1. Inleiding



Dovnload 303.6 Kb.
Pagina1/5
Datum17.08.2016
Grootte303.6 Kb.
  1   2   3   4   5

1. Inleiding





    1. Probleemstelling

Gehoorverlies is bij de mens de meest voorkomende zintuiglijke beperking (Lalwani, 1999). In Nederland zijn er ongeveer 1,3 miljoen mensen die niet (alles) kunnen horen, waarvan 15-24 duizend mensen ernstig slechthorend of doof zijn (Dovenschap, 2004). Men spreekt van ernstig slechthorend bij een gehoorverlies van 60-90 decibel en van doof bij 90 decibel of meer (Van Uden, 1989). Wanneer het gehoorverlies al vanaf de geboorte aanwezig is, of in de eerste levensjaren ontstaat, kan het een zeer grote invloed hebben op de ontwikkeling van het kind. De spraak- en taalontwikkeling, wat een natuurlijk proces is bij horende kinderen, wordt een groot probleem (Admiraal, 2000). Gehoorverlies kan niet alleen leiden tot problemen met de spraak- en taalontwikkeling, maar ook tot problemen in de motorische ontwikkeling van het kind. Geluid is namelijk van belang voor de motoriek. Het speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de auditieve ‘feedback’ (terugkoppeling) van bewegingen, bij het stimuleren van bewegingen en bij de ruimtelijke oriëntatie (het verkennen van de omgeving) (Wiegersma, 1979).


De motoriek wordt ontwikkeld in de kinderjaren tijdens sport en spel in de vrije tijd of tijdens de lessen lichamelijke opvoeding op school. Verhulst (1991) stelt dat een goede motorische ontwikkeling niet alleen belangrijk is voor het uitvoeren van motorische vaardigheden bij sport en lichamelijke opvoeding, maar ook voor het verwerven van cognitieve en sociale vaardigheden. Vroege stoornissen in de motorische ontwikkeling kunnen resulteren in achterstanden op het gebied van de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling (Myklebust, 1964; Meadow, 1980; Henderson & Hall, 1982; Geuze & Börger, 1993). Het is dus belangrijk dat de motoriek goed ontwikkeld is om in de samenleving optimaal te kunnen functioneren.
Uit eerder onderzoek blijkt dat dove kinderen, vergeleken met hun leeftijdsgenoten, kunnen achterlopen in de motorische ontwikkeling (Myklebust, 1964; Wiegersma, 1979; Wiegersma en Van der Velde, 1983; Butterfield, 1986; Boogemans en Simons, 1993; Rogiest en Berings, 1993; Dummer et al., 1996). Uit onderzoek van Bouffard et al. (1996) is gebleken dat kinderen met een motorische achterstand in een negatieve vicieuze cirkel terecht kunnen komen, waarin een gebrek aan motorische vaardigheden en een gebrek aan oefening in motorische vaardigheden elkaar versterken. Kinderen die problemen hebben met grove motorische vaardigheden spelen minder vaak met andere kinderen (Bouffard et al., 1996). Inactiviteit heeft negatieve gevolgen voor de motorische, cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen (Seefeldt, 1986). Succesvolle deelname aan sporten als honkbal, basketbal, gymnastiek en volleybal is afhankelijk van de competentie in grove motorische vaardigheden zoals rennen, springen, huppelen, vangen, schoppen en slaan (Haubenstricker & Seefeldt, 1986).
Er kan op verschillende manieren naar de motorische vaardigheden gekeken worden. Men kan zich richten op het resultaat (kwantiteit) of op het uitvoeringsproces (kwaliteit). De waarde van het analyseren van de uitvoering van de beweging is, dat er aangewezen kan worden waar de problemen zich bevinden in het uitvoeringsproces. Door te weten waar de problemen liggen kan men interventies die gericht zijn op het verbeteren van de motoriek gerichter uitvoeren. Bij kinderen is het zinvol om te werken aan het verbeteren van de uitvoering van bewegingen, omdat ze zich motorisch nog aan het ontwikkelen zijn (Haubenstricker & Seefeldt, 1986). Dummer et al. (1996) concludeerden in een onderzoek bij dove kinderen dat er een positieve relatie bestaat tussen de kwaliteit en kwantiteit van de vaardigheid. Het is belangrijk dat de vaardigheid op de juiste manier uitgevoerd wordt om een goed kwantitatief resultaat te krijgen. In Nederland is door onder andere Wiegersma (1979) en Wiegersma en Van der Velde (1983) onderzoek gedaan naar de motorische ontwikkeling van dove kinderen. In deze onderzoeken werden de kwantitatieve aspecten van de grove motorische vaardigheden onderzocht. De kwalitatieve aspecten van de grove motorische vaardigheden van dove kinderen zijn in Nederland nog niet onderzocht.
Niet alleen doofheid kan van invloed zijn op de grove motorische vaardigheden, maar ook persoonsgebonden factoren en omgevingsgebonden factoren. Uit de literatuur blijkt dat er nog geen eenduidige conclusies getrokken kunnen worden met betrekking tot de invloed die persoonsfactoren factoren en omgevingsgebonden factoren hebben op de grove motorische vaardigheden.



    1. Doelstelling en vraagstelling

Het doel van dit afstudeeronderzoek is inzicht te krijgen in de kwaliteit van de grove motorische vaardigheden van Nederlandse dove kinderen met een hoorverlies van >80 dB. De hoofdvraag die in dit onderzoek gesteld wordt is:


Vertonen dove kinderen in de leeftijd van zes tot en met twaalf jaar een achterstand in de kwaliteit van grove motorische vaardigheden vergeleken met horende leeftijdsgenoten?
Naast de hoofdvraag worden nog een aantal subvragen gesteld. Hebben leeftijd, geslacht, nevenstoornis, balans (statisch en/of dynamisch) en sportbeoefening invloed op de kwaliteit van de grove motorische vaardigheden van dove kinderen?


  • Bij de factor leeftijd zal onderzocht worden welke invloed het ouder worden heeft op de kwaliteit van de grove motorische vaardigheden van dove kinderen. Ook zal gekeken worden hoe de kwaliteit van de grove motorische vaardigheden van dove kinderen zich ontwikkelt ten opzichte van de ontwikkeling die horende leeftijdsgenoten doormaken in de loop van de jaren.

  • Bij de factor geslacht zal onderzocht worden of jongens en meisjes verschillen vertonen in de kwaliteit van de grove motorische vaardigheden.

  • Bij de factor nevenstoornis zal onderzocht worden of het hebben van een stoornis naast doofheid van invloed is op de kwaliteit van de grove motorische vaardigheden.

  • Bij de statische en/of dynamische balans wordt gekeken of deze van invloed zijn op de kwaliteit van de grove motorische vaardigheden. Statische balans is het handhaven van de balans zonder dat er een verplaatsing plaatsvindt. Dynamische balans is het handhaven van de balans tijdens verplaatsing (Malina & Bouchard, 1991).

  • Bij de factor sportbeoefening zal onderzocht worden of deze van invloed is op de kwaliteit van de grove motorische vaardigheden.

De resultaten van dit onderzoek zijn van belang voor de opvoeding van en onderwijs aan dove kinderen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat sport en spel belangrijke elementen zijn voor een goede ontwikkeling van motorische vaardigheden. Door inzicht te hebben in de kwaliteit van de grove motorische vaardigheden van dove kinderen kan er in de opvoeding van en in het onderwijs aan dove kinderen zonodig extra aandacht aan besteed worden.





    1. Opbouw van de scriptie

In hoofdstuk twee zal de theorie besproken worden. Hier wordt ingegaan op achterliggende theorieën en de veronderstelde relaties met betrekking tot de motorische ontwikkeling van het dove kind. In hoofdstuk drie zal de onderzoeksmethode besproken worden. De resultaten worden weergeven in hoofdstuk vier. Hoofdstuk vijf bevat de conclusies en discussie. Tevens zullen in dit hoofdstuk aanbevelingen voor vervolg onderzoek gedaan worden.



2. Theorie


2.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een theoretisch kader geschetst met betrekking tot de motorische ontwikkeling van dove kinderen. Eerst wordt het begrip ‘doofheid’ uitgelegd. Vervolgens wordt er een definitie gegeven van motorische ontwikkeling en zal de dynamische systeemtheorie worden besproken. Daarna wordt de ‘normale’ ontwikkeling van grove motorische vaardigheden besproken. In de daaropvolgende paragraaf wordt specifiek ingegaan op de ontwikkeling van de grove motorische vaardigheden van dove kinderen. Vervolgens zullen er een aantal factoren aan bod komen die invloed kunnen hebben op de motorische ontwikkeling van dove kinderen. Als slot van dit hoofdstuk wordt aangegeven wat de hypothesen zijn bij de vraagstellingen.


2.2 Het begrip ‘doofheid’
Er worden vier categorieën van gehoorstoornis onderscheiden: licht slechthorend, matig slechthorend, ernstig of zwaar slechthorend en bijna doof tot doof. Bij licht slechthorend is er een gehoorverlies van 0-30 dB aan het beste oor en vaak heeft men problemen met de waarneming van zachte geluiden en veel lawaai. Als er een gehoorverlies van 30-60 dB is, spreekt men van matig slechthorend. Het spreken met een doorsnee intensiteit wordt, afhankelijk van omgevingsgeluiden, slecht of geheel niet verstaan. Heeft men een gehoorverlies van 60-90 dB dan is men ernstig of zwaar slechthorend. Bij deze groep is een hoorapparaat noodzakelijk. De taal wordt verworven met liplezen. Alleen door zeer luid te praten of te schreeuwen is communicatie mogelijk. Ernstig slechthorende kinderen gaan naar een dovenschool of een school voor slechthorenden. Men spreekt van bijna doof of doof als er een gehoorverlies van meer dan 90 dB is. Deze groep communiceert door middel van liplezen en gebarentaal. Akoestische communicatie is niet meer mogelijk bij dove kinderen. Dove kinderen gaan naar een dovenschool (Van Uden, 1989).
Daarnaast kunnen er drie typen van gehoorstoornissen worden onderscheiden: de geleidingsdoofheid, de perceptiedoofheid en de gemengde doofheid. Geleidingsdoofheid bestaat uit stoornissen in het buitenoor (trommelvlies) of in het middenoor. Hierbij is botgeleiding, de geleiding van geluid via de schedel naar het slakkenhuis, nog wel mogelijk. Perceptiedoofheid bestaat uit stoornissen in het centrale zenuwstelsel. Bij gemengde doofheid komen beide stoornissen voor. Gehoorstoornissen kunnen ook naar frequentie van het drempelverlies ingedeeld worden. Mensen die hoge tonen niet kunnen horen, zijn discant doven (gehoor tot 300 a 500 Hz). Mensen die juist lage tonen niet kunnen horen, worden basdoven genoemd (Van Uden, 1989; Buter et al., 1990).
Ten slotte kunnen er twee categorieën worden onderscheiden met betrekking tot de leeftijd waarop de handicap ontstaat: ‘prelinguaal’ en ‘postlinguaal’. Prelinguaal betekent dat de doofheid is ontstaan voordat het kind de taal verworven heeft. Dit is meestal voor het tweede levensjaar. Men spreekt van postlinguaal doof als de handicap is ontstaan na de taalverwerving (Van Uden, 1989).
Er zijn verschillende oorzaken van doofheid bekend. Bij de helft van de kinderen is een erfelijke aandoening oorzaak van hun handicap. Bij een derde is de oorzaak onbekend. De overige gevallen worden veroorzaakt door bijvoorbeeld ziekten tijdens de zwangerschap van de moeder, een te laag geboortegewicht, zuurstoftekort (met als gevolg een beschadiging van de gehoorzenuw) en meningitis (hersenvliesontsteking) (Myklebust, 1964).

2.3 Motorische ontwikkeling
Clark (1994) definieert de motorische ontwikkeling als een verandering in motorisch gedrag gedurende het leven en de processen die ten grondslag liggen aan deze verandering. De continue verandering is een belangrijk kenmerk van de motorische ontwikkeling. Deze verandering is gebaseerd op neuromusculaire rijping en de eerdere opgedane en nieuwe motorische ervaringen (Malina & Bouchard, 1991). Onder neuromusculaire rijping worden de groei- en rijpingskenmerken van een kind, zoals de grootte en lichaamsbouw, verstaan.
Er zijn verschillende theorieën die de motorische ontwikkeling verklaren. De dynamische systeemtheorie is hier één van en wordt tegenwoordig als een belangrijke theorie beschouwd. In tegenstelling tot een aantal andere ontwikkelingstheorieën gaat de dynamische systeemtheorie er van uit dat meerdere factoren de ontwikkeling veroorzaken. Mentale, neurale en omgevingsfactoren geven allen richting aan de ontwikkeling (Netelenbos, 1998 en 2000). ‘De ontwikkeling wordt bepaald door spontaan assemblerende, zelforganiserende systemen, zonder dat er gesproken kan worden van een onderliggende regel, een onderliggend schema, een onderliggende cognitieve structuur of neurologische configuratie die vooraf het ontstaan van dergelijke systemen heeft voorgeschreven. Een systeem bestaat uit elementen die met elkaar samenwerken en interacteren tijdens bewegingsgedrag. Systemen ontstaan op grond van een min of meer gelijktijdige activatie van bepaalde subsystemen’ (Netelenbos, 1998). Er zijn drie subsystemen te onderscheiden: het perceptuele subsysteem, het neurale subsysteem en het spier-skeletsubsysteem. Deze subsystemen kunnen na een onderlinge strijd spontaan een georganiseerd geheel vormen. Dit is wat bedoeld wordt met zelforganisatie van de systemen. Subsystemen bevatten parameters die voortdurend veranderen. Voorbeelden van parameters zijn neurale netwerken, spieren, lichaamsbouw, ervaring en omgeving. Deze parameters kunnen veranderen: neurale netwerken breiden zich uit, de spieren worden krachtiger, het lichaam neemt in lengte toe, de ervaringen worden abstracter en de omgeving neemt toe in complexiteit. Het evenwicht van de bestaande systemen staat voortdurend onder druk. Als een parameter van een subsysteem zo verandert dat het systeem niet meer in evenwicht is, treedt er een fasetransitie op. Door deze fasetransitie wordt er een nieuw evenwicht bereikt. Elk subsysteem kan de bron zijn van een fasetransitie. Dit betekent dat de ontwikkeling niet vanuit een enkele causale factor verklaard kan worden, maar dat er sprake is van multi-causaliteit.
In de definitie van motorische ontwikkeling komt naar voren dat de ontwikkeling niet tot stand komt door een bepaalde factor, maar dat de ontwikkeling een samenspel is van neuromusculaire rijping en eerdere opgedane en nieuwe ervaringen. De dynamische systeemtheorie gaat uit van deze multi-causaliteit. In § 2.6 wordt de invloed van persoonsgebonden en omgevingsgebonden factoren besproken met betrekking tot de motorische ontwikkeling van dove kinderen. In § 2.7 zal nader in worden gegaan op de betekenis van deze theorie voor de motorische ontwikkeling van het dove kind.

2.4 Ontwikkeling van grove motorische vaardigheden
In de peuter- en kleuterperiode (2-6 jaar) ontwikkelt een kind grove motorische vaardigheden. Malina & Bouchard (1991) stellen dat grove motorische vaardigheden grotendeels gevormd worden door de bewegingen van het hele lichaam of van grote segmenten van het lichaam. Verplaatsvaardigheden en balvaardigheden zijn de belangrijkste grove motorische vaardigheden. Deze vormen een basaal onderdeel bij spel- en sportvaardigheden. Bij verplaatsvaardigheden wordt het lichaam door de ruimte verplaatst, bijvoorbeeld lopen, rennen, springen, hinkelen, en galopperen. Bij balvaardigheden wordt de bal verplaatst door de ruimte, zoals bij vangen, rollen, dribbelen, slaan, gooien en schoppen.
2.4.1 Ontwikkeling van verplaatsvaardigheden

De meeste kinderen beginnen met lopen als ze één jaar zijn, maar dit looppatroon moet zich nog verder ontwikkelen. De staplengte en de consistentie van de staplengte nemen over de jaren toe. Eerst lopen de kinderen met de voeten naar buiten gericht en is de romp iets voorovergebogen. Ook de armen worden gebogen gehouden en zwaaien nog niet mee (Netelenbos, 1998). Rond het derde levensjaar bereiken ze een volgroeid looppatroon. Ze wikkelen de voet nu goed af. De armen zwaaien tegenwaarts mee, maar nog wel onregelmatig (Wickstrom, 1977). Het is belangrijk dat het lopen goed ontwikkeld is, want lopen vormt de basis van rennen, springen, huppelen en andere verplaatsvaardigheden.


Rennen onderscheidt zich van lopen door een fase waarin beide voeten van de grond zijn. Kinderen beginnen te rennen tussen de achttiende en twintigste levensmaand (Netelenbos, 1998). Om goed te kunnen rennen is het noodzakelijk dat het kind een goede coördinatie en balans bezit om deze snelle beweging te kunnen controleren (Wickstrom, 1977). Het renpatroon ontwikkelt zich naarmate het kind ouder wordt. Eerst rent het kind alleen recht vooruit. Tijdens het spelen wordt het echter steeds belangrijker om van richting te kunnen veranderen of direct te kunnen stoppen. Deze vaardigheden gaat het kind steeds beter beheersen. Andere veranderingen in de ontwikkeling van het rennen zijn een toename van de paslengte, dat een hogere rensnelheid veroorzaakt, een afname van opwaartse lichaamsbewegingen tijdens elke pas en een toename in de hoogte van de knie tijdens de zwaai van het leidende been (Wickstrom, 1977). Het volgroeide patroon wordt gemiddeld bereikt rond het vierde levensjaar (Netelenbos, 1998). Wickstrom (1977) schrijft dat meerdere studies aantonen dat bij basisschool kinderen (5-11 jaar) een consistente verbetering in de snelheid van het rennen valt waar te nemen naarmate het kind ouder wordt. In de leeftijd van vijf, zes en zeven zijn er geen verschillen in rensnelheid tussen jongens en meisjes. Vanaf zeven jaar zijn jongens over het algemeen sneller dan meisjes.
Als kinderen in staat zijn te rennen, bezitten ze ook de vaardigheden die nodig zijn voor het springen. Springen vereist echter meer kracht en coördinatie. Het kind moet voldoende kracht hebben om het lichaam in de lucht te krijgen. Tijdens het springen worden er meerdere bewegingen uitgevoerd. Het kind moet in staat zijn deze bewegingen te coördineren, terwijl de balans gehandhaafd blijft (Wickstrom, 1977). Springen kan vanuit stilstand, maar ook met een aanloop. Het meeste onderzoek is gedaan naar springen vanuit stilstand, de staande-breedtesprong. Bij deze sprong wordt met beide voeten vanuit stilstand afgezet en met beide voeten weer neergekomen. Er wordt in horizontale richting gesprongen. Er zijn een aantal opeenvolgende veranderingen waar te nemen die leiden tot een goed sprongpatroon. De eerste veranderingen zijn waar te nemen bij de voorbereidingsfase van de sprong. Het kind gaat dan eerst door de knieën, voordat de sprong in gezet wordt. Vervolgens gaat het kind de armen gebruiken tijdens het springen. De armen worden bij de afzet dan naar voren gezwaaid en bij de landing voor- en opwaarts uitgestrekt. Het kind gaat steeds verder door de knieën voordat het afzet en bij de afzet wordt steeds meer het hele lichaam gebruikt. De meeste veranderingen in de staande-breedtesprong beginnen spontaan, maar de vooruitgang is variabel (Wickstrom, 1977). Een volgroeid sprongpatroon van de staande-breedtesprong valt bij sommige kinderen al op 4 ½ - jarige leeftijd waar te nemen (Netelenbos, 1998). Keogh (1965) concludeerde dat kinderen een variatie in de gemiddelde sprongafstand vertonen. Wel is er een consistente lineaire verbetering waar te nemen naarmate het kind ouder wordt. Tot acht jaar zijn er geen grote verschillen in sprongafstand tussen jongens en meisjes. Daarna zijn jongens over het algemeen beter dan meisjes.
Het springen met een aanloop, de loopsprong, is een heel andere manier van springen dan de staande-breedtesprong. Bij deze sprong wordt een aanloop genomen en wordt er met een voet afgezet en met de andere voet geland. Wickstrom (1977) heeft verschillende springvormen geordend door te kijken naar de mate van beheersing van de verschillende sprongen. Hieruit komt naar voren dat de staande-breedtesprong eerder beheerst wordt dan de loopsprong.
Bij hinkelen beweegt het kind zich voort op een been. Er wordt met een voet afgezet en met dezelfde voet neergekomen. In het begin bevindt het kind zich erg kort in de lucht en kunnen er een paar hinkels achter elkaar worden gemaakt. Het zwaaibeen wordt hoog gehouden en is niet actief tijdens het hinkelen. Naarmate het kind ouder wordt kunnen er steeds meer hinkels achter elkaar gemaakt worden. Het zwaaibeen wordt dan ook betrokken bij de beweging. Het beweegt op en neer en helpt zo de beweging krachtiger te maken. De beweging wordt steeds vloeiender uitgevoerd. De armen worden in het begin willekeurig bewogen, later helpen de armen bij het afzetten (Payne & Isaacs, 1995). Kinderen van 3 jaar kunnen nog nauwelijks hinkelen. Op vijfjarige leeftijd kunnen er gemiddeld 10 huppen (hinkelen) worden gemaakt en op negenjarige leeftijd kan er gemiddeld 15 meter worden gehinkeld zonder het evenwicht te verliezen. Het kind presteert het best op zijn of haar voorkeursbeen. Meisjes presteren beter dan jongens op deze taak (Netelenbos, 1998).
Galopperen is een complexere beweging dan hinkelen en kan op verschillende manieren uitgevoerd worden, voorwaarts en zijwaarts. Bij de voorwaartse galop wordt er een stap voorwaarts gezet met de leidende voet, gevolgd door een stap met de andere voet tot vlak naast of achter de leidende voet. In het begin van de ontwikkeling wordt vaak de achterste voet snel en voorbij de leidende voet geplaatst. De zijwaartse galop bestaat uit een stap met de ene voet naar bijvoorbeeld rechts gevolgd door het aansluiten van de andere voet. In het begin van de ontwikkeling hebben kinderen moeite met de schouders. De schouders worden vaak naar binnen gedraaid. Tijdens de ontwikkeling worden de voeten steeds beter aangesloten en worden de passen gelijkmatiger. Bij beide vormen van galopperen is het ritmische patroon erg belangrijk. Het kind zal, naarmate het ouder wordt, een steeds ritmischer patroon laten zien (Payne & Isaacs, 1995). Kinderen beginnen gemiddeld na het zesde levensjaar te galopperen. Meisjes presteren gemiddeld beter dan jongens, vooral bij de jongste leeftijden. Meisjes kunnen deze taken vaak ook eerder uitvoeren (Netelenbos, 1998).
2.4.2 Ontwikkeling van balvaardigheden

Vangen is een vaardigheid waarbij een bewegende bal gevangen wordt met de handen. Dit kan in de vorm van een rollende bal, een stuiterende bal of een bal in de lucht zijn. Het vangen van een bal in de lucht komt het meeste voor in sport- en spelactiviteiten en is tevens de moeilijkste taak. Vaak zijn kinderen bang bij het vangen van een bal en ze draaien daarom hun hoofd af of doen hun ogen dicht. Ook wordt de romp vaak naar achteren gedraaid. Dit gedrag wordt rond het vierde levensjaar vertoond (Wickstrom, 1977). Na deze fase begint het kind met het vangen van ballen door recht tegenover de gooier te staan en een schuitje met zijn armen en romp te maken voor de bal. Het kind doet zelf nog heel weinig. Na enige vangervaring, wordt de deelname van het kind steeds actiever. Het kind gaat de armen spreiden als teken van gereedheid en het laat een grijpreactie zien. De bal wordt gevangen door de bal tegen het lichaam tot stilstand te brengen. Langzamerhand wordt de bal alleen met de armen gevangen. Later worden de handen meer naar voren gebracht en wordt het kind minder afhankelijk van armen en lichaam. Uiteindelijk wordt de bal alleen gevangen met de handen. Op zesjarige leeftijd kan het kind dit redelijk goed. De vangprestatie wordt steeds beter en er kunnen steeds kleinere ballen met succes gevangen worden (Wickstrom, 1977). Het vangen met een hand is moeilijker en wordt op latere leeftijd bereikt. Naarmate het kind ouder wordt, wordt de vangprestatie beter. Jongens zijn over het algemeen beter in het vangen van een bal dan meisjes (Netelenbos, 1998).


Kinderen die nog niet zo vaardig zijn in het onderhands rollen van een bal, zullen op de grond gaan zitten en de bal vanuit die positie rollen. Wordt het kind vaardiger in het rollen van een bal, dan kan het kind de bal vanuit staande positie rollen. Dit lukt alleen als het kind zijn zwaartepunt dichter bij de grond brengt door de benen te buigen. De snelheid waarmee gerold wordt, kan worden vergroot door een zwaai naar achteren te maken met de rolarm. Om de balans te handhaven moet er een stap voorwaarts gezet worden met de tegenovergestelde voet (Payne & Isaacs, 1995).
Bij het dribbelen of stuiteren met de bal is controle over de bal erg belangrijk. De ontwikkeling van het dribbelen wordt dan ook gekenmerkt door een stijgende controle over de bal. In het begin slaat het kind met platte hand op de bal, later gebruikt het kind meer de vingers. Er is dan alleen het geluid van de stuitende bal te horen (Payne & Isaacs, 1995).

Het slaan van een bal kan op verschillende manieren: bovenhands, onderhands en zijdelings. Kinderen beginnen met bovenhands slaan, omdat deze beweging veel lijkt op het gooien van een bal. Gebruiken ze deze vorm van slaan, dan hebben ze de meeste kans op succes. Het is moeilijk voor kinderen om zijdelings te leren slaan, omdat deze beweging veel complexer is dan het bovenhands slaan. De ontwikkeling van het zijdelings slaan wordt gekenmerkt door een aantal opeenvolgende veranderingen. De armzwaai wordt vrijer, hierdoor worden er meer bewegingen in verschillende gewrichten gemaakt. Er wordt steeds meer gebruik gemaakt van het maken van een voorwaartse stap of van het verplaatsen van het gewicht van het ene naar het andere been. De heup en romp worden meer geroteerd tijdens de voorbereidingsfase, waardoor er meer kracht ontwikkeld wordt (Wickstrom, 1977). Onderzoek toont aan dat het slaan verbetert naarmate het kind ouder wordt en dat jongens over het algemeen beter zijn dan meisjes (Wickstrom, 1977).


Wickstrom (1977) onderscheidt vier stadia in het werppatroon van kinderen. Kinderen van twee tot drie jaar vertonen een minimaal werppatroon. De romp roteert niet en de voeten blijven op dezelfde plaats staan. Tussen drie en vijf jaar gaat het kind tijdens het werpen de romp draaien en rond zes jaar gaat het kind de voeten verplaatsen. Het kind maakt een stap voorwaarts met het been dat aan dezelfde zijde van het lichaam bevindt als de werparm. Door naar voren te stappen wordt de worp krachtiger. Tussen zes en zeven jaar kan er een volgroeid werppatroon worden waargenomen (Wickstrom, 1977). Een belangrijk aspect van deze vorm is dat het lichaamsgewicht verplaatst wordt naar één been. Keogh (1965) concludeerde dat kinderen elk jaar een lineaire verbetering in het werppatroon vertoonden. Jongens werpen de bal significant verder weg dan meisjes op alle leeftijden.
Schoppen is een beweging waarbij het schopbeen een zwaaibeweging maakt, een voorwaartse en opwaartse beweging, om de bal weg te kunnen schoppen. Kinderen kunnen al tegen een bal schoppen vlak nadat ze kunnen rennen. Echter dit schopgedrag is erg onvoorspelbaar en er valt geen duidelijk bewegingspatroon waar te nemen. In deze fase wordt het kind beperkt om een goede beenbeweging uit te voeren door gebrek aan balans en de bal komt niet de lucht in omdat het kind nog te weinig kracht heeft. Vanaf drie jaar begint het kind een gestage vooruitgang in het schoppen te vertonen. Maar pas op vier à vijf jarige leeftijd valt er een duidelijk bewegingspatroon waar te nemen. De volgende vier fasen zijn belangrijk bij het ontwikkelen van een schoppatroon (Deach, 1950). In de eerste fase vertonen kinderen een kleine voorwaartse beweging van het onderbeen en kleine bewegingen van armen en romp om de beweging te coördineren. Kenmerkend voor de tweede fase is de voorbereidende beweging van de voet. De voet wordt, voordat het de bal raakt, een beetje opgetild. In de derde fase vertonen kinderen een duidelijke toename van de boog die het zwaaibeen maakt. Door toename van de boog van het zwaaibeen is het noodzakelijk dat de armen meewerken om goed in balans te blijven. In de laatste ontwikkelingsfase worden er meer bewegingen gemaakt. Extensie van de heup in de voorbereidingsfase maakt een krachtigere trap mogelijk. Door deze krachtigere trap zijn compenserende bewegingen van armen en romp nodig om in balans te blijven. In de ontwikkeling van het schoppen leren kinderen ook dat de snelheid voor de trap belangrijk is. Door een aanloop te nemen en vervolgens de bal weg te schoppen, kan de bal harder en verder weggeschopt worden, dan als de bal vanuit stilstand weggeschopt wordt. De schopprestatie verbetert naarmate het kind ouder wordt. Jongens kunnen over het algemeen de bal verder wegschoppen dan meisjes.
Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat hoe ouder de kinderen zijn, des te beter de grove motorische vaardigheden uitgevoerd kunnen worden. Dit heeft onder andere te maken met de lichamelijke groei die kinderen doormaken. In de kinderjaren neemt de spierkracht geleidelijk toe. Door de toenemende spierkracht kunnen er steeds meer motorische bewegingen uitgevoerd worden (Malina & Bouchard, 1991). Kinderen leren eerst lopen, vervolgens te rennen en daarna te springen. Voor het lopen is minder kracht nodig dan voor rennen en voor rennen is weer minder kracht nodig dan voor springen. Ook de ervaring die het kind met een vaardigheid heeft, is van invloed op de uitvoering. In de loop van de jaren krijgt het kind steeds meer ervaring met bepaalde vaardigheden en kan ze daarom beter uitvoeren (Malina & Bouchard, 1991). Verschillen tussen jongens en meisjes zijn klein, maar wel aanwezig. Over het algemeen zijn jongens beter in vaardigheden waar kracht en snelheid voor nodig zijn, zoals springen, gooien en rennen. Meisjes zijn over het algemeen beter in vaardigheden waar balans belangrijk is, zoals hinkelen en galopperen (Malina & Bouchard, 1991).


  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina