1 Korinthe 1, 10 16 Een huis dat tegen zichzelf verdeeld is



Dovnload 50.62 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte50.62 Kb.
1 Korinthe 1, 10 - 16
3. Een huis dat tegen zichzelf verdeeld is
10 Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt in een zelfde zin en in een zelfde gevoelen.

11 Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van het huisgezin van Chloë zijn, dat er twisten onder u zijn.

12 En dit zeg ik, dat een ieder van u zegt: Ik ben van Paulus en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus.

13 Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? Of zijt gij in Paulus' naam gedoopt?

14 Ik dank God, dat ik niemand van u gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;

15 Opdat niet iemand zegt, dat ik in mijn naam gedoopt heb.

16 Doch ik heb ook het huisgezin van Stefans gedoopt; voorts weet ik niet of ik iemand anders gedoopt heb.

Verklaring

Er wordt wel eens gezegd, dat het zijn nut kan hebben, als mensen goed van mening met elkaar verschillen. Uit de botsing van meningen immers komt de waarheid te voorschijn. En een mens op zijn eentje heeft die waarheid nooit in pacht.


In dat gezegde ligt een kern van waarheid. Niettemin maakt het wel een groot verschil, hoe mensen met elkaar discussiëren. Of zij een gesprek met elkaar voeren, waarin zij de kans krijgen voor hun mening uit te komen, maar waarin zij tegelijk scherp naar elkaar luisteren om zo van elkaar te leren. Of dat zij elkaar in hun discussies de loef proberen af te steken en op confrontaties uit zijn.
Een echt gesprek waarin naar elkaar geluisterd wordt, is als het slijpen van een mes aan een ander mes. Een twistgesprek waarin ieder met zijn eigen mening wil domineren, is een oorlog in het klein. Men zoekt zijn eigen gelijk. Het eerste is gemeenschap stichtend. Het andere brengt vervreemding en verwijdering onder de mensen teweeg.

Schouder aan schouder

Over het laatste gaat het in de verzen 10vv van Paulus' eerste brief aan Korinthe. Er is sprake van een verregaande verdeeldheid onder de christenen aldaar. Eén van de verdrietigste dingen die Paulus aan de orde stelt in zijn brief. Hij moet ervan wakker hebben gelegen.

Juist omdat hij van Korinthe's gemeente mag zeggen wat hij in het voorgaande gezegd heeft, nl. dat God zo goed op haar is geweest en dat haar zoveel is toevertrouwd, juist daarom zal Paulus met smart hebben geschreven over de vervreemding en verwijdering die die gemeente bedreigen. Waar Christus Zijn kerk bouwt, bouwt de satan graag ook zijn kapelletje. En verdeeldheid zaaien is zijn liefste werk.
Daarom is het te verstaan, dat de apostel meteen nadat hij de gemeente van Korinthe zo hoog heeft neergezet (als in de verzen 1 - 9), en meteen nadat hij zo rijk over de gemeenschap van Jezus Christus in vers 9 geschreven heeft, direct met de deur in huis valt 1. en een zeer onstichtelijke toestand in Korinthe aanroert. Korinthe lijkt een huis dat tegen zichzelf verdeeld is. Maar ik bid u (ik vermaan u...), broeders door de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt in een zelfde zin en in een zelfde gevoelen (vs. 10).
Rom. 15 : 5

Een opwekking 2. tot eendracht dus. Met de liefde van zijn hart en in 'de vertroosting van de Geest' de gemeente toegereikt. Juist omdat Paulus de gemeente zo liefheeft, kan hij haar zo ernstig vermanen.


'Broeders', schrijft Paulus. 'Mijn broeders' (vs. 11) 3. Hij is geen vijand van Korinthe geworden en de Korinthische christenen blijven zijn broeders. Dat is de draagkracht van het vermaan. En bovendien is daar ook een hoogste gezag, uit naam van wie de apostel schrijft. In de Naam van, op last van onze Heere Jezus Christus. Een gemeenschappelijke broederband, gefundeerd in Jezus Christus, maakt, dat men in de gemeente van de Heere Christus op de man af kan zeggen wat er verkeerd is.
Maar Paulus neemt zijn startpunt wel in het positieve. Geen frontale benadering. Spreekt allen hetzelfde. Weest samengevoegd in eenzelfde zin en in eenzelfde gevoelen. Dat is zijn dringend appèl op het geweten van de Korinthiërs. Weest eenstemmig 4. in gezindheid en mening 5. Aller hart en hoofd zij vervuld van één en hetzelfde. En dat moet hen ook brengen tot een eensluidend getuigenis. Geen kakofonie van geluiden waar de wereld geen touw aan kan vastknopen. Korinthe moet een eenduidig getuigenis afleggen. 6. De één moet de ander niet tegenspreken. Want een gemeente is niet een grabbelton van allerlei uiteenlopende en elkaar weersprekende opvattingen.
Om vriend' en broed'ren spreek ik nu:

De vrede zij en blijv' in u;

Nooit moet haar nijd of twist verkloeken;

Om 's Heeren huis, in u gebouwd,

Waar onze God Zijn woning houdt,

Zal ik het goede voor u zoeken. (Ps. 122 : 3 ber.)


Zou hiermee bedoeld zijn, dat er in een christengemeente geen enkel verschil van opvatting mag bestaan? We weten beter. Soms is het juist heel goed, dat meningen aan elkaar getoetst worden. Een gemeente bestaat niet uit slaafse ja-knikkers. En op ondergeschikte punten en in middelmatige zaken moeten mensen elkaar ook gewoon de ruimte laten om verschillend te denken. Pluriformiteit behoeft niets af te doen van een echte geloofseenheid.

Maar in heils- en halszaken moet er in Christus' kerk de grootste overeenstemming zijn. Als men in die dingen elkaar tegenspreekt, weet de wereld al helemaal niet wat zij met die kerk aan moet.


Daarom is het ook goed en nodig, dat een kerk een belijdenis heeft, waarin zij als een hechte geloofsgemeenschap naar buiten treedt. Niet slechts 'enerlei geloof, maar ook enerlei belijdenis'. 'Op deze eendrachtigheid staat en steunt de welvaart van de gemeente' (J. Calvijn). Een kerk waarin het eensluidend getuigenis ontbreekt en alle meningen, ook al zijn ze lijnrecht in strijd met het Schriftgetuigenis, verkondigd mogen worden, ondergraaft haar eigen fundament.
Geen schisma's, 7. schrijft Paulus. Verdeeldheden die een wig in het gemeente-zijn drijven. Neen, nog niet direct aan een kerkelijke afscheiding moet hier gedacht worden. Hoewel dat in Korinthe waar vermoedelijk verschillende huisgemeenten waren, bepaald tot de mogelijkheden behoorde. De scheuringen waarover Paulus hier schrijft, zijn echter nog binnenkerkelijke verdeeldheden. Het kan dus allemaal erger. Denk maar aan de kerkelijke schisma's van de kerkgeschiedenis van later tijd. Maar zijn die ook meestal niet begonnen binnen de muren van één en dezelfde kerk?
Hadden wij de apostolische vermaning maar ter harte genomen en hadden mensenmeningen maar nooit de boventoon gevoerd in het spreken van christenen met elkaar. `Ik denk, ik meen...' Ja, maar ieders mening moet wel onderworpen blijven aan het volstrekt gezaghebbende Woord van God.
Helaas, hoeveel vindingrijke interpretaties, aangediend als een nieuw lezen van de Bijbel, hebben de zuivere leer en de belijdenis van Gods kerk op aarde niet verduisterd en een wig gedreven in het gemeenteleven?

Brandmelding

1 Kor. 11 : 18

Maar wat is er dan precies aan de hand in Korinthe? Een binnenbrandje misschien, dat Paulus wel even blussen zal? Neen, bepaald niet. Hij schrijft over twisten. En blijkbaar lopen ze hoog op. Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van het huisgezin van Chloë zijn, dat er twisten onder u zijn (vs. 11). Er is dus duidelijk sprake van geruzie onder elkaar. Bekvechterijen, ingrijpende meningsverschillen 8. die de aanleiding zijn tot een verregaande verdeeldheid. In het volgende vers wordt daarover meer gezegd. Nu echter eerst iets over de zegslieden die Paulus op de hoogte brengen van de explosieve situatie in Korinthe.
Paulus is kennelijk goed geïnformeerd. 9. Hij weet het uit wel ingelichte bron. Zeker, want het betaamt een apostel niet op praatjes af te gaan. En de straat praat op zijn tijd. Dat weten we. Het liefst ook over christenen die het weer eens helemaal verkeerd hebben gedaan. Op de kaai worden heel wat sensatieverhalen ten beste gegeven. Vooral over christenen die op een verkeerd spoor zijn geraakt.

Maar aan zoiets doet Paulus niet mee. Neen, het gaat hier bepaald niet over roddelpraatjes. We mogen veronderstellen, dat men uit goede zorg voor de welstand van de christengemeente te Korinthe naar Paulus in Efeze is toegestapt om hem op de hoogte te stellen van één en ander. Men zal dat niet hebben gedaan om kwaad te spreken. Men zal hebben gedacht: Dat moest Paulus eens weten, de apostel die anderhalf jaar in Korinthe heeft gewerkt.


Daarom spreken ze er Paulus over aan. Hij kon immers het beste oordelen. En zijn bemoeienissen zouden wellicht in Korinthe tot kerkherstel kunnen leiden.

En wie zijn dan die zegslieden van Paulus? Die van Chloë noemt hij hen. 10. Wellicht bedoelt hij huisgenoten, personeelsleden of ook geloofsgenoten van een zekere Chloë, in Korinthe geen onbekende. Sommige verklaarders houden het erop, dat het hier gaat over handelsreizigers die vice versa van Korinthe naar Efeze reisden voor handelszaken. Zij zouden daardoor vrij gemakkelijk ook als verbindingsmensen tussen Korinthe en Paulus hebben kunnen functioneren. Maar we weten het niet.


Het ligt voor de hand te denken aan gelovigen die behoorden bij een huisgemeente in Korinthe die samenkwam in het huis van Chloë. Chloë is in elk geval een vrouw. En wellicht noemt de apostel haar vooral, omdat zij vertrouwen had onder de strijdlustige Korinthiërs. 11.
Hoe dan ook, we kunnen eruit leren om dingen die bezig zijn scheef te groeien in een gemeente, op tijd te melden. Waarom zouden we trouwens niet eerst zelf pogingen in het werk stellen om de zaak te verbeteren? Dus geen anonieme brieven schrijven of iets dergelijks. En als we zelf niet verder komen, laat ons dan de hulp inroepen van hen die gezag kunnen uitoefenen in de gemeente. Van wijze mannen die vanuit de overmacht van het Woord van God kunnen spreken. Dat is geen kwestie van bemoeizucht. Het moet ook niet als roddelen betiteld worden. Zoiets dient te geschieden, omdat het geestelijk welzijn van een gemeente ons allen zeer ter harte moet gaan. En opdat het kankergezwel niet steeds verder voortwoekert.

Gemeenteverwoestende partijzucht

Maar nu dan de vraag, wat er eigenlijk aan de hand is in Korinthe. Paulus legt het uit in vers 12: En dit zeg ik 12, dat een ieder van u zegt: 'Ik ben van Paulus en ik van Apollos; en ik van Cefas en ik van Christus.'


1 Kor. 3 : 3vv; Gal. 5 : 19v

Er zijn dus na het vertrek van Paulus partijen in de gemeente ontstaan. Ieder heeft zo zijn voorkeur. De één voor Paulus, de man die kernachtig en op de man af het Evangelie van Jezus Christus predikte. De ander voor Apollos, Paulus' opvolger in Korinthe die hetzelfde Evangelie bracht, maar in Griekse ogen bepaald beter verpakt. Apollos was een zeer welsprekende redenaar. Hij was bovendien van Joodse afkomst (uit Alexandrië) en had in de gesprekken met de mensen van de Joodse synagoge een grote overredingskracht.' 13. En dan waren er gemeenteleden die vonden, dat noch Paulus noch Apollos de echte apostelen waren, omdat dezen het allemaal tenslotte uit de tweede hand hadden. Zij hielden het op Petrus en zijn boodschap als het meest origineel. Hij had immers drie jaar lang onderwijs van Jezus Zelf ontvangen. Misschien was hij ook wel wat gemakkelijker te verstaan door de minder geletterden van Korinthe. Het blijft overigens een vraag, of men Petrus persoonlijk in Korinthe ooit heeft ontmoet. Ons is niets bekend van een verblijf van Petrus in die stad. 14.


En tenslotte liepen er dan ook nog mensen rond, die vonden dat zij boven alle partijen moesten gaan staan en die zich erop beriepen, dat zij van Christus waren.

En zo werden dan de dienaren van het Evangelie tegen elkaar uitgespeeld. Terwijl zij allemaal in feite dezelfde boodschap van de gekruisigde en opgestane Heere Jezus brachten. Zij het dan, dat de één het meer zus en de ander het meer zo deed. 15.


Natuurlijk zal die verdeeldheid ergens zijn oorzaak in gevonden hebben. En die oorzaak zal niet slechts gelegen hebben in persoonlijke voorkeuren. We weten, dat er in een gemeente altijd al mensen zijn geweest, die meer letten op de verpakking van de boodschap dan op de inhoud. Een voorganger moet goed van de tongriem gesneden zijn. Hij moet pakkend en meeslepend kunnen spreken. Hij moet origineel zijn. Hij moet... in elk geval vele gaven hebben. Vooral op de kansel. En zulk een boeiende spreker heeft dan ook al gauw de menigte. Hoe moeilijk om een begaafd spreker te zijn en zich door de verleiding van de mensverheerlijking niet op sleeptouw te laten nemen.
Maar naar mijn inzicht zat toch de kwaal in Korinthe wat dieper. Uit de verzen 17vv van 1 Korinthe 1 blijkt, dat Paulus het nodig vindt om te waarschuwen tegen de wijsheid van de wereld. En kan deze dan ook niet de oorzaak ervan zijn geweest, dat het in Korinthe niet goed ging? M.a.w. heeft men zijn voorgangers daar wellicht vooral beoordeeld naar de verkeerde maatstaf? Wilde men hen toch op de maat gesneden hebben van de Griekse wijsheidsleraars met hun indrukwekkende filosofieën waarin de mens op zoek was naar het goddelijke en waardoor de mens zelfs ook een goddelijke kern in zijn binnenste kon ontdekken?

Kortom, men maakte in Korinthe van het Evangelie een menselijke filosofie waarover te discussiëren viel. Wil men dus over partijen in Korinthe spreken, goed. Maar dan waren het wel partijen die ook een partijprogramma of althans hun principes hadden. Het was dus alles bij elkaar meer dan een ietwat onschuldig geharrewar. Het Evangelie werd door de christenen van Korinthe onder de noemer van de Griekse wijsheidsleer gebracht. 16.


2 Kor. 10 : 7

En zo gaat het wel meer. Dan taxeert men de voorganger van de gemeente meer naar zijn filosofie, zijn vindingrijk taalgebruik of politieke inzichten dan naar zijn boodschap: 'Laat u met God verzoenen'. Met als gevolg, dat de gemeente wordt opgesplitst in groepen en clubjes. Terwijl anderen die daar niet op gesteld zijn, van de weeromstuit van alle gedweep met voorgangers afstand doen, met zevenmijlslaarzen over 21 eeuwen kerkgeschiedenis heenstappen en beweren pure christenen te willen zijn, die zich alleen aan de Bijbel houden. Van Luther of Calvijn niet afhankelijk. Niet gebonden aan een belijdenisgeschrift. Christenen boven alle geloofsverdeeldheid uit. Onzin natuurlijk. Want daarmee redeneert men wel alle anderen opzij. Alsof die minder goede christenen waren. En alsof men van de groten uit de geschiedenis van de kerk niet heel wat kan leren.17.


Hoe het ook zij, dwepen met voorgangers, partijzucht, polarisatie is altijd gemeenteverwoestend. Helaas is ook onze tijd er niet vreemd van. Elk wat wils christendom, amateuristisch, toeristisch. Elke zondag brengt de auto ons wel bij de voorganger van onze keuze.

Eên is uw Meester

1 Kor. 3 : 22v; 1 Kor. 12 : 13

Maar wat zegt Paulus? Wat zegt ons het Woord van God? Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? Of zijt gij in Paulus' Naam gedoopt? (vs. 13). Het valt op, dat de apostel Apollos en Cefas (Petrus) niet meer noemt. Hij pakt het probleem vanuit het hart van de zaak aan en maakt vervolgens een toepassing op zichzelf. Is Christus gedeeld? Als de gemeente door een hokjesgeest opgedeeld wordt in partijen, is men bezig Christus zelf uiteen te rukken. Want de gemeente is immers Zijn lichaam. 18. Anders gezegd: mag men een voorganger verwisselen met Christus Zelf? Pleegt men dan geen afgoderij ? 19. Laat Paulus een martelaar zijn, die veel geleden heeft om de Naam van Christus. Is hij daarmee gelijk te stellen met de gekruisigde Christus Zelf? Paulus is toch geen Zaligmaker? U bent toch ook niet in de naam van Paulus gedoopt? Als dat zo was, zou u mij inderdaad toebehoren en u aan mij onderworpen hebben. Want iemand wordt door de doop geheel het eigendom van hem, op wiens Naam hij door die doop is overgezet. En aan hem is hij ook alles verplicht. 20.
Het is zeker niet de bedoeling van de apostel om thans uitvoerig over de doop te gaan schrijven. Bij deze gelegenheid wil hij slechts betuigen, dat men er niet de verkeerde kant mee op moet gaan. Niet de bedienaar van de doop speelt de hoofdrol. Het heeft niets te betekenen, als iemand in Korinthe zou kunnen zeggen: 'En ik ben nog door Paulus gedoopt.' Daarom spreekt Paulus er achteraf zijn dankbaarheid over uit, dat hij bij zijn arbeid in Korinthe niet alles op alles heeft gezet om zoveel mogelijk mensen te dopen. Dan kan men er dus ook niet mee op de loop gaan.
Matth. 28 : 19; Hand. 19 : 29; 1 Kor. 16 : 15, 17

Ik dank God 21., dat ik niemand van u gedoopt heb dan Krispus en Gajus, opdat niet iemand zegt, dat ik in mijn naam gedoopt heb. Doch ik heb ook het huisgezin van Stéfanas gedoopt: voorts weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb (vs. 14-16). Het lijkt vreemd, dat Paulus hier zo over zijn bediening spreekt. Was hij niet een apostel? En had hij niet net als alle andere apostelen de opdracht om heen te gaan in de gehele wereld, alle volkeren te onderwijzen, hen dopende in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest... ? Dat zal zeker zo zijn.

Rom. 1 : 1, 3; 15 : 15v; Gal. 1 : 16

Toch heeft Paulus volgens wat hij hier schrijft blijkbaar vooral zijn taak gezien in de verkondiging van de gekruisigde en opgestane Jezus Christus, terwijl hij het nader onderricht en de doop die eerst daarop volgde, aan anderen overliet. 22. Paulus plantte. Mannen als Apollos mochten natmaken. M.a.w.: Paulus zag in het dopen voor zichzelf geen prioriteit. Hij bediende het Woord van God en de daaraan aanhangende bediening van de sacramenten, ook al was die niet iets bijkomstigs, kwam voor hem toch pas op de tweede plaats te staan. Had indertijd de Heere Christus zelf ook zo niet gehandeld? Hij verkondigde het Evangelie van het Koninkrijk van God. Zijn discipelen doopten.
Verder zou wat Paulus hier schrijft er ook op kunnen wijzen, dat hij niet één twee drie iemand die belangstelling toonde voor het Evangelie doopte, maar hij zo iemand toch eerst (door zijn medewerkers) degelijk onderwezen wilde hebben. Opdat hij daarna met hart en ziel geloof zou belijden en tenslotte de doop zou ontvangen als een teken en zegel van Gods genade, aan hem bewezen. Bovendien kan Paulus ook steeds bevreesd zijn geweest, dat men het later als een bijzonder iets zou gaan waarderen door Paulus, de grote apostel der heidenen gedoopt te zijn.
Deze vrees van Paulus is niet ongegrond. In zijn dagen werden vele mensen ingewijd in de zgn. mysteriën, en daarin beleefde men een sterke binding tussen de man die hen inwijdde en de ingewijden zelf. Een relatie als tussen vader en zoon. 23. Welnu, van zo'n ongezonde binding tussen de bedienaar van de doop en de dopeling mag bij de christenen geen sprake zijn. En toch speelt zoiets bij de doop nogal eens een rol. In de dagen van de Reformatie is het voorgekomen, dat mensen die regelmatig onder het gehoor kwamen van gereformeerde voorgangers in de gemeente van Woudenberg, toch hun kind door een Rooms-Katholieke pastoor lieten dopen. Dat gaf hun blijkbaar wat meer zekerheid, dat hun kind gered zou zijn, als het soms vroeg zou komen te sterven. En in onze dagen lijkt het in de ogen van sommigen het summum van echtheid, als ze met echt water uit de Jordaan gedoopt worden. Dat zijn echter vreemde bijgelovigheden die met de eigenlijke betekenis van de doop niets uitstaande hebben.
Hand. 18 : 8

Maar terug naar Paulus. Ongetwijfeld heeft hij in de anderhalf jaar die hij in Korinthe doorbracht, mensen tot het geloof zien komen. De Heere had veel volk in die stad. En velen van hen zijn ook gedoopt in die tijd. Enkelen van hen heeft Paulus dan toch ook zelf gedoopt. Hij noemt hun namen: Krispus, ongetwijfeld de elders genoemde overste van de Joodse synagoge. En Gajus, misschien dezelfde als Justus die een huis had pal naast de synagoge in Korinthe, bij wie Paulus een gastvrij onthaal vond, toen hij door de Joden niet langer werd geduld. 24. 0 ja en dan ook Stéfanas' huisgezin. Paulus herinnert zich opeens de doop van dat gezin.


1 Kor. 16 : 15vv

Stéfanas is één van de eerst bekeerden van Griekenland (Achaje) geweest. En het moet een geweldig gebeuren zijn geweest, toen de apostel hem en zijn gezin doopte. Later is hij een leidsman geworden van de christenen.


Hand. 11 : 14

Over de vraag, of bij de doop van Stéfanas' gezin ook kleine, wellicht pasgeboren kinderen zijn betrokken geweest, kan ik niet uitvoerig zijn. 25. Niemand kan met de stukken aantonen, dat Stéfanas, toen hij met zijn huisgezin werd gedoopt, ook nog een baby in de wieg had liggen. Maar dat doet er ook niets toe. Als God Zijn hand legt op iemand, legt Hij tevens Zijn hand op allen die bij hem horen en in hem begrepen zijn. Hem komt de belofte toe en zijn kinderen. In één adem. Daarom gingen bij de overgang van een heidense man tot het christelijk geloof ook altijd zijn ganse huis, de inwonende familieleden, kinderen, zelfs slaven en slavinnen met hun gezinnen, tegelijk mee over. 26. En daarbij zal het toegegaan zijn als bij de proselieten, heidenen die tot de Joodse synagoge wilden behoren. Zij waren altijd door de Joden, inclusief hun pasgeboren kinderen, gedoopt. 27.


Rom. 6 : 3vv

Maar nogmaals, het gaat de apostel Paulus er niet om een uitvoerige uiteenzetting te geven van de doop. Daarvoor kan ieder terecht in o.a. Rom. 6. Uit onze perikoop is duidelijk, dat de doop een unieke band legt tussen Christus en een mens. En dat dit tegelijk inhoudt, dat zo iemand op naam staat van die Christus en van niemand anders.


En dat is het dan tenslotte, dat ons in 1 Kor. 1 : 10-16 allen op het hart gebonden wordt. Gelukkig hij/zij die het van heler harte zeggen mag aan deze Redder voor eeuwig alles verplicht te zijn.
Eén Naam is onze Hope,

Eén grond heeft Christus' kerk.

Zij rust in énen dope

En is Zijn scheppingswerk.

Om haar als bruid te werven

Kwam Hij ten hemel af.

Hij is 't die door Zijn sterven

Aan haar het leven gaf.



Gespreksvragen

1. In onze perikoop wordt verdeeldheid binnen een gemeente als een groot kwaad gezien. Waarom?

2. Is elke kerkscheuring te allen tijde uit den boze? Kunt u voorbeelden noemen van gescheiden kerken die later weer één kerkverband gingen vormen?

3. Vindt u een geschreven belijdenis als `akkoord van gemeenschap', dus als

een regel waaraan iedereen in de kerk zich moet houden, noodzakelijk? Waarom (niet)?

4. Waarom dankt Paulus, dat hij in Korinthe bijna niemand gedoopt heeft? Hoe oordeelt u over een gemeente waarin velen nog ongedoopt zijn?



5. Wat is de betekenis van de doop van huisgezinnen?
NOTEN
1. Het woordje 'maar' van het begin van vs. 10 (Gr. 'de') vormt een tegenstelling met het voorgaande (vooral met de 'gemeenschap', vs. 9). Dat betekent echter niet, dat Paulus iets van het door hem gezegde intrekt. Juist omdat Paulus de gemeente zo op handen en in het hart draagt, kan hij haar zo ernstig opwekken. Hij heeft door de bemoedigende woorden van vs. 1-9 'het gemoed van de Korinthiërs bereid om berisping en betering te ontvangen' (J. Calvijn, a.w., blz. 21).
2. Het Griekse werkwoord 'parakaleoo' dat hier gebruikt wordt, betekent zowel vertroosten als vermanen. Het is het woord voor de Heilige Geest, de 'Parakleet', de erbij-geroepene wiens bijzondere ambt is om de gemeente van Christus in één adem te bemoedigen, op te wekken en te waarschuwen. Paulus slaat er dus niet ongenadig op los. Onjuist is wat F. J. Pop zegt in zijn verklaring van dit vers (a.w., blz. 20), dat Paulus in feite 'de Korinthiërs erbij roept... om iets van hen gedaan te krijgen'.
3. Het woord 'broeder' komt 39 keer in 1 Korinthe voor.
4. 'Katartidzoo' = klaarmaken, inrichten, toerusten, terechtbrengen. Het gaat hier dus om een in elkaar gevlochten zijn tot een hechte eenheid, als het cement dat de stenen van een huis bijeenhoudt.
5. Het Griekse woord 'gnoomè' betekent: mening. Dus hun geest en de uiting daarvan moeten eensluidend zijn. Enerlei in hart en ziel en mond. Let op het driemaal herhaalde: eenzelfde.
6. 'To auto legein' = in vrede samenstemmen/-wonen. Een ander woord voor belijdenis in het N.T. is: 'homologein' - hetzelfde zeggen. En van daaruit: verschillen bijleggen.
7. Het woord 'schismata' duidt op een hokjes- en kliekjesgeest in de gemeente van Korinthe. Het is als het verscheuren van een kleed (Joh. 7 : 43; 9 : 16; 10 : 19). Sommige handschriften hebben het enkelvoud: 'schisma'. Vermoedelijk een fout van een overschrijver die de laatste lettergreep van 'schismata' vergat.
8. Het Griekse woord voor twisten ('ereis') is een woord dat Paulus meer gebruikt. Vgl. Rom. 1 : 29; 13 : 13; 1 Kor. 3 : 3; 2 Kor. 12 : 20; Gal. 5 : 20; Fil. 1 : 15; 1 Tim. 6 : 4; Tit. 3 : 9.
9. Het Griekse werkwoord 'dèlo-oo' betekent: berichtgeven, duidelijk aantonen. Het was dus geen achterbaks geroddel.
10. H. D. Wendland (a.w., S. 18) meent, dat Chloë een in Korinthe wonende christin was. Gordon D. Fee (a.w., p. 54), laat het in het midden, of het hier gaat om christenen en denkt veeleer aan welgestelde Aziatische handelsreizigers die heen en weer reisden tussen Efeze en Korinthe. Dat Paulus echter zijn informatie zou hebben gekregen van mensen die zelf geen relatie kenden met de christelijke gemeente, lijkt onwaarschijnlijk. De Korinthische gemeente zou dat ook gemakkelijk hebben kunnen uitleggen als kwaadsprekerij.
11. Het valt op, dat in één en hetzelfde vers de gemeente wordt aangesproken als: mijn broeders en dat tegelijk een vrouw wordt genoemd, die een bemiddelende rol speelt in het oplossen van de twisten in Korinthe. Paulus denkt inclusief. De zusters zijn in de broeders begrepen.
12. Dit is de bedoeling van de eerste woorden van vs. 12.
13. Vgl. Hand. 18 : 24vv; 1 Kor. 3 : 4vv; 1 Kor. 4 : 6.
14. Paulus gebruikt meestal de Hebreeuwse benaming Kephas. Misschien was men in aanraking gekomen met diaspora - Joden die onder de prediking van Petrus in Jeruzalem tot het geloof in Jezus Christus waren gekomen. De suggestie, dat men Petrus' prediking wat gemakkelijker verstaan kon, ontlenen we aan 2 Petr. 3 : 15.
15. Uit niets blijkt, dat het in het getwist in Korinthe om theologische verschillen ging. F. C. Baur heeft in de 19e eeuw de gedachte geopperd, dat het in feite om twee partijen ging: een Paulus/ Apollos partij aan de ene kant en een Judaïserende Petrus/Christus partij aan de andere kant. Menigeen is hem daarin gevolgd (o.a. C. K. Barrett, P. Vielhauser). Vers 12 van 1 Kor. 1 moet echter wel in een schema worden geperst, wil men deze gedachte staande houden. Van Petrus of van een Petruspartij bemerken we verderop in de brief niets. In 1 Kor. 3 : 3vv waar Paulus nog even terugkomt op de kwestie van de verdeeldheid in Korinthe, wordt Petrus niet eens meer genoemd. Alleen in 1 Kor. 9 : 5 wordt nog iets van Petrus gezegd. Maar dat kan moeilijk slaan op een Petruspartij. Daar komt nog bij, dat men toch niet, wanneer men Paulus tegenkomt in het N.T., altijd maar meteen aan de controverse met het Jodendom behoeft te denken. Alsof Paulus niet ook op andere fronten heeft gestreden. O.i. geeft 1 Kor. 1 : 12 en vs. 17vv ons een ander beeld. Men zal in Korinthe de predikers van het Evangelie hebben afgemeten aan Hellenistische ideeën omtrent een wijsheidsleraar en van daaruit tot een verschillende beoordeling en waardering van Paulus, Apollos en Petrus zijn gekomen. Terwijl nog weer een vierde groep boven alle partijen wilde gaan staan en zei slechts op Christus Zelf georiënteerd te willen zijn.

16. H. D. Wendland (a.w. S. 21) spreekt over een 'filosofische Umwertung' van het Evangelie (in de zin van een Hellenistische religieuze wijsheid).
17. Hoe wij ons de Christuspartij in Korinthe moeten voorstellen, is niet duidelijk. Schmithals ziet in hen 'gnostische' mensen die Christus zagen als de ware geestelijke mens. Anderen (o.a. Conzelmann) denken aan 'pneumatici' die zich beriepen op directe openbaringen (in plaats van op bepaalde voorgangers ?). Bruce beschouwt hen als geestelijke mensen die een filosofisch getint monotheïsme aanhingen, antilegalistisch waren en de Griekse idee van de onsterfelijkheid verdedigden (zie: Curtis Vaughan and Thomas D. Lea in 1 Corinthians (Bible Study Commentary, Grand Rapids/ Michigan 1983, p. 27). H. D. Wendland (a.w., S. 19), zegt, dat deze zgn. Christuspartij in Korinthe niet te reconstrueren is. O.i. was het een groep die in reactie op de andere groepen, zeiden zich voor geen enkele kar te willen laten spannen en puur christen wilden zijn. Waarmee ze dan toch weer boven anderen gingen staan. Vgl. wat Paulus daarover schrijft in 2 Kor. 10 : 7.
18. In het Grieks wordt het werkwoord 'meridzoo' gebruikt. Het betekent: in delen splitsen of ook: ieder voor zich een deel opeisen; aanspraak maken op iets. Kennelijk bedoelt Paulus, dat Christus door elke partij wordt geclaimd, zodat men in feite bezig is Hem uiteen te rukken. O.i. bedoelt Paulus hier niet, dat sommigen in de gemeente van Korinthe Christus alleen voor zichzelf claimen. Enkele handschriften beginnen vers 13 met het Griekse woord 'mè', dat een stellige ontkenning inhoudt: Christus is toch zeker niet gedeeld?
19. J. Calvijn (a.w., blz. 23, 24, 25) schrijft: 'Paulus gaat hier aan de enige Christus het meesterschap in de gemeente toeschrijven'. En: 'Het is de fontein van alle kwaad, de allerverderfelijkste pest, het dodelijk venijn aller gemeenten, als de dienaars meer zichzelf zoeken dan Christus.' Ook geen martelaren kunnen de plaats van Christus innemen om de vergeving der zonden voor ons bij God te verdienen. Aldus Calvijn.
20. Voor gedoopt worden 'in' de naam van..., worden in het N.T. verschillende voorzetsels gebruikt, nl. 'eis' (Matth. 28 : 19; Hand. 8 : 16; 19 : 5; 1 Kor. 1 : 13), 'epi' (Hand. 2 : 38) en 'en' (Hand. 10 : 48). Zie F. J. Pop, a.w. blz. 28. Pop schrijft, dat het 'eerste het meest expressief is en tot uitdrukking brengt, dat men door de doop in de nieuwe wereld van de overweldigende Christuswerkelijkheid van verzoening en verlossing is overgezet'. Dat de eerste christenen blijkens het boek Handelingen in de Naam van Jezus Christus werden gedoopt, wil zeggen, dat met het uitroepen van de Naam van de Messias de samenvatting van Gods heil, dus ook de genade van God de Vader en de gave(n) van de Heilige Geest werd uitgedrukt. Vgl. Hand. 2 : 38; 8 : 16; 10 : 48; 19 : 5); (vgl. Rom. 6 : 3).
21. Het woord 'God' ontbreekt in een aantal handschriften. Is het weggelaten, omdat men het al te vreemd vond, dat Paulus God dankte, dat hij bijna niet gedoopt had? Vgl. echter 1 Kor. 14 : 18.

22. Onjuist lijkt het mij uit dit alles te concluderen, dat de handeling van de doop 'door Paulus natuurlijk wel belangrijk werd gevonden, maar dat de doop door iedereen, door willekeurige gemeenteleden voltrokken kon worden'. Aldus M. R. v. d. Berg in zijn De eerste brief aan de Korinthiërs, hoofdstuk 1-7, Dwaas om wijs te worden, Zicht op de Bijbel nr. 31, Amsterdam 1984, blz. 26. Deze conclusie kan noch op grond van 1 Kor. 1 : 14vv, noch op grond van andere, door v.d. Berg uit het boek Handelingen aangedragen gegevens gestaafd worden. Over de bevoegdheid tot de handeling van het dopen volgens het N.T. kan niet zo vlot geoordeeld worden.
23. Aldus J. P. Versteeg in Rondom de doopvont, leer en gebruik van de heilige doop in het Nieuwe Testament en in de geschiedenis van de westerse kerk, Goudriaan 1983, blz. 68.
24. F. F. Bruce (a.w., p. 34) heeft de suggestie gedaan, dat deze Gajus dezelfde is als de in Hand. 18 : 7 genoemde Justus. Zijn volledige (Romeinse) naam zou zijn: Gaius Titius Justus. Is hij dezelfde als de in Rom. 16 : 23 genoemde Gajus (Paulus' huiswaard)? Dat hij een welgestelde handelsman was, omdat hij de gemeente in zijn huis ontving, zoals Gordon D. Fee (a.w., p. 62) beweert, lijkt mij ver gezocht. Zijn naam zal er wel op duiden, dat hij een niet Jood was.
25. K. Barth die de kinderdoop bestrijdt, zegt, dat hij slechts één dunne draad kent voor de fundering van de kinderdoop in het N.T.: het feit, dat in Hand. 16 : 15; 18 : 8 en 1 Kor. 1 : 16 van de doop van hele huisgezinnen en in Hand. 16 : 33 van de doop van de gevangenbewaarder van Filippi met de zijnen sprake is en dat deze uitdrukkingen niet verbieden te vermoeden, dat hier ook onmondigen bij inbegrepen zijn geweest. Vgl. K. Barth, Die Kirchliche Lehre von der Taufe, 1943, S. 32.
26. Huis (Gr. 'oikos', in 1 Kor. 16 : 15 'oikia') betekent `altijd huisgezin, bestaande uit de vader en/of de moeder en de kinderen in iedere leeftijd. Tot het huis konden ook de in het gezinsverband levende familieleden behoren, alsook iemands slaven en slavinnen met hun gezinnen'. Aldus J. P. Versteeg in a.w., blz. 124. Hij zegt ook, dat het 'als uitgesloten moet worden beschouwd, dat het woord `huis' in het N.T. in verband met de doop gebruikt kon worden, wanneer kinderen van de doop uitgesloten waren' (blz. 125).
27. Zie: G. C. Berkouwer, Karl Barth en de kinderdoop, Kampen 1947. Berkouwer schrijft (blz. 32) : 'Het is algemeen bekend, dat naar het getuigenis van Origenes en Cyprianus de kinderdoop reeds in de 2e eeuw in practijk werd gebracht. Origenes verklaart zelfs, dat deze doop een apostolische zede was.` Over de gewoonte van de zuigelingendoop bij de overgang van proselieten naar het Jodendom, zie: G. de Ru, De Kinderdoop en het Nieuwe Testament, Wageningen 1964. Zie verder: Pierre Ch. Marcel, The Biblical Doctrine of Infant Baptism, uit het Frans vert. door Ph. E. Hughes, Cambridge 1981/3, p. 194vv. Zie ook de door Gordon D. Fee (p. 62 f) genoemde literatuur: G. Delling, Zur Taufe von `Häusern’ im Urchristentum. NovT 7 (1965), p. 285-311. J. Jeremias, Infant Baptism in the First Four Centuries (ET, London, 1960). En: The Origins of Infant Baptism. A Further Study in Reply to Kurt Aland (ET, Naperville, IL, 1962 (in reactie op Alands studie Did the Early Church Baptize Infants? (Et, Philadelphia, 1936).



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina