststelde dat in het midden van de Atlantische Oceaan nieuwe aarde vanuit de bodem wordt gevormd en aan weerzijden de aardkorst opzij wordt geschoven.

Door de meting van het magnetisme per aardlaag, kon men later tot een samenhangende theorie komen over de beweging van de aardkorst in het verleden.. Men stelde vast dat 400 miljoen jaar geleden de Sahara tegen de Zuidpool moet hebben gelegen. Het was spectaculair dat vrij kort daarop een oliemaatschappij ontdekte dat er in een diepe aardlaag van de Sahara gletsjerpoorten waren.

Door onderzoek weten we nu dat het Himalaya-gebergte is ontstaan door de botsing van India (dat oorspronkelijk tegen Zuidelijk Afrika lag) tegen het aziatische continent.

Er is verder nog steeds verwantschap tussen het biotoop van Australië, India, Zuidelijk Afrika en Latijns Amerika. Buideldieren vindt men bijvoorbeeld in Australië en Latijns Amerika.
Het inzicht in de kosmos heeft ook een ontwikkeling doorgemaakt.

In de jaren twintig van de vorige eeuw bestudeerde Edwin Hubble de Andromedanevel door een gloednieuwe telescoop. Hij ontdekte dat er in die nevel sterren waren en concludeerde dat het om een sterrenstelsel ging. Later ontdekte hij dat andere sterrenstelsels zich van ons af bewegen. Dit baseerde hij op de roodverschuiving van het licht.

De Belgische priester Georges Lemaître werkte dit idee verder uit en zo kwam men tot de theorie van de oerknal (de term oerknal werd oorspronkelijk gebruikt als spotnaam).

De oerknaltheorie werd bevestigd door de ontdekking in 1964 van de achtergrondstraling in het heelal. Arno Penzias en Robert Wilson deden deze ontdekking, die overeenkwam met eerdere voorspellingen vanuit de oerknaltheorie. Verder bleek deze achtergrondstra­ling overeen te komen met de samenstelling van stoffen, die volgens de oerknaltheorie werd verondersteld (75% H en 24% He).





De grote hoornantenne in New

Jersey, waarmee de

achtergrondstraling werd ontdekt

De laatste 25 jaar is er veel in de astronomie in beweging.

Er blijken grote gaten te zijn in de kosmos en eveneens grote opeenhopingen van sterrenstelsels (superclusters).

Slechts 4% van de materie in de kosmos is zichtbaar.

Bij een groot deel van de donkere materie hebben we geen benul van de samenstelling.

De astronomie is een wetenschap die enorme ontwikkelingen

doormaakt sinds de beschikbaarheid van supertelescopen aan het

einde van de jaren negentig. Je kunt het een beetje vergelijken met de 16e eeuw toen men de wereld in kaart begon te brengen. Er zijn alleen te weinig astronomen om de waarne­mingen te analyseren en er zijn nog veel onopgeloste problemen in de theorieën over de ontwikke­ling van de kosmos.
E

Uraneum heeft een grote halveringstijd. Toch is het

mogelijk om door het tellen van de splijtingssporen

tot een exacte datering te komen
en belangrijke kwestie is hoe men nu de ouderdom van aardlagen bepaalt.

Na de tweede wereldoorlog kwam er een exacte methode. Bepaalde stoffen zijn radioactief en breken na verloop van tijd af tot andere stoffen. We spreken van de halveringstijd als er nog maar de helft van de oorspronkelijke stof over is. Voor C14 is dat 5000 jaar. Voor Kalium-Argon is dat 1,2 miljard jaar en voor Ur 238 is 1014 jaar.

Door de C14 methode kon men bijvoorbeeld aantonen dat de lijkwade van Turijn een vervalsing is.

Naast de radiometrische methoden zijn er nog andere methoden waardoor wij tot ver terug in de tijd kunnen kijken.

Door systematische bestudering van jaarringen van bomen kan men tot een ouderdomsbepaling komen (dendrochronologie).

Boormonsters van de Zuidpool en in Groenland gaan tot respectievelijk 100.000 en 700.000 jaar terug.

Men doet onderzoek naar het klimaat in het verleden door afzettingen te bestuderen op de zeebodem. De hoeveelheid CO2 is namelijk een indicatie voor de gemiddelde temperatuur van de aarde. Deze CO2 komt via de lucht ook in het zeewater terecht en verandert daarmee de zuurgraad, en dat vertaalt zich weer in kalkafzettingen.

De bestudering van koraalriffen zorgde voor een doorbraak op het vlak van het onderzoek naar ijstijden. Het niveau van Koraalriffen is een betrouwbare indicator voor de periode van de ijstijden.

In het verleden hebben er rampen plaatsgevonden waar wij ons geen voorstelling van kunnen maken. Vijf maal zijn er periodes geweest van massaal uitsterven: 250 miljoen jaar geleden mogelijk door vulkaanuitbarstingen in Siberië en 65 miljoen jaar geleden door de inslag van een meteoriet in het caraibisch gebied. In deze periode zijn de dynosauriers uitgestorven en zijn de zoogdieren opgekomen. Een interessant bewijs voor deze theorie is dat op 200 plaatsen in de wereld in dezelfde aardlaag sporen van Iridium zijn gevonden, een stof die hier op aarde eigenlijk niet voorkomt...

V


anuit de evolutiegedachte zou de mens nooit op aarde hebben komen als de dynosauriërs niet waren uitgestorven. Daarom noemt de paleontoloog Steven Gould de mens ‘een schitterend ongeluk’.

het moderne wereldbeeld

oerknal 14 miljard jaar

kosmos

zonnestelsel 4 miljard jaar



aarde 4 miljard jaar

bacteriën en schimmels 3,5 miljard jaar

kreeften spinnen 530 miljoen jaar

vissen 400 miljoen jaar

insecten, amfibieën 350 miljoen jaar

reptielen 300 miljoen jaar

dinosauriërs 250 miljoen jaar

zoogdieren 200 miljoen jaar

vogels 160 miljoen jaar

bloemen 140 miljoen jaar

de mensachtigen 3 miljoen jaar





  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina