1: Inleiding



Dovnload 24.56 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte24.56 Kb.




Geschiedenis van het Politieke Denken
Academiejaar 2010-2011

Docent: Dr. Michel Huysseune

1: Inleiding

Deze cursus heeft als onderwerp de geschiedenis van het politieke denken, met de nadruk op zes grote namen uit die traditie. Deze zes klassieke politieke denkers zijn: Machiavelli, Hobbes, Montesquieu, Rousseau, Tocqueville, Marx. Dit uitgangspunt roept dadelijk twee vragen op:



  • wat is politiek denken?

  • wat zijn klassieke politieke denkers?




  1. Politiek denken is ten eerste ‘extradisciplinair’: de traditie van politieke denken die in deze cursus bestudeerd wordt kan niet herleid worden tot de politieke wetenschappen – de denkers die we bestuderen zijn actief geweest op een moment waarin de disciplinaire indeling van de humane wetenschappen (vrijwel) onbestaande was. Men zou hun teksten dus beter in de ruimere categorie van ‘menswetenschappen’ plaatsen. Enkel de meest recente besproken auteurs, Tocqueville en Marx, waren actief op een tijdstip dat die disciplinaire indeling zich langzaam aan het aftekenen was. Marx’ voorkeur voor de term ‘politieke economie’ toont dat hij zelf beslist niet zich strikt binnen een eng vakgebied wou plaatsen. Tocqueville is evenzeer socioloog of historicus als politicoloog. Geen van de zes besproken auteurs kan dus eenvoudig onder één van de moderne sociaalwetenschappelijke disciplines worden ondergebracht, zelfs al proberen de verschillende disciplines vaak die auteurs als ‘voorloper’ van respectievelijk het sociologisch, politicologisch of economisch denken te annexeren. Bovendien zijn verschillende onder hen niet alleen auteurs van wetenschappelijke maar ook van literaire teksten.




  1. Onderscheid politiek denken – politieke wetenschappen:




    1. Politieke wetenschappen is een empirische wetenschap, met de daaraan verbonden wetmatigheden en verplichtingen. De denkers die we bespreken zijn in mindere of meerdere mate pre-empirisch – wat echter niet betekent dat ze zich niet met empirie bezig hielden! Het is bijvoorbeeld onmogelijk de politieke denkers die in deze cursus aan bod komen los te zien van geschiedschrijving. Interpretatie van historische feiten (met bij velen een duidelijke voorkeur voor de geschiedenis van de Oudheid!) speelt vaak een cruciale rol in hun denken. Bij elk van de besproken auteurs kunnen we, omdat we de nodige afstand van hen kunnen nemen, analyseren hoe ze interageren met de empirie. Hun complexe en problematische relatie met die empirie suggereert ons dat ook bij de hedendaagse sociale wetenschappen die relatie met de empirie in vraag kan worden gesteld.




    1. Politieke wetenschap houdt zich in principe niet met waardeoordelen bezig. Het onderscheidt zich daardoor van politieke ideologieën én van politiek denken. Beide laatste verbinden politiek en ethiek. Politieke ideologieën kunnen echter van het oeuvre van politieke denkers worden onderscheiden doordat hun intentie mobiliserend is, wat veel minder het geval is voor het werk van de politieke denkers. Nochtans kan wel worden vastgesteld dat de meer recente politieke denkers die we bespreken “ideologischer” zijn. Dit is expliciet het geval bij Marx, maar de Franse Revolutie was onder meer ook een poging de theorieën van Rousseau aan te wenden. Deze sterkere relatie tussen politiek denken en politieke ideologieën kan verklaard worden door de democratisering van het politieke leven, zodat de afstand tussen die twee dimensies afneemt. Toch blijft ook bij die auteurs de reflexieve dimensie meestal centraal staan, wat hen van ideologen onderscheidt. Zelfs al zijn ze actiegericht, ze wensen (en dit geldt ook voor Marx) evenzeer het maatschappelijke gebeuren te begrijpen, de wetmatigheden ervan vast te leggen. Marx heeft zelf trouwens afstand genomen van de marxisten, die zijn denken als een soort socialistische religie wensten toe te passen.




    1. De normatieve dimensie is zeker een belangrijke dimensie van al deze politieke denkers (zelfs Machiavelli!) – en valt te verstaan in het verlengde van de antieke traditie (Plato). Deze politieke denkers dienen echter te worden onderscheiden van een andere traditie, die van denkers en auteurs die een ideale staat (Utopia) willen schetsen. Zelfs al is die idealiserende dimensie bij de auteurs die we bestuderen zeker aanwezig (bv. Rousseau), zijn ze sterk betrokken met de analyse van de samenlevingen die ze kennen. Wat hen tot politieke denkers maakt is bovendien een poging systematisch te denken over “politiek”, het politieke gebeuren en het politiek handelen (terwijl auteurs van utopische boeken vaak hopen dat hun ideaal zich zonder meer, zonder politiek proces, zal verwezenlijken). Utopia is uiteindelijk eerder een literair genre, zij het soms met een duidelijke politieke boodschap.




  1. Is politiek denken dan ‘prewetenschappelijk’ in contrast met de empirische methode van de politieke wetenschappen? Deze denkers zijn zeker niet “empirisch” volgens de gangbare praktijk binnen de politieke wetenschappen. Toch lijkt een dergelijke conclusie nogal voorbarig: politiek denken benadrukt dimensies die binnen de empirische benadering van de politieke wetenschappen niet aan bod komen: de normatieve en de filosofische. Zoals gezegd houden ze zich bezig met ideeën over een goede samenleving. Ze stellen vragen rond “wat maakt de werkelijkheid tot wat ze is”. De auteurs die wij bespreken speculeren bijvoorbeeld regelmatig over de menselijke natuur, over historische wetmatigheden, over macht en gezag, … We kunnen het politieke denken echter gebruiken als een instrument dat toelaat te reflecteren over de uitgangspunten van de politieke wetenschap: positivisme, geloof in rationeel handelende actoren, of breder een kritiek op de maatschappijbevestigende dimensie van de positivistische strekkingen binnen de politieke wetenschappen. In dat opzicht kan politiek denken een reflectie aanbieden over de gangbare waarden en normen van de politieke wetenschappen, en meer algemeen van de sociale wetenschappen. Het biedt aldus instrumenten aan om de waarden en normen van de politieke wetenschappen niet als dogma’s te beschouwen, maar als elementen die open moeten staan voor kritische evaluatie.




  1. Waarom dan een studie van de geschiedenis van het politieke denken en meer bepaald van klassieke politieke denkers? De auteurs die wij belichten zijn effectief klassiekers, waarnaar volgende generaties denkers systematisch refereren. Hun impact is bovendien blijvend gebleken: hun bijdragen zijn ook belangrijk om het hedendaagse politieke denken – en in bepaalde aspecten ook de hedendaagse politieke wetenschappen – te begrijpen (zelfs al zijn er hierin duidelijk modes aanwezig, waarbij sommige auteurs tijdelijk in de vergeethoek belanden). Door hun identiteit bevestigen deze auteurs overigens een belangrijke culturele beperking van deze traditie van het politieke denken, het zijn inderdaad allemaal “dead white males”. Postkoloniale auteurs die Eurocentrische visies aanvechten stellen niettemin dat het onmogelijk is zich geheel en al buiten die traditie te plaatsen, omdat de reactie tegen dit Eurocentrisme zelf van de traditie (en van de Europese klassieke denkers) gebruik maakt (zie bv. Chakrabarty 2007). Feministische auteurs voelen zich evenzeer verplicht deze klassieke auteurs (inclusief hun vooroordelen) te bestuderen (een uitstekend voorbeeld is Pateman 1988).1




  1. Sommigen van de bestudeerde auteurs hebben een – niet noodzakelijk altijd positieve – politieke impact uitgeoefend (Rousseau, Marx). Maar in beide gevallen kunnen hun theoretische bijdragen geenszins herleid worden tot zulke instrumentele aanwendingen. Opmerkelijk voor al die auteurs is juist dat ze een breed pluralisme van interpretaties toelaten. Er bestaat een uitgebreide en belangrijke traditie om hun werken te lezen en te interpreteren, en nieuwe interpretaties bevestigen regelmatig de rijkdom van hun oeuvre. Pogingen om sommigen onder hen af te schrijven op basis van hun vermeende verantwoordelijkheid voor misdaden (Rousseau en de Terreur tijdens de Franse Revolutie; Marx en de Goelag) berusten op een uiterst eenzijdige, soms zelf obsessionele lectuur van hun teksten, die methodologisch geheel en al onverantwoord is.




  1. De auteurs die we bestuderen bouwden zelf voort op bestaande intellectuele tradities, in de eerste plaats uit de Oudheid. Alle hier besproken auteurs hebben zich met de antieke klassiekers gemeten. Een belangrijke achtergrond vormen de politieke geschriften van Griekse filosofen zoals Aristoteles en Plato. Aan de Griekse traditie ontleenden ze een typologie, die drie regeringsvormen onderscheidde: de democratie, de aristocratie en de monarchie.2 Politiek denken vanaf de Renaissance ligt ook in het verlengde van de Griekse debatten over het ideale regeringstype. Een tweede belangrijke bron zijn de historici van de Oudheid, zoals Polybius, Titus Livius en Tacitus. Voor de meeste auteurs die we bestuderen vormt de geschiedenis van de Oudheid een belangrijke referentie. Ze zijn vooral geïnteresseerd in de geschiedenis van de Romeinse republiek, meer dan de latere geschiedenis van het keizerrijk maar ook meer dan Griekenland. Het theoretische model van Polybius, die de Romeinse republiek omschreef als een ideale gemengde constitutie met zowel monarchische, aristocratische als democratische elementen, vormt bijvoorbeeld een belangrijk referentiekader. De auteurs die we bespreken zijn dus ook klassiek doordat ze zich in het verlengde van de antieke intellectuele traditie plaatsen.




  1. De rol van de Christelijke traditie is voor de auteurs die we bestuderen veel problematischer, en het is duidelijk geen toeval dat de meeste auteurs die we in deze cursus bestuderen een vaak erg conflictueuze relatie met de Kerk hadden. Machiavelli, de eerste klassieke moderne politieke denker, onderscheidt zich door het radicaal verwerpen van de morele regels die de Katholieke Kerk aan vorsten voorschreef. Het politieke denken ontwikkelt zich als een traditie die los staat van godsdiensten. Tegelijk moet dit denken rekening houden met de dominante positie van het Christendom in Europa (wat te expliciete kritieken van godsdienst tot het einde van de 18de eeuw bijzonder risicovol maakt), maar ook met de grote maatschappelijke rol van godsdiensten.




  1. De auteurs die we bespreken zijn echter klassiekers geworden omdat de teksten die ze produceren ook uitzonderlijk zijn. Een gemeenschappelijk kenmerk van deze auteurs (met misschien als gedeeltelijke uitzondering Rousseau, die in veel opzichten een moeilijk te plaatsen auteur is) is dat ze hun oeuvre schreven in een context van belangrijke politieke en maatschappelijke veranderingen, en dat hun oeuvre een reflectie over die veranderingen aanbiedt. Wat hun reflectie in het bijzonder interessant maakt (want deze auteurs waren zelden intellectueel geïsoleerd, en hun teksten dienen ook te zorden geplaatst binnen een context van levendige politieke en intellectuele debatten), is dat hun bijdrage duidelijk verder reikte dan de specifieke context waarin ze leefden. De auteurs die we bestuderen zijn vaak ofwel sociaal, of wel door hun ideeën buitenstaanders, en ze formuleerden ideeën die vaak als controversieel of extravagant werden aanzien. Ook qua methodologie onderscheiden ze zich vaak van tijdgenoten: ze werpen belangrijke problemen op over de wijze waarop een samenleving dient te worden geïnterpreteerd. Doordat ze meer dan hun tijdsgenoten zich ook buiten hun onmiddellijke context plaatsten, blijven veel van de inzichten die ze aanbieden waardevol.




  1. Welke methodologie dient te worden gehanteerd in het lezen van deze teksten? Deze teksten zijn interdisciplinair en elke discipline heeft ze voor zijn eigen vakgebied bij wijze van spreken uitgemolken. Ze kunnen echter beter vanuit een breder, interdisciplinair perspectief worden benaderd. Omdat de personen die we bespreken klassieke auteurs zijn, bestaat er ook een zeer uitgebreide traditie van hen te interpreteren, wat vanuit de meest verschillende methodologische, filosofische en ideologische uitgangspunten wordt gedaan. Globaal kunnen we twee dimensies onderscheiden, de ‘interne’ en de ‘externe’. De interne dimensie betreft de tekst zelf, de ‘externe’ dimensie de context. ‘Interne’ benaderingen hebben de cruciale verdienste de tekst ernstig te nemen, als een geheel te aanzien en respect te hebben voor de auteur als de schepper van een opus. ‘Externe’ benaderingen kunnen er echter toe bijdragen de lectuur van een tekst te verduidelijken. Teksten zijn weliswaar geen regelrechte expressie van hun tijdperk, en het is bijzonder reductionistisch ze te interpreteren als enkel de uitdrukking van de belangen van een bepaalde sociale groep op dat moment. Maar ze weerspiegelen wel in mindere of meerdere mate de problemen van hun tijd, en meer specifiek dienen ze te worden begrepen binnen het politieke denken van hun tijd. Elk van deze auteurs heeft een andere benadering van de werkelijkheid, en heeft ook een andere relatie met zijn historische omgeving. Voor elke auteur dienen dan ook andere klemtonen te worden geplaatst om hem adequaat te interpreteren. Een gedetailleerde kennis van de politieke context waarin hij schreef is cruciaal om de teksten van Machiavelli te interpreteren, minder voor Hobbes en Rousseau.




  1. Te bestuderen thematieken: het is onbegonnen werk deze auteurs systematisch en volledig te onderzoeken. Niet alleen hun vaak uitgebreide oeuvre, maar ook het feit dat ze op talrijke, vaak tegenstrijdige wijze worden geïnterpreteerd, maak zulk een doelstelling utopisch. Zoals elke interpretatie van deze auteurs is ook dit tekstboek subjectief en selectief. In onze interpretatie zullen we toch betrachten een evenwicht te bereiken tussen de “interne” en “externe” dimensies. Voor elke auteur zullen we een algemeen beeld schetsen van zijn leven, zijn tijd en zijn volledig oeuvre. Doorheen de studie van deze auteurs zullen we een aantal thematieken opvolgen: hun definities van de menselijke natuur, hun visie op politieke geschiedenis, op de rol van politiek gezag, op de legitimiteit van politiek gezag, op staatsinstellingen. Voor elke auteur zullen we ook een bondige selectie van secundaire literatuur aanwenden, die een verdere interpretatie van de auteur en zijn oeuvre toelaten.




  1. De taal van de teksten. Taalgebruik is geen onschuldige aangelegenheid. Sommige auteurs (Machiavelli, Hobbes) maakten de bewuste keuze niet in het Latijn maar in de landstaal te schrijven, een keuze die voor latere auteurs vanzelfsprekend was. De voorkeur gaat natuurlijk steeds naar het lezen van de auteurs in de oorspronkelijke taal. Dit is niet altijd onproblematisch: ook voor wie het Italiaans machtig is, is de taal van Machiavelli niet eenvoudig leesbaar. Doordat de Franse schrijftaal al lange tijd (sedert Lodewijk XIV) een geconsolideerde vorm heeft aangenomen, zijn de teksten van Montesquieu, Rousseau en de Tocqueville zonder problemen toegankelijk voor een moderne lezer. Hobbes’ Engels is begrijpbaar (maar vereist een extra inspanning). Marx’ Duits is sterk getekend door de Duitse traditie van speculatieve filosofie wat de toegankelijkheid van een aantal teksten bemoeilijkt. In deze syllabus zullen we waar mogelijk, d.i. voor Frans- en Engelstalige auteurs, de teksten in de originele taal citeren, elders gebruiken we beschikbare vertalingen. De besproken teksten zijn meestal on-line gratis beschikbaar (zie referenties in de bibliografie), evenals in goedkope edities. Bij het verwijzen van de teksten zullen we gebruik maken van het feit dat de meeste teksten een canonische indeling in meestal korte hoofdstukken hebben. Een verwijzing naar hoofdstukken laat de lezer zonder veel problemen toe de relevante fragmenten terug te vinden.



1 De Westerse (Europese en Amerikaanse) focus van onze cultuur heeft nog steeds als gevolg dat we onvoldoende kennis hebben van niet-Westerse tradities van politiek denken. Wat het feminisme betreft kan gesteld worden dat die stroming niet meer over het hoofd kan worden gezien, en dat een geschiedenis van het politieke denken vanaf de 20ste eeuw zonder de aanwezigheid van feminisische denkers ondenkbaar is. Tevens zijn ook een aantal klassieke feministische denkers geherwaardeerd (bv. Mary Wollstonecraft, 1759-1797, de auteur van A Vindication of the Rights of Woman, 1792).

2 De betekenis van die termen was zelf gebonden aan de historische ervaring van de Griekse stadsstaten zoals Athene en Sparta, en verschilt dus van de moderne betekenis van die termen!




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina