1. Het open raam



Dovnload 51.65 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte51.65 Kb.




1. Het open raam

(2 Kor.7:1-7)


In 2 Korinthe 7 worden angstige gevoelens geuit. Maar dat is gelukkig niet het enige. Dit hoofdstuk ademt ook een sfeer van grote opluchting.

Het is hier als met een vogel die door een donkere schoorsteen is gevallen en in een huiskamer is terechtgekomen. Het dier vliegt heen en weer. Het zoekt het vrije luchtruim. Het botst tegen de ruiten aan, totdat het tenslotte dodelijk vermoeid neerstrijkt op een vensterbank. En dan... is daar iemand die het raam openschuift, zodat het dier zonder enige moeite eruit kan, de vrijheid in.


Blij en opgelucht schrijft de apostel Paulus zijn tweede brief aan de gemeente van Korinthe. Hij heeft zich grote zorgen gemaakt over het welzijn van die gemeente. Maar Gode zij dank, er is een keer ten goede gekomen. Paulus is blij als een kind.
In grote zorg
In zijn eerste brief aan de gemeente heeft hij Korinthe enige tijd tevoren ernstig moeten vermanen. Op vele punten dreigde men daar van de apostolische leer te vervreemden. Kort gezegd: men koesterde hier een wijsheidsideaal dat op Griekse leest was geschoeid en dat zich niet wenste te oriënteren op de 'dwaasheid van het kruis'. Daarnaast heerste er in Korinthe een geest van extatische uitbundigheid, een overgeestelijk bezig-zijn met de gaven van de Geest. En dat bleek ook zomaar opeens om te kunnen slaan in grote losbandigheid. 1.

2 Kor.2:4vv


Intussen waren daar ook dwaalgeesten binnengedrongen die de gemeente op sleeptouw hadden genomen. 2. Paulus' bediening als gezant van Christus werd zwaar ter discussie gesteld. Ja, de gemeente als geheel dreigde verloren te gaan.

Redenen te over voor Paulus om zich zorgen te maken. Vandaar dat hij - wellicht nadat hij zich in een kort bezoek op de hoogte heeft gesteld en een grote consternatie in de gemeente heeft aangetroffen - weer een brief schrijft. Een 'tranenbrief'. Hij schrijft daarover in 2 Korinthe 2:4vv. Een brief waarin de gemeente op de man af en hartstochtelijk wordt teruggeroepen van haar dwaalweg. 3.


Het is Titus, één van Paulus' medewerkers die met die tranen- brief naar Korinthe is gegaan om te bemiddelen; nadat Timótheüs daar al eerder zonder resultaat orde op zaken heeft pogen te stellen. Hoe zal dat nu met Titus aflopen? De apostel zit er werkelijk over in. Hij zit in grote spanning.

En welk een intense blijdschap is er dan tenslotte in zijn hart, wanneer hij na lang wachten Titus ontmoet. Dat is in Macedónië. Titus brengt een blijde tijding mee! Opgelucht mag hij Paulus vertellen, dat er een wonderlijke ommekeer in Korinthe is gekomen. De gemeente is als geheel gelukkig weer achter Paulus gaan staan. Ze is teruggekeerd van haar dwaalweg.


Daar wordt de apostel dan zo klein onder, dat hij het niet laten kan meteen weer een brief te schrijven, waarin hij zijn grote vreugde uitspreekt over Korinthe's bekering. En dat is dan de zogenaamde tweede Korinthebrief.



2 Kor.2:12v; 7:7vv; 12:18vv


Daardoorheen loopt de zijden draad van Paulus' grote zorg omtrent het geestelijk welzijn van Korinthe. Hij schrijft over de vreugdevolle ontmoeting met Titus en zijn goed getuigenis met betrekking tot de ommekeer in Korinthe ten gunste van de apostel en zijn bediening. Verder is Paulus' brief vol van een blijvend verantwoordelijkheidsbesef als apostel tegenover Korinthe. Er is stilte na de storm. Maar tegelijk zijn er blijkbaar ook nieuwe onweerswolken.
Vandaar dat de tweede brief van Paulus aan Korinthe ook goed een apologie (verdedigingsrede) genoemd kan worden. Paulus is hierin bezig om een goed woord te doen voor de boodschap die Hem van Christus' wege is toebetrouwd: de bediening der verzoening. Dat is de staaldraad die door de gehele brief heenloopt. Paulus maakt van de gelegenheid gebruik om nog eens uitvoerig over de eigenlijke bedoeling van zijn apostelschap als bediening der verzoening te schrijven.
Zo vooral ook in de perikoop 2 Korinthe 2:14 tot 2 Korinthe 7:4. 4. Over de laatste verzen van dit gedeelte gaat het nu eerst. Straks - bij de behandeling van de verzen 5vv - pakken we de draad weer op van Korinthe's bekering en Titus' verhaal daarover.
Heiligmaking in de vreze Gods
Eerst dan nu een ogenblik over de boodschap van de apostel waarvoor in deze brief - ter wille van de zaligheid van de Korinthiërs en ook van ons - zo'n vurig pleidooi wordt gevoerd.

2 Kor.6:11vv


Zojuist heeft Paulus het de gemeente nog eens onomwonden gezegd, welke de consequenties zijn van de apostolische prediking. Geheel in de lijn van wat hij in zijn eerste brief aan Korinthe schreef. Een oproep om zich te onderscheiden van de geest van de wereld, gebaseerd op het heerlijke geheimenis van de inwoning van de beloofde Geest in de gemeente. God wil onze God zijn. Zouden wij dan niet Zijn heilig volk willen wezen: dicht bij Hem; ver van alle onreinheid?

2 Petr.1:4; 1 Joh.3:3


Daar wij dan deze beloften 5. hebben, geliefden, laat ons onszelf reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods (vs.1). Hoe vriendelijk en vertrouwelijk klinkt dat: geliefden. Bemind door God, bemind door Zijn gezant. 6.
Ontvangers van rijke beloften waarin Hij ons toezegt onder ons te willen wonen. Maar wanneer wij op die beloften gelovig staat willen maken, houdt dat wel in, dat wij ons ook gereinigd hebben (verleden tijd 7.) van de zonde. Daarop mag alle nadruk vallen. Geloven zonder bekering stelt niets voor. Geloven is ook: eens en voorgoed breken met alle bevlekking 8. van het vlees en van de geest. Zijn deze beide niet door de zondeval besmeurd?
'De heiligheid des Heeren.' Dat stond ooit geschreven op de hoed van de hogepriester onder oud-Israel (Ex.28:36; 39:30). Zo dient het ook te zijn met Gods priesterlijke gemeente. Elke vorm van bezoedeling, zowel van het vlees als van de geest, zij daarom van haar geweerd; bezoedeling door zich af te geven met meerdere vrouwen of mannen, maar ook al die zogenaamde kleine zonden die voor God niet verborgen blijven: de innerlijke besmetting met vuile gedachten, met een zondig spelen met hartstochten van sex en geld, van trots en zelfzucht. 9.
Reinigt u van die bezoedeling van de zonde - uiterlijk en innerlijk - door de wassing met het bloed van Christus en door de reiniging van Zijn Geest. Wie mag weten, dat Gods Geest in hem woont, moet tegen dat alles strijden. Heiligmaking. 'Weest heilig, want Ik ben heilig.'
Heiligmaking; ze is een doorlopende zaak. Men komt er nooit mee klaar. Het is een proces. Paulus schrijft: voleindigende. Stel dit ten doel. Neem erin toe. Het gaat hier derhalve om een constante zuiveringsactie zonder dat we in dit leven ooit tot een staat van zondeloosheid zullen komen.
Hebr.6:11; 1 Petr.1:17vv; 1 Joh.2:28

Maar hoe zullen wij dan wel de heiligmaking kunnen voleindi- gen? Hoe anders dan in de vreze Gods! Het is dat diepe ontzag voor de majesteit van de dienenswaardige God Die ons gedurig prikkelt tot heiligmaking. J.Calvijn schrijft in zijn commentaar op deze plaats: 'De natuur der beloften is, dat zij ons tot heiligheid roepen.' Hij noemt dit een 'stilzwijgende eis des verbonds'. 10.


Matth.5:48; 2 Kor.6:1

Heilig de Heere. Gaaf en toegewijd als het gave offerlam dat Israel de Heere in de tempel moest brengen. In die zin riep Jezus op om 'volmaakt', dat is de Heere van harte toegewijd te dienen. Laat het uit onze dagelijkse handel en wandel blijken, dat wij de genade van God niet tevergeefs ontvangen hebben.


Geef mij de ruimte
2 Kor.7:1 bevat de slotwoorden van Paulus' dringend appèl op het geweten van de Korinthiërs. Daarvoor mag alle begrip zijn in Korinthe.

En in de verzen 2 tot 4 vraagt Paulus dan nog weer eens nadrukkelijk om hem als zodanig - dat is: in zijn apostolische bediening - te aanvaarden. Mag het? Hij heeft immers nooit iets anders op het oog gehad dan hun heil.



2 Kor.6:12


Geeft ons plaats; wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht (vs.2). Een dienaar van het Woord kan zich niet zomaar laten afschrijven. Hij behoeft niet tot erevoorzitter benoemd te worden. Maar hij mag wel een ruime plaats innemen in de harten, ook en juist als hij de mensen oproept tot bekering. 11.

Hand.20:33


Met de hand op zijn hart kan Paulus getuigen, dat hij niemand in Korinthe onrechtmatig heeft behandeld, b.v. door autoritair optreden, dat hij niemands ondergang heeft gezocht, b.v. door hem in zijn onderwijs op een dwaalspoor te brengen en dat hij bij niemand zijn voordeel heeft gehaald door zich dik te laten betalen voor zijn werk; hij heeft 'niemands zilver of goud of kleding begeerd.' 12.

1 Kor.5


Is hij dan soms als boosdoener in Korinthe opgetreden? Laster in één woord. Misschien is Paulus wel als een hardvochtig mens betiteld door zijn tegenstanders. Toen hij bijvoorbeeld een gemeentelid die het met zijn stiefmoeder hield, aan de satan overgaf. Maar had hij ook daarin tenslotte niet het heil van de zondaar op het oog? Laster is een groot kwaad.

2 Kor.6:11vv


Schrijft de apostel dit dan allemaal, omdat hij Korinthe wat voor de voeten wil werpen? Heeft hij soms een negatief beeld van de gemeente? Nee, ik zeg dit niet tot uw veroordeling; want ik heb te voren gezegd, dat gij in onze harten zijt, om samen te sterven en samen te leven (vs.3). 13. Paulus schrijft Korinthe echt niet af. Dat heeft hij reeds eerder gezegd. Hij werpt de gemeente niets voor de voeten. Zoals mensen dat onder elkaar soms doen, wanneer zij als ware rechercheurs steeds de zwakke kanten van de ander opzoeken en hun dagelijks de grootste verwijten maken. Alsof zij die ander zo ooit voor zich konden inwinnen.

2 Kor.3:2; Fil.1:7


Paulus doet zo niet. Integendeel, hij schrijft vanuit de hartelijkste verbondenheid aan Korinthe. Hij weet zich met de gemeente verbonden in sterven - dat gaat voorop - en in leven. Dat is meer dan een vrome wens. Hier de taal van iemand die zijn beminde zo liefheeft, dat hij het met haar uithoudt tot in de dood en ook in de erbarmelijkste omstandigheden van het leven.
Paulus legt hier al de gevoelens van zijn hart bloot. Hij schrijft: ik heb vele vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roem over u; ik ben vervuld met vertroosting; ik

ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking (vs. 4). Dat is een complete liefdesverklaring. Daar kan Korinthe het mee doen.

2 Kor.7:14; 9:2


Vers 4 van 2 Korinthe 7 zou ik willen noemen: één van de meest lyrische uitingen van een apostel, 'himmelhoch jauchzend'. Paulus was 'zum Tode betrübt' geweest, toen hij vernam, dat men zich in Korinthe op sleeptouw had laten nemen door dwaalgeesten. Maar hij had zijn vertrouwen in de gemeente niet verloren. En nu hij van zijn metgezel Titus gehoord had, dat de gemeente van Korinthe weer op haar plaats was gekomen, maakte hem dat zielsblij. Hij was - Gode zij dank - niet beschaamd in zijn vertrouwen. 14.

2 Kor.8:24


Zo kan hij dan ook een goed boekje over de gemeente opendoen. Hij roemt Korinthe. Dat zal hij ook gedaan hebben bij Titus: 'Ziet u wel, broeder, dat de Heere voor Zijn eigen werk instaat?' Roemen over de gemeente. Dat is wat anders dan stoffen op kwaliteiten en capaciteiten van mensen, in de zin van: 'In Korinthe wonen er toch zulke aardige en lieve mensen.' Paulus roemt, maar hij doet dat in de Heere.
De Heer' is zo getrouw, als sterk;

Hij zal Zijn werk

Voor mij volenden. (Ps.138:4 ber.)

Filem.:7


De apostel geeft ons hier een voorbeeld van wat 'de kracht van het positieve denken' heet. Helaas, hoe vaak komen wij vandaag het tegenovergestelde tegen bij voorgangers van de gemeente. Ze schetsen bij voorkeur een negatief beeld van hun gemeente. En daar hebben zij dan meestal wel enige reden toe. Want hoeveel gemeenten berokkenen hun leidsman leed door genadeloze kritiek en onbarmhartige oordelen, zodat zij wel jammeren kunnen:
Gij liet door heerszucht ons vertreden;

Gij gaaft ons over aan 't geweld. (Ps.66:5 ber.)


En dan toch... Dan toch zo'n gemeente niet zwart maken door er negatieve verhalen over te vertellen. En dan toch die gemeente blijven zien bij hoger licht en vertrouwen, dat Gods Woord dat wij mogen verkondigen, niet vruchteloos zal blijven. En dan toch die gemeente blijven liefhebben en voor haar blijven worstelen aan de troon van Gods genade.
De apostel Paulus schrijft met het oog op de gemeente van Korinthe, dat hij vol is van troost en overstelpt van dank en blijdschap in al zijn verdrukking. 15. Dat legt hij dan verder uit in de volgende verzen die in onlosmakelijke samenhang hiermee gelezen zullen worden.
Zo blij als een kind.
Zo blij als een kind. Zo moet Paulus zich gevoeld hebben,toen hij Titus in Macedónië ontmoette en van hem hoorde, hoezeer alles in Korinthe ten goede was gekeerd. In één woord: bevrijd uit een grote innerlijke benauwdheid. Wat het laatste voor hem betekende, legt hij nog eens uit in vers 5.

2 Kor.2:12v; 4:8


Zoals gezegd, de apostel pakt hier de draad van zijn bericht over de ontmoeting met Titus weer op. Hij schrijft: Want ook, toen wij in Macedónië gekomen zijn (d.i. toen wij in Macedónië gekomen waren), zo heeft ons vlees geen rust gehad; maar wij waren in alles verdrukt; van buiten was strijd, van binnen vrees (vs.5). Ziedaar het relaas van een man van God die in grote spanning zit over de voortgang van Gods werk in de gemeente. In 2 Kor.2:12 schreef hij, dat zijn geest overhoop was, hier, dat zijn vlees, dat is hij zelf in zijn lichamelijk bestaan, geen rust had.
Paulus had rust noch duur. Strijd van buiten, wellicht omdat hij in Macedónië met tegenstanders te maken had. Vrees van binnen 16., niet - zo vermoeden wij - omdat Paulus inzat over lijfsbehoud en ook niet direct - zoals sommige verklaarders veronderstellen - omdat hij zijn hart vasthield over de veiligheid van Titus, maar hoofdzakelijk om de geestelijke welstand van de gemeente van Korinthe. J.Calvijn (a.w., blz. 371) schrijft: 'De dienstknechten van God worden gedwongen vele zwarigheden op te eten om de vrede der gemeenten te bevorderen.'
Na dit verslag echter omtrent Paulus' gevoelens van onrust, strijd en vrees komt de geweldige wending. Doch God, Die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door de komst van

Titus (vs.6). Letten we er vooral op, dat en hoe de apostel de omslag van zijn innerlijke gesteldheid toeschrijft aan God.

Hij is, wat men noemt, depressief geweest (vs.5). Maar dat niet slechts in psychologische zin. Hij voelde zich voor God een verslagene van geest. Kennelijk ervoer hij in die neerslachtigheid ook de drukkende hand van God. 17.


Jes.49:13 (LXX)

Maar dan moet hij hier toch opeens denken aan wat God naar het oud profetisch woord met zulke nederigen doet. Jesaja zei het eens: 'Want de Heere heeft Zijn volk vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.'


God geeft de nederigen genade. God heeft Paulus' 'weeklacht en geschrei veranderd in een blijde rei' (Ps.30:8 ber.). Het is als het ware Pasen geworden in zijn binnenste, door Goddelijke bijstand.
Leren we hieruit, hoe wij ons in al onze depressies hebben te vernederen voor God. Maar leren we hieruit ook vooral om er Gods hand in te zien, als onze neerslachtigheid mag omslaan in blijde opgeruimdheid. Hoe vaak nemen wij in depressieve tijden onze toevlucht tot sociaal-psychologische hulpverlening. 't Is goed. Maar niet goed is het, als wij het toeschrijven aan onze eigen heroïsche innerlijke verwerking van het leed, wanneer we uit 's levens dalen weer omhoog klauteren. Laat ons toch in zulke gevallen met de apostel zeggen: God Die de nederigen vertroost, heeft ons vertroost.

2 Kor.1:3vv


Het mag ons wel opvallen, dat het woord 'troost' (de bijstand van God) door heel de tweede brief van Korinthe heen geweven is. Die brief is werkelijk in de goede zin van het woord 'een opbeurende brief'.

Hand.28:15


Daarnaast is er nog iets dat ons niet dient te ontgaan. In welke weg heeft God Zijn apostel vertroost? In dit geval door Titus. God werkt middellijk. Hij kan ons uit onze mistroostigheid verlossen door een belofte op ons hart te drukken, ook al liegen alle feiten erom. Maar niet zelden legt Hij ook Zijn arm om onze schouder door ons een ontmoeting te gunnen met iemand die ons komt opvrolijken met een goede tijding.
Hoe goed doet het dan ook een dienaar van God, als hij hoort van de voortgang van het werk des Heeren in de gemeente of op het zendingsterrein. In het werk in Gods wijngaard wordt men weleens moedeloos. Maar op Gods tijd scheppen wij toch ook moed, wanneer wij horen van het behoud van velen. Daar knappen we van op. Echt, de zaak van God gaat niet failliet.

Vgl. 1 Thess.3:6vv


Zo vergaat het ook Paulus. In Macedonië komt Titus tot hem met groot nieuws uit Korinthe. In vers 7 laat de apostel ons dan weten wat Titus hem bericht. En niet alleen door zijn komst, maar ook door de vertroosting waarmee hij over u vertroost is geweest, toen hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uw ijver voor mij; alzo dat ik te meer verblijd ben geweest.
Paulus is Titus om de hals gevallen. Geloof dat maar. 'Wat ben ik blij je weer te zien.' Maar nog meer is hij verblijd geworden om wat Titus hem kon vertellen 18. Het was aan het gezicht van zijn broeder en metgezel al wel te zien. Hoe getroost zag hij eruit! Opgemonterd door wat er in Korinthe was gepasseerd. Titus' troost werd Paulus' troost.
Wat heeft Titus Paulus dan kunnen vertellen? Drie dingen. Daarbij valt tot drie keer toe de nadruk op: uw. Ten eerste: het verlangen van Korinthe naar Paulus, een uitzien naar zijn spoedige komst. 19. Ten tweede: de zelfbeschuldiging van Korinthe over het onrecht dat Paulus daar was aangedaan. En ten derde: alle inspanningen van Korinthe om het weer in orde te krijgen met Paulus.
Wat de apostel hier schrijft, is eigenlijk een wereldwonder. Want - laat ons eerlijk zijn - wanneer eenmaal in een christelijke gemeente de orde is verstoord door twistzieke en dwaalzieke mensen, duurt het vaak jaren, voordat de rust is weergekeerd. En intussen zijn dan meestal velen het spoor bijster geraakt en hebben een negatieve kijk gekregen op wat hun altijd als de apostolische leer is overgeleverd. En wanneer hoort men er dan nog van, dat zo'n verstoorde gemeente zijn excuses gaat aanbieden aan een dienaar van het Woord die men kwalijk behandeld heeft, hoewel hij hun eeuwig heil op het oog had?
Onze perikoop laat zien, dat het voorkomt. Ook toont dit bijbelgedeelte ons, hoe goed het is, dat er in knelsituaties op zijn tijd een 'kerkvisitator' als Titus aan te pas komt. Een vredelievend en waarheidsgetrouw man. Het was wijs van Paulus, dat hij in Korinthe niet op zelf gekozen tijdstippen op het toneel verscheen om met de vuist op tafel te slaan, maar een man als Titus zond om op te komen voor de goede orde en de leer die naar de godzaligheid is. Opdat duidelijk zou zijn, dat de arbeid van deze apostel in Korinthe geen privé-aangelegenheid van een man als Paulus was.

Gal.2:1vv; Tit.1:5vv


Titus. We weten van hem uit het boek van de Handelingen niets. Wel weten wij - uit Paulus' brieven zelf - dat hij van oorsprong een Griek was die in Christus was gaan geloven, niet besneden en toch als zodanig in Jeruzalem geaccepteerd als een die er mocht wezen. Hij vergezelde Paulus blijkbaar op zijn reizen. Later treffen we hem aan op Kreta waar hij door Paulus is aangesteld om orde op zaken te stellen.
Is hij wellicht door Paulus geschikt geacht om in de situatie van Korinthe naar oplossingen te zoeken, omdat hij de Griekse wereld met alle geestelijke bedreigingen vandien als geen ander kende en omdat hij - wellicht tegenover judaïserende geesten - kon betuigen, dat de besnijdenis voor gelovigen uit het heidenom geen 'must' was?
1 Kor.4:17; 16:10v; 2 Kor.7:14vv

In elk geval heeft hij door Gods genade in de gemeente van Korinthe meer kunnen uitrichten dan Paulus zelf en ook dan Timótheüs. En dat terwijl hij daar nota bene met een brief van Paulus aankwam (de 'tranenbrief') die er niet om loog. Paulus had overigens Titus, zoals gezegd, niet met een roddelverhaal over Korinthe naar die gemeente toegezonden. 20.


Al met al is 2 Korinthe 7 het hoofdstuk dat spreekt van het herwonnen vertrouwen. God gaat door en staat voor Zijn eigen werk in. Dat is de opbeurende boodschap van de tweede Korinthebrief. Daarom zijn we zo blij, dat ook deze brief in onze Bijbel staat. Hier wordt het venster opengeschoven. Een ware opluchting voor een moegetobd en angstig hart.

noten
1. Zie wat we hierover schreven in onze behandeling van de eerste brief aan Korinthe: C.den Boer, 1 Korinthe I-VI (deel 1), Kampen 1992; VII-XI (deel 2), Kampen 1993; XII-XVI (deel 3), Kampen 1993.
2. Jerome Murphy-O'Connor OP in The theology of the Second Letter to the Corinthians (New Testament Theology), Cambridge 1991, denkt hierbij aan judaïsten die 'the Spirit people' van Korinthe op sleeptouw namen (p.66ff).
3. Over deze gang van zaken en de tranenbrief zie wat we daarover schreven bij onze behandeling van 2 Korinthe 2:4vv

(2 Korinthe, deel 1; Kampen 1994).


4. Is 2:14 - 7:4 een 'interpolatie' uit een andere brief van Paulus? 7:5 lijkt het directe vervolg op 2:13. Toch is het laatste niet meer dan schijn. Bovendien is het voor Paulus bepaald niet ongebruikelijk om zijn betoog te onderbreken door een uitvoerige 'uitwijding'. In 7:5 pakt hij gewoon de draad van zijn verhaal (over de ontmoeting met Titus) weer op. Zul- ke 'uitwijdingen' (met abrupte overgangen) zijn karakteristiek voor Paulus. Zij vormen het merg van zijn apostolische bood- schap. Philip E.Hughes noemt daarom die zogenaamde uitwijding één van 'the richest treasures of the New Testament theology'. Vgl. Philip E.Hughes, Paul's second epistle to the Corinthians, Grand Rapids, Michigan 1988 (repr.), p.264. De inhoud van Paulus' brieven is immers nooit alleen maar op historische aangelegenheden geënt, maar altijd ook vol van theologisch onderricht. Vandaar dat het ook onjuist is om 2:14 - 7:4 een 'intermezzo' te noemen. Ook C.K.Barrett in The second epistle to the Corinthians (Black's New Testament Commentaries), London 1990/4, p.206 en Jerome Murphy-O'Connor (a.w., p.70) achten het niet plausibel, dat 2:14 - 7:4 een 'interpolatie' is. Alleen al grammaticaal is 7:5 niet te verbinden met 2:13 (meervoud/ enkelvoud). Bovendien sluit 7:5 niet zonder meer aan op 2:13.
5. Gr.'epanggeliai'. Zie onze uitleg van het voorgaande: 2 Kor.6:16-18.
6. Zo ook in Rom.12:19; 1 Kor.10:14; 15:58; 2 Kor.12:19; Fil. 2:12; 4:1.
7. Gr.'katharidzoo'. Het werkwoord staat hier in de aoristus-vorm. De imperatief (coni.) rust in de indicatief (de beloften). Vgl. Hebr.9:14.
8. Gr.'molusmos' = besmetting. Vgl. 1 Kor.8:7. Dit woord als ook andere woorden en begrippen uit de perikoop 6:14 - 7:1 die Paulus zelden of nooit gebruikt, hebben exegeten tot de veronderstelling gebracht, dat genoemde perikoop niet-Pauli- nisch is. Deze verzen zouden een sterk Esseense geest ademen. H.D. Wendland beweert zelfs, dat het hier gaat om een door een latere redactor gekerstende Joodse 'Vorlage';zie H.D.Wendland, Die Briefe an die Korinther (Das Neue Testament Deutsch 7), Göttingen 1968, S.214.

Murphy-O'Connor, a.w. p.68 brengt daartegen in, dat Paulus in andere brieven wel vaker 'hapax legomena' (woorden die slechts één keer bij hem voorkomen) gebruikt en dat het hier door hem gebruikte begrippenmateriaal ook bij Philo gevonden wordt. Paulus zou hier zelfs met opzet begrippen uit de hellenistisch-Joodse wereld gebruiken (die hij misschien van Apollos leerde; 1 Kor.16:12): 'to reorientate the thinking of the Spirit-people' (dat onder invloed van Philo stond). 'The spirit people considered all corporeal activity morally neutral (1 Cor.6:18b).' (p.69). Vandaar dat men zelfs incest-gevallen, zoals in 1 Kor.5 tolerabel achtte. Het is die geest die Paulus hier bestrijdt.

Ook de gedachte van de gemeente als een geestelijke tempel (2 Kor.6:16) heeft Paulus niet ontleend aan Esseense Qumran-terminologie. In Qumran is deze gedachte nl. gebaseerd op het gebed als een geestelijk offer. Bij Paulus echter op de inwoning van de Geest (1 Kor.3:16v).
9. Ook van de uitdrukking 'vlees en geest' die Paulus hier gebruikt, moet men niet zeggen, dat ze onpaulinisch is en meer herinnert aan het taalgebruik van Qumran ('t'mime ruach ubasar'). Vgl.1 Kor.7:34 en 2 Kor.7:5, waar 'vlees' het lichamelijke, de uiterlijke kant van het bestaan en 2 Kor.2: 12, waar 'geest' het innerlijk van de mens aanduidt. Paulus gebruikt de woorden 'vlees' en 'geest' weliswaar vaak in theologisch-ethische zin (vgl.Rom.8:12vv; Gal.5:16vv), maar ook wel als een psychologische onderscheiding (vgl.1 Kor.5:3; Kol.2:5). De lezing van Marcion is: vlees en bloed; wellicht een gnostische correctie van de tekst. Zie C.K.Barrett, a.w., p.202. Voor de oproep tot heiligmaking zie: Lev.19:2; Rom.6: 13; 1 Kor.7:34; 1 Thess.5:23; 1 Petr.1:15v.
10. J.Calvijn, De tweede zendbrief van Paulus aan de Corinthiërs, Goudriaan 1972/2, blz.368. Een enkel handschrift heeft in plaats van 'fobos' (vrees): 'agapè' (liefde).
11. Gr.'chooreoo' = plaats maken voor (vgl.Matth.19:11; Mark. 2:2; Joh.8:37; 21:25).
12. De Griekse werkwoorden zijn: 'adikeoo' = onrecht aandoen. (vgl.1 Kor.6:7v; 2 Kor.7:12; Gal.4:12; Fil.:18); 'phtheiroo' = te gronde richten en 'pleonekteoo' = winst slaan uit (vgl.2 Kor.2:10; 12:17v). J.Calvijn (a.w., blz.370) denkt bij deze dingen aan het bovengenoemde: hovaardigheid, een valse leer, gierigheid.
13. 'This is not the language of romanticism but of christian reality', aldus Philip E.Hughes in a.w. p. 261. De hartelijke liefde van de apostel voor Korinthe geeft verbondenheid tot in de dood en duurt levenslang. O.i. moeten we hier niet direct denken aan wat hij eerder (2 Kor.4:10vv) schreef, zoals Werner de Boor veronderstelt. Zie: Werner de Boor, Der zweite Brief des Paulus an die Korinther (Wuppertaler Studienbibel), Wuppertal 1988/7, S.165. Ook niet aan de 'tegendraadse volgorde: samen sterven en samen (eeuwig) leven', zoals M.R.van den Berg aanneemt; zie ds.M.R. van den Berg, De tweede brief aan de Korinthiërs, machtig zijn in zwakheid; Amsterdam 1991, blz. 101v.

Gr.'katakrisis' = veroordeling (vgl.1 Kor.4:14).


14. Gr.'parrèsia' = openhartigheid. Vgl. 2 Kor.3:12. Paulus is een open boek tegenover Korinthe. Vgl. 2 Kor. 6:11. De Griekse zin 'pollè moi parrèsia pros humas' kan betekenen, dat Paulus openhartig is in zijn spreken naar Korinthe toe. Ze kan ook vertaald worden met: ik heb veel vertrouwen in u (de Vulgaat heeft: 'fiducia'). Zie Philip E. Hughes, a.w. p.262. Vgl. Ef.3:12; 1 Tim.3:13; Hebr.3:6; 4:16; 10:19, 35; 1 Joh.2:28; 3:21; 4:17; 5:14). Over Paulus' roem (Gr.'kauchèsis') over Korinthe zie: 2 Kor.1:14; 7:14; 8:24; 9:2vv; vgl. ook 1 Thess.2:19; 2 Thess.1:4.
15. Vgl. 2 Kor.1:4-7. Vgl. voor de uitdrukking 'vervuld zijn met' (+ datief): Rom.1:29. Het Gr.werkwoord in vs.4 'huperperisseuomai' = overvloeien van (+ datief; de Vaticanus heeft het voorzetsel 'en'). Wat verstaan moet worden onder 'al onze verdrukking' is uitgelegd onder 2 Kor.4:10, 17; 6:4vv. Bij 'ons vlees' (vs.5) moeten we niet denken aan 'sein ganzer natürlicher Mensch' (zo Werner de Boor, a.w., S. 166), maar aan Paulus zelf in zijn lichamelijk bestaan. Hij vond geen rust; Paulus gebruikt hier het Griekse werkwoord 'echein' = hebben in het perfectum ('eschèkamen'), evenals in 2 Kor.1:9. Een aantal handschriften heeft de aoristus-vorm (ingressivus) 'eschen' (wellicht terecht, omdat daarmee beter het begin van de handeling is aangegeven).
16. Het Grieks heeft hier 'foboi' (meervoud). Maar een aantal handschriften leest het enkelvoud, nl. 'fobos'.
17. De nederigen (Gr.'tapeinoi') zijn in ethische zin: de door uiterlijke druk en innerlijke kommer verslagenen van geest, de oot(=nul)moedigen (vgl. 2 Kor.11:7; 12:19-21, waar Paulus spreekt van vernedering door God). Nederigheid is de beste gestalte waarin de gelovige voor God en de mensen verkeert (vgl. Rom.12:16; Fil.3:21). Zo gebruikt Paulus o.i. ook in 2 Kor.7:6 dit woord. Het is meer theologisch dan psychologisch van inhoud en aard. Zie W.Grundmann in G.Kittel, Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, Stuttgart 1969, Bnd VIII, s.v. 'tapeinos', etc.
18. 'Zodat ik te meer verblijd ben geweest.' Paulus kan ook bedoelen: hoe diep mijn zorg en vrees ook was, des te meer mijn blijdschap....
19. De Gr. woorden zijn: 'epipothèsis' = uitzien naar, verlangen; 'odurmos' = weeklacht (vermoedelijk om wat men de apostel had aangedaan); 'dzèlos' = ijver (om de geschonden verhouding weer goed te krijgen).
20. Murphy-O'Connor, a.w. p.73 f suggereert, dat het beeld dat Titus schetste van de 'ommekeer' van Korinthe bij Paulus een te optimistisch beeld was. Gelet op wat Paulus vanaf hoofdstuk 10 van 2 Korinthe (met zijn dreigende taal; volgens deze auteur een andere 'severe letter B') nog weer moet schrijven aan de gemeente.

Over Titus zie: 2 Kor.2:12; 7:6, 13, 14; 8:6, 16, 23; 12:18; Gal.2:1, 3; 2 Tim.4:10; Tit.1:3.


G e s p r e k s v r a g e n
1. De tweede Korinthebrief is een apostolische brief waarin de apostel Paulus gezaghebbend opreedt. Op grond waarvan - vindt u - hebben leidinggevenden vandaag in de gemeente gezag en waar ligt het verschil met autoritair optreden?
2. Heiligmaking is - zagen we - een doorlopende zaak (goed voor elke dag). Waarin bestaat die dagelijkse heiliging en kan een christenmens ook echt vorderen in heiligmaking?
3. Paulus wenst met zijn gemeente samen te sterven en te leven (vs.3). Kunt u uit de Bijbel andere voorbeelden noemen van Godsgezanten die even hartelijk verbonden waren met het volk dat aan hun zorgen was toebetrouwd?
4. Wat is volgens onze perikoop de kracht van het positieve denken (denk aan vs.4)?
5. Wanneer iemand iets is in het leven voor u,

O zeg het hem nu, ja nu, ja juist nu.


Paulus werd getroost, toen hij van Korinthe hoorde, hoe hij daar tot zegen was geweest. Waarom verbergen wij het vaak voor elkaar, als de één voor de ander iets mocht betekenen?



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina