1 Korinthe 3, 1-9 Een teken van onvolwassenheid



Dovnload 44.87 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte44.87 Kb.
1 Korinthe 3, 1-9
8. Een teken van onvolwassenheid
1 En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.

2 Ik heb u met melk gevoeden niet met vaste spijs; want gij vermocht toen nog niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet.

3 Want gij zijt nog vleselijk, want omdat onder u nijd is en twist en tweedracht, zijt gij niet vleselijk en wandelt gij niet naar de mens?

4 Want als de een zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; zijt gij niet vleselijk?

5 Wie is dan Paulus en wie is Apollos, anders dan dienaars, door wie gij geloofd hebt en dat, gelijk de Heere aan een ieder gegeven heeft?

6 Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven.

7 Zo is dan noch hij die plant, iets, noch hij die nat maakt, maar God Die de wasdom geeft.

8 En die plant en die nat maakt, zijn één; maar een ieder zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid.

9 Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.
Verklaring
Een jong iemand kan al wel aardig uit de kluiten gewassen zijn en toch in vele opzichten echt nog een kind zijn. Men merkt dat dan het best aan zijn reacties. Hij heeft een onvolwassen gedrag. Hij staat b.v. al te snel met zijn oordeel klaar. Hij maakt onrijpe keuzes die niet gebaseerd zijn op evenwichtige overwegingen. Daarom laat hij zich ook vrij gemakkelijk op sleeptouw nemen door idealisten. Meestal echter, wanneer een mens wat meer tot volwassenheid is gekomen, wordt hij ook wat bedaarder, bekijkt de dingen meer van alle kanten en reageert niet meer zo heftig en heet van de naald. Hij heeft meer een luisterhouding gekregen. Het leven heeft hem wijs gemaakt.
Groeistuipen
Wat wij van de Korinthische gemeente lezen in de eerste verzen van 1 Kor. 3, is eigenlijk ook zoiets. Paulus beschuldigt de christenen van Korinthe van een onvolwassen gedrag. Maar dan in geestelijk opzicht. En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus (vs. 1). In het voorafgaande heeft de apostel uitvoerig uiteengezet, welk een machtig geheim de gemeente van Christus mag kennen in het geloof in de gekruisigde Zaligmaker. Hoe zalig is dat volk dat wijs gemaakt is tot zaligheid. Het is onafhankelijk van mensenmeningen. Het heeft weet van een hoge wijsheid die het begrip van de wereld ver te boven gaat. Bezield en vervuld door de Geest van God. Dat is echte volwassenheid in geestelijke zaken.

Maar beantwoordt de gemeente van Korinthe nu aan dit ideaal? Heeft Paulus werkelijk met haar kunnen communiceren op dit hoge niveau van de Geest en van het diepe geheim van die Geest? 1.

Het lijkt er niet op. Integendeel, Korinthe's gemeente gedraagt zich in de ogen van Paulus infantiel, onvolwassen in het geloof. Waarom? Dat zegt hij verderop in dit hoofdstuk. Hij begint met hen broeders te noemen. En dat doet hij niet voor niets. Hij ontzegt hun hun christen-zijn niet. Maar hij heeft al wel gesignaleerd, dat zij niet op peil zijn. Het christendom van Korinthe gaat mank aan het één en ander. Al denken velen, dat zij aardig volwassen zijn. Men toont een onvolwassen gedrag.
't Zijn net ruziënde kinderen die met een sterke hand uit elkaar gehaald moeten worden. Bepaald niet bezig in de stijl van Christus en van Zijn Geest. Veeleer vleselijk. 2. Als de mensen van de wereld die nimmer tot de goede keus zijn gekomen. `Onnozelen in Christus' noemt Paulus hen aan het slot van vs. 1. 3. En daarmee bedoelt hij een stand in de geestelijke ontwikkeling van Korinthe beneden het niveau van de uitgegroeide geestelijke mens. Er is iets in de wortel verkeerd. Er zijn kennelijk groeistulpen.
Het verschijnsel dat Paulus hier signaleert, is ons niet onbekend. De gemeente die naar Christus' Naam genoemd is, is lang niet altijd een volwassen gemeente die uitgebalanceerd en bedaard, met een weloverwogen keuze in de vele levensvragen haar weg door de wereld gaat. Helaas geldt dat ook van christenen persoonlijk nogal eens. Hoe velen zijn ook in onze dagen niet onzeker, onevenwichtig, twijfelend, hoewel achter façades van uiterlijke heldhaftigheid en stoerheid. Teken van onvolwassenheid. Resultaat van een verstoord groeiproces. Er zit wat fout in de wortel. Als er in de prediking zondags vanuit de volheid van het leven met Christus door Zijn Geest wordt gesproken, laten zij het al spoedig afweten. Ze vinden het hoog gegrepen. Al te hoog voor hen.
Wellicht bedoelt Paulus dat, als hij schrijft, dat hij tot de Korinthische christenen niet kon spreken 4. als tot geestelijken. Hij moest inbinden. Hij moest aan de basis beginnen. Nogmaals, daarmee is niet gezegd, dat de christenen van Korinthe allemaal geveinsden waren. Paulus schrijft niet af. Hij oordeelt met het oordeel der liefde. Hij werkt niet met veronderstellingen, zoals nogal eens voorkomt in zulke gevallen. Voor het gemak verklaart men dan de hele gemeente maar voor onbekeerden (wellicht op een enkele uitzondering na).

Aangepaste prediking

Maar dat doet Paulus niet. Broeders..., schrijft hij. Dat blijft. Ja en toch vermaant hij ook. Paulus zegt ronduit, dat hij aan Korinthe niet kwijt kon wat hij kwijt wilde. Hij preekte als tegen een muur. Moeilijk voor een man van God die graag met zijn gemeente naar de volle lengte en breedte, hoogte en diepte van de liefde Gods in Christus wil.

Nu goed, maar de apostel heeft zijn onderwijs aangepast. Niet in die zin, dat hij wat van de volle Raad van God afdeed. Maar wel, dat hij afdaalde tot het niveau van zijn hoorders dat nog in alle opzichten dat van onvolwassenen was. Hij moest hen kennelijk 'de eerste beginselen van hun weg' voortdurend blijven leren. Hij moest constant aan de basis bezig zijn.
1 Thess 2 : 7; Hebr. 5 : 12v

Daarom schrijft hij: Ik heb u met melk gevoed en niet met vaste spijs; want gij vermocht toen nog niet, ja gij vermoogt ook nu nog niet (vs. 2). Dat is een kwestie van dieet. 5. Zuigelingen geef je nog geen boerenkoolmaaltijd. Die voedt men met nutricia. Of iets dergelijks.


2 Petr. 3 : 16

Het leerproces in een gemeente is mede afhankelijk van de didactische methode van onderwijs. Wat dat betreft kunnen we van de apostel Paulus veel leren. Zijn gedachten namen theologisch vaak een hoge vlucht. Petrus schrijft in zijn tweede brief, dat 'sommige dingen in Paulus' brieven zwaar zijn om te verstaan'. Maar blijkbaar kon Paulus ook voeden met melk. En daarmee zal niet alleen bedoeld zijn, dat hij de diepere dingen even liet rusten om eerst klaarheid te scheppen omtrent de meest cardinale en radicale vragen van het geloof. Zo moet het soms. Gewoon, omdat een gemeente aan de diepere dingen nog niet toe is.


Hebr. 6 : 1vv

Dat betekent niet, dat wij in sommige gevallen dus maar volstaan met een oppervlakkig toespraakje of wat men noemt zondagsschoolverhaaltje dat iedereen kan volgen, maar waarin de volle Raad van God niet wordt uitgezegd. 6. Integendeel, we vermoeden, dat Paulus bedoelt: ik heb u als zuigelingen dat voedsel toegereikt, dat u nodig had om te groeien in het geloof. Het grote nieuws van de gekruisigde en opgestane Christus. Voor verloren zondaren die alles inruilen voor dat éne.


Dat is bezig zijn met grondvragen. Aan de basis werken. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God? En: hoe komt het in ons leven tot een radicale en ongereserveerde overgave aan Christus? En waar zitten de verstoppingen en belemmeringen om te komen tot die overgave? Daarbij komt de onderste steen boven. Het totale zondebestaan van de mens komt hier aan de orde. Het gaat erop of eronder. Men moet zichzelf leren verliezen om het leven te kunnen vinden.
En in die weg kan het dan ook komen tot een dieper inzicht in de dingen van het leven van het geloof. Het is daardoor, dat wij bij onszelf meer en meer zonden gaan ontdekken en bestrijden. We worden mensen met een ruim hart, maar ook met een nauw geweten. Een mens heeft veel licht nodig tot zelfontdekking en veel kracht om te strijden met zichzelf.

Ruziënde kinderen

Maar om welke reden moet Paulus dan zo moeilijk doen over de gemeente van Korinthe? Waaruit concludeert hij, dat de gelovigen daar nog steeds aangewezen zijn op babyvoeding? Wel, het punt is, dat zij onenigheid hebben met elkaar. Ze zijn ruziënde kinderen. Want gij zijt nog vleselijk; want omdat 7. onder u nijd is en twist en tweedracht 8., zijt gij niet vleselijk en wandelt gij niet naar de mens? (vs. 3).


2 Kor. 13 : 11; Jak. 3 : 14

Opnieuw stelt de apostel hier dus de verdeeldheid in Korinthe aan de orde. Hij heeft daar in het eerste hoofdstuk van zijn brief (vanaf vs. 10) reeds over geschreven. Hij komt daar nu op terug. Het zit hem hoog. Zo kan de christenheid van Korinthe geen gemeente in de stijl van Christus zijn. Ze draven als paarden in een wedstrijd. 9. Ze slaan onbesuisd op hol, gaan met hun voorgangers op de loop, maken er halve goden van. De één van deze, de ander van die. Ze steken elkaar de loef af. De meningen botsen. 'Prinzipiën-reiterei' . En het grijpt als een vuur om zich heen. U weet, hoe dat gaat. Iedereen in de gemeente wordt geacht aan dat partijzuchtig streven mee te doen. Men moet perse aan een bepaalde kant gaan staan. Men behoort of bij die of bij die. Neutraliteit bestaat niet.


1 Kor. 1 : 10v

In één woord: ruziënde kinderen die nog geen goed onderscheid kunnen maken tussen hoofd- en bijzaken. 10. Die niet relativeren kunnen. Niet de dingen weten te relateren aan het hart van de zaak. En die daarom soms voor het minste en geringste met elkaar overhoop liggen en elkaar de haren uit het hoofd trekken. Teken van onvolwassenheid.


Gal. 5 : 16

Ja, maar Paulus vat het hoog op. Hij denkt niet: Dat gaat wel over; laat de Korinthiërs eerst maar wat afkoelen. Neen, hij noemt het: vleselijk bezig zijn, 11. wandelen naar de mens. Kortom, het is niet uit de Geest. Het is puur menselijk gedoe.


1 Kor. 2 : 14

Want als de één zegt: 'Ik ben van Paulus'; en een ander: 'Ik ben van Apollos'; zijt gij niet vleselijk? (vs. 4). Of zoals ook wel vertaald wordt: zijt gij dan niet mensen zonder meer? 12. Zo gaat het toe bij de natuurlijke mens. De geest van de wereld heeft u te pakken, Korinthiërs. De gemeente van Christus gaat in tweeën. Zo gaat ze te gronde.
1 Kor. 1:12

Bij de verklaring van het eerste deel van 1 Kor. 1 hebben we er reeds op gewezen, dat Paulus de verdeeldheid van de gemeente niet als een klein binnenbrandje beschouwt. Het gaat er hem hier ook niet om een pleidooi te voeren voor zichzelf. Hij voelt zich niet overspeeld door zijn opvolger in Korinthe, de welsprekende Apollos.


Geen kwaad woord hier over Apollos. Blijkbaar heeft Apollos zich niet opgesteld als een concurrent van de apostel. Als hij dat gedaan had, zou Paulus hem niet gespaard hebben. Natuurlijk is de redenaar Apollos wel in de verleiding gekomen om zichzelf als een betere voorganger te zien. Het deel van Korinthe's gemeente dat met hem op de loop ging, zal het hem wel hebben laten merken, dat hij het in hun ogen beter deed dan zijn voorganger. En hoe spoedig gelooft zo'n voorganger dan ook zelf niet, dat dat eigenlijk wel het geval is.
Hand. 18 : 24vv

Uit wat Paulus schrijft blijkt echter niet, dat Apollos er aanleiding toe heeft gegeven om met zich op de loop te laten gaan. Hij heeft zich naar alle waarschijnlijkheid niet als een mannetjesputter laten behandelen. Hij was er ook de man niet naar om een loopje met zich te laten nemen. Zeker, deze vurige spreker had nader onderricht gekregen in de heilsfeiten van twee eenvoudige tentenmakers Aquila en Priscilla in Efeze. Hij kon aan de voeten van de gemeente zitten. Maar dat zal voor hem niet betekend hebben, dat hij zich in principe voor iedere kar in elke gemeente liet spannen. En zo is het goed. Een voorganger moet willen leren van godvruchtigen in zijn gemeente. Maar hij moet nooit een mensendienaar worden.


Over Cefas (Petrus) heeft Paulus het hier overigens niet meer. Hij noemt wellicht alleen de hoofdstromingen binnen Korinthe. Of was de Petruspartij niet noemenswaardig vertegenwoordigd in de gemeente? 13.

Diakenen/akkerbouwers/Gods medearbeiders

In elk geval moet de gemeente geen winkeltje worden, waar voor iedereen elk wat wils te verkrijgen is. Laat de gemeente nooit vergeten wat haar in haar leiders is geschonken en hoe zij hen moet zien. Opdat de Geest van God door hen ruim baan kan maken voor de openbaring van het geheim dat eeuwig in God verborgen is geweest.

Als een benzineleiding in een motor verstopt is, kan die motor niet draaien. Als de verbinding tussen de Heere en Zijn kerk via de leidinggevenden in die kerk dichtslibt, staat de motor weldra stil.
Vandaar dat Paulus in de volgende verzen van 1 Kor. 3 in retorische bewoordingen, maar inmiddels klip en klaar over het leiderschap in Christus' gemeente gaat schrijven. Wie is dan Paulus en wie is Apollos, anders dan dienaars door wie gij geloofd hebt en dat gelijk de Heere aan een ieder gegeven heeft? (vs. 5)
Mark. 10 : 42vv; I.uk. 22 : 26; 2 Kor. 3 : 3; 11 : 27

Een apostel en een opvolger van een apostel in een gemeente zijn in wezen één. Zij zijn diakenen.14. Dat woord wordt hier gebruikt voor dienaars. In de Evangeliën wordt het zelfs gebruikt voor Christus Zelf. Hij heeft het Zijn volgelingen ingeprent, dat zij niet als de oversten der volken heerschappij moesten voeren en als de groten der aarde macht moesten uitoefenen. De grootste is de diaken/dienaar. Aller dienstknecht. Zoals Jezus Zelf. Hij gaf Zijn leven tot een losprijs voor velen. Hij, Jezus was altijd onder de Zijnen geweest als Eén die diende. En moesten dan Zijn apostelen zich anders op stellen? De meeste onder u die zij gelijk de minste en die voorganger is als één die dient.


1 Kor. 4 : 1; 2 Kor. 4 : 5

Zo verachtelijk als deze zaak ook in de ogen van de Grieken is, zo aantrekkelijk is ze voor ieder die dienen wil in het Koninkrijk van God. De dienst van de mindere naaste is bij de mensen altijd als iets minderwaardigs gezien. Ver beneden de stand van ontwikkelde mensen. Maar zo is het niet in Christus' gemeente. De voorgangers zijn diakenen die uitdelen mogen: verborgenheden van God, onverdiende zaligheden. Zij hebben aan hun bedoeling beantwoord, als zij mensen bij de hand hebben mogen nemen om hen tot Christus te leiden. 15.


Joh. 3: 27

En daarbij handelt ieder van die dienaars van Christus naardat de Heere hem gegeven heeft. Ieder dus op de eigen hem van hogerhand gegeven plaats en met de hem van boven gegeven gaven. 16. 'Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij.' Johannes de Doper was een bruidwerver die in Gods Naam naar de hand van Christus' bruid mocht dingen. Christus Jezus was de Bruidegom. De Heere gaf ieder de eigen plaats. En zo is het altijd geweest onder de Evangeliedienaars. Het kan zijn, dat u door een gezegende dienaar van het Woord als bruid geworven bent voor uw Koning. Dank er de Heere voor. Maar verwissel het middel niet met God Zelf. Geef de eer van God niet aan een sterveling, ook al is dat een mens die u tot eeuwige zegen werd. Hij is slechts diaken die mocht uitdelen. U behoort niet hem toe. U behoort de Meester toe.


Hand. 18 : 4, 11, 24

Verder blijft ieder die tot geloof mocht komen, aangewezen op de doorgaande bearbeiding door Gods Geest. En daarvoor gebruikt God in Zijn wijsheid en goedheidweer andere dienaren vaak. Paulus schrijft: Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven (vs. 6). De heilige dienst in Christus' gemeente waaiert uiteen in verschillende bedieningen. Daarvoor gebruikt Paulus nieuwe woorden. Ontleend aan de wereld van de akkerbouw. Straks aan de wereld van de woningbouw.


De beelden spreken voor zich. U ziet het voor u. Een akker waarop iemand bezig is te planten, in de.volle aarde te poten. Als dat gedaan is, is nog niet alles klaar. De planten moeten ook te drinken krijgen. 17. Een ander komt op diezelfde akker met een gieter en bevochtigt de planten. En dan komt het belangrijkste. Maar dat is geen mensenwerk. God moet de wasdom geven. 18. Zo is dan noch hij die plant, iets, noch hij die nat maakt, maar God die de wasdom geeft (vs. 7). Aan 's Heeren zegen is het al gelegen.
De volken zullen, Heer', U loven,

O Heer', U loven altemaal;

Die d" aarde vruchtbaar maakt van boven,

Dat z' ons op haar gewas onthaal',

God is ons genegen;

Onze God geeft zegen.

Hij die alles geeft,

Hij zal zijn geprezen;

Hem zal alles vrezen,

Wat op aarde leeft. (Ps. 67 : 3 ber.)


Rom. 9 : 16

Onze God geeft zegen. Van Hem zijn en blijven we afhankelijk in al het werk van onze handen. Ook op de akker van Gods gemeente. Het kan allemaal in een gemeente perfect in orde zijn. Er kunnen uitnemende planters en besproeiers aan het werk zijn. Het kan zijn, dat in de Evangeliebediening letterlijk overal aan wordt gedacht. Aan hen die nog toegebracht moeten worden. Aan hen wier geestelijk leven dreigt te verdorren.


Maar laat ons nooit vergeten, dat we thuis gekomen van onze arbeid op de akker, de knieën buigen moeten en God de Heere moeten vragen, of Hij Zijn gunst gebieden wil over het werk van onze handen.
Van de bekende opwekkingsprediker Mc.Cheyne (Schotland) in het begin van de vorige eeuw wordt verteld, dat hij in de consistoriekamer van de kerk waar hij zou preken, voor de dienst soms zijn preek nat maakte met tranen. God moet de wasdom geven. Gelukkig, als we met Paulus tot onze grote verwondering steeds weer, ook kunnen zeggen: God heeft gedurig wasdom gegeven (vs. 6). Dan leggen wij als Zijn dienaren graag onze kroon aan Zijn voeten. Soli Deo Gloria.
In zichzelf is een dienaar van het Woord niets. Een diaken, een akkerbouwer. Meer niet. Als er dan maar eenheid mag zijn onder hen die op de akker van Gods kerk bezig zijn. Als zij allemaal maar dat éne doel voor ogen hebben: God de eer en de mensen tot zegen zijn. En die plant, schrijft de apostel, en die nat maakt, zijn één; maar een ieder zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid (vs. 8) .
Niemand behoeft ernaar te verlangen om in de schoenen van een ander door de wereld te gaan. Niemand moet in de dienst van de Heere willen doen wat een ander behoort te doen. Geen onheilige wedijver. Niet een betere uitgave van zichzelf willen zijn. Niet topprestaties willen leveren en het loon van een gevierde man willen ontvangen.
1 Kor. 4: 5

God beloont - uit genade - elke dienst, in liefde voor Hem en Zijn gemeente verricht. Hoe klein of gering ook in onze eigen ogen. Loon naar zijn arbeid. Dat is geen prestatieloon. Het zij ons genoeg, als wij mogen zeggen wat onder oud-Israël de Levieten die in de tempel dienden, mochten zeggen: `De Heere is mijn deel.' Dan zijn we goed beloond.


1 Thess. 3 : 2; 3 Joh.: 8

Een diaken, een akkerbouwer. Meer niet. Maar Paulus gaat in vs. 9 toch nog even door. Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij (vs. 9). Gods medearbeiders. En met dat woord is dan de derde betiteling gegeven van hen die in de Evangelieverkondiging bezig zijn. In Korinthe. Ook nu.

We moeten er evenwel goed op letten, dat de nadruk bij deze benaming `Gods medearbeiders' ligt op God (tot drie keer in dit éne vers) en niet op het woordje mede'. Paulus leert ons hier geen `synergisme'. 19.
Hij beweert niet, dat God niet zonder de mens kan. Hij gaat niet uit van de gedachte, dat er een soort samenwerkingsverband is tussen God en de mens, waarbij God en mens wederkerig van elkaar afhankelijk zijn en op elkaar zijn aangewezen. Zo van: de mens kan niet zonder God, maar God kan niet zonder de mens.
De God van Paulus gedoogt geen correlatie: Ik doe mijn best en God doet de rest. Geen voorganger, maar ook geen gelovige moet denken, dat hij een soort compagnon of partner van God is. Dat is te veel eer voor een sterfelijk en zondig mensenkind.
Helaas.., daarmee is al te weinig rekening gehouden in de kerk en theologie in de loop der eeuwen. Hoe vaak is de nadruk komen te vallen op ons doen, op de activiteiten van de kerk ten koste van het vrijmachtige in het doen en laten van de Heere Zelf. Alsof de kerk ons eigen zaakje was of dat van een befaamde kerkvader. Met als gevolg, dat de kerk werd overwoekerd door mensenmeningen en zich verlaagde tot een instituut van elk wat wils christendom.
Maar uit wat de apostel ons hier schrijft kan wel duidelijk zijn, dat de gemeente van Christus niet een product is van wat wij in samenwerking met God presteren. Een gemeente is er niet `ad majorem gloriam...' - tot meerder glorie van.., deze of gene. Ze staat niet op naam van de veldwerker, maar op naam van de landeigenaar.
Matth. 13 : 3-9, 38; 2 Kor. 1 : 24; 2 Kor. 6 : 1

Omgekeerd echter moeten we ook niet denken, dat de leiders in Gods gemeente bezig zijn met futiliteiten en eigenlijk ook wel gemist kunnen worden. We kunnen niet zonder God, maar God wil niet zonder ons. De gemeente is de akker. En God geeft de wasdom. Maar hij gebruikt daarvoor wel arbeiders in Zijn goedheid en naar Zijn welbehagen. Zij worden ingeschakeld in de heilige dienst. Gods medearbeiders. 20.


Van Hudson Taylor, de zendeling van China uit de vorige eeuw wordt verteld, dat hij na een langdurige crisis op zeventienjarige leeftijd tot de grote bevrijding is gekomen. Dat gebeurde, toen hij in een klein geschriftje uit de bibliotheek van zijn vader de uitdrukking tegenkwam 'Het volbrachte werk van Christus'. Hij vroeg zich af wat dat te betekenen had. 'Het is volbracht.'

Wat is volbracht? Opeens zag hij het: 'Een volkomen verzoening en genoegdoening voor de zonde...' `Maar', zo schrijft Taylor, 'indien het gehele werk volbracht en de gehele schuld betaald is, wat blijft er dan nog voor mij over te doen?' En zijn antwoord is: `Niets, helemaal niets is er te doen dan op de knieën te vallen en deze Verlosser aan te nemen en Zijn redding van eeuwigheid tot eeuwigheid te loven.'

Ja en diezelfde Hudson Taylor heeft nimmer nagelaten om volijverig bezig te zijn in de dienst van Zijn Koning. Juist dat zien op Jezus bracht hem ertoe dagelijks naar meer heiliging te staan, meer en meer gelijkvormig te zijn aan Christus die hem had liefgehad en gewassen door Zijn bloed.
En diezelfde Hudson Taylor heeft zijn leven voortaan besteed in een actieve dienst van de zending in China. 21. Juist dat zien op Jezus maakte hem tot een medearbeider van God. In een voortdurend `besef van zijn algehele onwaardigheid en onbekwaamheid'.

Zo is het goed.



Gespreksvragen

1. De verdeeldheid van Korinthe's gemeente is voor Paulus kennelijk de reden waarom hij vindt, dat die gemeente nog in de kinderschoenen staat. Moeten wij van een gemeente vandaag die verdeeld is, hetzelfde zeggen? Waarom schrijft Paulus niet, dat al die verdeeldheid een bewijs is, dat men geen greintje geestelijk leven kent?

2. Paulus schrijft, dat de christenen van Korinthe nog niet toe waren aan de vaste spijs. Hij had hen met melk gevoed. Wat kan hier bedoeld zijn? Zijn er dingen die wij beter nog niet kunnen vertellen aan hen die niet gegroeid zijn in het geloof?

3. Wat kan bedoeld zijn met het werk van het planten (vs. 6)? Wat met nat maken? Hadden de Korinthische christenen door het onderwijs van Apollos dan toch ook niet een soort vaste spijs gekregen?



4. Hebt u de indruk, dat Apollos, de opvolger van Paulus in de gemeente van Korinthe zelf mede de oorzaak is geweest van de verdeeldheden daar? Hoe kan een voorganger voorkomen, dat hij zelf de aanleiding is tot scheuringen in een gemeente?
NOTEN
1. Over welk tijdstip uit het verleden het hier gaat, is niet helemaal duidelijk. Heeft Paulus het oog op zijn anderhalf jarig verblijf in Korinthe? Of heeft hij wellicht tussen dit eerste verblijf in Korinthe en het moment waarop hij de zgn. eerste brief aan Korinthe schreef, de gemeente nog ontmoet? Uit het vervolg van 1 Kor. 3 blijkt wel, dat hij doelt op een situatie van verdeeldheid die moet zijn ontstaan, nadat Apollos daar zijn opvolger was geworden.

2. Het woord vleselijk (Gr. 'sarkinos') van vs. 1 kan uitgelegd worden als: zoals mensen van vlees en bloed. Dan ligt het dus op één lijn met het woord 'psuchikos' van 2 : 14 (zie onze verklaring daar). Het duidt de mens aan in zijn bestaan als levend wezen, los van enige (geloofs-)verhouding met God. Maar in vs. 3, waar Paulus het woord 'sarkikos' (vleselijk als tegenstelling van geestelijk) gebruikt, kwalificeert hij het bestaan In het vlees als een bestaan van het vlees.
3. Het Griekse woord 'nèpioi' duidt onvolwassenen/zuigelingen aan, maar dan in het geloof in Christus. Dus: mensen met wie men van de grond af beginnen moet. Men moet de in deze en in de vorige noot genoemde Griekse woorden goed op elkaar betrekken. Het éne woord kwalificeert het andere. De tegenstelling met de 'pneumatische mens' van het voorafgaande gedeelte ligt niet in een verschil tussen simpele kinderlijk gelovende christenen en rijk (met Geestesgaven) bedeelden.
4. Het Griekse werkwoord 'lalein' dat Paulus hier gebruikt voor zijn spreken tot de gemeente, is typerend voor Paulus. Het komt ook voor in 2 : 6, 7, 13.
5. Dit in tegenstelling tot wat Gordon D. Fee zegt (a.w., p 125).
6. J. Calvijn (a. w., blz. 56) waarschuwt hier tegen een verkeerde conclusie uit deze woorden van Paulus. Aan beginnelingen moet niet een minder volkomen leer worden gebracht, waardoor Christus bewimpeld wordt (en met ketterijen bedorven). Met melk bedoelt Paulus 'voedsel, geen vergif'. Calvijn verwijst naar het 98ste sermoen van Augustinus op Johannes.
7. Gr. 'hopoe' = waar toch immers, in zoverre.
8. Het Woord 'tweedracht' ontbreekt in een groot aantal handschriften. Wellicht is het later toegevoegd om de overeenstemming met 1 : 10vv.
9. Gr. 'dzèlos' = ijverzucht. Soms gebruikt Paulus dit woord in positieve zin. Er is ook een ijveren voor een goede zaak. Vgl. Rom. 10 : 2 (in vuur en vlam staan voor de Heere). Maar hier is het woord negatief van inhoud: nastreven in de zin van wedijveren, elkaar misgunnen, dus: afgunst, nijd.
10. Het woord 'dzèlos' komt bij Paulus nogal eens voor samen met het andere in vs. 3 gebruikte Griekse woord 'eris' - twist. Vgl. Rom. 13 : 13; Gal. 5 : 20; 2 Kor. 12 : 20.
11. Over het Griekse woord 'sarkikos' zie bij vs. 1.
12. De handschriften die door Nestle-Aland gevolgd worden, hebben: zijt gij dan niet mensen?
13. Zie over deze zgn. Petruspartij onze verklaring van 1 Kor. 1 : 12.
14. Voor de aanduiding 'diaken' m.b.t. de arbeid in Christus' gemeente door Paulus en zijn medewerkers zie: Rom. 16 : 1; 2 Kor. 3 : 6; 6 : 4; 11 : 23; Ef. 3 : 7; 6 : 21; Kol. 1 : 7, 23, 25; 4 : 7; 1 Tim. 4 : 6.
15. 'Door welke gij geloofd hebt'. We kunnen vertalen: door wie gij tot geloof gekomen zijt (aoristus ingressivus van het Griekse werkwoord 'pisteuoo').
16. Deze woorden kunnen het beste worden opgevat als betrekking hebbend op Paulus en Apollos, niet op de tot geloof gekomenen of het tot geloof komen. Ook al is het waar, dat ieder op de wijze die God geeft, tot geloof komt, in de onderhavige perikoop is Paulus bezig over de eenheid in verscheidenheid bij de dienaars van het Evangelie te schrijven.
17. Het Griekse werkwoord 'potidzoo' betekent: begieten, besproeien.
18. Letterlijk schrijft Paulus: God heeft aanhoudend alles laten gedijen.
19. De uitdrukking 'sunergos' - medewerker die Paulus hier gebruikt, roept onwillekeurig de gedachte aan de diep in het Jodendom verankerde idee van het synergisme op. In zijn dissertatie Het wezen der Joodsche religie, (Verzameld Werk deel 6, Kampen 1983/3) heeft K.H. Miskotte er echter terecht op gewezen, dat hier een diepgaand verschil ligt tussen het Joodse denken en het christelijk geloof. Kenmerkend voor het Joodse denken is de correlatiegedachte, waarin God en mens wederkerig op elkaar zijn aangewezen. De mens heeft volgens de rabbijnse traditie ook na de zondeval nog zoveel van het beeld van God overgehouden, dat hij met de hulp van Gods genade de Thora kan onderhouden. Maar bij Paulus is er van dit alles geen sprake.

20. Over het Griekse woord 'oikodomè' - gebouw dat Paulus in vs. 9 ook gebruikt, zie onze uitleg van 1 Kor. 3 : 10vv.
21. Zie Waldemar Augustiny, Ga heen en verkondig, twintig eeuwen christelijke zending (vertaling en bewerking ds. H.A. Wiersinga), Wageningen z.j., blz. 192vv.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina