1 Korinthe 4, 1-8 10. In het blikveld van God



Dovnload 46.19 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte46.19 Kb.
1 Korinthe 4, 1-8
10. In het blikveld van God
I Alzo boude ons een ieder mens voor dienaars van Christus en uitdelers der verborgenheden Gods.

2 En voorts wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden wordt. Doch mij is voor het minst, dat ik door u geoordeeld word, of door een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelf niet.

4 Want ik ben mezelf van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere.

5 Zo dan oordeelt niets voor de tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Die ook in het licht zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een ieder lof hebben van God.

6 En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelf en Apollos bij gelijkenis toegepast, om uwentwil; opdat gij in ons zou leren, niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet, de een om een ander, opgeblazen wordt tegen de ander.

7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?

8 Reeds zijt gij verzadigd, reeds zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerst; en och, of gij heerste, opdat ook wij met u heersen mochten!

Verklaring

Het is een grote kunst voor ons mensen om onszelf goed te taxeren. De meesten gelukt dat gewoon niet. Zij overschatten zichzelf of zij onderschatten zichzelf. Het is meestal één van beide. En in beide gevallen is er geen sprake van rechte zelfkennis.


Er zijn mensen die op hun tenen door het leven gaan en voortdurend bezig zijn om iets te grijpen waarvoor hun arm net iets te kort is. Het zijn de globetrotters die boven hun stand leven, die zichzelf maar moeilijk relativeren kunnen en door hun zelfoverschatting tenslotte danig overspannen raken. En aan de andere kant zijn daar de mensen die 't al gauw laten afweten. Ze voelen zich niet opgewassen tegen het leven en zijn vele opgaven en problemen; ze denken meteen, dat ze iets niet kunnen. Ze onderschatten zichzelf en zijn door hun frustraties vaak lam geslagen.
Het valt niet mee voor de mens om zijn eigen mogelijkheden en grenzen te kennen en daarbinnen te willen leven. De één overschat zichzelf. De ander onderschat zichzelf.
Men zou kunnen vragen, hoe dat komt? Nu, zou het ook kunnen wezen, dat wij gewend zijn om onszelf te bekijken door de ogen van anderen? We spiegelen ons te veel aan de verwachtingspatronen die onze omgeving koestert. We willen onszelf meestal groot gemaakt hebben in de wereld die 'excelsior' gaat. Zo is het met het kind dat net zo sterk en knap wil worden als zijn vader. Met de leerling die de meester meent te kunnen overtreffen. Met de zakenman die altijd maar in een concurrentiepositie staat met het bedrijf dat een wereldnaam heeft... Helaas, hoe velen blijven dan beneden de maat. Helaas, hoe velen worden overspannen of raken gefrustreerd. 1.
Maar zou het ook kunnen zijn, dat het de bedoeling van onze Schepper is met u en met mij, dat wij gewoon proberen te zijn die we zijn? Met dat wat Hij ons gegeven heeft en waartoe Hij ons in Zijn Woord roept? Niet meer, niet minder. Uniek, omdat God aan ieder van ons zijn eigenheid geeft. Koninklijk, ook al hebben we wellicht niet de beschikking over grote capaciteiten of kapitalen. Bezie uzelf bij hoger licht. Sta in het blikveld van God. Wees geen slaafs product van uw omgeving. Maak u niet zoveel zorg om wat 'men' zegt. Zit verlegen om de goedkeuring van de Allerhoogste.
Het is daartoe, dat de apostel Paulus oproept in het Bijbelgedeelte dat we thans voor ons hebben, 1 Kor. 4 : 1 - 8. Hij gaat hier vrij uitvoerig in op de 'meningen' van de grote 'men' in Korinthe en op hun manier van passen en meten. Paulus is volgens sommigen te groot. Apollos te klein, Petrus... Nu ja, hij komt niet eens meer aan bod. De Korinthiërs willen hun voorgangers op maat gesneden hebben. Op de maat van de Griekse wijsheidsleraars.
En als de Evangeliedienaars nu maar zo dom zijn, dat ze zich daaraan gelegen laten liggen, dan zijn ze gewoon nergens meer. Ze worden elkaars concurrenten, 'Strebers' die elkaar de loef afsteken, er steeds op uit om aan alle verwachtingspatronen te beantwoorden: uw dienstvaardige dienaar!! En tenslotte worden ze overspannen mensen of mensen met een minderwaardigheidscomplex. Omdat nu eenmaal niet iedereen de bovenste beste kan zijn.
Maar wat stelt Paulus daar tegenover? Hij maakt zich los uit deze omklemming. Hij wil niet functioneren als spiegelbeeld van Korinthe. Geen mensendienaar wil hij zijn. Voor hem is slechts één ding belangrijk. `Hoe zie ik er straks uit, als de Heere komt om mij rekenschap te vragen van mijn ambtswerk?' En naar die maatstaf - aldus de apostel vanaf vs. 6 - moet men ook elkaar in de gemeente van Korinthe beoordelen. In het blikveld van God.

De assistent/econoom

Hand. 26 : 16; 1 Kor. 3 : 5



Alzo boude ons een ieder mens voor dienaars van Christus en uitdelers der verborgenheden Gods (vs. 1). Attentie. Dat is de hoge positie van God uit, aan een apostel en aan alle medewerkenden in de gemeente gegeven. Zo hoog mag u hen neerzetten. Zo staan ze te goeder naam en faam bekend. 2.
Dienaars. Geen aantrekkelijk woord. En een nog minder aantrekkelijke zaak voor de mens in het algemeen. Wij zetten het wel onder onze brieven: uw dienstvaardige of dienstwillige dienaar. Maar ten diepste dient de mens niet graag. Hij wordt liever op zijn wenken bediend. Hij domineert graag, hangt de grote mijnheer uit. Zijn naam en faam maken bij hem de dienst uit.
Maar in het Koninkrijk van God is dat anders. Daar staat de nederige dienst hoog genoteerd. Dienst aan God en aan de naaste. En in de gemeente van Christus zijn het op zijn best helpers/assistenten van Christus die het werk doen. 'Hulpe tegenover.’ 3.
Ef. 3 : 2; Tit. 1 : 7

Dienaars van Christus en uitdelers van de verborgenheden van God. Paulus gebruikt hier het woord 'economen'. In zijn oorspronkelijke betekenis: huisverzorgers. Slaven in het algemeen die een sleutelpositie innamen in de huishouding van hun heer. Die zijn goederen beheerden en die t.z.t. over dat beheer natuurlijk ook verantwoording moesten afleggen.

Een verantwoordelijk werk dus. Ze zijn er door God toe geroepen en ze worden er door de liefde toe bekwaamd. Zelfs kunnen ze ook 'slaven' genoemd worden, slaven van Christus. Wat niet betekent, dat ze gedwongen dienstwerk verrichten. Het gaat echt helemaal van harte. Als b.v. bij Adolphe Monod die op zijn sterfbed zei: 'Heere, geef mij mijn bediening terug; ik kan zonder haar niet leven.'
Matth. 13 : 11; 1 Kor. 2 : 7; 14 : 2

Wat een geweldige staatshuishouding houdt de Heere God erop na. 'Mensjes, uit het stof opgerezen' krijgen het beheer over de grootste schatten die er in de wereld zijn. En die schatten zijn de diepste geheimen van het Koninkrijk der hemelen waarvan Jezus zei, dat het aan Zijn volgelingen gegeven was om die te weten. Of om het te zeggen met de woorden van Paulus in hoofdstuk 2 van zijn eerste Korinthebrief: het zijn de geheimen van het Vaderhart, eeuwig in God verborgen en aan de dag getreden in Zijn lieve Zoon de Heere Jezus. Het geheim van zalig te kunnen worden. Van een leven met God. Voor eeuwig. 4. Groot nieuws voor u.


Uit al de schat van 't grote wereldrond

Is nooit die vreugd in mijn gemoed gerezen,

Die 'k steeds in Uw getuigenissen vond,

Door mij betracht en and'ren aangeprezen. (Ps. 119 : 7 ber.)


1 Petr. 4 : 10

Welnu, wie zo dienen mag in de gemeente van Christus, staat er goed bij. Hij voert een goed beheer. Hij graaft in het Woord. Want daarin moet hij wezen om in het Vaderhart van God thuis te geraken. En hij deelt uit. 5. Want een recht geaarde dienaar van het Woord houdt de dingen niet op zak. Hij pot niet op. Hij moet eruit spreken. Hij heeft een zwijgplicht, maar zeker ook een spreekgebod. Hij moet het anderen vertellen, dat 'Christus' armen dieper reiken dan onze diepste diepten' (Kohlbrugge).


Willem Teellinck vertelt ergens van een collega die 's middags maar drie mensen in de kerk had, maar preekte met een vuur alsof hij voor duizenden stond.

Uw heilleer wordt door mij alom verbreid;

'k Bedwing mijn tong en lippen niet;

Gij weet het, Heer' die alles ziet.

Mijn hart verbergt nooit Uw gerechtigheid;

Uw waarheid doe ik horen;

Uw heil, de mens beschoren,

Vloeit daag'lijks uit mijn mond;

Uw gunst, Uw trouw, Uw Woord

En Godsgeheimen, hoort

Uw talrijk volk in 't rond. (Ps. 40 : 5 ber.)

Het criterium

Als iemand deze dingen in zijn Bijbel leest, zou hij er dan geen zin in krijgen om dit voortreffelijke werk te gaan doen? Het is hoogst aanbevelenswaardig. Ja, maar het is ook hoogst verantwoordelijk werk. Het gaat hier om een vertrouwenspositie in het huis van God. En daarbij past betrouwbaarheid. Een slaaf die oudtijds aan het hoofd stond van de huishouding van zijn heer, mocht natuurlijk niet denken, dat alle zaken die hij te beheren had, hem toebehoorden en dat hij er dus naar hartelust van profiteren mocht. En zo mag ook niemand die in het huis van God dient, menen, dat hij de spil is waaromheen alles draait. Hij moet de gemeente niet uitbuiten. Hij moet uitdelen.


Luk. 12 : 42

En dat vereist getrouwheid. En voorts wordt in de uitdeIers vereist, dat elk getrouw bevonden wordt (vs. 2). Dat is het criterium. Niet alleen voor een dienaar van het Woord. Maar voor elk die dienen wil in Gods gemeente. De gemeente van Korinthe legde bepaalde maatstaven aan voor de beoordeling van haar voorgangers. Paulus vindt het echter beneden de maat. Hij haalt zijn beoordelingsnorm ergens anders vandaan. Getrouwheid. 6. Dat is een eerste vereiste.

En dat betekent twee dingen. In de eerste plaats, dat een werker in de kerk een fideel iemand is. In de zin van: Je moet erop aan kunnen. Geen man dus die het achterste van zijn tong niet laat zien en die zichzelf niet wil blootgeven. Omdat hij van binnen niet zuiver is. Een man die meer op succes uit is dan op het welzijn van zijn hoorders. Motiefvervalsing, noemen we dat. 'Mooiprater' uit de 'Praatstraat' noemt Bunyan in 'De Christenreis' zo iemand. 'Op straat een heilige, thuis een duivel.'
Maar in de tweede plaats betekent getrouwheid in de dienst van God ook, dat men stipt zijn werk doet. Overeenkomstig de opdracht van God. 'Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal.' In de dienst van de Heere moet er geen knoeiwerk worden afgeleverd. De wijngaard van de Heere is geen 'luilekkerland'. Getrouwheid. En dat zal vooral blijken in het doen van de kleine dingen. Wie niet bercid is om naar kinderen of zwervers om te zien, is geen knip voor zijn neus waard.
Hebr. 3 : 2, 5

Neem Mozes tot een voorbeeld. Was hij niet getrouw in heel zijn huis? Was hij er niet op uit om de wet van God tot in de finesses te onderhouden? Neem Jezus Christus tot een voorbeeld. IJverde Hij niet voor het huis van de Heere, meer dan Mozes nog? Hij was getrouw tot de dood.



Functiebeoordeling

Maar nadat Paulus in de beginverzen van 1 Kor. 4 nu zo klassiek bijbels geschreven heeft over het werk van de assistent/econoom in dienst van Gods gemeente en nadat hij de vereisten voor dat werk heeft genoemd, komt hij vervolgens tot het punt van wat we zouden kunnen noemen de functiebeoordeling.


Als ik enige tijd in een werkkring bezig ben geweest, wordt er - soms ongevraagd, soms omdat ik het verzoek - een beoordeling gegeven van mijn manier van werken door de leiding en de medewerkers van de zaak. Daarbij komt ook mijn persoonlijke instelling ter sprake.
1 Kor. 9:2

Welnu, zo wordt er ook t.a.v. Paulus en zijn collega's in de gemeente van Korinthe een functiebeoordeling afgegeven. Ongevraagd. Er zijn heel wat reacties. En daarbij is Paulus er vermoedelijk niet best afgekomen. Maar hij zit ook niet direct om zo'n werkbeoordeling verlegen. Het behoeft voor hem niet. Hij schrijft: Doch mij is voor het minst (ik heb er niet de minste behoefte aan), dat ik door u geoordeeld 7. word, of door een menselijk oordeel (vs. 3a). 8. Ik behoef me toch niet voor uw rechtbank te laten dagen? Ik aanvaard zelfs geen enkele dagvaarding van de kant van mensen.


Ziedaar hoe Paulus de beoordeling van zijn functioneren als apostel in Korinthe beantwoordt. U zou kunnen vragen, of dat niet zwak is. Moet iemand die zijn werk naar beste kunnen en kennen heeft gedaan, niet bereid zijn om zich te laten toetsen? Al wordt het dan misschien een zwaar examen. Getuigt het in bepaalde gevallen zelfs niet van arrogantie, als men niet wenst te weten, hoe men bij anderen overkomt? Je kunt er immers best wat van leren, als mensen je onomwonden de waarheid zeggen. Je mag toch niet zeggen: `Hoe mensen over mij oordelen, laat me koud?'
Job 27 : 6 (LXX)

In het algemeen is dat allemaal zeker waar. Maar de apostel dekt zich met zijn antwoord op zijn functiebeoordeling niet in tegen een wettige kritiek die men op hem zou kunnen hebben. Hij wist al te goed, dat hij maar een zwak vat was, de minste van al de apostelen. Zeker, maar wat er in Korinthe aan de gang was, was wat anders. Men beoordeelde mensen met verkeerde maatstaven. Men trad op als een soort toelatingscommissie die kandidaten taxeerde op hun kundigheden als wijsgerig spreker. En daar was Paulus gewoon niet van gediend. Daar was hij om zo te zeggen ook nooit voor ingehuurd. Onder dat juk was Paulus dan ook niet van plan door te gaan.


Nooit en nergens. Zo wilde hij zichzelf ook niet beoordelen. Ja, ik oordeel ook mijzelf niet (vs. 3b).
Matth. 7 : 1

Het komt er dus maar op aan, welke beoordelingscriteria aangelegd worden en onder welke meetlat ik mezelf wens te plaatsen. Als ik getaxeerd wil worden op capaciteiten, moet ik wel weten, dat ik aan andere doelstellingen moet beantwoorden dan waartoe ik geroepen ben. En als ik wil gaan concurreren met de groten, met de wijzen, met de krachtpatsers in het leven, dan ben ik wel verkeerd bezig. Ik wens daar niet aan mee te doen. Voor dat examen zak ik liever. Nee, ik verschijn gewoon niet op dit appèl.


1 Thess. 2 : 4, 10

Want, aldus Paulus, ik ben mezelf van geen ding bewust: doch ik ben daarvoor niet gerechtvaardigd: maar Die mij oordeelt, is de Heere (vs. 4). Hoe rijk om - co-ram Deo, voor God - met een zuiver geweten in het leven te staan. 9. Daar gaat het om. Wie steeds aan menselijke verwachtingspatronen wil beantwoorden, laat zijn geweten belasten. Hij doet het altijd wel op de één of andere manier verkeerd. Maar wie bezig mag zijn in het besef dat God hem ziet en beoordeelt, kan een vrij geweten hebben. We moeten op dit punt nog maar eens lezen wat de apostel daarover schrijft in 1 Thess. 2. Hoe hij oprecht, niet als een mensenbehager, niet met pluimstrijkende woorden, noch als één die op geld belust was, noch als een eerzuchtige met mensen is omgegaan. Het ging hem erom zijn gemeente als een voedster haar kinderen te koesteren. 'Gij zijt getuigen en God, hoe heilig en rechtvaardig en onberispelijk wij u die gelooft, geweest zijn.'
2 Kor. 5 : 10

Niettemin haast Paulus zich eraan toe te voegen, dat hij door dit alles niet gerechtvaardigd is. Mits goed beoordeeld, mankeert er genoeg aan. Hij kan op basis van eigen verdiensten straks niet in het oordeel van God verschijnen. Meer dan mensen denken mankeert er aan hem. Wat Gods dienaren doen, is in hun eigen ogen vaak om te huilen. Maar laat God daarover oordelen. Als Hij Zijn dienaren van dezelfde genade laat leven als die zij prediken mogen, komen ze er nog goed af ook.


1 Kor. 14: 25

De Korinthiërs moeten vooreerst Paulus dus maar voor rekening van de Heere laten. Ze moeten hun kwalijke beoordeling nalaten. Ze moeten hun oordeel opschorten. Zo dan oordeelt niets voor de tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, welke ook in het licht zal brengen wat in de duisternis verborgen is en openbaren de raadslagen der harten: en alsdan zal een ieder lof hebben van God (vs. 5). Geen vooruitgrijpen op de oordeelsdag. Niet op de rechterstoel van God willen gaan zitten.


Matth. 24 : 45

Er komt een tijdstip 10. waarop het grote oordeel begint. Bent u klaar? Dan zal het openbaar komen, of men een getrouwe en voorzichtige dienstknecht is geweest die het personeel van de heer hun voedsel heeft gegeven ter rechter tijd'.


Nu is het lang nog niet altijd zonneklaar, hoe het gesteld is met de werkzaamheden van mensen en wat hun motivatie was in al hun doen en laten. Het ziet er soms mooier uit dan het in werkelijkheid is. Hoe vaak wordt er niet ook in de kerk gewerkt met verborgen agenda's. Hoeveel kerkpolitieke malversaties bederven vaak de samenleving van Gods eenvoudigen. Er wordt een keurig geagendeerde vergadering gehouden. Er wordt democratisch gestemd. Maar achter de schermen is er vooraf wel heel wat gelobbyd. Vriendjespolitiek. Omkoperij van mensen. En wat soms niet al.
Luk. 8 : 17 par.; Rom. 2 :16, 29; 1 Kor. 3 : 8, 13

Het komt op de grote dag van Gods gericht echter allemaal voor het voetlicht. Reken daarop. Wat een examendag. En hoe verheugd zullen dan zijn allen die als goede en getrouwe dienstknechten door God welkom zullen worden geheten in Zijn Koninkrijk. Paulus schrijft: een ieder zal lof hebben van God.



Gearriveerdheid

Nu, dat is dan het pleidooi dat de apostel voert voor een bediening in het blikveld van God. Maar hij is nog niet klaar. Integendeel, hij is pas goed begonnen. Want nu komt eerst recht de gemeente aan de beurt. Wat Paulus over zichzelf en over Apollos heeft geschreven, heeft een voorbeeldfunctie. En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelf en Apollos bij gelijkenis toegepast, om uwentwil; opdat gij in ons zou leren, niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet de één om een ander opgeblazen wordt tegen de ander (vs. 6).

Alles wat de apostel dus tot nu toe over zichzelf en over Apollos te berde bracht, is een soort transformatie geweest. De spanning in Korinthe is hoog opgelopen. En Paulus en Apollos functioneren als een transformatorhuisje waarin de hoogspanning wordt opgevangen in bruikbare elektriciteit. Iedereen in de Korinthische gemeente kan nu weten, waar hij of zij aan toe is. Zoals het met deze twee dienaren van Christus gesteld is, zo moet het altijd en overal toegaan in Gods gemeente. De positie van die twee is een testcase. Leer eruit om te dienen en om het huishouden van de gemeente op goede orde te houden. 11.
1 Kor. 11 : 1

Dus het is alles tot vermaning en lering. Zo voorgangers, zo volk. Houdt u maar aan wat ik boven geschreven heb, Korinthiërs. 12. Het is een gulden regel. Daar staan wij. Zo gaan we met elkaar om in Gods gemeente. We gaan niet boven elkaar staan. We steken elkaar de loef niet af. 13.


Fil. 2 : 5vv

Helaas, hoezeer is deze gulden regel in Gods gemeente in het vergeetboekje geraakt. Hoeveel onheilige wedijver bederft de samenleving in de gemeenschap van Christus' kerk. Het 'eerlijk zullen we alles delen' van de eerste christengemeente in Jeruzalem is al spoedig geworden tot: `ik een beetje meer dan jij'. Helaas, hoe weinig wordt in praktijk gebracht wat Paulus in Fil. 2 schrijft over de nederige gezindheid van Christus die God was en de gestalte van een dienstknecht aannam. `Dit gevoelen zij in u.'


Rom. 12 : 3; 1 Kor. 1 : 4v; 2 : 12vv; 4 : 18v; 5 : 2; 13 : 4; 2 Kor. 12 : 20

Waar het dan aan schortte in Korinthe? Het is al één en andermaal gezegd. Om het nog eens samen te vatten: de christenen aldaar waren knap gearriveerd geworden. Ze waren zeer bevoorrecht. Begaafd, begiftigd met vele gaven van de Heilige Geest. Maar ze waren erover gaan beschikken en ze heersten ermee over elkaar. Zo komt het vaker voor. Dan worden de goede gaven van Gods Geest niet aangewend tot onderlinge stichting en dienstbetoon, maar om ermee te pronken.


En hoe afschuwelijk is dat in Gods ogen. Om een voorbeeld te noemen: stel, dat iemand de gave heeft om in het openbaar voor te kunnen gaan in het gebed. Met grote vrijmoedigheid bestormt hij de hemel. Machtig, meeslepend. Maar laat hij uitkijken, dat hij er niet de man of vrouw mee wordt. Zodra zo'n bidder een 'Könner' is geworden, zit het goed fout met hem. Hij hoort zichzelf bidden. Het wordt iets bewonderenswaardigs. Maar God in de hemel heeft er geen waardering meer voor.
Paulus schrijft: Want wie onderscheidt u (vs. 7a). 14. Is God het soms die u tot uitstekende christenen verklaart? Geeft Hij u al die gaven om ze als insignes op de borst te spelden en er dan voorts mee op de loop te gaan? Zeker, het zijn koninklijke onderscheidingen. Maar ze zijn u niet gegeven om als ridders hoog te paard te gaan zitten en vervolgens met elkaar de degens te kruisen.
Laat ons de onderscheidingstekenen van de Heilige Geest dragen als het kleine lintje van onze koningin. De gouden penning zelf ligt thuis op een veilig plekje.
Luk. 18 : 9vv; Joh. 3 : 27

En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt? (vs. 7b). Alles uit genade. 'Wir Bind Bettler; hoc verum est' (M. Luther). Wij leven van de ontvangsten van Boven. Dag voor dag. En elk moment van de dag is de gevende hand van de Heere nodig om te kunnen functioneren. Een Christenmens heeft het nooit op zak. Hij moet van het gegeef leven. Daarom geen roem. Geen enkele zelfverheffing. Klop uzelf niet op de schouder. Sla uzelf gedurig op de borst als de tollenaar van Luk. 18 : '0, God, wees mij zondaar genadig.'
Openb. 3 : 17

Maar in Korinthe ligt het allemaal heel anders. Er is zelfs sprake van zatheid. De apostel schrijft: Reeds zijt gij verzadigd, reeds zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerst (vs. 8a). De christenen van Korinthe zijn overvoerd. 15. Rijk en verrijkt. Ze hebben aan geen ding gebrek. Ze staan echt hun mannetje en denken het monopolie, de alleenheerschappij te hebben. Zonder ons, zo schrijft Paulus, hebt gij geheerst. 16. U bent een koninkrijkje apart.


1 Kor. 3 : 21

Maar juist dat 'reeds', de woorden 'nu al' maken duidelijk, dat hier een negatief oordeel over Korinthe's gemeente wordt gegeven. Korinthe grijpt vooruit op de heerlijkheid. Men wil geen gemeente onder het kruis meer zijn. Het gaat 'per aspera ad astra'. Linea recta. En dat vraagt vroeg of laat om grote teleurstellingen. Op zulke hoge benen kan geen christen door het leven gaan. Daar wordt hij overspannen van. Of gefrustreerd. Dat maakt geen sterveling ooit waar.


Openb. 1 : 6

Want is alles, alles wat wij hier op aarde hebben, niet: kruisverdienste van Christus? Een gelovige is een koning, maar dan wel in de gestalte van een bedelaar. Hij lijdt een aangevochten bestaan. Hij gaat een kruisgang. Achter de grote Kruisdrager aan, die geen kroon begeerde zonder dat Hij eerst het lijden onderging.


Niet te vroeg gejuicht. Weg met alle gearriveerdheid, met alle christendommelijkheid en valse bevindelijkheid waardoor de mens gronden zoekt voor zijn zaligheid in zichzelf. U mag best 'halleluja' roepen. Maar zet geen kroon op eigen hoofd. Roem in vrije gunst alleen. 17.
2 Tim. 2 : 12

De perikoop eindigt met een zucht. 'Och...' En och, of gij heerste, opdat ook wij met u heersen mochten (vs 8b).Heimwee van Paulus, van u en van mij, naar de dag waarover eerder is geschreven. De dag van de kroning.

samen met al de heiligen.
Welk een dag der ruste zal dat wezen.

Als w', onsterf'lijk uit de dood verrezen,

Knielen voor Uw dankaltaar!

Heere Jezus, maak het waar. (J.J.L. ten Kate)


Openb. 5 : 9v

`En zij zongen een nieuw lied, zeggende: `Gij zijt waardig dat boek te nemen en zijn zegelen te openen; want Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie; en hebt ons onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde'.



Gespreksvragen

1. Zich laten beoordelen door anderen is op zich best een goede zaak. Iedereen moet daartoe bereid zijn. Maar wanneer en in welke gevallen moet u zoiets beslist weigeren?

2. Aan het slot van vs. 3 schrijft Paulus: ik oordeel ook mijzelf niet. Wat bedoelt hij? Is zelfbeoordeling voor ons niet dagelijks nodig?

3. Wat houdt het in om je oordeel (over anderen) op te schorten? (vs. 5).

4. Kunt u enkele regels geven voor het omgaan met de gaven van de Heilige Geest in de gemeente?

5. Waarom kunnen en mogen we wat we van God gekregen hebben, niet ons bezit noemen? Is het geloof niet toch ook een bezit? En moet een gelovige niet juist ook weten, of hij wel wat bezit en ook wat hij bezit om voor Gods Rechterstoel te kunnen verschijnen?



6. Wat was de eigenlijke kwaal van de Korinthische gemeente? En kunt u daarvan voorbeelden noemen uit het gemeenteleven van vandaag?
NOTEN
1. Jezus wekte de mensen op om 'onbezorgd' te leven. 'Wees niet bezorgd' (Luk. 12 : 29). Het Griekse werkwoord dat hier gebruikt wordt, is: 'meteoridzein' - te hoge pretenties voeren, een hoogvlieger zijn (als een 'meteoor'). Zie G. Kittel (a.w., Band IV. S. 633ff).
2. 'Alzo houde iedereen ons...'. Paulus gebruikt een werkwoord dat veel in het woordgebruik van zijn brieven voorkomt: 'logidzomai' = redeneren, het ervoor houden.
3. Een 'hupèretès' (het woord dat Paulus hier gebruikt) is in de Joodse synagoge de assistent van de overste van de synagoge (de 'chazzan hakennézèr' - Hebr.) om deze in allerlei zaken tijdens de eredienst te helpen. In 3 : 5 heeft Paulus zichzelf en Apollos 'diakonoi' genoemd ('door wie u tot geloof bent gekomen'). In deze geest zullen we het woord 'dienaar', dat in 4 : 1 wordt gebruikt, moeten verstaan. De 'assistent' van Christus is de 'diaken' die de gemeente uit de heilsgeheimen van Christus bedient.
4. Zie voor het woord 'verborgenheden' onze verklaring van 1 Kor. 2 : 7. Vgl. ook 1 Kor. 13 : 2; 14 : 2; Ef. 3 : 8vv.
5. Met het woord 'uitdelers' geeft de Statenvertaling zakelijk de bedoeling weer van het woord 'oikonomoi', hoewel dit woord meer betekent dan alleen uitdelen. Tot een goed huishouden in de dingen van de verborgenheden van God behoort zeker ook - om maar iets te noemen - een nauwkeurig en verantwoord onderzoek van de Schriften.
6. Voor het Griekse woord 'pistos' = getrouw, vergelijke men wat Paulus daarover schrijft in de zgn. Pastorale Brieven. Daar komt het woord vaak voor. Zie: 1 Tim. 3 : 1; 4 : 9; 2 Tim. 2 : 11; Tit. 3 : 8.
7. Voor 'beoordelen' gebruikt Paulus een Grieks woord 'anakrinein', dat herinnert aan een rechtbank.
8. Voor (een menselijk) oordeel heeft het Grieks hier 'hèmera', welk woord dag betekent. Waarschijnlijk denkt Paulus hierbij aan de dag van het gericht (zie 3 : 13; 4 : 5). Dus een menselijke gerichtsdag (vgl. 1 Joh. 4 : 17). Denk ook aan ons woord 'dagvaarding'.
9. Het werkwoord dat hier gebruikt wordt, herinnert aan het geweten ('Gr. suneidèsis'). Vgl. Hand. 5 : 2 waar het werkwoord nog één keer in het N.T. voorkomt. Een gelovige heeft een 'medeweter' in zich die de dingen met God samen weet.
10. Gr. 'kairos' = de beslissende tijd van Gods ingrijpen.

11. 'Bij gelijkenis toegepast', Gr. 'metaschèmatidzoo' = een andere vorm (uiterlijk) geven. Vgl. 2 Kor. 11 : 13vv; Fil. 3 : 21.
12. Letterlijk: opdat gij aan ons zou leren het niet boven het geschrevene (te bedenken). Een groot aantal handschriften mist de woorden: te bedenken. Maar dat maakt inhoudelijk geen verschil. Wat bedoeld wordt met `het geschrevene' is niet helemaal duidelijk. Bedoelt Paulus: het zojuist door mij geschrevene? Of betekenen deze woorden: Ga de perken van de Schrift niet te buiten? Of ligt er in deze zin een herinnering aan een gezegde? Dan kan aldus vertaald worden: zodat u aan ons kunt Ieren de betekenis van het gezegde: `Ga niet boven wat is geschreven.' Bij het laatste moet echter wel worden opgemerkt, dat de zin van zo'n gezegde voor ons niet direct duidelijk is. We houden de eerstgenoemde verklaring aan.
13. De zinsconstructie aan het slot van vs. 6 is moeilijk. Letterlijk staat er: opdat gij niet opgeblazen wordt (op uw strepen gaat staan) tegenover elkaar (de één naar de ander toe).
14. Gr. 'diakrinein' = onderscheiden, voortrekken. Een woordspel met het 'anakrinein' van vs. 3? Zie ook 11 : 27-34. Men kan vertalen: Wie ter wereld denkt u te zijn? Aldus Gordon D. Fee (a.w., p. 171).
15. Gr. 'korennumi' = tot oververzadiging eten.
16. Zonder ons koning zijn, d.i. zonder dat wij erin delen.
17. J. Calvijn (a.w., blz. 74) schrijft: 'En daarom leren wij, dat men moet vlieden de onverdiende belofte der barmhartigheid die ons in Christus voorgesteld wordt, opdat wij zekerlijk weten, dat wij voor God rechtvaardig geacht worden'.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina