1. Inleiding 3 Het gebied 3



Dovnload 97.81 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte97.81 Kb.


Wintervogels in de Rijnstreek
1995-2000

Wilfred Alblas

2000


INHOUDSOPGAVE


1. Inleiding 3

2. Het gebied 3

3. Organisatie en volledigheid van de tellingen. 5

4. Het weer 6

5. Samenvatting van de resultaten 7

6. Tien markante overwinteraars in de Rijnstreek 11


6.1 Aalscholver 11

6.2 Knobbelzwaan 12

6.3 Kleine zwaan 12

6.4 De Toendrarietgans (en andere ganzen) 13

6.5 Smient 15

6.6 Slechtvalk 16

6.7 Meerkoet 16

6.8 Kievit 17

6.9 Goudplevier 17

6.10 De nijlgans (en andere exoten) 17


7. Conclusie 18

8. Waarnemers 19

9. Literatuur 19


Vijf winters vogels tellen in de Rijnstreek - de resultaten

1. Inleiding


Tussen Alphen aan den Rijn en Leiden ligt een groot en open veenweidegebied, de Rijnstreek. Dit is het werkgebied van de Vogelwerkgroep Koudekerk/Hazerswoude e.o.. Behalve grote aantallen weidevogels in het voorjaar komen hier in herfst en winter grote aantallen doortrekkers en wintergasten voor. Bij lokale vogelaars was dit fenomeen natuurlijk bekend, maar tot de officiële rapporten drong het belang van dit gebied voor wintergasten tot voor kort niet door.
Wie de provinciale rapporten over de wintervogeltellingen er op na slaat, zal zien dat tot begin jaren '90 weinig gegevens uit dit gebied via georganiseerde tellingen beschikbaar kwamen (Van Heerden et al 1988, Anonymus z.j., Terlouw 1991, Mostert et al 1991, Ter Horst et al 1995, Mostert et al 1995). Er waren wel hoofdlijnen bekend over de avifaunistische waarden van de Rijnstreek, maar die belandden in deze rapporten door een "persoonlijke mededeling". Mostert et al (1991) signaleren begin jaren '90 nog: "Helaas ontbreken veel gegevens van enkele (potentieel) belangrijke gebieden, zoals … de Rijnstreek".
Gezien de schaarse bekende gegevens is het niet verwonderlijk dat in de eerste beleidsstukken over de aanleg van een hogesnelheidsspoorverbinding door de Rijnstreek weinig aandacht werd besteed aan het belang van de Rijnstreek voor vogels. Voor de Vogelwerkgroep was dit aanleiding om de gegevens over de in dit gebied overwinterende kleine zwanen te verzamelen en te publiceren (Mannaart 1991). Deze gegevens zouden de aanzet vormen tot de aanwijzing van het gebied De Wilck als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn. Deze aanwijzing is ook zeker van invloed geweest op de politieke besluitvorming over het HSL-tracé.
In de eerste helft van de jaren '90 nam het aantal ingezonden telformulieren uit de Rijnstreek langzaam toe, echter zonder dat een gebieds- en seizoensdekkende telling bereikt werd. In 1995 besloot de Vogelwerkgroep Koudekerk/Hazerswoude e.o. de zaken systematisch aan te pakken. Doel: elke wintermaand een volledig geteld werkgebied van de VWG. De politieke discussie over het HSL-tracé was op dat moment op een hoogtepunt, en de eerder verzamelde gegevens over de kleine zwaan hadden geleid tot betiteling van De Wilck als Belangrijk Vogelgebied. Dit droeg ertoe bij dat één informatie-avond in café De Hoek in Koudekerk voldoende was om een zeer gemotiveerd team tellers op de been te brengen.
Nu, 5 winters later, kunnen we de resultaten van hun werk presenteren. Het belang van de Rijnstreek voor soorten als kleine zwaan, knobbelzwaan, goudplevier, smient, kolgans en toendrarietgans wordt hierdoor duidelijk aangetoond.

2. Het gebied


Het werkgebied van de Vogelwerkgroep Koudekerk/Hazerswoude e.o. beslaat het polderland tussen de Does en de Wijde Aa in het noorden en Hazerswoude-Dorp in het zuiden. Het gebied wordt in het westen grofweg begrensd door Leiderdorp en het lintdorp Weipoort, en in het oosten door de Heimanswetering en de N11.
Op kaart 1 is aangegeven welke gebieden er 's winters zijn geteld. In totaal beslaat dit gebied 5500 hectare. Het gebied wordt van west naar oost doorsneden door de Oude Rijn, met paralel daaraan de spoorlijn Leiden-Alphen en de N11. Het gebied ten noorden hiervan wordt wel aangeduid met de Rijnstreek Noord, dat ten zuiden ervan met Rijnstreek Zuid.
Zoals het een veenweidegebied betaamt bestaat het voor het overgrote deel (ruim 90%) uit grasland. Deels gaat het om ingeklonken bovenland (1 tot 2 m -NAP), deels om droogmakerijen en afgegraven gebied (4 tot 5 m -NAP). Langs de boorden van de Oude Rijn komt klei voor, dat deels is afgegraven ten behoeve van de dakpannenindustrie. Naarmate de afstand tot de Rijn toeneemt, neemt het venige karakter van de grond toe. Het akker-areaal beperkt zich tot een stuk van de Hazerswoudse Droogmakerij. Open water (anders dan sloten) is schaars. De grootste oppervlakte (circa 75 hectare) wordt gevormd door de Wijde Aa, de verbreding van het veenstroompje de Does bij Hoogmade. Nabij Leiderdorp bevindt zich een jachthaven, die bij vorst voor vogels van belang kan zijn. Door de grote diepte (het is een oude oude zandwinning voor de A4) vriest de jachthaven niet snel dicht en blijven soms lang wakken aanwezig. Langs de ruilverkavelingsweg het Spookverlaat, tenslotte, liggen een paar kleine plasjes die ondanks hun geringe omvang leuke aantallen watervogels kunnen herbergen. Voor het overige bevat het gebied enkele ruilverkavelingsbosjes en een paar percelen met maïs of boom- en sierteelt. Tenslotte bevinden zich kleine delen van de bebouwde kom van Leiderdorp, Woubrugge en Hazerswoude Dorp in de telgebieden.
Een interessant kenmerk van de Rijnstreek Noord is dat hier een groot aaneengesloten gebied van 2100 hectare ligt dat niet doorsneden wordt door autowegen. Een zeldzaam fenomeen in de drukke randstad! Door een aantal fietspaden is het gebied voor de vogeltellers en andere recreanten overigens wel ontsloten. In dit deel van de Rijnstreek Noord ligt onder meer de voor wintergasten belangrijke Lagenwaardse Polder. In de Rijnstreek Zuid is met name het weidevogelreservaat De Wilck van belang. Dit 127 hectare grote Staatsbosbeheer-reservaat heeft met zijn hogere waterpeil in de winter een grote aantrekkingskracht op vogels.

3. Organisatie en volledigheid van de tellingen.


De wintervogeltellingen worden in Zuid-Holland georganiseerd door het bureau Natuur van de Provincie Zuid Holland. Voor een uitgebreide beschrijving van de opzet en organisatie van deze tellingen zie Mostert et al (1995).
Van oktober tot maart wordt in vastgestelde telweekends (vrijdag t/m maandag) halverwege iedere maand geteld. De tellers vullen hun waarnemingen in op telformulieren (zie bijlage). Deze worden door de provincie Zuid-Holland verzameld en verwerkt. Na afloop van iedere telling krijgen alle tellers door middel van een maandelijkse nieuwsbrief gelijk de opvallendste aantallen en soorten teruggemeld. Hierdoor krijgen de zij snel een indruk van de resultaten van het gezamenlijke telwerk, hetgeen voor hen stimulerend werkt. Aan het einde van het seizoen worden de gegevens door de provincie aangeleverd aan SOVON. Hierdoor worden de gegevens van de provinciale tellingen gebruikt voor de nationale ganzen- en zwanentellingen (zie bijvoorbeeld SOVON Ganzen en Zwanenwerkgroep 1998) en de internationale midwintertelling in januari (zie bijvoorbeeld Voslamber et al 1999).
De gegevens vinden dus hun weg naar de nationale en internationale data-banken en rapporten.
Het hoeft geen betoog dat door het optellen van alle gegevens ook veel informatie verloren gaat. De uitkomsten van tellingen kunnen immers juist op regionale of lokale schaal van belang zijn. Bij tal van beslissingen in het ruimtelijke beleid (natuur, infrastructuur, windmolens) is het gebruik dat vogels van specifieke gebieden maken een belangrijk criterium. Het laatste integrale verslag over de tellingen in Zuid-Holland dateert echter al weer van 1995 over de winter van 1992/93 (Mostert et al 1995). In dit rapport en de voorgaande rapporten werden alle verzamelde gegevens per soort en per regio overzichtelijk gepresenteerd. De daarbij gemaakte kaartbeelden geven in één oogopslag weer welke polders van belang zijn voor welke soorten. Het is jammer dat dit soort rapportages voor recentere winters niet meer zijn opgesteld. De schat aan informatie die door honderden tellers op duizenden telformulieren is verzameld wordt hierdoor maar beperkt benut. Het valt te hopen dat de provincie Zuid-Holland snel weer eens een rapport over de resultaten van de wintervogeltellingen publiceert. Voor de Rijnstreek hoeft daarop echter niet te worden gewacht, want onderhavige rapportage voorziet voor dat gebied in de lacune.
Vrijwel alle hier gerapporteerde tellingen vonden plaats in het voorkeursweekeinde, meestal op de zaterdag of de zondag. Dubbeltellingen zijn hierdoor zoveel mogelijk voorkomen. De tellers in de Rijnstreek bekijken hun telgebied doorgaans vanaf de openbare weg. Vrijwel alle tellers gebruiken naast hun verrekijker ook een telescoop. Geen overbodige luxe in het weidse polderlandschap! Overtrekkende vogels worden niet meegeteld.
In het kader van de wintervogeltellingen is de hele provincie Zuid Holland opgedeeld in telgebieden. Daarbij zijn landschappelijke grenzen gehanteerd zoals wegen en boezemwateren. Rijnstreek Noord is verdeeld in 9 en Rijnstreek Zuid in 11 telgebieden. Van deze 20 gebieden zouden in 5 seizoenen bij 6 tellingen per seizoen maximaal 600 telformulieren binnen kunnen komen. In werkelijkheid waren het er 555. Dit is een volledigheid van 93%.

4. Het weer


De in dit artikel beschouwde periode kende zowel (zeer) koude als (zeer) zachte winters. De winter van 1995/96 ging de boeken in als streng, die van 96/97 als koud (SOVON Ganzen- en zwanenwerkgroep 1999). De schaatsliefhebbers herinneren zich deze twee winters als elfstedenwinters. De overige drie winters waren zeer zacht of zacht, waarbij 1999/2000 gewoon warm was met overdag temperaturen van 10 graden Celsius.
In de onderzochte periode duurde de winter meestal maar kort. De oktober- en maarttellingen kenmerken zich door schaarste aan wintergasten en aangename temperaturen. Spectaculaire invloed van het weer op de vogelbevolking van de Rijnstreek blijkt eigenlijk alleen bij strenge vorst. De graslandpolders met de dichtbevroren sloten zijn dan op wat roofvogels na verlaten (bijvoorbeeld in januari 1997). De steltlopers zijn allen naar het zuiden gevlucht, terwijl de watervogels massaal de wakken op zoeken (december 1995, januari 1996 en januari 1997).
Door de weersomstandigheden geven de tellingen van deze 5 winters een goed beeld van de vogelbevolking in de Rijnstreek bij uiteenlopende omstandigheden. Het gegeven dat de eerste twee winters koud waren, en de laatste drie zacht brengt echter ook een complicatie met zich mee. De aantalontwikkeling over de vijf jaar wordt moeilijker interpreteerbaar. Een toename in de aantallen van de aalscholver kán duiden op een toename van de soort, maar ook het gevolg zijn van de toevallige verdeling van de koude en zachte winters over de onderzochte periode.

5. Samenvatting van de resultaten


In tabel 1 staan de resultaten van vijf winters vogels tellen samengevat. De gegevens zijn beperkt tot die soortgroepen waarvoor de Rijnstreek met name van belang is. Dit zijn watervogels, ganzen, zwanen, roofvogels en steltlopers. De meeuwen, die ook in grote aantallen in de Rijnstreek kunnen voorkomen, zijn niet meegenomen omdat deze niet door alle tellers consequent geteld zijn.
De tabel bevat uitsluitend gegevens van de teldata. De tabel geeft een goede indruk wat een vogelaar die in een bepaalde wintermaand de Rijnstreek bezoekt zoal kan verwachten. Een rondje Rijnstreek kan op een doorsnee oktoberdag 1000 wilde eenden opleveren. In november moet een vogelaar niet vreemd opkijken als hij 20 buizerds in de kijker krijgt. In december staan er 140 wulpen op het programma, terwijl een fietser in januari makkelijk 14 grote zaagbekken kan tegenkomen. Wie in februari 170 waterhoenen aantreft ziet niets uitzonderlijks, terwijl in maart een dikke 800 scholeksters standaard zijn.
In de tabel zijn voor de genoemde soortgroepen de gemiddelde aantallen per maand weergegeven. Het aantal blauwe reigers in januari (39), bijvoorbeeld, is daarbij berekend als het gemiddelde aantal reigers dat is waargenomen tijdens de vijf januari-tellingen (38, 10, 41, 52, 55). In de voorlaatste kolom is het gemiddelde seizoensmaximum voor de soort over de vijf seizoenen aangegeven. Voor de blauwe reiger waren de seizoensmaxima tussen 1995 en 2000 bijvoorbeeld 82, 88, 85, 107, en 90, resulterend in een gemiddeld seizoensmaximum van 90. Het absolute maximum dat gedurende deze periode ooit tijdens een telling is aangetroffen staat in de laatste kolom. Dit is het hoogste seizoensmaximum, dus voor de blauwe reiger 107. Waar als gemiddelde voor een maand een 0 staat aangegeven, betekent dit dat de soort in die maand wel eens is waargenomen, maar dat het gemiddelde afgerond 0 bedraagt. Een streepje betekent dat de soort nooit in die maand tijdens een telling in de Rijnstreek is aangetroffen.
De tabel geeft de resultaten van de min of meer regelmatige wintergasten. Andere minder vaak waargenomen soorten uit de beschouwde soortgroepen zijn roerdomp, kwak, lepelaar, heilge ibis, wilde zwaan, kleine rietgans, grote canadese gans, indische gans, casarca, bergeend, pijlstaart, topper, carolina-eend, bruine kiekendief, smelleken, waterral, bonte strandloper, witgatje, zwarte ruiter en groenpootruiter. Ook de soepeend en de soepgans (dit zijn bastaarden van wilde eend en grauwe gans met de tamme boerderij-eenden en ganzen) komen algemeen in de Rijnstreek voor, maar zijn pas vanaf winter 1999/2000 apart op het telformulier vermeld. Hierdoor is van deze soepsoorten geen reeks beschikbaar. In 1999/2000 was het seizoensmaximum voor de soepeend 219 en voor de soepgans 60.




6. Tien markante overwinteraars in de Rijnstreek

Op de resultaten van een aantal typische Rijnstreek-soorten wordt hieronder nader ingegaan. De gegevens zijn daarbij aangevuld met waarnemingen van buiten de teldata. Deze zijn als "veldwaarnemingen" aangeduid. Ze zijn ontleend aan de rubriek Veldwaarnemingen die ieder kwartaal verschijnt in het verenigingsblad De Braakbal. Uit deze gegevens blijkt dat onze tellers ook buiten de telweekenden het tellen niet kunnen laten.


Voor een aantal soorten worden de seizoensmaxima tijdens de teldata en die voortvloeiend uit de veldwaarnemingen naast elkaar gezet. Het ligt voor de hand dat het seizoensmaximum komend uit de veldwaarnemingen hoger is dan tijdens de telweekends. De kans is immers klein dat het grootste aantal uitgerekend tijdens een van de tellingen (grofweg een paar uur per maand) gezien wordt. Daar staat tegenover dat bij de veldwaarnemingen meestal uitsluitend een enkele grote concentratie wordt doorgegeven, en geen integrale telling over het hele gebied heeft plaatsgevonden. Daarnaast kunnen de totalen tijdens de teldata juist hoog uitpakken als een groep vogels zich tijdens het telweekeinde heeft verplaatst en uit meerdere telgebieden is gemeld. Hier vindt dan een dubbeltelling plaats, waarvoor moeilijk te corrigeren is. Overigens zij opgemerkt dat het omgekeerde zich ook voor kan doen, namelijk dat een groep vogels er wel is, maar door zich te verplaatsen door de tellers wordt gemist. Aangenomen wordt dat deze effecten elkaar over een langere periode grofweg opheffen.
Voor de ganzen en zwanen is tevens een vergelijking gemaakt met de gegevens zoals die staan vermeld in de meest recente publicatie over de pleisterplaatsen van deze soorten over 1985-94 (Koffijberg et al 1997). Uit de vergelijking komt naar voren dat de werkelijke aantallen in de Rijnstreek veel hoger zijn dan in dit rapport is weergegeven.

6.1 Aalscholver


De Aalscholver is een opmerkelijke vogel in het landschap van de Rijnstreek. Is de verschijning van de aalscholver in de broedgebieden verbonden met een zitplaats in een kale doodgepoepte boom, in de Rijnstreek zien wij zijn silhouet op de grond langs de poldersloot. Het was even wennen in de jaren '90, toen de eerste rijtjes aalscholvers vleugeldrogend langs de sloten verschenen. Inmiddels is de aalscholver een vaste wintergast die zich alleen door heftige vrieskou laat verdrijven. De hoogste aantallen worden doorgaans in de eerste helft van de winter gezien, maar ook dan blijven de aantallen beperkt tot enige tientallen exemplaren. Het gemiddeld seizoensmaximum bedraagt 68 stuks. Het hoogste aantal was aanwezig in december 1997, namelijk 92 exemplaren. Opmerkelijk is dat de Aalscholver een ruime verspreiding kent. In grofweg de helft van de telgebieden wordt de soort gezien. Meestal gaat het dan om een paar exemplaren. Beste plek voor de Aalscholver is De Wilck, waar regelmatig 20 tot 30 vogels zitten, met 65 stuks op 14 december 1997 als record.

6.2 Knobbelzwaan


De knobbelzwaan is in de Rijnstreek een jaarvogel. De broedende vogels worden in de winter aangevuld met knobbels van elders. De knobbelzwanen worden in de winter zowel in familieverband aangetroffen, als in losse groepen van enige tientallen stuks. Daarbij is een aantal van 70 exemplaren in een telgebied (meestal een polder) het maximum. Het seizoenspatroon kent een duidelijke toename van de aantallen van oktober naar december, met meestal een maximum in december of januari.
De Rijnstreek is een prima knobbelzwanengebied. Het is ook van grotere betekenis is dan de publicatie Ganzen en Zwanen in Nederland (Koffijberg et al 1997) suggereert. Daarin wordt voor de "polders Zoeterwoude-Alphen", dat een groter gebied is dan de Rijnstreek-zuid, een gemiddeld seizoensmaximum berekend van 106. Dit aantal blijkt in zowel de Rijnstreek Noord als de Rijnstreek Zuid jaarlijks overtroffen te worden (tabel 2). De gemiddeld seizoensmaximum voor de Rijnstreek als geheel bevindt zich zelfs op een niveau van 322 exemplaren. De dichtheid aan knobbelzwanen in de Rijnstreek van 6,5 exemplaren per 100 hectare kan de vergelijking met het erkende Nederlandse knobbelzwanebolwerk Krimpenerwaard (nationaal kampioen met 9 zwanen per 100 hectare) goed doorstaan.






Totaal

Rijnstreek noord

Rijnstreek zuid

1995-96

343

178

163

1996-97

283

118

165

1997-98

352

159

193

1998-99

358

183

187

1999-00

275

153

168

Gemiddeld

322

158

175


Tabel 2: Seizoensmaxima knobbelzwaan


6.3 Kleine zwaan


Kleine zwanen arriveren eind oktober in de Rijnstreek, en kunnen daar tot in februari worden waargenomen. In het begin van de winter mogen ze graag op oogstresten in de akkerbouwgebieden van de Hazerswoudse Droogmakerij foerageren, om na het onderploegen over te schakelen op gras. Het favoriete graasgebied ligt in de graslandpolders van de Rijnstreek Zuid, waarbij de Wilck en de Groenendijkse Polder het meest in trek zijn. In de Rijnstreek Noord komen bescheidener aantallen voor, van doorgaans enige tientallen exemplaren, waarbij de Hondsdijkse en Achthovenerpolder favoriet zijn.
De Rijnstreek Zuid is een belangrijk gebied voor kleine zwanen. Regelmatig houdt zich hier 1 tot 3% van de Noordwest-Europese populatie van 17.000 exemplaren op. Dit gegeven werd voor het eerst vastgelegd in het rapport "Overwinterende kleine zwanen in het gebied tussen Leiderdorp/Zoeterwoude/Hazerswoude-Dorp/Alphen aan den Rijn/Hoogmade" (Mannaart, 1991) dat gegevens bevatte uit de periode 1985 tot 1991. Deze rapportage was samen met aanvullende gegevens uit de periode tot 1995 aanleiding voor de VWG om in 1995 bij de rijksoverheid een verzoek in te dienen tot aanwijzing van het reservaat De Wilck en de directe omgeving als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn. Toen in de concept-aanwijzing bleek dat uitsluitend het reservaat de Wilck werd aangewezen, toonde de VWG met telgegevens aan dat een groter gebied aan de criteria voldeed. Ook de omringende polders voldoen in hun totaliteit, maar vaak ook afzonderlijk, aan het 1% criterium (Van Eijk, 1999). Tot dusverre (mei 2000) heeft dat echter niet tot een ruimere begrenzing van de speciale beschermingszone geleid.

In tabel 3 staan de seizoensmaxima voor de kleine zwaan weergegeven. Per winter wordt het maximaal aantal waargenomen vogels vermeld, met daarnaast de seizoensmaxima tijdens tellingen. Het zeer hoge aantal van 694 exemplaren is gedeeltelijk het gevolg van een dubbeltelling waarbij dezelfde groep zwanen uit meerdere telgebieden is gemeld.








Veldwaarnemingen

Telweekenden

1995/96

270

694

1996/97

332

105

1997/98

229

185

1998/99

362

345

1999/00

221

71

Gemiddeld

283

280


Tabel 3: Seizoensmaxima kleine zwaan

6.4 De Toendrarietgans (en andere ganzen)


Sinds begin jaren '90 is de Rijnstreek in trek bij toendrarietganzen (Katsman 1993). In een paar jaar tijd is in het bijzonder de Lagenwaardse Polder een pleisterplaats van formaat geworden, niet in laatste plaats door de duizenden kolganzen die hier de laatste paar jaar een deel van de winter verblijven. In het noordelijk deel van Zuid-Holland is de Lagenwaardse Polder met afstand de beste plek om naar ganzen te kijken. Behalve op duizenden riet- en kolganzen maakt een vogelaar hier kans op alle andere soorten ganzen.
De kol- en rietganzen mogen in de Lagenwaardse Polder graag in grote gemengde groepen verblijven. Een crime voor menig teller, zeker als de vogels midden in de polder zitten. In het eerste jaar van dit verschijnsel (1996/97) werden veel groepen ongespecificeerde "kol/rietganzen" van 3000 tot 5000 exemplaren doorgegeven. Sinds die winter wordt door toenemende kwaliteit van de optiek (telescopen) én een groeiend fanatisme bij de ganzen-watchers steeds volhardender per soort geteld.
De toendrarietganzen zijn in de Lagenwaardse Polder met name te zien in de tweede helft van de winter. De eerste ganzen duiken meestal eind november/begin december op, terwijl de seizoenspiek meestal in de periode van eind januari tot half februari valt. Gedurende de hele ganzen-periode, die tot half maart kan duren, bezoeken de ganzen de Lagenwaardse Polder om te foerageren.
De afgelopen jaren lijkt het bezoek van toendarietganzen iets af te nemen. Mogelijk is dit een gevolg van de zachte winters, want de toendrarietgans staat erom bekend vooral in koudere winters Nederland te bezoeken. Een andere mogelijkheid is dat de kolganzen, die juist sterk in aantal zijn toegenomen, de rietganzen hebben verdrongen.
De 1%-norm voor de toendrarietgans (3000 exemplaren) is gehaald in januari 1997. De seizoensmaxima staan weergegeven in tabel 4. Hieruit blijkt dat de seizoensmaxima zoals die naar voren komen uit de tellingen te laag zijn om een goede indruk te geven van het belang van de Lagenwaardse Polder voor de ganzen. Het gemiddelde seizoensmaximum van 18 stuks dat in het boek Ganzen en Zwanen in Nederland vermeld staat (Koffijberg 1997), is duidelijk aan herziening toe.





Veldwaarnemingen

Telweekenden

1995/96

1500

650

1996/97

3000

460

1997/98

1600

1313

1998/99

2700

2601

1999/00

2400

125

Gemiddeld

2240

1030


Tabel 4: seizoensmaxima toendrarietgans

De kolganzen ontdekten de Lagenwaardse Polder als foerageergebied iets later dan de toendrarietganzen. In 1993 werd de magische duizend-ganzen grens voor het eerst overschreden. Vanaf 1997 neemt de kolgans duidelijk het roer over van de toendrarietganzen. Regelmatig zijn er 's winters meer dan 3000 kollen te bewonderen. De 1%-norm van 6000 kolganzen werd in februari 2000 voor het eerst overschreden, toen zich gedurende enige tijd 6500 tot 8500 kolganzen in het gebied ophielden. Het gemiddelde seizoensmaximum bedraagt al met al een veelvoud van de 36 die voor de periode 1989-94 in Koffijberg et al (1997) wordt gerapporteerd.








Veldwaarnemingen

Telweekenden

1995/96

2500

2608

1996/97

3000

962

1997/98

4100

1400

1998/99

3545

3545

1999/00

8500

3500

Gemiddeld

4329

2403


Tabel 5 Seizoensmaxima Kolgans

Opmerkelijk is dat in een paar jaar tijd vrijwel alle in Nederland voorkomende ganzensoorten de Lagenwaardse Polder met een bezoek vereerden. Kolgans, Rietgans en Brandgans zijn - in volgorde van afnemend aantal - jaarlijks regelmatige gasten. Grauwe ganzen worden slechts incidenteel waargenomen. De andere zeldzamere ganzensoorten zijn vrijwel alle waargenomen (Tabel 6).




Soort

Aantal waarnemingen

Hoogste aantal

Datum

Grauwe Gans

3

25

12-3-1993

Brandgans

13

200

3-3-1996

Kleine Rietgans

6

60

13-12-1997

Taigarietgans

3

100

9-1-2000

Rotgans

3

1

3-3-1996 e.a

Dwerggans

1

1

31-12-1998

Sneeuwgans

1

1

1-2-1997

Roodhalsgans

1

1

6-2-1994


Tabel 6: Waarnemingen van overige ganzen in de Lagenwaardse Polder
In andere polders dan de Lagenwaardse duiken slechts sporadisch ganzen op. Meestal gaat het dan om kleinen aantallen van enige tientallen tot incidenteel enige honderden exemplaren. De enige andere vaste ganzenpleisterplaats is de Oostbroekpolder, in het westen van de Rijnstreek zuid. Hier pleisteren regelmatig grauwe ganzen in toenemend aantal, met 230 exemplaren als voorlopig maximum.

6.5 Smient


De smient is een van de kleurrijkste vogels die de Rijnstreek 's winters bevolkt. Percelen grasland langs weteringen zijn favoriet. In de Rijnstreek komen per telling gemiddeld 5 à 6.000 smienten voor. Het gemiddelde seizoensmaximum bedroeg over de onderzochte periode bijna 10.000 exemplaren. Dit komt dicht in de burt van de 1%-norm voor smient, die 12.500 bedraagt.
Hoewel in veel telgebieden groepjes smienten kunnen worden waargenomen, is het voorkomen sterk geconcentreerd in het vogelreservaat De Wilck. Over het algemeen bevindt zich in dit slechts 127 hectare grote reservaat grofweg de helft van alle in de Rijnstreek getelde smienten. Het aandeel van De Wilck in de seizoensmaxima is zelfs nog groter (tabel 7). De vogels bevinden zich doorgaans in het natste deel van het reservaat, dat als geheel een hoger winterpeil heeft dan de omgeving.





Rijnstreek

De Wilck

1995/96

8400

4852

1996/97

9956

8120

1997/98

11650

9270

1998/99

8761

5615

1999/00

9199

7730

Gemiddeld

9593

7117


Tabel 7: seizoensmaxima smient
Al met al gaat het voor De Wilck om indrukwekkende aantallen. Het is dan ook volstrekt terecht dat de Staatssecretaris van Natuurbeheer in het besluit tot aanwijzing van De Wilck als speciale beschermingszone voor de kleine zwaan de smient heeft opgenomen als andere relevante soort voor de bescherming van dit gebied.

6.6 Slechtvalk


De slechtvalk is een van de spectaculairste wintergasten in de Rijnstreek. Sinds 1993 worden slechtvalken jaarlijks overwinterend waargenomen. Ging het in eerste aanleg om 1 exemplaar, recentelijk zijn 3 exemplaren de gehele winter aanwezig. Uit een vondst van een geringde dode slechtvalk bij Hazerswoude kan worden afgeleid dat het hier om Zweedse vogels gaat. (Werkgroep Slechtvalk Nederland 1997).
De aanwezigheid van deze grote valkensoort lijkt een bijproduct van de hoogspanningsleiding die door het gebied van Leiderdorp naar Hazerswoude loopt. De slechtvalken gebruiken deze hoogspanningsmasten graag als uitzichtpunt. Slechtvalken zijn ook het gemakkelijkst te zien als ze zo hoog in de mast zitten. Een slechtvalk op een molshoop wordt heel wat makkelijker over het hoofd gezien. Slechtvalken worden daarom vrijwel uitsluitend uit telgebieden met hoogspanningsmasten gemeld. De lokaal inmiddels beroemde Hoogspanningsmast 58, net buiten de Wilck, is daarbij de meest gewilde stek. Dat de slechtvalken zich graag in de buurt van De Wilck ophouden is geen toeval. Door de grote vogelrijkdom vinden ze hier een rijk gedekte tafel. De valken jagen op graspiepers, watersnippen, kieviten, goudplevieren, wulpen, smienten, kraaien, wilde eenden, duiven, wintertalingen, scholeksters en spreeuwen, en het is een waar spektakel als dat allemaal op de vlucht de lucht in gaat (mededeling A. Zevenhoven).
De slechtvalken arriveren half september, waarna in een korte periode verschillende exemplaren (juvenielen, vrouwtjes, mannetjes), kennelijk op doortrek, worden waargenomen. De laatste waarnemingen van slechtvalken worden doorgaans eind april gedaan, al bleef in 2000 een paartje tot in mei hangen. Al met al verblijven deze slechtvalken dus meer dan de helft van hun leven in De Wilck en omstreken.

6.7 Meerkoet


Groepen meerkoeten zijn een vertrouwde verschijning op de graslanden van de Rijnstreek. Per telling bevinden zich gemiddeld zo'n 2000 exemplaren in de Rijnstreek. Het gemiddelde seizoensmaximum loopt tegen de 3000 stuks. In de winter treedt er een duidelijke influx van meerkoeten op en laten de vogels zich in dichte groepen makkelijk tellen. Dat een deel van de meerkoeten echt wintergast is blijkt uit het feit dat van de zes tellingen de aantallen in oktober en maart steevast het laagst zijn. Favoriete verblijfsplaatsen zijn vochtige stukken grasland direct nabij oppervlaktewater. Met name de percelen nabij meters hoger gelegen boezemwateren zijn favoriet. Bij onraad sprinten de koeten de dijk op om zwemmend een veilig heenkomen te zoeken.
Het zijn steeds dezelfde plekken die 's winters door de meerkoeten worden bezocht. Alleen strenge kou verdrijft ze naar de aanwezige wakken. De beste meerkoetenplek bevindt zich in de Achthovenerpolder lang het veenstroompje de Does, in het westen van de Rijnstreek Noord. Hier bevinden zich niet zelden 1000 meerkoeten, met een groep van 3300 exemplaren als record (december 1998).

6.8 Kievit


De kievit is de talrijkste vogel in de Rijnstreek. Tijdens de tellingen is gebleken dat zich wel 20.000 kieviten in dit gebied op kunnen houden. De seizoenspiek ligt in oktober-november, als veel noordelijke kieviten door ons land trekken. De kievit wordt verspreid over de hele Rijnstreek waargenomen. Gebieden waar zich duizenden kieviten kunnen ophouden zijn de Achthovener Polder, de Lagenwaardse Polder, de Barre polder, de Groenendijkse Polder en de Hazerswoudse Droogmakerij. Voor nog hogere aantallen moet de liefhebber ook voor deze soort in De Wilck zijn. Hier worden regelmatig groepen van 5 tot boven de 10.000 exemplaren gemeld. Een groep van 12 tot 14.000 exemplaren in februari 1997 is het maximum dat tot dusverre is geteld.

6.9 Goudplevier


Goudplevieren zijn meer doortrekker dan wintergasten. De piek van de doortrek ligt meestal in september en bedraagt jaarlijks 10 tot 12.000 vogels. Tijdens de oktober-telling, en incidenteel de novembertelling, pakken de tellers hiervan slechts een staartje mee. Toch gaat het dan nog altijd om duizenden exemplaren, die met hun vluchten voor spectaculaire taferelen boven het polderland zorgen. Ook bij de goudplevieren zijn De Wilck en de Lagenwaardse Polder favoriet. Het zijn steevast deze twee gebieden waar de seizoensmaxima worden waargenomen. Daarnaast is de noordelijke helft van de Achthovener Polder elk jaar goed voor duizenden goudplevieren.






Veldwaarnemingen

Telweekenden

1995/96

11000

9120

1996/97

12149

12149

1997/98

10570

10570

1998/99

11000

5243

1999/00

9000

5182

Gemiddeld

10744

8453


Tabel 8: Seizoensmaxima goudplevier

6.10 De nijlgans (en andere exoten)


Ook de Rijnstreek is ontdekt door verschillende soorten exoten binnen de Nederlandse avifauna. Een kansje op echte "bijzonderheden" is er altijd door de nabijheid van het vogelpark Avifauna in Alphen aan den Rijn. Wil je een blauwe ekster in de stad, een kwak in je dakgoot of een heilige ibis in je telgebied? Kom dan naar het groene hart! (Hesseling en Hooftman 1998)
Voor het overige worden alleen de nijlgans en de zwarte zwaan regelmatig opgemerkt. De nijlgans doet het rustig aan in de Rijnstreek. Hier geen concentraties van meer dan 50 nijlganzen, zoals wij die bijvoorbeeld kennen uit Ade en de omgeving van Den Haag. Over de gehele Rijnstreek worden per telling zo'n 15 tot 20 nijlganzen geteld. Het gemiddeld seizoensmaximum bedraagt 40 exemplaren. Bij het absolute maximum van 84 moet worden opgemerkt dat de kans groot is dat hier een dubbeltelling in het spel is. Tijdens betreffende telling in oktober 1997 werd een groep van 40 nijlganzen op verschillende teldagen uit naburige telgebieden gemeld.
Zwarte zwanen worden vrijwel uitsluitend gemeld uit de Oostbroekpolder, gelegen in het uiterste westen van de Rijnstreek Zuid. Deze polder is vanaf de winter 97-98 geteld. 's Zomers zijn de vogels afwezig, om in de winter op te duiken. Meestal gaat het om 2 exemplaren, incidenteel oplopend tot 5 exemplaren. Buiten de telweekends is er wel eens een 6-tal geteld. Gezien de landelijke seizoensmaxima van circa 50 exemplaren is dat een opmerkelijk aantal (SOVON Ganzen- en Zwanenwerkgroep 1998).

7. Conclusie


Dankzij vijf winters vogels tellen is er nu een goed beeld van het voorkomen van wintervogels in de Rijnstreek. De Rijnstreek blijkt een vogelrijk gebied, waar naast spectaculaire soorten (bijvoorbeeld grote zilverreiger, slechtvalk) ook hoge aantallen kunnen worden waargenomen (bijvoorbeeld goudplevier en kievit). Het gebied is van erkend internationaal belang voor de kleine zwaan en de smient. De betekenis van de Rijnstreek voor de knobbelzwaan en ganzen wordt in de recente literatuur onderschat. Bij de knobbelzwaan is dat te verklaren door het tot 1995 gebrekkig uitgevoerde telwerk. Bij de ganzen is het te verklaren, omdat het bezoek van duizenden toendrarietganzen en kolganzen een fenomeen van de laatste jaren is.
Uit de vergelijking van de gegevens die voortkomen uit de telweekenden met die uit de veldwaarnemingen blijkt dat de tellingen een onderschatting opleveren van het gebruik dat de vogels daadwerkelijk van de gebieden maken. In die zin is het gebruik van "seizoensmaxima" op basis van de officiële tellingen minder maximaal dan het klinkt. Het is opmerkelijk hoe ganzen en zwanen er soms in slagen zich met name buíten de telweekenden in de Rijnstreek te vertonen. Het is maar goed dat ze ook dan niet aan de aandacht van de wakkere Rijnstreekse vogeltellers ontsnappen.
Binnen de Rijnstreek zijn er twee duidelijke hot-spots voor vogels: De Wilck en de Lagenwaardse Polder. De Wilck is een natuurreservaat in eigendom en beheer van Staatsbosbeheer en als speciale beschermingszone aangewezen onder de vogelrichtlijn. Het gebied is daarmee afdoende beschermd. Gezien de bijzonder hoge aantallen wintervogels zou Staatsbosbeheer dit "weidevogelreservaat" overigens beter "vogelreservaat" kunnen noemen!
De Lagenwaarde Polder staat daarentegen nog niet op de kaart in het natuurbeleid. Het gebied heeft dringend bescherming nodig: de naastgelegen Polder Gnephoek zal binnen afzienbare tijd sneuvelen voor woningbouw ten behoeve van het al maar groeiende Alphen aan den Rijn. De Lagenwaardse Polder is niet alleen voor de wintergasten interessant, maar ook voor weidevogels en de hier broedende zwarte stern (Alblas en Kes, 1999). Het gebied zou door een op de natuur toegesneden beheer verder aan waarde kunnen winnen. Het wordt daarom hoog tijd dat de uitgestelde begrenzing van 100 hectare reservaat in de ecologische hoofdstructuur in dit gebied snel rond komt (Provincie Zuid Holland 1997). De ervaringen met De Wilck wijzen uit welk een toegevoegde waarde een natuurreservaat in de Rijnstreek heeft.

8. Waarnemers


Dit rapport kon worden opgesteld door het volhardende telwerk van:

Wilfred Alblas, Piet van Duin, Siem van der Haas, Peet Hesseling, Carol Honsbeek, Rien Hooftman, Adrian Johnston, Ko Katsman, Cor Kes, Jan Koeckhoven, Jan Kuyt, Peter Potma, Henk Vervoort, Aad Zevenhoven en Cor van Zwieten



9. Literatuur



Alblas, W.F.G. en C. Kes (1999): De zwarte stern in Rijnwoude. Vogeljaar 47(5) 214-218.
Anonymus (zonder jaartal): Wintervogeltellingen seizoen 1986-1987. Consulentschap Natuur, Milieu en Faunabeheer Zuid-Holland en Dienst Ruimte en Groen, bureau Natuur, Provincie Zuid-Holland. Den Haag.
Eijk, B. van (1999): De Wilck: Toen: van nestbescherming naar weidevogelreservaat, nu: van "BVG" naar "SPA" (= Special Protected Area). Braakbal. (20) 2, p. 22-28
Van Heerden, A., R. ter Horst, H.G. van der Weijden, C. Witkamp en J. Woudstra (1988): Wintervogeltellingen in Zuid-Holland - 1984-1985 en 1985-1986. Provincie Zuid-Holland en Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 's-Gravenhage.
Hesseling, P. en R. Hooftman (1998): Kwakzalverij. Braakbal (19) 3, p. 8.
Horst, R. ter, C. Witkamp en R.J.S. Terlouw (1995): Wintervogeltellingen in Zuid-Holland 1991-1992. Bureau Terlouw publicatie 93/1, Gouderak.
Katsman, K. (1993): Toendrarietgans in de Lagenwaardse Polder. Braakbal (14) 3, p. 6-7.
Koffijberg, K., B. Voslamber en E. Van Winden (1997): Ganzen en Zwanen in Nederland: overzicht van pleisterplaatsen in de periode 1985-94. SOVON. Beek-Ubbergen.
Mannaart, M. (1991): Overwinterende kleine zwanen in het gebied tussen Leiderdorp/Zoeterwoude/Hazerswoude-Dorp/Alphen aan den Rijn/Hoogmade. Vogelwerkgroep Koudekerk/Hazerswoude e.o.. Alphen aan den Rijn.
Mostert, K., R. ter Horst en A. van Heerden (1991): Wintervogeltellingen in Zuid-Holland 1987/88, 1988/89 en 1989/90, Provincie Zuid-Holland en Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 's-Gravenhage.
Mostert, K., R. ter Horst en A. van Heerden (1995): Wintervogeltellingen in Zuid-Holland 1992/93, Provincie Zuid-Holland en Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 's-Gravenhage.
Provincie Zuid-Holland (1997): Begrenzingenplan Rijnstreek-Noord. Den Haag.
SOVON Ganzen- en Zwanenwerkgroep (1998): Ganzen- en zwanentellingen in Nederland in 1996/97. SOVON monitoring-rapport 98/06. SOVON. Beek-Ubbergen.
Terlouw, R.J.S. (1991): Wintervogeltellingen in Zuid-Holland 1990/91. Bureau Terlouw publicatie 191/1, Gouderak.
Voslamber B., E.A.J. van Winden en M.W.J. van Roomen (1999): Midwintertelling van watervogels in Nederland, januari 1998. SOVON-monitoringrapport 1999/05. SOVON. Beek-Ubbergen.
Werkgroep Slechtvalk Nederland (1997): Slechtvalk Nieuwsbrief. Juni 1997.






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina