1 Korinthe 2, 10-16 In het perspectief van de Geest



Dovnload 48.64 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte48.64 Kb.
1 Korinthe 2, 10-16
7. In het perspectief van de Geest
10 Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.

11 Want wie van de mensen weet wat van de mens is dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand wat van God is dan de Geest Gods.

12 Doch wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn;

13 Welke wij ook spreken, niet met woorden die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.

14 Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.

15 Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hijzelf wordt door niemand onderscheiden.

16 Want wie heeft de zin des Heeren gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben de zin van Christus.
Verklaring
Elie Wiesel vertelt in zijn boek 'Het Testament' een legende van een man, een rechtvaardige die naar Sodom ging om te proberen de inwoners van die stad van hun zondepaden terug te roepen en hen te redden van het verderf.
Wat deed die man? Hij ging aanhoudend door de straten en over de pleinen van Sodom heen en waarschuwde de mensen. Hij klaagde hen aan om hun hebzucht en diefstal, om hun leugenachtigheid en gevoelloosheid. En hoe reageerden de mensen? Aanvankelijk lachten ze erom. Later luisterden ze niet eens meer. Het zondeleven ging zijn gewone gang.
Tenslotte kwam daar een kind naar de vreemde leraar toe en vroeg hem: 'Arme vreemdeling, je roept en je schreeuwt, maar zie je dan niet, dat het hopeloos is?' 'Ja zeker', antwoordde hij. `Maar waarom ga je er dan mee door?'

`Wel', reageerde de leraar, 'in het begin dacht ik, dat ik de mensen kon veranderen. Nu weet ik, dat ik dat niet kan. Maar ik blijf roepen en schreeuwen, omdat ik de mensen wil verhinderen, dat zij uiteindelijk mij zullen veranderen.'


Jak. 3: 15

Wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest die uit God is, schrijft Paulus in 1 Kor. 2 : 12. Daarom moeten wij blijven roepen en schreeuwen tegen de zonde. En we moeten het vooral ook doen, omdat wij zelf anders één-twee-drie ingepakt en ingepalmd worden door de wereld die in het boze ligt. Er is immers een afgronddiepe kloof tussen hen die van de wereld zijn en hen die door de Geest van God weet mogen hebben van Gods geheim in Jezus Christus.


Over dat geheim van Gods gemeente gaat het in het slotgedeelte van 1 Kor. 2. Een perikoop die vol is van de Geest. In het voorafgaande heeft Paulus uitvoerig geschreven over de wijsheid van God tegenover die van de oversten van deze wereld. De wijsheid van de gekruisigde Christus. Eeuwig in God verborgen. En bestemd voor allen die de Heere liefhebben. Nu laat hij zien, hoe en aan wie dat geheim is geopenbaard.

Hoe komt u erbij?

Iemand immers kan vragen - en men heeft dat wellicht in Griekenland nogal eens aan Paulus gevraagd -: 'Waar haalt u dat nu allemaal vandaan? Hoe komt u daarbij? En dan gaat Paulus zich op een hoge instantie beroepen. Op God Zelf. Op de openbaring door Zijn Geest. Paulus heeft het allemaal niet zelf bedacht. Het is geen constructie, geen projectie van een gekoesterd ideaal. Het is niet aan eigenwijsheid te danken. Het is ook geen boekenwijsheid.


Er is veel in de wereld dat van de daken wordt verkondigd, dat bij nader inzien alleen maar waanwijsheid blijkt te zijn. Maar met de apostolische boodschap is dat niet het geval. Hoe vaak beroepen soms ook christenen zich op gevoelens om hun mening te staven. 'Zo voel ik het aan; zo heb ik het ervaren.' Misschien hebben sommige christenen dat in Korinthe ook gedaan. Als zij in extase raakten over de dingen en naar men meende zeer diepe dingen uitspraken.

Maar zoiets doet Paulus hier niet. Al lijkt het zo te zijn, wanneer hij zich beroept op de openbaring door de Geest van God. Neen, juist die Geest van God is voor Paulus de meest objectieve instantie, de wel ingelichte bron waar zijn informatie vandaan komt. Hij schrijft: Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods (vs. 10). Het geheim van Gods gemeente is aan openbaring te danken.


Joh. 16 : 13

Wat God heeft voorbestemd (vs. 7) en wat God heeft bereid (vs. 9), dat is door Hem geopenbaard. 1. Het is Pinksteren geworden. De Geest van God is uitgestort. Die Geest van Wie de Heere Christus had gezegd, dat Hij ons in al de waarheid zou leiden. Hij is de Boodschapper van God die ons onthult wat Hij van God heeft gehoord en weet. 2.


Matth. 11 : 25

En wij, schrijft Paulus, hebben dat geheim dus van hogerhand verklaard gekregen. Hij wordt nu heel persoonlijk. Hij schrijft: ons en wij (vs. 12v). Hij zelf en zijn medewerkers in de verkondiging van het Evangelie zijn door Gods Geest ingeleid in de geheimen van Gods Vaderhart. Maar niet alleen zij. Ook de Korinthiërs en allen die door de apostolische verkondiging uit de duisternis van hun onbekeerde bestaan zijn getrokken. Ook zij zijn het voorwerp van de openbaring van Gods Geest. Golgotha, Pinksteren en de Damaskuservaring van Paulus' eigen bekering en het tot geloof komen van mensen onder de prediking liggen in één vlak. 3. Het is één doorlopende openbaringsgeschiedenis.



'Public relation'

Dan. 2 : 22

Maar waarom zou de apostel zich hier zo exclusief op de Geest van God beroepen? Nu, op deze vraag is maar één antwoord mogelijk. Het is een beroep op God Zelf. De Geest is immers God in Zijn Zelfopenbaring. Hij is de naar buiten toegekeerde zijde van God.
Zoals overheidsinstanties, ministeries b.v. altijd ook 'een public relation' hebben, waardoor een volk en de wereld op de hoogte worden gesteld van wat zich achter de schermen heeft afgespeeld, zo is Gods Geest - met eerbied gezegd - Gods `public relation'. Hij is immers het beste thuis in wat er eeuwig in het hart van God leeft. Hij is Gods verstaanssleutel. De Geest doorzoekt alle dingen, ook de diepten van God. 4.
Voor Gods Geest is niets verborgen. Niets van God. Niets van de mensen.

Wij mensen leven vaak langs de dingen heen en hebben daar alleen oppervlakkige kennis van. Wij zien vele dingen, maar doorgronden ze niet. De Geest van God echter gaat anders te werk. Hij peilt ons hart tot op de bodem. Hij kent de mens vanaf het uur van zijn ontvangenis.


Waar zou ik Uwe Geest ontvliên?

Waar zou m', o Heer', Uw oog niet zien?


Eer iets van mij begon te leven,

Was alles in Uw boek geschreven. (Ps. 139 : 4 en 9 ber.)


Voor Gods Geest is niets verborgen. Niets van de mens. Maar ook niets van God Zelf. En daar heeft Paulus het hier vooral over. God is voor Hem een open boek. Hij speurt rond in het eeuwige wezen van God. 5.
Paulus maakt hier duidelijk onderscheid tussen God en Zijn Geest. De Geest van God is niet maar Gods introspectie of zelfbewustzijn. Hij is een zelfstandigheid, een Persoon die penetreert tot in de eeuwige raadslagen van God. Dat is Zijn liefste werk. Hij komt er nooit in uitgestudeerd. Hij komt altijd weer voor nieuwe verrassingen te staan. God is altijd groter dan wat Hij tot heden van Zichzelf heeft laten zien.
Zoals in een goed huwelijk een vrouw en een man nooit op elkaar uitgekeken raken en in elkaar altijd weer nieuwe dingen ontdekken, zo is het ook tussen de Geest van God en God. Augustinus noemt de Geest de kus van Gods mond.
Hoogl. 1 : 2

Laat Gods kind op aarde daarom maar bidden: `Hij kusse mij met de kussen van Zijn mond'.


Gods Geest. Het medium bij uitnemendheid. Hij is volstrekt op de hoogte. Moet dat nog verder worden uitgelegd? Paulus doet er even moeite voor. Hij schrijft in vs. 11: Want wie van de mensen weet wat van de mens is dan de geest des mensen die in hem is? Alzo weet ook niemand wat van God is dan de Geest Gods.

Spr. 20 : 27

Paulus trekt hier een parallel tussen God en de mens. 6.
Bij wijze van spreken, gaat het tussen Gods Geest en God als tussen onze geest en onszelf. Ook bij ons immers is de geest het centrum van zelfkennis, het communicatiemiddel. Daarmee kennen wij onszelf in onze diepste roerselen.

Dat wil niet zeggen, dat ieder mens er ook in slaagt om een goed beeld van zichzelf te krijgen. Integendeel, er lopen nogal wat mensen rond in de wereld die constant op zoek zijn naar zichzelf, zonder ooit te weten, wie ze eigenlijk zijn of die constant op de vlucht zijn voor zichzelf, omdat ze eigenlijk bang zijn om zichzelf te zijn.


Zach. 12 : 1

Maar daar gaat het Paulus hier allemaal niet om. Hij wil gewoon zeggen: `Als u iemand wilt leren kennen, dan kunt u zich in de meeste gevallen het beste tot die persoon zelf wenden.' Dat is een algemene uitspraak. Wie zichzelf wel eens van binnen bekeken heeft, weet hoe hij is. En wie zichzelf bij hoger licht heeft leren kennen, wil het ook nog weten, wie hij is. Dat is niet veel moois.


Job 11 : 7v; Joh. 1 : 18; Rom. 11 : 33

Nu, zo gaat het ook toe bij God. Wie kent God beter dan Hij Zelf? Wie dan Zijn Geest? Wie weet, hoeveel moois en verrassends er in God is dan die Geest? Ja, we moeten zelfs zeggen, dat niemand toegang heeft tot God dan alleen door de Geest. 'Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem ons verklaard.' Jezus Christus is Gods explicatie. Maar Gods Geest is Gods exclamatie. Want deze heeft ons op het spoor gebracht van de Vader en de Zoon. God is 'doorzichtig', niet langer `ondoordringbaar' meer. Hij is `toegankelijk'. Hoewel Hij een ontoegankelijk licht bewoont.


Maar terug tot het eigenlijke thema waarover Paulus schrijft. Hoe weten wij van het geheimenis van Gods gemeente? God heeft het ons geopenbaard. Door Zijn Geest. Dat is het antwoord. En dan doet de apostel nog een stap. God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest. En die Geest heeft Hij ons ook geschonken. Hij is Gods cadeau aan Zijn gemeente. En daarmee is de communicatie tussen de eeuwige God en ons compleet geworden. De Geest van God is maar niet tot Zijn eigen genoegen bezig met Zich te verdiepen in het wezen van God. Hij is Gods publicatiemiddel.

Mensen maken van zichzelf soms een geheim en verbergen zichzelf voor de buitenwacht. Ze zijn introvert. Ze leven achter façades. Ze laten van zichzelf niet meer los dan zij nodig vinden om hun beste beentje bij anderen voor te kunnen zetten. Ze laten het achterste van hun tong niet zien. Maar bij God gaat dat volstrekt anders. Hij geeft Zichzelf te kennen. Zoek Hem te kennen. Door Zijn Geest. Doch wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn (vs. 12).



Zeker weten

Hier weer een tegenstelling ('maar'). Zoals in het voorgaande waar een schril contrast wordt gemaakt tussen de wijsheid van de wereld en de wijsheid van God.


De Geest die uit God is, staat diametraal tegenover de geest van de wereld. Met die laatste is de mens van huis uit doorzuurd. We hebben eerder uitgelegd wat dat inhoudt. Eén en al zelfzucht en eigenbelang, hartstocht en machtsmisbruik. Als in Sodom. 7.

Maar de Geest die uit God is, doet ons zoeken naar God, leert ons ons te verheugen over Gods geheim in Christus Jezus. En die Geest hebben wij ontvangen, schrijft Paulus. De openbaring (vs. 10) en de ontvangst van de Geest van God (vs. 12) zijn elkaars evenbeeld. 8.


Joh. 16 : 8, 13v; 14 : 26

Als u en ik uit deze tegenwoordige duistere wereld en uit ons boze bestaan worden weggehaald door het Woord en de Geest van God, eerst dan komt het tot een hogere wetenschap. Dan pas worden wij mensen die van het allervoornaamste op de hoogte zijn. We krijgen entree bij God. Gods Geest fluistert ons het diepe geheim van Gods zondaarsliefde in de gekruisigde Christus in het oor en in het hart.


Rom. 8: 32

De Geest maakt van God geen geheim. Neen, Hij publiceert het geheim. Wij komen aan de weet wat altijd verborgen was en wat nog steeds een verborgen zaak is voor de wereld. Wat? De dingen die ons van God gegeven zijn.


Paulus bedoelt daarmee zeker niet, dat sommige christenen extra openbaringen krijgen. De Geest van God doet ons niet nieuwsgierig, buiten de Bijbel om de verborgenheden in God opsporen. Laat ik een voorbeeld noemen. Niet door een droom of visioen wordt een mens er zeker van, dat hij door God eeuwig is uitverkoren. Neen, Gods Geest leert een zondaar die van alles wat van hemzelf is, moet worden afgebracht, te hopen en betrouwen op het Woord van Gods belofte. En omdat dat beloftewoord van God tot grote zondaars is gericht, durft een ontdekt mens het te geloven, dat God ook hem op het oog en in het hart heeft gehad, toen Hij de zaligheid bereidde voor allen die Hem liefhebben.
Rom. 8 : 16

Opdat wij zouden weten... En dat houdt dan ook in, dat wij door de vrijmoedigheid van de Geest tot grote zekerheid komen. We hopen er maar niet het beste van. We weten het vast en zeker.

Zeker weten. Weten, hoe rijk wij zijn. En ook welke schatten ons zijn toevertrouwd.
1 Joh. 5 : 20

Een gekruisigde Zaligmaker die mij in Zijn hart had op Golgotha. Maar ook het wonder van een waar geloof waardoor ik deze Jezus in mijn hart heb. Ja en ook het geheim van de liefde die als een fakkel in mij brandt. Ja en ook de blijdschap en de vrede die zo groot is, dat ik met de gehele wereld niet meer wil oversteken. Ja en ook de kracht om een moedig getuige te zijn van mijn Heiland in het Sodom van deze wereld. Ja en ook een profetisch inzicht in de dingen die aan het gebeuren zijn in de geschiedenis van de wereld en van mijn eigen leven. 9.


Of om het te zeggen met woorden die ontleend zijn aan de Dordtse Leerregels (I, 12): `Van deze hun eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheiden trappen en met ongelijke mate, verzekerd; niet als zij de verborgenheden en diepten van God curieuselijk doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing, in het Woord van God aangewezen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.) in zichzelf met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen (2 Kor. 13 : 5).’
Zo leidt de Geest als een Gids in al de waarheid. J. Calvijn wijst in dit verband op de duivelse leer van de sofisten die de gedurige twijfelachtigheid van de gelovigen leren... 'Want zij gebieden alle gelovigen te twijfelen of zij in de genade van God zijn of niet en laten geen ander vertrouwen der zaligheid toe dan dat steunt op een zedelijke of vermoedelijke mening...' `Maar,' aldus Calvijn, 'het is de natuur van het geloof, dat de consciëntie een zeker getuigenis door de H. Geest heeft van de goedwilligheid van God, waarop zij vertrouwende, niet twijfelt God de Vader aan te roepen.' 10.

Geestestaal

Dat maakt Geest-rijke mensen.

Het maakt ook spraakzame mensen. Daarom schrijft Paulus in vs. 13: Welke wij ook spreken, niet met woorden die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.
1 Kor. 2 : 1

Waar het hart vol van is, loopt de mond van over. In de apostolische prediking. Maar ook in de gemeente onderling. Onder de aandrang van Gods Geest, maken ook wij er geen geheim van, dat God zondaren zoals wij zijn, bemint.

En dan weer die tegenstelling die Paulus telkens maakt. Niet met woorden die putten uit menselijke wijsheid, geleerde woorden van menselijke wijsheid, maar met door de Geest geleerde (woorden). 11.

Op de leerschool van de Heilige Geest wordt een vreemde - voor de wereld vreemde - taal geleerd. Hoe kan het anders? Hoe kan een mens de diepste geheimen van Gods hart en van zijn geloof eigenlijk goed onder woorden brengen? Zeker, hij wordt niet geroepen om een wereldvreemde taal te spreken. Maar hij is wel geroepen om geen wereldwijze, hoogdravende en schoon klinkende taal te gebruiken, die herinnert aan de wereld en er bij ongelovigen wel in wil. 12.


Maar wat bedoelt Paulus nu precies met de laatste woorden van vs. 13? Dat is moeilijk te zeggen. Er zijn verschillende verklaringen voor gegeven. Het meest voor de hand liggend is om - zo dicht mogelijk aansluitend bij de voorafgaande woorden - te vertalen: geestelijke (pneumatica) zaken (waarheden/inhouden van de boodschap) aan geestelijke (pneumatische) vormen (woorden) verbindende. 13.
Nog een keer samenvattende wat Paulus schrijft: het geheim van Gods gemeente, door de Geest van God geopenbaard en in het geloof ontvangen, is een totaal vreemde zaak in de wereld. Men staat er haaks mee in het leven. Iemand die dat geheim kent, wordt met vreemde ogen aangekeken. De wereld begrijpt er niets van, vindt het je reinste dwaasheid, kan het ook niet verstaan.

Het grote onderscheid

Joh. 14 : 17



Maar... (weer hetzelfde 'maar' als in vs. 10 en 12; dus weer de grote antithese waar de apostel steeds over schrijft), de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die van de Geest van God zijn; want ze zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden (vs. 14). Kerk en wereld zijn nooit onder één 'dak te brengen. De natuurlijke mens die leeft binnen de horizont van zijn aardse bestaan en geen hogere belangen heeft leren najagen dan wat hij met zijn ogen kan zien en met de handen grijpen, heeft geen antenne voor geestelijke zaken.14. Hij vindt iemand die uit de Geest leeft en spreekt maar een kwezel, een warhoofd, een domkop. 'Abacadabra'. Zo is het helaas. De ervaring bevestigt het. Hij bevat die taal niet, neemt ze niet op en over.15 Hij haalt er de schouders over op. Het is hem alsof hij het in Keulen hoort onweren. Hij vindt ze: onredelijk/onlogisch en niet passend in zijn op winstbejag gerichte levensklimaat. Hij schiet er geen cent mee op en wordt er geen grijntje wijzer van. Even later lacht hij er alleen maar een beetje om. En tenslotte geeft hij er helemaal geen acht meer op. Zoals de inwoners van Sodom in het verhaal van Elie Wiesel voor wie de wijze man op den duur gewoon bij het straatbeeld hoorde. Niemand lette er meer op.

Het is vandaag niet anders. Van nature taalt er geen sterveling naar de dingen van God.


Joh. 8 : 43

De natuurlijke mens kan de geestelijke zaken gewoon niet verstaan. Hij heeft er geen flauwe notie van. Hij mist het rechte onderscheidingsvermogen. 16. Hij is niet in staat om passend te oordelen. Hij moet discrimineren. Noem het maar: geestelijk onvermogen. Wat een aanfluiting. Want het komt uit onwil voort. Een klein kind dat door Gods Geest geleerd is, kan de taal van de Geest verstaan. Uw eigen kind misschien. Maar een intellectueel gevormd man die alles op de noemer van zijn kunnen en kennen heeft staan, kan het niet. Uw eigen man misschien. Dat is een angstige werkelijkheid. U komt zulke zielige mensen wellicht dagelijks tegen. En u staat voor muren. Maar vergeet niet, dat God erdoor heen kan. Hij kan een hart dat met verroeste grendels is gesloten, openen. Bidt om Zijn Geest.

Er is verschil tussen de mensen als tussen een hemel en een hel. Ja, want tegenover de natuurlijke mens staat de geestelijke mens. Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt door niemand onderscheiden (vs. 15).
Joh. 1 : 13 Fil. 1 : 10; 1 Thess. 5 : 21 1 Joh. 2 : 20

De geestelijke mens, d.i. de mens die onder de leiding van de Heilige Geest mag leven. Hij heeft een goed onderscheidingsvermogen. Hij weet het goede en het kwade uit elkaar te houden. En dat kan een mens van nature al helemaal niet. De geestelijke mens vormt zich een oordeel over de dingen met de maatstaf van Gods recht en genade. Zo beproeft hij alle dingen en behoudt het goede. Hij ziet soms ook dingen om hem heen die de wereld niet ziet. Zoals Elisa de profeet die in de stad Dothan omsingeld was door de Syriërs. Zelfs zijn jongen naast hem zag niet wat hij zag. Een grote schare van engelen die de stad omringde. De geestelijke mens kijkt door de dingen (alles) heen, peilt ze tot in hun wezen.


Des Heeren engel schaart

Een onverwinb're hemelwacht

Rondom hem die Gods wil betracht;

Dus is hij wel bewaard. (Ps. 34 : 4 ber. )


Intussen wordt die geestelijke mens door niemand onderscheiden. In het oog van de wereld doet hij vreemd. Want hij volgt de weg van kruis en zelfverloochening. Hij staat niet inhalig en zelfzuchtig in het leven. Hij heerst niet met zijn mening over iedereen. Dus is hij een vreemd element. Niemand begrijpt hem. Hij is niet te plaatsen. `De Kerk is een mysterie in de wereld.' (F.J. Pop, a.w., blz. 66). Amper opgemerkt.
1 Kor. 4 : 3v

Maar is dat voor de geestelijke mens zelf een ramp? Neen, hij heeft het toch immers afgeleerd om te leven van de toejuichingen der mensen. 'Het is mij voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld word of van een menselijk oordeel... die mij oordeelt, is de Heere'.


Welk een heerlijk leven is dat. Alleen met zijn God in het leven staan. Onafhankelijk van mensendunk en mensenwijsheid.

Jes. 40 : 13 (LXX) ; Jer. 23 : 18 ; Rom. 11 : 34

Als de apostel deze dingen schrijft, schiet hem een woord uit de Schrift te binnen. Want wie heeft de zin des Heeren gekend, die Hem zou onderrichten? (vs. 16a). Hoe ondoorgrondelijk is de Heere Zelf in al Zijn machtige daden, zowel in de schepping als in de verlossing. De raadslagen van Zijn hart zijn niet na te rekenen. Hij is de soevereine die geen rekenschap behoeft te geven van Zijn daden. Geen sterveling heeft Hij nodig als een raadsman of voorlichter. 17.
Zeer groot is onze Heer', vol krachten;

Onpeilbaar diep zijn Gods gedachten;

Daar Zijn verstand, nooit af te meten,

Ver overtreft al wat wij weten. (Ps. 147 : 3 ber.)


Welnu, zo is het in zekere zin ook met alle kinderen van God. Zij hebben de zin van Christus, dat is de zin van de Heere Zelf. 18. Onafhankelijk van mensen, niet na te rekenen door mensen, onaantastbaar ten diepste. Maar wij hebben de zin van Christus (vs. 16b). Wie de Geest van Christus heeft, heeft de Geest van God. En dat doet hem soeverein en onverstoorbaar door het leven gaan. Niemand krijgt uiteindelijk Gods kind tegen de vlakte.
Op nog één ding echter moeten we tenslotte goed letten. De geestelijke mens over wie Paulus hier schrijft, moet vooral niet buiten zijn schoenen gaan lopen. Hij mag geen overgeestelijk mens worden, die zich van niemand of niets iets aantrekt en eigenzinnig zijn eigen weg gaat. De slotwoorden van 1 Kor. 2 bedoelen niet te zeggen: Als je een geestelijk mens bent, heb je geen adviezen van anderen meer nodig; je behoeft je aan het oordeel van anderen niet gelegen te laten liggen; je weet het immers allemaal alleen wel.
Ef. 3 : 18v

Zo'n levenshouding zou grote eigenzinnigheid betekenen. Het is daardoor, dat er 'geestdrijverij' ontstaat, om niet te zeggen anarchie. Neen, volgelingen van de Heere Jezus zijn geen mensen die het monopolie van de Geest hebben. Zij hebben al de heiligen, dus elkaar maar al te zeer nodig om de breedte en lengte, de diepte en de hoogte van de liefde van Christus te verstaan. Maar zo, juist zo blijven zij voor het Sodom van deze wereld burgers van een andere wereld die niet begrepen worden en die alleen maar blijven roepen - stem van een roepende in de woestijn - opdat zij met de goddeloze wereld niet omkomen.



Gespreksvragen

1. De perikoop is vol van de Heilige Geest. Zou u in het kort de voornaamste werkingen van Gods Geest kunnen noemen?

2. In vs. 12 van 1 Kor. 2 schrijft Paulus, dat wij de Geest van God ontvangen, opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn. Hoe zou het komen, dat sommige christenen niet durven te geloven, dat hun iets van God geschonken is?

3. In vs. 13 wordt gesproken over de geestelijke taal die in de gemeente wordt gesproken. Betekent het, dat gelovigen er een soort geheimtaal of tale Kanaäns op nahouden? Kan het ook betekenen, dat we de taal van de Bijbel eigenlijk nooit helemaal kunnen overbrengen in het taalgebruik van de moderne mens?

4. Als de natuurlijke mens elk geestelijk onderscheidingsvermogen mist (vs. 14), is het dan wel zinvol om het Evangelie aan iedereen te verkondigen?

5. De geestelijke mens onderscheidt alle dingen (vs. 15). Betekent dat, dat de gelovige over alles altijd een goed oordeel heeft? Betekent het, dat hij eigenlijk nooit kan dwalen in de leer of vallen in de zonde?



NOTEN
1. Het Griekse werkwoord is 'apocaluptein'. Het betekent: onthullen van dingen die tevoren verborgen waren. Vgl. Dan. 2 : 20vv. Wat de Geest ons heeft geopenbaard, wordt hier niet genoemd. Maar we moeten daarbij uiteraard denken aan wat Paulus in vs. 7 en vs. 9 schreef.
2. Een aantal handschriften heeft: `want' (Gr. 'gar'), waardoor het slot van vs. 9 ('bereid voor die Hem liefhebben') nader verklaard wordt door het begin van vs. 10 ('want God heeft het ons geopenbaard'). Gordon D. Fee (a.w., p. 109 f) kiest ook voor deze lezing en acht het 'ons' van vs. 10 een nadere ontvouwing te zijn van 'die Hem liefhebben' (vs. 9). F. W. Grosheide (a.w., blz. 84) doet hetzelfde, maar legt er o.i. terecht de nadruk op, dat Paulus vanaf vs. 10 een volgende stap doet in zijn uiteenzetting over de wijsheid van God. Vanaf vs. 10 laat Paulus zien, dat wat hoog opgeborgen was in God en bereid was voor die Hem liefhebben, in de volheid van de tijd nu ook door de Geest is geopenbaard en door de gelovigen is ontvangen. Daarom volgen wij toch liever de voorkeurlezing van Nestle-Aland ('maar' i.p.v. `want').
3. Ongetwijfeld bedoelt Paulus, zoals F. J. Pop (a.w., blz. 61v) zegt vooral zichzelf en zijn medewerkers (zie de voorgaande verzen, vooral vs. 4; zie ook vs. 13). Maar er is geen enkel bezwaar tegen aan te nemen, dat Paulus hier inclusief ook over de ontvangers van de Geest in de gemeente, de gelovigen spreekt (zie vooral vs. 15). Zo ook F. W. Grosheide, a.w., blz. 84 (noot 32 en 45).
4. Het Griekse werkwoord 'ereunaoo' = onderzoeken, vorsen, doordringen in het wezen van een zaak/ God. Er is geen zaak noch in de hemel noch op de aarde die de Geest van God niet tot op de bodem peilt. Maar vooral peilt Hij het wezen van God Zelf.
5. De tekst noemt dat 'diepten van God' (Gr. 'bathè') = de diepe God zelf. Zijn ondoorgrondelijk heilsplan.
6. Deze parallel moet niet te ver worden doorgevoerd. Het gaat er hier niet om b.v. de triniteit te bewijzen door over de mens en zijn geest te spreken. Ook geeft Paulus in dit vers geen uitvoerige antropologie of psychologie. Het gaat er hem om duidelijk te maken, dat zoals de mens zichzelf door zijn geest onder controle heeft, dat zo ook met God en Zijn Geest het geval is. Overigens is er nogal verschil tussen de zelfkennis van de mens en het kennen van God door de Geest. Paulus laat dat ook even blijken door twee verschillende Griekse woorden te gebruiken ('oidein' = weten en 'ginooskein' = kennen).
7. `Aioon' = 'kosmos'. Barrett (zie C. Vaughan, a.w., p. 36 f) drukt dat aldus uit: `a man-centered planning in which man provides for his own interests, a condition in which it is impossible for him to understand the sort of divine truth that is manifested in Christ crucified'.

8. Als Paulus in zijn brieven schrijft over het ontvangen van Gods Geest, moeten we steeds denken aan het wondere gebeuren van de bekering en het komen tot geloof onder de prediking van Gods Woord en de vruchten daarvan in de gave(n) van de Geest. Zo: Vaughan (a.w., p. 37) en Gordon D, Fee (a.w., p. 113). Zie: Hand. 2 : 38; 10 : 47; 19 : 2; 2 Kor. 11 : 4; Gal. 3 : 2, 14; Rom. 8 : 15.
9. In vs. 12 wordt voor `geschonken zijn' het Griekse werkwoord charidzomai' = uit genade geven, gebruikt. De Geest geeft deel aan de gave van de redding (Rom. 6 : 23) (de dingen die tevoren verborgen waren). Hij openbaart wat we geloven. Maar verzekert er ook van, dat we geloven. De 'pneumatici' zijn dus ten diepste alle gelovigen, deelhebbend aan de gave(n) van de Geest. Vgl. 1 Kor. 3 : 2; Gal. 6 : 1.
10. J. Calvijn, commentaar op 1 Korinthe, a.w. blz. 50.
11. Letterlijk: niet in didactische woorden van menselijke wijsheid, maar in didactische vanwege de Geest.
12. Zie over het taalgebruik als vormgeving van de wijsheid, wat we boven schreven bij de verklaring van vs. 4vv. F. W. Grosheide schrijft (a.w., blz. 88, noot 37: 'Als de openbaring Gods in de wereld komt, dan vindt ze daar geen taal. Maar de Geest geeft den menselijken woorden een nieuwe inhoud.'
13. Het Griekse werkwoord 'sungkrinoo' = verbinden of samenvoegen. Zo Vanghan, a.w. p. 37. Zo ook Calvijn (a.w. blz. 51). Hij vertaalt het werkwoord met 'toevoegen'. Zie ook Gordon D. Fee (a.w. p. 114v). 'Sungkrinoo' kan echter ook betekenen: duiden; b.v. van dromen, dromen uitleggen. Vgl. Gen. 40 : 8, 16, 22; 41 : 12; Ri. 7 : 15; Dan. 5 : 12; 7 : 15, 16 (in de Septuagint). Vertaald kan dan worden: aan 'pneumatikois' - Geestbegaafden/geestelijke mensen 'pneumatica' - geestelijke dingen uitleggende. Door zo te vertalen, zou Paulus in vs. 13 in feite reeds preluderen op wat hij in vs. 14, 15 schrijft. Nog weer een andere vertaling, die ook mogelijk is, is: geestelijke dingen die de Geest ons leert met geestelijke dingen die we eerder leerden, vergelijkende.
14. De natuurlijke mens = de 'psychische' (ziel-ige) mens die niet meer heeft dan wat hij van Adam meekreeg. Adam als 'nèfesj' (Hebr.) - levend wezen. Dus aanduiding van het menselijke bestaan, afgedacht van zijn verhouding met God, van de mens in zijn natuurlijk/fysisch bestaan. Paulus maakt hier niet de tegenstelling: vlees (sarks) - geest, zoals hij elders in zijn brieven wel doet. Het gaat er hem om de absolute noodzaak van de Geest van God te onderstrepen. Wie deze mist, is niet meer dan: `animalis homo' (Vulgaat). En inmiddels los van God.
15. Het Griekse werkwoord is 'dechomai' = opnemen, bevatten, zich toeëigenen, aanvaarden. Vgl. Joh. 8 : 47; Jak. 1 : 21.
16. Letterlijk staat er aan het slot van vs. 14: hij kan niet kennen (zoals de Geest God kent, zie vs. 11 slot). Omdat ze op geestelijke wijze (Gr. 'pneumatikoos') onderscheiden worden. Voor het woord 'onderscheiden' gebruikt Paulus tot driemaal toe een Grieks werkwoord 'anakrinein' dat betekent: bevragen; verhoren bij een vooronderzoek van een rechtszaak; het fijne van een zaak proeven; het één boven het ander stellen... Het woord komt alleen in 1 Korinthe voor (tien keer: vs. 15 (2x); 4 : 3 (2x), 4; 9 : 3; 10 : 25, 27; 14 : 24). Zie Gordon D. Fee, a.w. blz. 117.
17. Het Griekse werkwoord 'sumbibadzoo' = onderwijzen. Het citaat uit Jes. 40 : 13 (LXX) wordt niet ingeleid zoals gebruikelijk met de woorden: Zoals de Schrift zegt...
18. De zin (Gr. 'noes') van de Heere en van Christus is hier voor Paulus vertaling van de Geest (Hebr. 'ruach') van God en van Christus. In het laatste gedeelte van vs. 16 zegt Paulus dus, dat wij door de Geest van Christus innerlijk even vrij van mensenmeningen worden als de Geest van God Zelf.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina