1 Korinthe 1, 1 9 Aan de gemeente van God te Korinthe



Dovnload 56.36 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte56.36 Kb.
1 Korinthe 1, 1 - 9
2. Aan de gemeente van God te Korinthe
1 Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Sósthenes, de broeder,

2 Aan de gemeente Gods die te Korinthe is, de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen, met allen die de Naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hun en onze Heere:

3 Genade zij u en vrede van God onze Vader en de Heere Jezus Christus.

4 Ik dank mijn God allen tijd over u, vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus;

5 Dat gij in alles rijk zijt geworden in Hem, in alle rede en alle kennis;

6 Gelijk het getuigenis van Christus bevestigd is onder u;

7 Alzo dat het u aan geen gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onze Heere Jezus Christus.

8 Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onbestraffelijk te zijn in de dag van onze Heere Jezus Christus.

9 God is getrouw door Wie gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.
Verklaring
Wanneer u een brief in uw brievenbus vindt die persoonlijk aan u geadresseerd is, kijkt u natuurlijk altijd meteen naar de afzender. En dat doet u zeker, als dat een brief is van een vertrouwensman die u om raad hebt gevraagd in een aantal problemen. U opent snel de envelop. U leest die brief in één adem. De inhoud gaat u ter harte.

Zo zal het ook de gemeente van Korinthe zijn vergaan, toen zij van Paulus de brief kregen, die wij de eerste Korinthebrief noemen. Hij was hun vertrouwensman. Een apostel die als een gevolmachtigde van Jezus Christus sprak en schreef. En zij hadden vele problemen.

Met datzelfde gewicht komt die brief op onze tafel. Ze mag ons ter harte gaan. Nieuwsgierig, heilbegerig mogen we meelezen. Het is ook voor ons een brief om in één adem uit te lezen.
Paulus en Sósthenes

Hand. 9 : 15; Rom. 1 : 1; 2 Kor.1 : 1; 1 Ef.1 : 1; Kol. 1 : 1; 2 Tim. 1 : 1

Niemand minder dan een ambassadeur van Christus is hier aan het woord. Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door de wil van God (vs. la). Ziedaar de afzender. 1. Jezus Christus heeft hem geroepen. Om van een vervolger van de gemeente een volgeling van Hem te worden. Een wonder waarover Paulus nooit uitgedacht raakte. Maar Jezus Christus had hem tevens geroepen tot Zijn dienst, de dienst van het apostelschap. 2. Hij matigde zich dus geen gezag toe, dat hem niet toekwam. Dat moest men in Korinthe vooral niet denken. En om dat kracht bij te zetten, voegt Paulus daar nog iets aan toe: door de wil van God (vs. la). Jezus Christus riep hem in Damaskus. En daarin werd Gods raad vervuld. Zo wilde God het. Hij was `een uitverkoren vat, om Gods Naam te dragen voor de heidenen en de koningen en de kinderen Israëls'. Van toen.af kon Paulus er niet meer onderuit. En de Korinthiërs kunnen er al evenmin onderuit. Paulus is geen 'self-made man', die een particuliere mening verkondigt. Hij is een Godgewild man, een gezant van de allerhoogste God. 3.
Hand. 18 : 17

Dat dus over de afzender. Maar daar moet toch nog iets aan worden toegevoegd. Iets heel merkwaardigs. Paulus schrijft nl.: en Sósthenes, de broeder (vs.1b). Blijkbaar is er dus nóg een afzender.


Paulus noemt hem direct na zichzelf. En hij noemt hem broeder. De broeder. Een bekende van de gemeente van Korinthe vermoedelijk die op het moment waarop Paulus zijn brief schrijft bij hem in Efeze verkeert. Misschien is deze Sósthenes wel dezelfde als de overste van de synagoge uit Korinthe, genoemd in Hand. 18 : 17. Tot het geloof in Jezus de Messias gekomen. En één van Paulus' medewerkers daarna. 4.
Hoewel hij niet genoemd wordt als de medeschrijver van deze brief of als secretaris die de brief schreef, noemt Paulus hem hier toch als één die medeverantwoordelijkheid draagt voor de brief. Sósthenes zet er a.h.w. mede zijn handtekening onder 5. En dat moet gewicht in de schaal hebben gelegd in Korinthe. Als deze broeder `ja' zegt tegen de apostolische boodschap, kunnen de christenen van Korinthe toch geen neen zeggen? Overigens laat ons dit eerste vers van de eerste brief van Paulus aan Korinthe ook zien, dat Paulus niet vanuit een ivoren toren regeerde over zijn gemeenten. Hij stelde het blijkbaar erg op prijs, dat wat hij te zeggen had, meteen ook een draagvlak had in de kring der broeders. Het Woord van God zorgt voor zichzelf. Het vindt altijd harten waarop het beslag kan leggen.
`Meesterlijk' geadresseerd
Dat over de afzenders. En dan volgt nu het adres. Aan de gemeente van God die te Korinthe is, de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen, (vs. 2a). Er zijn in dit vers minstens drie zeer opvallende dingen.
Het eerste is de rake typering van de gemeente in Korinthe. Paulus noemt haar: de gemeente van God. Hij zet haar hoog neer. Als hij de vele misstanden van de gemeente van Korinthe in het oog zou hebben gevat, zou hij zo niet hebben kunnen schrijven. Er mankeerde immers zoveel aan de christenheid te Korinthe. Dat blijkt verderop in de brief wel. Maar Paulus begint met wat God heeft gedaan in Korinthe. Hij ziet de gemeente bij hoger licht als een gemeente van God. Zoals het volk van Israël oudtijds als een heilige Godsvergadering rondom de Sinai stond, samengeroepen door de stem van de Heere, zo ziet Paulus de gemeente van het Nieuwe Verbond als een gemeenschap, gesticht door de vergaderende Christus. Daarop ligt hier alle nadruk.
Calvijn wijst erop in zijn commentaar op de eerste Korinthebrief, dat het een gevaarlijke verzoeking is te denken, dat er geen sprake kan zijn van een kerk, als daar geen volmaakte zuiverheid in te zien is. Wie zo oordeelt, moet zich tenslotte noodzakelijkerwijs van alle anderen terugtrekken en zichzelf beschouwen als de enige heilige in de wereld of een bijzondere sekte in het leven roepen in gezelschap met een paar geveinsden. 6.
Hand. 18 : 10

Kortom, waar het Woord van God naar de mening van en in de kracht van de Geest verkondigd wordt, daar vindt men de kerk. Had de Heere het Paulus trouwens niet veel eerder al gezegd: 'Ik heb veel volks in deze stad?' Dus kan hij ook gerust schrijven: aan de gemeente van God te Korinthe.


Gal. 1 : 2; 1 Thess. 2 : 14

Paulus doelt hier vooral op de plaatselijke gemeente van Korinthe. Maar elders in zijn brieven spreekt hij ook wel over de gemeente in universele zin. Ten diepste immers is er maar één gemeente van God op de aarde en een plaatselijke gemeente is daarvan een openbaring. Maar daarover straks iets meer. Het is overigens wel duidelijk, dat de apostel de gemeente van Korinthe niet ‘mijn gemeente' noemt. Zo praten sommige voorgangers vandaag wel over de schapen die aan hun zorgen zijn toebetrouwd. Maar er is immers van hen niets bij. En wee hun, als ze met 'hun gemeente' nooit iets anders hebben gezocht dan eigen roem en glorie. 7.


Rom. 1 : 7; 1 Kor. 6 : 11

Er is nog een tweede ding dat ons bijzonder opvalt in de adressering van de eerste Korinthebrief. Paulus noemt de gemeente: geheiligden in Christus Jezus 8, geroepen heiligen (vs. 2). Iemand zou kunnen denken, dat Paulus dat in elk geval wel achterwege had kunnen laten. Heiligen waren de christenen in Korinthe toch zeker allerminst. Ja en toch leest u het goed. Paulus maakt hier ook geen `slip of the pen'. Opnieuw vestig ik er de aandacht op, dat de gemeente van Korinthe hier 'meesterlijk' wordt aangesproken. Met het oog op de grote Meester, Jezus. Heilig in de zin van zondeloos is Korinthe's gemeente bepaald niet. Maar geheiligd in Christus Jezus betekent dan ook heel wat anders dan zondeloos. Het betekent: afgezonderd, apart gezet als een de Heere toegewijd volk.


Ex. 19 : 5, 6; Deut. 33 : 3; Ef. 2 : 19; 1 Petr. 2 : 9

Zoals ook van het volk van Israël oudtijds gezegd is, dat het een heilig volk was. Zo mag het ook van Christus' gemeente van het Nieuwe Verbond gezegd worden. 'Medeburgers der heiligen.' En geroepen tot heiligheid, tot een Gode gewijd leven. Daarom geroepen heiligen. Wanneer iemand met een pasgeborene bij het doopvont staat, is dat het ook, dat van die kleine wordt beleden: `in Christus geheiligd en daarom als lidmaat van Zijn gemeente gedoopt'. Maar juist zo en daarom verplicht `om de oude natuur te doden en in een nieuw godzalig leven te wandelen.’ 9.


Ps. 99 : 6; Joël 3 : 5; Hand. 2 : 21; 9 : 14, 21; 22 : 16; Rom. 10 : 12v; 2 Tim. 2 : 22

En dan tenslotte het derde in Paulus' adressering van de eerste brief aan Korinthe. Iets waar we niet overheen mogen lezen. Met allen die de Naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hun en onze Heere (vs. 2b). Paulus richt zich in zijn brief over het hoofd van Korinthe heen ook tot alle aanroepers van de Naam des Heeren. 10. En hij kan daarbij gedacht hebben aan christenen uit de omgeving van Korinthe die zijn brief door bemiddeling van de Korinthiërs in handen zouden krijgen en lezen. Maar niet alleen aan hen.


Paulus heeft het over hen die de Naam van Jezus belijden in alle plaats. Het doet er niet toe welke plaats. Christenen voor wie het wellicht onmogelijk is om deel te nemen aan een geordend gemeentelijk leven. Maar ook christengeméénten. Ook wij - in de 21e eeuw - zijn de mede-geadresseerden.
Ook de gemeente van God in onze woonplaats dient zich de inhoud van dit Woord aan te trekken. Het komt er maar op aan, dat wij ons rekenen mogen bij hen over wie niet slechts de Naam van Jezus is uitgeroepen door de doop en de prediking van het Woord van God, maar die ook op die Naam, zo heilig, groot en goed, hun betrouwen hebben leren stellen.
De Naam van Jezus aanroepen, dat houdt toch immers in, dat wij Hem ook tot onze Koning over heel ons leven uitroepen. Zoals Israël dat deed in het aanroepen van de Naam van de Heere die Zich zo heerlijk aan dat volk had geopenbaard en die Zich het heerlijkst heeft geopenbaard in Zijn Zoon Jezus Christus. 11.
Al met al heeft de apostel Paulus met deze adressering van zijn brief wel een groot gehoor gekregen. Allen... in alle plaatsen. 12. De gemeente van Korinthe moet er daardoor aan herinnerd zijn, dat zij er niet alleen op de aarde was. Rondom de gemeente van Korinthe stond een grote kring van aanbidders. Dichtbij en ver weg. 'Ik geloof een heilige algemene oftewel katholieke kerk, de gemeenschap der heiligen.' En ook wij worden door deze woorden van de apostel eraan herinnerd, dat we niet op ons eentje christen of christelijke gemeente zijn, maar altijd samen met allen in alle plaatsen die met ons een 'even dierbaar geloof' mogen kennen.
Helaas is het zicht op deze kerk van alle tijden en plaatsen nogal eens verduisterd. Sommige christenen denken, dat zij er maar alleen op de wereld zijn. Ze zijn tamelijk kortzichtig, kijken nooit eens rond buiten hun eigen kring, laat staan buiten de grenzen van hun eigen gemeente of buiten hun landsgrenzen. En helaas geeft dat in de praktijk dan nogal eens aanleiding tot separatisme. Ze maken de kring hoe langer hoe kleiner. Zij zouden zich ook zeker wat onwennig voelen, als zij te midden van 'de grote schare die niemand tellen kan', voor de troon van God kwamen te staan.
In feite was dat alles ook het geval in Korinthe. Men miste de wijde blik. Men kwam in de clubjesgeest terecht: `Ik ben van Apollos, ik van Paulus, ik van Cefas...'. Daarom is het maar al te goed, dat de apostel de Korinthische christenen er meteen aan herinnert, dat zij niet alleen op de wereld zijn. 13.

Een heilrijke groet en een dankbetuiging aan God

Rom. 1 : 7

Keren wij terug tot de tekst. Nadat Paulus afzender en adres heeft genoemd, groet hij de gemeente. Genade zij u en vrede van God onze Vader en de Heere Jezus Christus (vs. 3). Een groet die bepaald niet alledaags is. Dus van dieper betekenis dan de groet in een antieke brief in het algemeen. Rijker van inhoud ook dan wanneer wij elkaar veel heil en zegen toewensen in het algemeen. De apostel wenst Korinthe het allerbeste toe wat zich laat indenken. De gunst van God: `Ik zal nooit meer op u toornen noch u schelden.'
En de vrede die alle verstand te boven gaat: heilige opgeruimdheid, een harmonieuze verhouding met God en de naaste. Genade en vrede die God ons geeft door de Heere Jezus Christus. Wanneer wij gewassen zijn door Zijn bloed en geheiligd door Zijn Geest. En dat zijn dan dingen die de apostel hen niet maar toewenst. De groet klinkt als een zegen. Genade aan u en vrede. Zonder het woordje 'zij' of 'is'. Deze groet is een heilrijke zegen waarvan de gemeente van Korinthe en ook wij zeker mogen zijn, wanneer wij maar met de levende Heere verbonden zijn door een waar geloof. 14.
Rom. 1 : 8; Fil. 1 : 3v; 1 Thess. 1 : 2; 2 : 13; 2 Thess. 1 : 3

Aan dit alles nu wordt door Paulus tenslotte nog een dankbetuiging verbonden. Nee, niet een dankbetuiging waarin de Korinthische gemeente op een troon wordt gezet. Maar wel één waardoor de God van Korinthe geroemd wordt om alles wat Hij aan die gemeente gaf. Ik dank mijn God alle tijd over u (vs. 4a). Korinthe is rijk begenadigd. Het heeft God behaagd om zich te ontfermen over een zeer goddeloze stad. Het Woord van de prediking heeft rijke vruchten gedragen. Is dat niet een reden om God op zijn knieën voor te danken? Al heeft de apostel nog zoveel te klagen over het verval van het gemeentelijk leven in Korinthe, hij dankt toch eerst zijn God voor de geestelijke welstand van Korinthe's gemeente.


Ef. 5 : 20; Filem. : 4

Zou dat ook niet iets zijn dat wij moeten leren? Voor elkaar danken, alvorens we over elkaar klagen? Soms geeft God ons in medechristenen, ook al kunnen we er misschien veel negatiefs over zeggen, toch ook zoveel stof tot danken. Ja het is zeker ook zo, dat wij een medechristen eerst pas goed kunnen zeggen, waarin hij dwaalt, als wij tevoren God om hem hebben gedankt. Vanwege de genade van God die u gegeven is in Christus Jezus (vs. 4b).


Rom. 12 : 6; 2 Kor. 8 : 1, 9; 9 : 11

Letten we er evenwel op, dat de grond van Paulus' dank en roem uitsluitend in Gods genade ligt. 15. En bij dat laatste zal de apostel niet slechts gedacht hebben aan het feit, dat er voor Korinthe een deur naar Gods Vaderhart was geopend: genade, hun gegeven in Christus Jezus. Paulus moet hier zeker vooral gedacht hebben aan de geestelijke welstand van de gemeente van Korinthe die er ondanks alles wat er misging, toch ook was. De gemeente was rijk aan gaven. 16. Uitingen van de Heilige Geest, in het bijzonder die in het begin van 1 Kor. 12 worden genoemd: het woord der wijsheid en der kennis, het geloof, de gaven der gezondmakingen, de werkingen der krachten, profetie, de onderscheidingen der geesten, menigerlei talen en uitlegging der talen.

En deze volle rijkdom van geestelijke goederen, aan Korinthe geschonken, wordt dan door de apostel samengevat in vs. 5, wanneer hij schrijft: Dat gij in alles rijk zijt geworden in Hem, in alle rede en alle kennis.
Rom. 15 : 14; 2 Kor. 8 : 7

Alle rede en kennis. 17. M.a.w.: er wordt in de christelijke gemeente te Korinthe met kennis van zaken gesproken. Daarmee bedoelt Paulus zeker niet, dat men goed kon redeneren. Dat konden de Griekse filosofen ook. Aan meeslepende betogen geen gebrek in die tijd. Paulus bedoelt ook niet, dat men in Korinthe heel ver gevorderd was in een hogere kennis van geestelijke en goddelijke zaken waar de Grieken oudtijds nogal prat op gingen. Wie in de doolhof van het gewone dagelijkse leven - niet meer dan een valse schijn - de draad gevonden had naar de goddelijke waarheid achter de dingen, die had tenminste kennis van zaken. Hij was een 'begaafde wetenschapper'.


1 Kor. 2 : 14v; 2 Kor. 9 : 8

Maar de apostel Paulus, hoewel zijn woordgebruik aan dit alles sterk herinnert, stelt de dingen toch echt anders. Hij prijst God, dat de christenen van Korinthe de gave van het woord hebben ontvangen. Het woord van wijsheid, van kennis, van profetie, van dankzegging. Ze hebben de mond vol over wat God hun in Christus gaf. Ze zijn 'begaafde sprekers' van de dingen die hun van God geschonken zijn. Het hart van de Korinthische christenen ligt - heel letterlijk - op hun tong.

D.w.z. dat ze de dingen niet slechts met hun verstand goed op een rij kunnen zetten, maar ook blijk geven van een hartelijk kennen, van een diep inzicht in de dingen van het geloof en van hoe men handelen moet in de vele problemen van het leven. 18.
Kol. 2 : 7

Welnu, dat zijn dingen die een gemeente sieren. Hoe gelukkig is die gemeente die rijk is in Christus, in alle rede en alle kennis. Ook vandaag. Het is zeker niet zo best gesteld met een gemeente, als alle monden stom zijn en niemand ooit wat te zeggen heeft. Gaat er achter een zwijgende tong niet vaak een leeg hart schuil? En is het niet nog altijd zo, dat de mond overvloeit van die dingen waar het hart vol van is?


Ieder lid van de gemeente ook van vandaag vrage zich in ernst af, of hij een boodschap heeft, een woord voor de wereld. Wat hebben wij eigenlijk nog te zeggen? Als kerkenraadsleden, na afloop van een kerkdienst in een consistoriekamer? Als deelnemer aan een gesprekskring? Als vader en moeder in ons gezin? Als collega op ons werk? Maken we ook gebruik van de gelegenheden om getuigenis af te leggen van de hoop die in ons is?
Jes. 50 : 4a

'De Heere Heere heeft mij een tong der geleerden gegeven, opdat ik weet met de moede een woord ter rechter tijd te spreken...'.


Paulus waardeert de geestelijke stand van zaken in de gemeente van Korinthe in elk geval als rijkdom. Ja, hij ziet er ook een soort `blauwdruk' in van het getuigenis van Christus. 19. Hij schrijft: Gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u' (vs. 6). Met dit getuigenis van Christus bedoelt de apostel het in Korinthe gepredikte Evangelie van het kruis en van de opstanding van de Heere Jezus Christus. 20. Dat heeft Korinthe rijk gemaakt. Het heeft een vaste plaats gekregen in hun midden. Het heeft beslag gelegd op hun harten. Het heeft - heel letterlijk! - een stempel op hen gezet, doordat de Geest het in hun hart indrukte als een pand en zegel. En het bleek valide te zijn. Echt van waarde en betekenis voor de opbloei van het geestelijk leven. 21.
Gods Woord keert nooit ledig terug. Elke dienaar van het Evangelie mag daarop hoop hebben. En hij zal er de Heere dan ook hartelijk voor danken, als hij ziet en hoort, dat zijn prediking mensenharten omzet en mensenlevens omkeert. Anderzijds zal er nooit van een echte opbloei van gemeentelijk en geestelijk leven sprake kunnen zijn buiten een getrouwe prediking van kruis en opstanding van Jezus Christus om.
2 Kor. 12 : 4vv

Maar - zou iemand kunnen vragen - is Paulus hier eigenlijk niet bezig met de effecten van zijn werk in Korinthe uit te stallen? Nu, dat is in geen enkel opzicht het geval. Hij dankt het allemaal aan zijn God. Deze heeft grote dingen in Korinthe gedaan. Alzo dat het u aan geen gave ontbreekt (vs. 7a). Stellig doelt Paulus hier op de bonte verscheidenheid aan Geestesgaven (charisma's) waarover we zojuist al het één en ander zeiden en die Paulus vooral in de hoofdstukken 12 tot 14 van de eerste Korinthebrief ter sprake brengt. U bent schatrijk, gemeente van Korinthe. U komt in geen enkel opzicht enige gave van de Geest te kort. 22.


Fil. 3 : 20; 2 Thess. 1 : 7; 1 Petr. 1 : 7, 13; 4 : 13

En dat terwijl het nog volop wachtenstijd is. Verwachtende de openbaring van onze Heere Jezus Christus (vs.7b). Al die weelde 23., gemeente van Korinthe, is nog maar wat handgeld, een voorschot van wat u zult ontvangen, als de Heere Jezus Christus komt. 24. U komt niets te kort. U hebt alleen nog heel wat tegoed. De Geest en de gaven van de Geest moeten ons niet tot een al te vlot en vroeg handgeklap leiden. Alsof we alles nu reeds in bezit zouden hebben. Integendeel, zij moeten ons stimuleren om hoopvol uit te zien naar de onthulling van de Heere in Zijn wederkomst.



God is getrouw

Luk. 17 : 30; Hand. 2 : 20; 2 Kor. 1 : 21

Welnu, met al deze dingen heeft Paulus dan zijn dankbaarheid geuit jegens God over alles wat de gemeente van Korinthe was gegeven. Men zou kunnen vragen, of de apostel dan ook niet grote zorg heeft over de ontwikkeling van de dingen in die gemeente.
Inderdaad, heel zijn brief getuigt van die zorg. Maar het verbazende is, dat hij de gemeente eerst helemaal aan zijn God in handen geeft. Hij die een goed werk begon in Korinthe, zal dat ook voltooien. Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onbestraffelijk te zijn in de dag van onze Heere Jezus Christus (vs. 8).God staat voor Zijn eigen werk in.
De Heer' is zo getrouw als sterk;

Hij zal Zijn werk voor mij volenden.

Verlaat niet wat Uw hand begon,

0 Levensbron,

Wil bijstand zenden. (Ps. 138 : 4 ber.)
Al is een gemeente, al is een kind van God nog zo rijk, de Heere Zelf moet er wel altijd aan te pas komen om het geestelijke leven te funderen en te verdiepen. 25. Hoeveel onzekerheid en wankelmoedigheid is er vaak bij een volgeling van Jezus. Precies als bij Petrus die het ene moment op de golven van de zee van Tiberias wandelde en het volgende moment erin wegzakte. Als wij op ons zelf zien, op onze zwakke krachten, op onze nietigheid en op ons dwaalzieke hart, is er genoeg te vrezen, dat wij halverwege uitvallen en omkomen. Eigen wijsheid en kracht zijn geen fundament om op te bouwen.
Matth. 14 : 31 Fil. 1 : 6,10

Maar welk een zegen, dat de grote Meester er dan altijd bij wil zijn om ons aan te grijpen: 'Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld?' Paulus mag het de gemeente van Korinthe beloven, dat God het werk van Zijn handen niet laat varen. 26. Hij zal haar langs alle klippen van aanvechting en strijd naar de veilige thuishaven loodsen. Ten einde toe, d.i. tot op de laatste dag. 27. De dag van de verschijning van Jezus Christus, de dag van het grote gericht.


2 Kor. 1 : 14; 1 Tim. 3 :10

Naar die dag mag de gemeente van Christus toeleven. 28. De grote gerichtsdag waarover de profeten van het Oude Verbond altijd spraken, de dag waarop Christus wederkomen zal om te oordelen de levenden en de doden. Zij mag die dag die voor alle vijanden van God zo vreselijk zal zijn, met een opgeheven hoofd tegemoet gaan. Want dank zij het bloed van het Lam dat voor haar is gestort en dank zij de voorbede van de opgestane Christus, zal zij op die dag onstraffelijk blijken te zijn. Er zal geen enkele aanklacht tegen haar in te brengen zijn.


Rom. 8 : 33v; 1 Thess. 3 : 13; 5 : 23

Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het die gestorven is; ja wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt. Hij is het die Zijn gemeente ook tijdens de reis door dit leven onberispelijk doet zijn in heiligmaking. 29.


Deut. 7 : 9; Ps. 144 : 13; 1 Kor. 10 : 13; Kol. 3 : 4

God is getrouw, door wie gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere (vs. 9). Daarmee besluit Paulus het machtige preludium, het hoog getoonzette voorspel van zijn eerste brief aan Korinthe. God houdt getrouw Zijn Woord. Hij valt nooit uit. Op Hem kan een mens bouwen als op een rots. En Zijn roeping is onberouwelijk. Hij is immers de diepe en blijvende oorzaak van de heerlijke gemeenschap die er mag zijn met en in Zijn Zoon Jezus Christus. En alleen door dat gedurig in verbinding staan met Hem, zullen de Korinthiërs onberispelijk kunnen zijn.
1 Kor. 10 : 16; 1 Joh. 1 : 3

Elke gelovige: een onverbreekbare relatie met Hem. En alle gelovigen tezamen: een onverbreekbare gemeenschap met elkaar door Hem, waaruit elke verdeeldheid mag zijn gebannen. Het is daartoe, dat God roept. 30. Komt tot Hem, blijft in Hem. 'De Vader geeft ons Zijn Zoon in bezit en in Hem deelt Hij ook Zichzelf aan ons mee' (J. Calvijn).


Joh. 17 : 10

Daarom bidt de Heere. in Zijn hogepriesterlijke gebed: 'Al het Mijne is Uwe en het Uwe is Mijne; en Ik ben in hen verheerlijkt.' En die roeping van God is onberouwelijk. 31.


Tenslotte. Het mag ons wel opvallen, dat in alle eerste negen verzen van 1 Korinthe 1 de Heere Jezus Christus wordt genoemd. De parel die steeds met nieuwe kleuren schittert. Gelukkig die gemeente waarin Hij domineert. De enige dienenswaardige Heere die recht op ons heeft. De Redder van zondaren. De Messias die verlost. Hij heeft het voor het zeggen.
Wie Hem heeft leren kennen, kan nooit meer over Hem ophouden. Hij is - zo zij het ook voor mij persoonlijk - de nooit genoeg volprezen Zaligmaker.

Gespreksvragen

1.In vers 1 van de eerste Korinthebrief noemt Paulus ook Sósthenes als mede-afzender van zijn brief. Wie was deze Sósthenes en waarom zou Paulus hem noemen?

2. Hoe en waarom zou Paulus een christelijke gemeente als die van Korinthe waar zoveel aan mankeerde, toch een gemeente van God kunnen noemen? Mogen wij de gemeente waartoe wij behoren, zo ook zien?

3. Het is niet goed, als de christelijke gemeente in een stad of plaats geen contacten onderhoudt met andere gemeenten in binnen- en/of buitenland. Zou u die contacten willen bevorderen en wat kan het nut daarvan zijn?

4. Onze eeuw is een eeuw waarin heel sterk naar eenheid tussen kerken onderling wordt gezocht (de zgn. oecumenische beweging). Vaak wordt gezegd: de eenheid van christenen is een kenmerk van de waarheid. Vindt u, dat dit ook omgekeerd kan worden: de waarheid is een kenmerk van de eenheid?

5. De christenen van Korinthe hadden het hart op de tong. Zij spraken vrijmoedig over het werk van Gods Geest in en onder hen. Wat kan er de oorzaak van zijn, dat dit in onze tijd nogal eens ontbreekt?

6. In de Bijbelstudie is gezegd, dat we er goed aan doen om eerst God te danken voor elkaar, alvorens over elkaar te klagen. Maar is het ook niet wat gevaarlijk om samen met iemand anders God te danken voor alles wat Hij aan die ander gaf?

7. Kennelijk heeft Paulus op zijn prediking in Korinthe veel reacties gekregen. Waaraan zou het kunnen liggen, als er in onze tijd soms helemaal niet op de preek wordt gereageerd? En hoe zou u b.v. in uw gezin na een kerkdienst op zondag een gesprek over de preek kunnen bevorderen?



NOTEN
1. Paulus schreef zijn brieven naar het model van de standaardbrief in de Grieks-Romeinse wereld van zijn dagen. Eerst de afzender, dan het adres, daarna een groet. En aansluitend aan de groet tenslotte een woord van dank of een gebed (tot een god) om gezondheid/welvaart voor de geadresseerde. Het laatste vinden we in 2 Kor., ook in 1 Thess. 1 : 2vv en Fil. 1 : 3vv.
2. Over het woord 'apostel' zie: C. den Boer, De brief van Paulus aan de Romeinen. I-VIII, Kampen 1990/4, blz. 20 (noot 2 en 3) en idem, I Timotheüs, Kampen 1989/2, blz. 22 (noot 6).

Paulus' roeping tot het discipelschap viel samen met zijn roeping tot het apostelschap. De roeping van de Korinthiërs tot het discipelschap viel samen met hun roeping tot heiliging (zie de parallelle uitdrukking 'geroepen heiligen', vs. 2; zie ook vs. 9). Roeping van Godswege is steeds roeping tot iets.


3. Dat Paulus zoveel nadruk legt op zijn roeping door (Gr. 'dia' = uit kracht van) de wil van God, kan verband houden met de aanvechting van zijn apostelschap in de gemeente van Korinthe (zie 1 Kor. 9 en vooral ook de tweede Korinthebrief).
4. Deze veronderstelling is niet te bewijzen, maar ligt wel wat voor de hand vanwege het bepalend lidwoord 'de' voor broeder. Dit wekt de gedachte, dat Sósthenes in Korinthe bekend was. Calvijn gaat er in zijn commentaar zonder meer van uit.
5. Van de ongeveer 130 keer dat Paulus over medegelovigen als broeders spreekt, komt dit 39 maal in 1 Korinthe voor. Zie: Gordon D. Fee, The first epistle to the Corintians (The New International Commentary on the New Testament), Grand Rapids 1988 / repr. , p. 31 (note 16). In de aanvang van de tweede brief van Paulus aan Korinthe en in de aanvang van de brief aan Kolosse wordt Timotheüs als de broeder genoemd. In de beide Thessalonicensenbrieven noemt Paulus Silas (Silvanus) en Timotheiis.

O.i. bestaat er geen bezwaar tegen de veronderstelling, dat deze genoemden in de aanhef van al deze brieven, ook als secretaris van Paulus hebben gefungeerd.


6. J. Calvijn, Uitlegging op den eersten en tweeden zendbrief van Paulus aan de Korinthiërs, Goudriaan 1979/3 p. 15.
7. Het Griekse woord 'ekklesia' betekent letterlijk: de uitgeroepene. In het profane Griekse spraakgebruik kan het aanduiding zijn van een momentaan (o.a. voor een politiek doel) bijeengeroepen vergadering van mensen (vgl. Hand. 19 : 39v). Maar in het N.T. heeft het woord een duidelijke herinnering aan de O.T.-ische 'kehal' van de Heere (vgl. Deut. 16 : 3; 20 : 4; Micha 2 : 5). Dat is: het door het Godswoord bijeengeroepen volk van God.

Het vergaderen en vergaderd zijn door de roepende God is hier het allesbeslissende. Calvijn noemt in zijn aangehaalde verklaring van 1 Kor. 1 : 2 de leer van het Evangelie, de doop en het Heilig Avondmaal de kenmerken van de kerk.


8. Een groot aantal handschriften heeft een andere volgorde van de bijzinnen na: de gemeente van God, nl. eerst: de geheiligden in Christus Jezus en dan: die te Korinthe is. Deze moeilijkere lezing (inhoudelijk overigens niet verschillend) krijgt de voorkeur van een aantal geleerden.
9. Afgezonderd is niet hetzelfde als geïsoleerd. Zij zijn niet van de wereld, maar wel midden in de wereld (vgl. Joh. 17 : 16w).
10. Naar ons inzicht is het Griekse 'sun' (met) te vertalen met: inclusief. Dus: de gemeente te Korinthe, alsmede... allen. Zo ook in Fil. 1 : 1 waar de apostel aan de gemeente van Filippi adresseert, inclusief ('sun') de opzieners en diakenen. Vgl. ook 2 Kor. 1 : 1. De zin 'met allen...' is moeilijk te verbinden met de onmiddellijk daaropvolgende groet (zo Leon Morris, a.w. p. 36) en al evenmin met het daaraan voorafgaande 'geroepen heiligen, zoals Gordon D. Fee (a.w., p. 33) doet. Ook F. W. Grosheide doet dat in zijn De eerste brief aan de kerk te Korinthe (Commentaar op het Nieuwe Testament), Kampen 1957/2, blz. 37. Hij schrijft: 'De toevoeging... (nl. met allen...) kan geen uitbreiding van het adres zijn'. 1 Korinthe is immers geen algemene zendbrief. O.i. echter is het laatste geen argument. Vond Paulus het immers niet van belang, dat zijn brieven die aan bepaalde gemeenten geschreven werden, ook in andere gemeenten en ook door al de broeders gelezen werden? (Kol. 4 : 16; 1 Thess. 5 : 27). Er is zelfs veel te zeggen voor wat Kl. Berger schrijft in Bijbels Handboek 3, a.w. blz. 215: 'De vroeg-christelijke brief is daarom, ook als hij antwoord geeft op afzonderlijke vragen, potentieel een rondschrijven voor de diaspora...'
11. Het aanroepen (Gr. 'epikaleoo') van de Naam van de Heere is in het O.T. staande uitdrukking voor: de Heere in Zijn heerlijke zelfopenbaring erkennen en belijden. Vgl. Deut. 28 : 10; 32 : 3; 1 Kon. 18 : 24; Ps. 116 : 4; 124 : 8; 129 : 8; Spr. 18 : 10; Jes. 24 : 15; Dan. 2 : 20; Joel. 3 : 5; Zef. 3 : 9, 12. Vgl. ook Rom. 10 : 13.
12. 'In alle plaats' kan betekenen: op elke plaats van Godsverering. De uitdrukking lijkt te herinneren aan wat Jakobus van de synagogale erediensten zegt in Hand. 15 : 21: ‘Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken en hij wordt op elke sabbat in de synagoge gelezen.'
13. De laatste woorden van vs. 2 worden verschillend verklaard. 'Beide van hen en van ons' kan echter het beste worden opgevat als: zowel op hun plaats als op die van ons. Dus: overal en in Efeze, waar Paulus vertoeft, als hij deze brief schrijft.
14. Deze groet vinden we in al Paulus' brieven (vgl. ook Hand. 15 : 23 slot). De Heilige Geest wordt niet genoemd. Paulus volstaat met liet noemen van de bron, waaruit en het middel, waardoor de gemeente alle goeds ontvangt.
15. Vanwege (Gr. 'epi') = op grond van...
16. Het woord 'charisma' (gave) wordt door Paulus gebruikt als aanduiding van: het geschenk van Gods reddende genade (Rom. 5 : 15). van Gods goede gaven in het algemeen (Rom. 11 : 29), en van bijzondere gaven van de Geest (1 Kor. 12 ; 14).
17. 'Dat' (Gr. 'hoti') = de genade, nl. dat...; niet: ik dank...,
18. De woorden rede en kennis (Gr. 'logos' en 'gnosis') zijn hier duidelijk ontleend aan het begippenmateriaal van de Griekse filosofie, maar worden door Paulus anders gevuld. De Korinthiërs zijn 'welbespraakt'. Er hebben zich onder hen vele Geestesgaven geopenbaard (vgl. 1 Kor. 12 : 8; 14 : 3, 15v, 24v). Maar ze babbelen niet maar wat aan. Ze spreken over dingen waar ze 'verstand' van hebben. Ze hebben kennis van zaken. Geloofskennis van de dingen des heils. In tegenstelling tot o.a. 1 Kor. 8 : 1, 4, waar de apostel zich negatief uitlaat over een 'opgeblazen' kennis (n.l. van hen die er zich op laten voorstaan te weten, dat er een God is en dat een afgod niets is), hanteert Paulus hier het woord kennis in positieve zin, nl. in de zin van: het kennen van God of van Christus. Aldus Peter J. Tomson in Paul and the Jewish Law: Halakha in the Letters of the Apostle to the Gentiles (Compendium Rerum Iudaicarum ad Novum Testamentum, section III, Volume 1), Assen/ Maastricht/Minneapolis 1990, p. 215.
19. Vs. 6 begint met 'gelijk'...'(Gr. 'kathoos'). Te omschrijven als: gelijk op met... Dus: uw geestelijk leven hield gelijke tred met het getuigenis van Christus.
20. 'To marturion toe Christoe' (Gr.) = het getuigenis m.b.t. Christus. Met de tweede naamval (van... Christus) zou ook bedoeld kunnen zijn: ... dat van Christus uitgaat. In dat geval zou meer nadruk vallen op de oorsprong en werkmeester van het getuigenis. Paulus ziet echter wel meer het geestelijke leven en de welstand van het gemeentelijke leven als een vrucht van het gepredikte Evangelie (vgl. ook 1 Kor. 2 : 1; 2 Tim. 1 : 8).
21. Met de werkwoorden 'een vaste plaats krijgen', 'beslag leggen op' en 'een stempel zetten op' omschrijven we het hier in het Grieks gebruikte werkwoord 'bebaio-oo' = vastmaken, bekrachtigen, sanctioneren (in het Hellenisme een technische term voor legalisering van contracten; zie: A. Deissmann, Bible Studies, T & T Clark, 1901, p. 104-109). J. Calvijn in zijn commentaar op deze plaats (zie a.w., p. 18v) verklaart dit woord in dubbele zin als: innerlijke invloed van de Geest en de uitnemendheid en verscheidenheid van de gaven. Het gepredikte Woord wekte geloofservaring.
22. Het Griekse werkwoord 'hustere-oo' betekent: achteropkomen (mediaal: gebrek hebben aan).
23. Met de woorden 'geen enkele gave' drukt Paulus zich sterk uit. Hij kan hiermee niet slechts de vrucht van de prediking in zijn algemeenheid op het oog hebben, zoals F. W. Grosheide (a.w., blz. 41v) meent, ook niet slechts de gave van de Geest. In de woorden 'geen enkele gave' ligt juist de nadruk op de veelheid en verscheidenheid van het werk van de Geest. Alles wat zich aan charisma's vanwege de Geest liet indenken, werd in Korinthe gevonden. Men is in alles rijk..., alzo dat... Het laatste is nadere ontvouwing van het eerste. Dat het gebruik van deze Geestesgaven nog in vele opzichten in goede banen moest worden geleid, doet niets af van de dankbaarheid van de apostel voor de openbaring van die gaven in Korinthe.
24. De bijzin die begint met 'verwachtende'... hoort bij 'u' (vs. 7a). Dus: terwijl u verwachtende bent... Bij de 'apocalypsis' van de Heere Christus zal de volheid er pas recht zijn.
25. 'Welke' (begin van vs. 8) kan zijn: mijn God van vs. 4. Paulus kan ook bedoelen: de Heere Jezus Christus (vs. 7 slot).
26. Voor bevestigen (Gr. `bebaio-oo', vs. 8) wordt hetzelfde werkwoord gebruikt als in vs. 6. Het getuigenis van Christus, maar ook de gemeente zelf wordt bekrachtigd en verzegeld (vgl. 1 Petr. 5 : 10).
27. Tot het einde (Gr. 'heoos telous') wil zeggen: tot de openbaring (vs. 7) en tot de dag (vs. 8b) van onze Heere Jezus Christus. De nadruk ligt hier op het temporele. Zo ook F. J. Pop, a.w., blz. 17v.
28. Jom Jhwh' - de dag des Heeren is bij de profeten een staande uitdrukking voor de openbaring van Gods koninklijke macht en heerlijkheid in de komst van God ten gerichte. Zie F. J. Pop, Bijbelse woorden en hun geheim, a.w. blz. 101v.
29. Het Gr. `anengklètoi' betekent: niet-aan-te-klagen, onberispelijk, smetteloos, onschuldig. Vgl. Rom. 8 : 33v; Kol. 1 : 8. Zo kan Gods gemeente alleen zijn dankzij de bevestiging van haar geloofsleven tot het einde toe. Zo W. Grundmann in G. Kittel, Theologisches Wörterbuch zum NT, Stuttgart 1933, Bnd. I, S. 358 f.
30. Gr. 'dia' = door, vanwege.
31. 'Gemeenschap ('Gr. koinonia') van...' = met en in... De tweede naamval kan in deze dubbele zin worden opgevat. Dus: persoonlijke gemeenschap met het voorwerp van het geloof Jezus Christus (Paulus schrijft in de tweede persoon meervoud) en ook gemeenschap met elkaar in Hem. De gelovigen hebben persoonlijk deel aan Christus. Zij zijn ieder voor zich een 'metochos'- deelgenoot. En tegelijk vormen zij een gemeenschap met elkaar in Hem. Zij zijn ook 'koinonoi' - kameraden in Hem. Zie C. den Boer, Op Verkenning in het Nieuwe Testament, Amsterdam 1983/2, blz. 96v (over gemeenschap en enkeling).




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina