1 Korinthe 10, 1-11 12. De les der geschiedenis



Dovnload 46.08 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte46.08 Kb.
1 Korinthe 10, 1-11
12. De les der geschiedenis
1 En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;

2 En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;

3 En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben;

4 En allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.

5 Maar in het merendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter neergeslagen.

6 En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, zoals zij lust gehad hebben.

7 En wordt geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen, gelijk geschreven staat; Het volk zat neer om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.

8 En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op één dag drie en twintig duizend.

9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden door de slangen vernield.

10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield door de verderver.

11 En al deze dingen zijn hun overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn.

Verklaring

Een gewaarschuwd mens geldt voor twee. Dat is een bekend gezegde. En gewaarschuwde mensen zijn wij allemaal. We worden gewaarschuwd door de stem van ons geweten, op zijn tijd. We worden opgeschrikt door een aardbeving, zelfs in Nederland soms. En we krijgen ook ons lesje gelezen uit de geschiedenis. De lotgevallen van ons voorgeslacht zijn voor ons allen ook een waarschuwende vinger van God. Vergeten we het niet.



Een gewaarschuwd man geldt voor twee

In 1 Kor. 10 krijgen wij ook allemaal ons lesje. We worden in dit hoofdstuk opgeroepen om Gods geschiedenisboek op te slaan. Het boek van Gods geschiedenis met Israël. Gods teken in het wereldgebeuren. Gods opgestoken vinger ook. Val niet in dezelfde ongehoorzaamheid als dit volk. Denk vooral nooit: zo'n vaart loopt het met ons niet.


En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt... (vs 1a). 1. Paulus heeft de Korinthiërs in het voorgaande nogal flink moeten aanpakken. Hij heeft hen gewaarschuwd tegen afgoderij en hoererij. Tegen deelname aan de cultusmaaltijden in de tempels van de afgoden en de daarmee nauw verbonden prostitutie en seksuele vrijbuiterij (hoofdstuk 8). Hij heeft hen daarna (hoofdstuk 9) opgeroepen om zijn gezag als apostel te respecteren en zich met hem in te spannen om de loopbaan te lopen, opdat zij de onverderfelijke prijs der heerlijkheid zouden behalen. 2.
Nu (hoofdstuk 10) hanteert de apostel het wapen van het Woord. De Korinthiërs kunnen het nalezen in de Schriften. In Gods Naam wil Paulus hen afgemaand hebben van hun dwaalwegen. Hij bladert a.h.w. met hen nog eens de Bijbel door, legt de vinger bij de geschiedenissen van Israëls uittocht uit Egypte en verblijf in de woestijn en roept hen toe: Vergeet niet wat daar is gebeurd. 3. Ik wil u niet in het ongewisse laten over wat God Zelf zegt in Zijn Woord.

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk Woord;

Verhardt u niet, maar laat u leiden. (Ps. 95 : 4 ber.)


Ex. 13 : 21; Ex. 14 : 22; Ps. 105 : 39

Kijk naar Israël oudtijds. Naar Gods heilsgeschiedenis met dit volk. Naar Gods gerichten onder dit volk. Israël was in een zeer bevoorrechte positie. Het was rijk begenadigd. Het is door de Heere achterna gelopen tot en met. En toch.., toch hebben verreweg de meesten het land der rust niet gehaald.


Dat onze vaders allen onder de wolk waren en allen door de zee doorgegaan zijn (vs.1b). Kijk naar hen. Niemand zegge: 'Wat heb ik met Israël te maken'? Het zijn onze vaderen. Zij hebben ons wat te zeggen. Hun geschiedenis is de onze.
En laten we dan beginnen met hun zegeningen op te tellen. Israël was een gezegend volk, nietwaar? 4. Toen zij uit Egypte togen, was daar de wolk- en vuurkolom die beschermend tussen hen en Farao in kwam staan en die hen daarna bij dagen en bij nachten de weg wees. Teken van Gods tegenwoordigheid. 5. Daarin waren zij allen geborgen.
En dan was daar de doortocht door de Rode Zee. 'De kinderen Israëls zijn te voet over het droge gegaan.' Niet één bleef er in Egypte achter, zelfs geen klauw van een dier. De wolk en de zee. Twee bewijzen, dat God met Israël was. Een soort sacrament, zou men zelfs kunnen zeggen. Paulus vergelijkt het alles met de christelijke doop. En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee (vs. 2). Zoals de christenen van het nieuwe verbond door hun doop onder één Hoofd Christus worden samengebracht, zo is Israël door de onderdompeling in de wolk en in de zee geïnitieerd, ingewijd in Gods verbondshandelen. En het is onder de leiding komen te staan van de Middelaar van het oude verbond, Mozes. 6.
Zo heeft Israël dus ook zijn doop gekend. In elk geval heeft het in die onderdompeling in de wolk en in de zee, een pand en teken gehad van God genadige nabijheid. 7.
Ex. 16 : 4, 35; Deut. 8 : 3; Ps. 78 : 24v

Hoe rijk bevoorrecht was dit volk. Hoe machtig uitgeleid uit het slavenhuis van Egypte. Maar ook daarna heeft God opperbest voor dit volk gezorgd. Paulus schrijft: en allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; en allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben (vs. 3, 4a). Na de uittocht kwam voor Israël de doortocht. Door de snikhete woestijn van de Sinaï waar geen brood en geen water was. Het volk leek zijn eigen graf te moeten graven. Maar God liet het niet in de steek. Hij zorgde voor manna van de hemel. Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden' (Ps. 78 : 15). Brood en water vielen hun allen zonder onderscheid ten deel. 8.


Brood en water. Paulus spreekt over geestelijke spijze en drank. Manna van de hemel en water uit de rots waren wonderen van de hemel. Weliswaar waren het stoffelijke zaken. Maar zij waren vol van Gods goedheid. En daarom geestelijk tegelijk. De Israëlieten konden er Gods gunst in proeven. 9. Het manna van de hemel en het water uit de rotssteen zijn voor Israël geweest wat voor de nieuwtestamentische gemeente het brood en de wijn van het Heilig Avondmaal waren. Ook daarvan belijden we immers, dat het uiterlijke tekenen zijn, maar vol van de presentie van Christus. 'De betekende zaak was (ook voor Israël) in het teken mede waarlijk gegeven' (J. Calvijn). 10.
Joh. 6 : 49

Brood en water. Spijs en drank. Ook wij hebben die op onze woestijntocht door het leven. In overvloed. Helaas, hoe vaak gebruiken we deze gaven van God zonder te beseffen, dat ze van God komen. Hoe velen nemen niet eens de moeite om ervoor te bidden en te danken. Ze hebben er toch immers hard voor gewerkt. Maar voor mensen die geleerd hebben, dat ze alles verbeurd hebben, is elke kruimel brood en elke slok water een gunstbewijs van God. Ze proeven er enkel goedheid van God in. En zo mag het gewone leven hun een feest zijn en elke maaltijd aan tafel thuis een feestmaaltijd. 11.


Laat staan die feestmaaltijd die de gelovigen mogen gebruiken, wanneer zij aan de tafel des Heeren bijeen zijn. Want daar is hun in het bijzonder het brood en de wijn een uitnemend gunstbewijs van hun goede God.
Ex. 17 : 6; Num. 20 : 7-11; Ps. 78 : 15v

Hoe schitterend verbindt de apostel Paulus in deze verzen het stoffelijke met het geestelijke. Vooral als hij schrijft: want zij dronken uit de geestelijke steenrots die volgde; en de steenrots was Christus (vs. 4b). Denken we vooral niet, dat Paulus het hier opeens over iets anders heeft dan over die steenrots waaruit Israël dronk in de woestijn. Eén en andermaal.

Paulus ziet die rots a.h.w. steeds in de achterhoede van het rondtrekkende volk in de woestijn. Daarom schrijft hij, dat die rots volgde (ze was in het gevolg van Israël). En als de Israëlieten het water opvingen uit deze fontein, was dat dan soms geen water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils? Wat ze erin ontvingen, was pure genade. Onverdiend en als door een groot wonder. En daar hebt u dan Christus, schrijft Paulus. Wat Israël ontving was niet minder dan wat wij ontvangen uit de Heere Christus. Christus was volop present in die rots. 12.

Israël werd al bediend uit Christus. Hij Zelf was in hun achterhoede in de gestalte van de watergevende rots. 13 Als een 'geestelijke verborgenheid' (J. Calvijn).


Kortom, niemand mag beweren, dat Israël het niet goed heeft gehad. Het is een gezegend volk. Dat wist zelfs de heidense Bileam. Hij kon en mocht dat volk niet vloeken.

Typische dingen

Num. 14.16; Jud. : 5

Maar... nu komt het. Wat is er gebeurd? Hoe velen van dit gezegende volk zijn er nu eigenlijk thuisgekomen in het land van de rust? Ze zijn op de vingers van één hand te tellen. Maar in het merendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter neer geslagen (vs. 5). De woestijn is een slagveld geworden. Moet u eens kijken, wie daar allemaal liggen. 14. Duizenden slachtoffers. Menigten. Allemaal geveld door de toorn van God. 15. God had geen behagen in hen. Zij waren allen rijk beweldadigd. Maar de meerderheid liet het afweten en kwam om. Dat is toch wel iets om over na te denken. Men kan hebben gedeeld in de trouwe hoede van God, men kan gegeten en gedronken hebben in de tegenwoordigheid van Christus en toch te horen krijgen: 'Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt.' (Matth. 7 : 22v)
Num. 11 : 4, 34; Ps. 78 : 31; Ps. 106 : 14; Hebr. 3 : 17

Denk dus nooit: mij kan geen kwaad overkomen; ik kan wel tegen een stootje. Israël kon de straf van God niet ontlopen. En wij? Paulus schrijft: En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, zoals zij lust gehad hebben (vs. 6).


Rom. 5 : 14

Als wij deze dingen in onze Bijbel lezen, kunnen we niet zeggen: '0, zo ging dat vroeger; wij hebben daar geen boodschap aan; dat mopperende volk Israël ook...' Al deze gebeurtenissen blijven boekdelen spreken. Ze bevatten voor ons 'de les der geschiedenis'. Ze zijn 'typisch', ook voor ons. 16. Gods gemeente uit alle tijden krijgt er een boodschap in mee. En wij mogen ons hart derhalve wel vasthouden. De God van Israël is nu niet anders dan toen. We zien in Gods oordelen over Israël 'Zijn strengheid als in een spiegel' (J. Calvijn, a.w., blz. 167). De bliksem slaat vlak naast ons in. En wie zou niet vrezen?


Welnu, de situatie van de Korinthische gemeente lijkt in Paulus' ogen als twee druppels water op die van oud-Israël. Ze loopt er parallel mee. Hij waarschuwt daarom Korinthe. Doe uw winst met wat u leest in uw Bijbel. Leer er uit om het kwade niet te begeren, zoals dat het geval was met Israël. 17. Als wij mensen op een bepaalde weg hebben zien verongelukken, moeten wij dan argeloos ons op die weg begeven. Alsof er geen vuiltje aan de lucht is?
Ex. 32 : 6; Hand. 15 : 20

Paulus komt terug op de dingen waarover hij eerder schreef aan Korinthe. Daar liepen toch immers christen mensen rond die rustig deelnamen aan cultische maaltijden in de afgodstempels en zich sterk genoeg waanden om weerstand te bieden aan de zgn. gewijde prostitutie aldaar. Zij zouden wel tegen de stroom oproeien, meenden zij. Maar de apostel heft zijn waarschuwende vinger op. Of liever: hij laat het Woord spreken. En wordt geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neer om te eten en om te drinken en zij stonden op om te spelen (vs. 7).

Nog maar net uit Egypte geleid, organiseerden de Israëlieten een religieus feest rondom een gouden kalf. Zij haalden daarmee hun God naar beneden en bedreven afgoderij. Ze hadden een vette maaltijd waardoor ze met 'hun god' in een verbond traden. 18. En ze speelden (Ex. 32 : 6). Wat wel zoveel zal betekenen als: ze pleegden seksuele handelingen. 19. Van het één komt het ander. Ze maakten van hun buik hun god.
Num. 25 : 1, 9; Num. 26 : 62

Vandaar dat de apostel erop laat volgen: En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben en er vielen op één dag drie en twintig duizend (vs. 8). 20.


Hier heeft Paulus vermoedelijk het oog op wat er gebeurde in de woestijn, toen Bileam het volk verleid had tot overspel met de dochters van Ammon (Num. 25 : lvv). Israël werd gekoppeld aan Baal-Peor. En er stierven als gevolg van deze zonden op één dag 23.000 mensen. 21. Een verschrikkelijke straf van God. Over sommigen, schrijft Paulus (dit woord komt in vs. 7-10 telkens voor). Het is alsof hij het - al spreekt het aantal dat hij noemt voor zich en al heeft hij in vs. 5 over het merendeel van Israël gesproken - toch niet al te afschrikwekkend wil maken.
Hoe dan ook, iedereen in de christelijke gemeente moet weten, dat de gevaren groot zijn. Afgoderij en hoererij horen vanouds bij elkaar. Eros is zelf een afgod. Dat wist Israël. Dat kon Korinthe weten. Dat is ook in onze tijd met handen te tasten. Brood en spelen (J. Calvijn noemt ze 'aanhangsels der hoererij') hebben het bepaald voor het zeggen. De mensen maken van hun buik hun god. En geen enkele christen moet denken, dat hij immuun is voor deze infectie. Een gewaarschuwd mens geldt voor twee.
Ex. 16 : 2vv; Num. 14 : 2, 36 ; Num. 16 : 11-35; Num. 21 : 5vv; Ps. 78 : 18

Er volgt een ernstige oproep: En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben en werden door de slangen vernield. En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben en werden vernield door de verderver (vs. 9, 10). Nog enkele voorbeelden uit het boek Numeri worden hier door Paulus opgesomd. Voorbeelden van opstand van Israël tegen het gezag van zijn leiders Mozes en Aaron, door God als zodanig aangesteld (Num. 21 : 1vv; Num. 14 : 1vv; Num. 16 : 1vv). Zij werden aan de kant gezet. Israël wilde zelf zijn eigen weg bepalen.


Paulus noemt deze dingen wellicht, omdat ook de Korinthiërs door hun gedrag God uitdaagden. Zij trotseerden het apostolisch gezag van de apostel om de vrije hand te hebben te leven naar eigen inzichten (zie hoofdstuk 9 en 10). Zij veroorloofden zich verregaande vrijheden en de Heere moest maar eens tonen, dat Hij aan hun kant stond. 22. Daarom spreekt Paulus over een verzoeken van Christus. 23. Zijn geduld tot het uiterste op de proef stellen.
Matth. 4 : 7

Opstand tegen het door God over ons gestelde gezag komt vaak voort uit een verregaande vrijheidsdrang. De mens wil zelf uitmaken wat goed en kwaad is. En daarmee passeert hij God. Hij daagt Hem uit. Laat Hij maar eens laten zien, wat Hij kan.

De Bijbel noemt dat ook wel murmureren (vs. 10). En dat is nog erger dan mopperen. Mopperen is ook een slechte gewoonte van sommige mensen. Maar murmureren is mopperen in de zoveelste macht. Het betekent: de vuist ballen, overhoop gaan liggen met het hoogste gezag. 24.

En kan de Heere zo'n kwaad ongestraft laten? De Israëlieten werden door vurige slangen vernield. En opnieuw stierven er velen (Num. 21 : 1vv). 25. Zij werden vernield door de verderver na hun opstand tegen God en tegen Mozes (vs. 10). 26.


1 Kor. 7 : 26; 1 Kor. 9 : 10; 1 Petr. 4 : 7

Het wordt tijd, dat Paulus zijn relaas met al deze schrikbarende voorbeelden gaat afsluiten. Een gewaarschuwd mens geldt voor twee. Hij heeft de Korinthiërs en ons op scherp gezet: Echt, we weten zo langzamerhand waar we aan toe zijn. En deze dingen alle zijn hun overkomen tot voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn (vs. 11)


Hebr. 9 : 26; 1 Joh. 2 : 18

Zo moet het niet, mensen. De geschiedenis van Israël is een fotoalbum waarin u uw eigen beeltenis tegenkomt. 27. En wat de Heere ervan liet beschrijven in Zijn Woord is een vlammend schrift aan de wand van ons levenshuis. Laat het tot vermaning dienen. Wees gewaarschuwd. 28. Zeker nu ons niet zoveel tijd meer rest om het ons aan te trekken. De einden der eeuwen, d.i. het toppunt van alle tijden is aangebroken. 29. 'Ziet, nu is het de welaangename tijd; ziet, nu is het de dag der zaligheid (2 Kor. 6 : 3; vgl. Hebr. 4 : 7). Redt u om uws levens wil.


Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen;

Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;

Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,

Ziet zich omringd met Zijn weldadigheén. (Ps. 32 : 5 ber.)


Of zullen alle vermaningen die we in de eerste verzen van 1 Kor. 10 meekregen, niet baten?
Wat doet een mens, als daar iemand met het zgn. belerende vingertje voor hem staat? Hij is geneigd om alles rustig naast zich neer te leggen. Het zal zijn tijd wel uit duren.
Er zijn echter ook mensen die het er best mee eens zijn. Maar ze gaan vooreerst nog maar tot aan de uiterste grenzen. Op hun schreden terugkeren, kan altijd nog, denken zij. Op het laatste nippertje, als ze zien, dat het wel eens helemaal de vernieling met hen in zou kunnen gaan, krabbelen ze wel terug.
Zoals die adelaar die op een ijsschots zat op de Niagararivier waar hij zich te goed deed aan het aas van een dier. Inmiddels echter dreef de ijsschots met grote snelheid naar de afgrond van een waterval, een eind verderop. Op het allerlaatste moment, vlak voordat hij meegesleurd dreigde te worden - de diepte in - sloeg die arend zijn brede vleugels uit om er vandoor te gaan. Maar helaas, zijn poten waren vastgevroren in het ijs. En zo stortte hij de diepte in.

Gespreksvragen

1. God is een God die niet onze ondergang begeert. En toch leest u in de Bijbel steeds ook van Gods strenge straffen. Zo ook in 1 Kor. 10 : 1vv. Hoe kan dat samengaan? Is God in het Oude Testament strenger dan in het Nieuwe?

2. Hoe oordeelt u over de doodsstraf in de wetgeving van een volk? Vindt u het terecht, dat deze in de meeste landen van de wereld is afgeschaft? Kunnen wij hierin wat leren van de wetgeving in het Oude Testament?

3. Kunnen wij in de opvoeding van onze kinderen een voorbeeld nemen aan de manier waarop God met Zijn volk omgaat? M.a.w. hoort straf ook bij een rechte opvoeding? En hoe?

4. Wat zou Paulus precies bedoelen, wanneer hij schrijft: `En de steenrots die volgde was Christus (vs. 4)?

5. Soms houden mensen zo lang bepaalde zonden aan de hand, dat ze er niet meer van los kunnen komen. Zou u voorbeelden kunnen noemen? Hoe zouden wij zulke mensen kunnen helpen?



NOTEN



1. `Ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt.' Met deze woorden introduceert Paulus wel vaker een nieuwe gedachtereeks. Vgl. Rom. 1 : 13; 11 : 25; 1 Kor. 12 : 1; 1 Thess. 4 : 13.
2. Heel ludiek zegt ds. M. R. van den Berg, a.w., blz. 36: `Paulus wil niets weten van een pantoffelchristendom, dat niet uit zijn fauteuil is weg te branden.'
3. Zo interpreteren wij het woord `want' (Gr. 'gar') waardoor hoofdstuk 10 aan het voorafgaande is verbonden (de Statenvertaling heeft ten onrechte: en). Uit de verzen 6vv van 1 Kor. 10 blijkt, dat het nog steeds gaat over zaken als afgoderij en hoererij.
4. Over Paulus' gebruik van het OT is veel te doen geweest onder de Nieuwtestamentici. Is hier sprake van 'typologie'? Het woord 'tupos' (type/voorbeeld) komt in elk geval voor in vs. 6 en vs. 11 spreekt over 'tupikoos' (typisch/instructief). 1 Kor. 10 : 1vv laat zien:

a. dat Paulus uit de geschiedenis van Israël Gods weg met Zijn volk uit alle tijden afleest, en

b. dat Paulus de Schriften laat spreken met het oog op ons (zij hebben een diepe meerwaarde).

Ook binnen het OT wordt zo reeds met de Schriften omgegaan (zie Jes. 43 : 19-21). Wij verschillen van mening met Gordon D. Fee (a.w., p. 443f, 459) die, hoewel hij de historische betekenis van de geschiedenissen van het OT (voor Israël) honoreert, toch het OT vooral waardeert als heenwijzing naar de eschatologische vervulling in het nieuwe Godsvolk. En van dit nieuwe Godsvolk zegt hij dan, dat het het ware Israël van God is, aan wie Hij de beloften vervult, aan de vaderen gedaan. Ook Leon Morris (a.w., p. 138) zegt ten onrechte van Paulus: 'Clearly he sees the church as the new Israël.' O.i. echter blijkt uit de wijze waarop Paulus met de Schriften omgaat, veeleer, dat hij de Korinthische gemeente (en ons) binnen de cirkel van Gods geschiedenis met Israël getrokken wil zien (vgl. Hebr. 4). Het is opvallend, dat Paulus over het volk Israël spreekt als 'onze vaderen'. M.a.w. (ook) de gelovigen uit het heidendom zijn kinderen van dat verbond dat God met Israël sloot. Vgl. Rom. 4 : 1vv. J. Calvijn spreekt dan ook terecht over 'Israël te dien tijde als de eigen gestalte der gemeente' (a.w., blz. 171).


5. Gr. 'nephelè' - 'shechina' (Hebr.). Vgl. Ps. 105 : 39.
6. Voor 'in Mozes gedoopt' heeft het Grieks: 'eis ton moousèn' = naar Mozes toe. Israël kwam a.h.w. op naam van Mozes te staan. De nadruk ligt hier op Mozes als leider en middelaar. Vgl. Ex. 14 : 31. Dus zoals de gelovigen van het nieuwe verbond ook op de Naam van Christus zijn gezet door hun doop. Zie Rom. 6 : 3; Gal. 3 : 27. De terminologie is hier aan het nieuwtestamentisch spraakgebruik ontleend. 'In de wolk en in de zee' betekent niet: door middel van, maar wijst op de locatie van het gebeuren. Hoewel de nadruk ligt op het woord 'allen' in vs. 2, waaronder ook de kinderen en hoewel ook uit deze wonderlijke passage door de Rode Zee blijkt, dat in Gods verbond ook de 'kleinsten' niet uit de boot vallen, moeten we uit deze tekst toch niet directe conclusies willen trekken m.b.t. de kinderdoop. Vgl. verder: 1 Petr. 3 : 20v.
7. Zoals de christelijke doop het sacramentele onderpand is van Gods gunst. Sommige exegeten herinneren eraan, dat ook de Joodse rabbijnen soms een parallel trokken tussen de doortocht door de Rode Zee en de proselietendoop. Zie Gordon D. Fee, a.w. , p. 444 (note 17).
8. J. Calvijn (a.w. , blz. 162, 165) vat de woorden 'dezelfde' op als: dezelfde als wij (nl. in het Heilig Avondmaal). O.i. echter past het beter het woord 'dezelfde' te verbinden met 'allen'. Allen ontvingen zonder onderscheid dezelfde zegeningen.
9. Paulus herinnert hier aan wat we verhaald vinden in Ex. 16 : 4, 13vv; 17 : 1-7 en Num. 20 : 2-13 (vgl. Num. 21 : 16).De 'meerwaarde' van dit hemels manna vinden we reeds verwoord in Deut. 8 : 3 ('de mens leeft niet slechts van het brood alleen, maar van alles wat uit des Heeren mond uitgaat'). Ook Jezus heeft de 'geestelijke diepte' van Israëls woestijnbrood en -water gepeild in Zijn verwijzing van daaruit naar Zichzelf (vgl. Joh. 6 en 7).
10. J. Calvijn (a.w., blz. 164) wijst terecht op deze parallellie.
11. In de aoristus-vorm van het werkwoord voor 'eten' (Gr. 'efagon') komt iets tot uitdrukking van het moment van het eten. In de imperfectum-vorm van het werkwoord voor 'drinken' iets van het voortdurende van dat drinken (één en andermaal). In beide gevallen was het echter iets geheel verrassends.
12.. Ook deze wijze van omgaan met oudtestamentische teksten is onder de nieuwtestamentici druk in discussie geweest. Er is op gewezen, dat Paulus hier - exegetisch - sterk allegoriseert, zoals dit in Joodse targums wel vaker gebeurde. Was hij daarvan wellicht afhankelijk? De latere rabbijnse traditie kent de legende van een bron die met Israël meereisde door de woestijn (Num. 21 : 17v), één van de tien dingen die God schiep in de avondschemering van de zesde dag van de schepping. Het is echter de vraag, of deze legende waarin het overigens over een bron en niet over een rots gaat, aan Paulus bekend is geweest. Zie over dit alles nader Gordon D. Fee, a.w., p 442, 448 en Werner de Boor, a.w., S. 164. Uit de grote hoeveelheid literatuur op dit punt noemen we slechts: Barn. Lindars, It is written, Scripture Citing Scripture, Cambridge 1988.

De vraag blijft klemmen, of we in de onderhavige tekst kunnen spreken van zuivere allegorie. Bij het laatste is immers het historische van weinig of geen belang. Paulus vergeestelijkt echter de steenrots niet zoals in de allegorie. Hij ziet de steenrots als een 'pneumatische' realiteit; hij doet niets af van het historische en stoffelijke, maar ontdekt er 'typologisch' de presentie van Christus in (hij schrijft: was). De rots was een gestalte van de preëxistente Christus. Christus werd er a.h.w. in geprefigureerd. Zie verder noot 16.


13. Het is dus niet onterecht hier te spreken van een 'preëxistente' Christus. L. Morris, a.w. , 140.
14. Gr. 'pleioon' = meerderheid i.t.t. Gr. 'pantes' - allen.
15. Het Griekse werkwoord 'katastroonnumi' = uitspreiden, neerslaan. Vgl. Num. 14 : 16 in de Septuagint, een woord waaraan Paulus hier herinnert.
16. 'Tupoi hèmoon egenèthèsan' (Gr.) = (al deze dingen) zijn gebeurd (letterlijk: gewerden) als voorbeelden voor ons. Het woord 'tupos' betekent: afdruk, type, voorbeeld. Zie 1 Thess 1 : 7. Vgl. ook vs. 11 van 1 Kor. 10 (voorbeelden en waarschuwingen voor ons). Vgl. ook Judas : 5vv. We kunnen hier dus spreken over een 'typologische duiding' van de geschiedenis van God met Israël en van het Schriftgetuigenis dienaangaande. Het verschil met een 'allegorische' benadering van deze dingen is, dat het historische in het verhaalde in de typologie helemaal gehonoreerd wordt. Zie verder C. den Boer, Galaten, Kampen 1990, blz. 162.
17. Letterlijk staat er: opdat wij geen begeerders van kwade zaken zouden zijn. Het Griekse 'epithumètès' = een begerende, komt alleen hier in het NT voor. Vgl. voor begeren in de negatieve betekenis van het woord: Rom. 7 : 7, 8; 13 : 14 en Gal. 5 : 16, 24. Vgl. ook Num. 11 : 34 (LXX).
18. Voor het Griekse woord 'eidololatriai' - afgodendienaars: zie wat we daarover schreven onder hoofdstuk 8.
19. Aldus dr. F. C. Fensham in Exodus (De prediking van het Oude Testament), Nijkerk 1977 / 2. Hij schrijft bij de verklaring van Ex. 32 : 6 (de tekst die Paulus hier letterlijk in de Griekse versie - LXX - citeert): 'Spelen is een eufemisme voor seksuele handelingen (vgl. Gen. 26 : 8). Het gaat om seksueel-cultische praktijken, die bij de naburige volken en in het bijzonder bij de Kanaänieten in zwang waren.' Gordon D. Fee, a.w., p. 454 spreekt ook over 'sexual play' en verwijst (note 21) naar: 1 Sam. 18 : 7; 2 Sam. 6 : 5, 21; 1 Kron. 13 : 8; 15 : 29. Sommige rabbijnen (zie t. Sot. 6. 6), onder wie r. Eliëzer b. r. Yosé de Galileeër verklaren deze tekst (onder verwijzing naar Gen. 39 : 17) zo ook. Dat afgoderij en hoererij samenhangen, komt ook tot uitdrukking in Hand. 15 : 29; Openb. 2 : 14, 20. Fee wijst er in navolging van H. Conzelmann op, dat tempelprostitutie in Aphrodites tempel te Korinthe (vermeld bij Strabo) wellicht uit vroeger tijd stamt, maar memoreert ook het verhaal van Fl. Josephus (Oudheden 18. 65-80) uit de tijd van Paulus m.b.t. het meisje Paulina die na de maaltijd in de tempel gedurende de ganse volgende nacht seksueel verkeer had met Mundus, denkende dat hij god Anubis was.
20. Voor het Griekse werkwoord 'porneuoo' zie onze verklaring van 1 Kor. 5 en 8.
21. In Num. 25 : 9 lezen we: 24.000. J. Calvijn (a.w. , blz. 169) schrijft, dat Paulus het aantal bij benadering ('omtrent') aangeeft en dat 'Mozes het hoogste getal, Paulus het laagste noemt'. Het precieze aantal kan ook 23.500 zijn geweest, door de Pentateuch naar boven, door Paulus naar beneden afgerond. Gordon D. Fee veronderstelt, dat Paulus zich vergist in het getal met dat wat in Num. 26 : 62 voor het aantal levieten wordt genoemd. Of heeft Paulus uit een andere Joodse bron geput? Wat niet waarschijnlijk is, omdat alle ons bekende Joodse bronnen 24.000 hebben. Zie H. L. Strack-P. Billerbeck, a.w., III, S. 410.
22. Gr. 'ekpeiradzoo' = testen, proberen (kijken hoever men kan gaan; de Heere moet nu maar eens laten zien wat Hij kan). Zo wordt Israëls rebellie geïnterpreteerd in Ps. 78 : 18. Paulus volgt deze interpretatie. Vgl. Deut. 6 : 16, geciteerd door Jezus in Matth. 4 : 7. Vgl. ook Hand. 5 : 9; Hebr. 3 : 9.
23. Sommige handschriften hebben: tegen de Heere. Maar aan de handschriften die 'Christus' lezen moet de voorkeur worden gegeven.
24. Het Griekse werkwoord 'goggudzoo' = grommen. Het is precies het tegenovergestelde van: lijdzaam verdragen, zich schikken naar en in... Zie G. Kittel, a.w.,I , S. 727 ff.
25. Het Griekse woord voor slang is 'ofis'. Het imperfectum van het Griekse werkwoord 'apollumi' = er werden gedood (dag voor dag?).
26. Het Griekse 'olethreutès'(alleen hier in het bijbelse Grieks) = verderver, booswicht. Wordt hier gedacht aan de engel des doods? (Ex. 12 : 23; 2 Sam. 24 : 16; Jes. 37 : 36; Hebr. 11 : 28). Vgl. ook 1 Kron. 21 : 12.
27. 'Tauta de tupikoos sunebainen' (Gr.) = deze dingen passeerden hun (telkens) op de wijze van een type, bij wijze van voorbeeld. In tegenstelling tot Gordon D. Fee die zegt, dat Paulus hier niet bedoelt te zeggen, dat Israël dient als een type voor de Korinthiërs (a.w., p. 458), menen wij dat dit wel het geval is. De aan Israël overkomen dingen zijn 'typisch' (voor iedere christen) en tot waarschuwing van ons.

28. Voor het woord waarschuwing wordt in het Grieks het woord 'noethesia' gebruikt: vermaning.



29. 'Ta telè toon aioonoon katèntèken' (Gr) = de einden (meerv.) der eeuwen (meerv.) zijn aangebroken. Vgl. 2 Kor. 5 : 17.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina