1 Korinthe 7, 14-24



Dovnload 41.68 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte41.68 Kb.

1 Korinthe 7, 14-24



4. Ieder in zijn eigen roeping
14 Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.

15 Maar indien de ongelovige scheidt, dat hij scheide. De broeder of de zuster wordt in zulke gevallen niet dienstbaar gemaakt; maar God heeft ons tot vrede geroepen.

16 Want wat weet gij, vrouw, of gij de man zult zalig maken? Of wat weet gij man, of gij de vrouw zult zalig maken?

17 Doch gelijk God aan een ieder heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een ieder geroepen heeft, dat hij alzo wandele, en alzo verorden ik in al de gemeenten.

18 Is iemand, besneden zijnde, geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand, in de voorhuid zijnde, geroepen, die late zich niet besnijden.

19 De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding van de geboden Gods.

20 Een ieder blijve in die roeping, waar hij in geroepen is.

21 Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren: maar indien gij ook vrij kunt worden, gebruik dat liever.

22 Want die in de Heere geroepen is, een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren; evenzo ook, die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus.

23 Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten der mensen.

24 Een ieder, waarin hij geroepen is, broeders, die blijve daarin bij God.
Verklaring
Groot zijn de problemen in het huwelijksleven van de Korinthische christenen. Dat blijkt zonneklaar uit wat Paulus schrijft in 1 Kor. 7. Vooral de 'gemengd' gehuwden hebben het daar niet breed. Twee geloven op één kussen... Ze zitten onder meer met vragen rondom hun kinderen. Geboren als die zijn uit een verbintenis tussen een gelovige en een ongelovige. Dat kan toch zeker niet goed zitten? Zij zouden in Gods ogen wel eens onrein kunnen zijn. Ligt het niet voor de hand, dat kinderen, uit zo'n gemengd huwelijk geboren, door de ongelovige huwelijkspartner zijn besmet? Trouwens, wie zal een reine geven uit de onreine? Niet één (Job 14 : 4).
Zo buigen ook wij ons nog wel eens over de wieg van onze pasgeborenen. `In zonde ontvangen en geboren...' Wat komt er van hen terecht? En welke kant zal ons kind straks op gaan? Die van een ongelovige vader, liever wellicht dan die van een godvruchtige moeder?
Een mens kan zich daar niet genoeg zorg over maken. Onze kinderen mogen wel kinderen van veel gebeden zijn. Houdt er uw hart maar over vast. Wapent hen tegen de 'geest van de wereld' (vgl 1 Kor. 5 : 9vv).
Twee geloven op één kussen... ?
Paulus geeft echter wijze raad. In apostolische volmacht. Hij schrijft de Korinthiërs niet, dat ze er maar voor moeten zorgen, dat er geen kinderen meer geboren worden, omdat er immers toch geen hoop voor is. Nog minder raadt hij de `gemengd gehuwden' aan om maar uit elkaar te gaan. Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man (vs. 14a). 1.
M.a.w. de omgang van een gelovige met een ongelovige in een huwelijk, maakt die gelovige op zich niet - magisch — onrein. En de kinderen uit zo'n huwelijk geboren, zijn niet onrein, omdat zij geboren zijn uit een samenvoeging van een gelovige en een ongelovige. Het is veeleer omgekeerd.

De ongelovige leeft binnen de lichtkrans, de zegenrijke uitstraling van de gelovige. En zo is hij mede apart gezet, geheiligd. Begrepen in de gelovige partij. Binnen de omarming van Gods verbond. Geheiligd. Voltooid verleden tijd.

Een eersteling uit een gezin, tot God bekeerd, is als de eersteling van de tarweoogst (onder oud-Israël) die aan God gewijd werd en waardoor heel de oogst de Heere heilig werd. In die ene godvrezende in een gezin legt God Zijn hand op heel dat gezin. 2.
Laat het een pleitgrond voor u zijn. Het kan zijn, dat het woord van Christus bij u in vervulling gaat: Twee zullen op één bed zijn; de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden (Luk. 17 : 34). Maar zo lang als het nog niet zo ver is, zult u het uw ongelovige man of vrouw laten weten, dat hij / zij leeft binnen de reikwijdte van de uitgebreide armen van Christus.
En dat maakt ook de positie van de kinderen uit. Zij zijn in de gelovige partij (vader of moeder) begrepen en daardoor apart gezet, door God geclaimd. Want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn ze heilig (vs. 14 b), schrijft Paulus. Wat niet betekent, dat een ongelovige man automatisch door (de gebeden van) zijn vrouw zalig wordt. Ook niet de kinderen. Van nature zijn het zelfs kinderen des toorns. Maar uit kracht van Gods genadeverbond, verbondsmatig zijn ze afgezonderd van de wereld.
Laten onze jonge mensen hieruit niet de conclusie trekken, dat ze wel een juk met de ongelovige mogen aantrekken. Ook moeten wij uit deze woorden van Paulus niet de conclusie trekken, dat het hier gaat over ongedoopte kinderen en dat dus de kinderdoop in Korinthe niet in gebruik was (Werner de Boor, a.w., S. 127). Ook als het hier zou gaan over gedoopte kinderen uit een gemengd huwelijk, is het in te denken, dat de gelovige partij de vraag stelde: Zijn mijn kinderen niet besmet met de onreinheid van mijn heidense man of vrouw? En in dat geval zou Paulus zeker niet anders gesproken hebben. 3.
Dat hij scheide...

Problemen genoeg in de gemeente van Korinthe. Paulus gaat er diep op in. Hij bemoedigt de jonge christenen daar. En hij wekt hen op om het niet te laten afweten bij de ongelovige huwelijkspartner.


Maar... stel u nu eens voor, dat het toch op een echtscheiding uitloopt. De situatie kan onhoudbaar worden. Maar indien de ongelovige scheidt, dat hij scheide (vs. 15a). Een ongelovige man of vrouw kan er vrede mee hebben, dat de ander op de dag des Heeren naar Gods huis gaat en aan tafel bidt. Maar hij / zij kan het ook onuitstaanbaar vinden en daarom de huwelijksverbintenis willen verbreken. Welnu, de broeder of zuster wordt in zodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt (vs. 15b). In dat geval is er geen noodzaak om slaafs/wettisch aan de echtgeno(o)t(e) gebonden te willen blijven. 4. De gemeenschap is verbroken. Kunstmatig overeind houden van zo'n huwelijk met geweld, betekent een dag-en-nacht oorlog.
Men kan vragen, of Paulus met dit 'niet slaafs gebonden zijn' bedoelt, dat men na zo'n ontbinding van het huwelijk - door kwaadwillige verlating van de kant van de ongelovige partij - als alleen gelatenene ook de vrijheid heeft om te hertrouwen. Een feit is, dat deze permissie tot een tweede huwelijk hier niet woordelijk wordt gegeven. We moeten zelfs zeggen, dat uit vs. 11 blijkt, dat Paulus bepaald niet aanspoorde tot hertrouw. Er wordt alleen gezegd, dat de gelovige partij zo'n echtscheiding niet hoeft tegen te houden.
Rom. 14: 19; Gal. 1 : 6; Ef. 4 : 4; 1 Thess. 4 : 7

Blijft staan: maar God heeft ons tot vrede geroepen, (vs. 15c). 5. Wat wel niet zal betekenen: Ga in vrede (maar) uit elkaar. Maar: tegen wil en dank blijven leven met een man of vrouw die per se scheiden wil, ontneemt u de vrede waartoe God ons roept. Het kan ook betekenen: weet, dat u geroepen bent om - zo lang als het kan - in vrede te leven (zelfs met een ongelovige huwelijkspartner); houdt vrede met alle mensen (Rom. 12 : 18; 14 : 19), ook met een ongelovige huisgenoot. Dus houdt zo lang mogelijk vol. Trouw moet blijken en waar kan dat beter dan in een huwelijk?


Want wat weet gij vrouw of gij de man zult zalig maken? Of wat weet gij, man, of gij de vrouw zult zalig maken (vs. 16). Wie weet, zult u de ongelovige partij tot een middel van heil worden. Blijf tot het laatste hopen (1 Petr. 3 : 1). Het mocht eens zijn, dat u de ander tot Christus kon leiden. 6. J. Calvijn schrijft: `Want het is een schoon en groot goed, zo een vrouw haar man wint; en het staat niet zo wanhopig met de ongelovigen, dat men ze niet tot het geloof zou kunnen brengen: ze zijn wel dood, maar God kan ook de doden opwekken. 7. Twee geloven op één kussen, daar slaapt nog niet altijd de duivel tussen.
Maar wellicht bedoelt Paulus te zeggen: het is niet bij voorbaat zeker; denk niet, dat u uw ongelovige huwelijkspartner wel kunt redden van de eeuwige ondergang, als u maar lang genoeg bij hem blijft. Dat zou betekenen, dat u uzelf een macht toekent die alleen God toebehoort. `Een huwelijk moet niet simpel als een evangelisatiemiddel worden gezien.' 8. De ongelovige partij is wel geheiligd in de gelovige partij. Maar daarmee is voor

hem geen entreebewijs voor de hemel afgegeven.


Blijf staan waar u staat

Rom. 12 : 6

Hoe dan ook - en dat is het wat de apostel steeds als een gulden regel door al zijn woorden heen weeft - blijf zolang als het enigszins mogelijk is op uw post. Doch gelijk God aan een ieder heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een ieder geroepen heeft, dat hij alzo wandele; en alzo verorden ik in al de gemeenten (vs. 17). Vanaf dit 17e vers (tot en met vers 24) maakt Paulus een flink uitstapje. Hij gaat een algemene regel stellen. En die regel is: toen u door God geroepen bent tot de navolging van Christus, toen u tot bekering kwam, verkeerde u in een bepaalde staat des levens. U was getrouwd of u was ongetrouwd, uw echtgeno(o)t(e) kwam ook tot bekering of misschien ook niet. Welnu, noodzaakt uw bekering u nu opeens om tot een totaal andere staat des levens over te gaan? Of om u wellicht van het huwelijk te ontdoen, als uw levengezel(lin) een ongelovige is? Neen. Uw roeping tot het geloof verplicht u niet om naar verandering te staan. Integendeel, u dient gewoon door te gaan op het spoor waarop u wandelde. En op dat plekje waarop u gesteld bent, zult u uw God dienen. 9. Uw christen-zijn ontslaat u niet van uw aardse roeping, maar verplicht u juist daartoe. Word geen deserteur. Blijf staan waar u staat. Denk niet: Nu moet het opeens allemaal heel anders worden.
1 Kor. 7 : 20, 24

Dat is Paulus' vertrekpunt. Een gulden regel die ook in onze dagen wel bedacht mag worden. Wij leven in een mobiele cultuur waarin verandering van huis, van werkkring, van partner tot de gewoonste dingen behoren. Wij moeten zo nodig... In onze wereld denkt haast ieder mens, dat het met hem excelsior moet, altijd meer, en dat hij minstens twaalf ambachten moet hebben waargenomen, wil hij gelukkig worden. Maar we mogen ons wel afvragen, of onze sociale status werkelijk wel van doorslaggevende betekenis is voor het al of niet slagen van ons leven. En of dat voorthollen van het één naar het ander ons niet met de dag onrustiger maakt. Er is op den duur in ons leven helemaal geen lijn meer te ontdekken. We zwalken meer dan dat we wandelen op het levensspoor dat God ons wees.


Ook voor een christenmens is alles wat de apostel ons in 1 Kor. 7 schrijft, best van belang. Hoe velen zijn er immers niet, die, als zij tot bekering komen, denken, dat ze vanaf dat moment als engelen moeten gaan leven. Ze verbranden alle schepen achter zich. Voor vrouw en kinderen zorgen, lijkt iets dat hen niet direct meer past. Het moet per se geestelijk zijn wat zij doen. Maar waarom zouden alle bekeerden hun staat in de wereld de rug toekeren? Moeten ze allemaal soms een toga gaan dragen? Alsof God niet te dienen is in de fabriek of op het kantoor, in de keuken en met een stel kleine kinderen om zich heen?
Luisteren we naar de Godswoorden van 1 Kor. 7. De Heere heeft aan ieder wat uitgedeeld. De één staat hier, de ander daar in het leven. En in die stand of staat des levens bent u geroepen tot het geloof in Christus. 10. Welnu, ga daarin door. Vervolg uw weg daarin. God accepteerde u bij uw bekering zoals u was en in de staat waarin u verkeerde. Dus is er voor u geen reden te veranderen. 11.
Men zou kunnen vragen, of Paulus hier niet al te zeer uitgaat van de zgn. status quo. Mag een mens dan nooit eens van beroep veranderen b.v.? 'Mag een kleermaker geen ander ambacht leren en mag een koopman geen landman worden?', zo vraagt Calvijn in zijn verklaring van dit gedeelte. En hij antwoordt, dat het niet de bedoeling van de apostel is hier te leren, dat wij nooit eens van 'stand des levens' mogen veranderen, maar dat wij dat alleen zullen doen, als wij er 'behoorlijke reden' toe hebben; wij zullen ons niet 'door ongeregelde hartstochten laten leiden, her- en derwaarts gedreven worden en daardoor met een gedurige onrust gekweld worden'. (J. Calvijn, a.w., blz. 126 v).
Het gaat er hier de apostel kennelijk om duidelijk te maken, dat iemand die een christen wordt, niet per definitie van werkkring of sociale status behoeft te veranderen. Er 'moet' niets. Sociale en andere tegenstellingen worden in het Koninkrijk van God in de diepe zin van het woord 'opgeheven'. De tegenstellingen tussen Jood / Griek, slaaf/vrije, man/vrouw zijn in Christus op een hoger niveau gebracht. 'Daarin (in Christus) is noch Jood noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij zijt allen één in Christus Jezus' (Gal. 3 : 2; vgl. Kol. 3 : 11).
1 Kor. 4 : 17 1 Kor. 11 : 34 1 Kor. 16 : 1

Dat is Paulus' vertrekpunt. Zo bepaalt hij het in al de gemeenten. Dus: er wordt voor Korinthe geen uitzondering gemaakt. Je kunt overal de Heere dienen. Is iemand besneden zijnde, geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand, in de voorhuid zijnde, geroepen, die late zich niet besnijden (vs. 18). Stel u voor: een Jood komt tot het geloof, dat Jezus de Messias is. Moet hij dan plotseling een streep door zijn Jood-zijn halen? Hij hoeft er zich toch niet voor te schamen, dat hij Jood is? Laat hij vooral niet doen wat sommige Hellenistische Joden ooit deden in de tijd van de Maccabeeën. Zij deden aan 'naaktsport' en schaamden er zich voor in de sporthal als besnedenen voor het voetlicht te treden. Daarom probeerden zij de tekenen van hun besnijdenis uit te wissen. 12. Maar daarmee verloochenden zij wel Gods heilig verbond. Een Jood die Jezus Christus volgt, zal zo nooit doen. Hij mag niet in de huid van een heiden willen kruipen. Laat hij de Heere er maar dankbaar voor zijn, dat hij een prachtig teken van Gods genade in zijn vlees draagt, als een onderpand van de besnijdenis van zijn hart (Rom. 2 : 26vv.). 13. Niemand van de heiden-christenen moet hem daarin hinderen.


Gal. 5 : 6

Maar omgekeerd moet hij ook niet van een heiden eisen, dat deze zich laat besnijden. De besnijdenis is geen 'must'. Het kan ook anders. De doop is er ook nog. Daaraan mag iedere volgeling van Jezus uit de heiden-wereld genoeg hebben. God heeft hem, toen Hij hem riep tot het geloof, genomen zoals hij was. Dat is dus genoeg.


Rom. 2 : 25v

Want: de besnijdenis is niets en de voorhuid is niets (vs. 19a.) En geen van beide is iets waarop iemand zich kan verheffen. 't Maakt niets uit. Voor God niet. Voor u zelf ook niet. Alleen de besnijdenis des harten geldt voor God. Ofwel: maar de onderhouding der geboden Gods (vs. 19b). Is de besnijdenis dan soms geen gebod van God? Ja, maar wat baat het de mens, als hij slechts besneden is en voor het overige met Gods wet overhoop ligt?


Gal. 6 : 15

'Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende oftewel een nieuw schepsel' (Gal. 5 : 6; 6 : 15). God vraagt gehoorzaamheid aan alles wat Hij ooit gebood. Toewijding aan Hem in heel ons doen en laten. Daar komt het op aan. En datzelfde wordt gevraagd van iemand die niet besneden is. 'Van alles wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God en houd Zijn geboden; want dat betaamt alle mensen.' (Pred. 12 : 13).


1 Kor. 7 : 17

Een ieder blijve in die roeping, daar hij in geroepen is (vs. 20). 14. Dat is de gulden regel. Blijf staan waar u staat. Ga er niet vandoor, omdat u zo nodig (veranderen) moet. Alsof het elders altijd beter is. Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever (vs. 21). Over slavernij gesproken. Geen pretje natuurlijk. 15. Wie wil graag met de zweep achterna gezeten worden? Maar Paulus schrijft, dat men zijn slaaf-zijn niet als iets onoverkomelijke moet zien. 16. In de brief aan Filémon zendt hij zelfs een slaaf, Onesimus, naar zijn heer terug. Niet zonder de opdracht aan die heer om goed voor hem te zorgen.
Dus: handhaving van de status quo? Alles moet maar gewoon bij het oude blijven? Is dat het wat de apostel voorstaat? In zekere zin: ja. In elk geval is hij duidelijk tegen omverwerping van bestaande orden. Geen mentaliteit van: een vuist maken. En tevens schrijft hij hier, dat slaven gerust, als zij kunnen, van de gelegenheid gebruik mogen maken om vrij te worden. 17. In feite behoeven ze dan nog niet zoveel beter af te zijn. Maar ze moeten van die gelegenheid om vrij man te worden, des te meer gebruik maken om de Heere te dienen.
Joh. 8 : 36; Ef. 6 : 6; Filem. : 16

Want die in de Heere geroepen is, een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren; evenzo ook, die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus (vs. 22). De rollen dus nu eens helemaal omgekeerd. Een slaaf door de Heere tot Zijn gemeenschap en dienst geroepen, is door die roeping in de grootste vrijheid gezet. Verlost als hij is van alle slaafse banden aan de zonde, aan satan, wereld en hel. En een heer die geroepen is, wordt daarmee een knecht van de levende God. Ze ontmoeten elkaar in dezelfde christengemeente. Ze zitten naast elkaar aan dezelfde avondmaalstafel. Dat heiligt de verhoudingen. Het stempelt hun dagelijkse omgang met elkaar. En dan kan een slaaf, staande in de vrijheid van Christus, best gehoorzamen aan zijn heer. En een heer kan niet langer meer als een tiran optreden.
Heeft Paulus met deze boodschap de arme sloebers van slaven in die dagen in de kou laten staan? Of heeft hij met deze woorden alle toenmaals bestaande waarden gewoon omgekeerd? Ja, dat laatste. 18.
1 Kor. 6 : 20

Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten der mensen (vs. 23). Gekocht en betaald. 19. Met welk een dure prijs, wordt hier niet gezegd. Maar we weten, dat de apostel hiermee het bloed van Christus bedoelt. In elk geval is iemand voor wie de losprijs betaald is, van mensen onafhankelijk. Hij behoeft dus niet zo overhoop te liggen met zijn lot. In feite hoeft hij niemand naar de ogen te zien (vgl. Ef. 6 : 5vv; Kol. 3 : 22vv). Hij zit niet meer onder de plak van enig mens.
1 Kor. 7 : 17

Conclusie: een ieder, waarin hij geroepen is, broeders, die blijve daarin bij God (vs. 24). Nog een keer drukt Paulus het de Korinthiërs op het hart (zie vers 20). Blijf staan waar u staat. Bij God, d.i. met het oog op God.


Hoe staat iemand in het leven? Dat is een beslissende vraag. Is hij de veeleiser die nooit aan zijn trekken komt? Of is hij bereid om zijn God te dienen op het nederigste plekje dat er is?
Niet iedereen heeft Paulus wat hij hier schrijft in dank afgenomen. Het `wees tevreden met uw lot' is een vloek in de oren van de moderne mens. En revolutie lijkt een zegen voor de mensheid in de ogen van velen vandaag. Iemand schreef: `Paulus is meer bevreesd voor de geest van anarchie en opstand, persoonlijk en nationaal, dan voor sociale ongelijkheid.' 20. Paulus lijkt een oerconservatief mens te zijn.
Het gaat hier echter niet om ideeën van Paulus. We kunnen beter zeggen, dat deze Paulus in Gods Naam een verlossing mocht prediken, waardoor alle dingen van het aardse leven gerelativeerd werden en tegelijk bezien bij hoger licht. De Korinthische christenen wisten met hun aardse roeping niet goed raad. Maar in 1 Kor. 7 worden ze met beide benen in de volle werkelijkheid van het leven gezet. En wij met hen.
Stel op de Heer' in alles uw betrouwen;

Betracht uw plicht; bewoon het aardrijk; leer

`Uw welvaart op Gods trouw volstandig bouwen;

Verlustig u met blijdschap in de Heer';

Zo zal Hij u in liefd' en gunst aanschouwen,

U schenken wat uw hart van Hem begeer'. (Ps. 37 : 2 ber.)




Gespreksvragen

1. In vers 14 schrijft Paulus, dat de ongelovige huwelijkspartner geheiligd is in de gelovige partij. Waarom schrijft hij dit zo en wat bedoelt hij daarmee?


2. Wat kan het (in vers 15) betekenen, als daar staat, dat de (gescheiden) broeder of zuster niet dienstbaar wordt gemaakt?
3. Wat zou de reden ervan kunnen zijn, dat Paulus in onze perikoop zo uitvoerig over de slavernij spreekt?
4. Een besnedene moet ook blijven in de roeping waarin hij geroepen is (dus: in de staat van besnijdenis) (vs. 18). Betekent dat, dat een Jezus als Messias belijdende Jood in alle opzichten Jood moet blijven? Dus ook zijn kinderen moet laten besnijden?
5. Paulus wekt ons in deze perikoop op om onze post te blijven. Mag een christenmens dan niet aan positieverbetering doen?

NOTEN



1. De Westerse teksttraditie voegt het woord gelovige bij vrouw toe in het eerste zinsdeel. In het tweede zinsdeel lezen de beste handschriften: en de ongelovige vrouw is geheiligd door de broeder (die van vs. 12).
2. Hagiadzoo' = heiligen. Hier als perfectum: geheiligd. Vgl. Rom. 11 : 16, waar Paulus van het ganse deeg zegt, dat het gewijd/geheiligd is door de Gode gewijde eerstelingen en van de takken, dat deze geheiligd zijn door de heilige wortel.
3. Terecht stelt H. D. Wendland vast, dat er op grond van het in 1 Kor. 7 : 14 genoemde geen positieve noch negatieve uitspraken te doen zijn m.b.t. het voorkomen van de kinderdoop in Korinthe. Zie ook: J. Jeremias, Hat die Urkirche die Kindertaufe geübt?, Göttingen(?) 1949/2, S. 38 ff. Wel kunnen we hier een typisch Israëlitisch/ bijbels denken bij Paulus bespeuren, waarin het corporatieve gezichtspunt domineert (de gemeenschap is geen optelsom van individuen, maar enkelingen worden gezien als behorend bij een gemeenschap). Niet ten onrechte stelt daarom de eerste vraag van het doopformulier voor de kinderdoop, dat de kinderen der gelovigen in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten van Zijn gemeente behoren gedoopt te wezen.
4. Gr. 'doeleuoo' = tot slaven maken; pass. slaafs gebonden zijn (vgl. Rom. 6 : 18, 22; Gal. 4 : 3; 1 Kor. 9 : 19; Tit. 2 : 3). Paulus voegt aan de hoererij als 'legitieme' echtscheidingsgrond, door Christus genoemd, hier de kwaadwillige verlating van de kant van een heidense partner toe. Op deze apostolische 'permissie' tot echtscheiding in het geval van het 'gemengde' huwelijk is echter ook van toepassing wat Christus zei: ... 'toegelaten vanwege de hardigheid uwer harten'. Paulus schrijft niet, dat de gelovige partij door de kwaadwillige verlating van de ander niet langer gebonden is (daarvoor gebruikt hij meestal het Griekse woord 'deoo', zie 1 Kor. 7 : 39; Rom. 7 : 2); hij schrijft, dat de broeder of zuster die verlaten wordt, zich niet coûte que coûte als een slaaf aan de ander gebonden moet weten.
5. Verreweg de meeste handschriften hebben: ons (en niet u). Deze zegswijze is gebruikelijk voor Paulus.
6. Zo komt de uitdrukking 'wat weet gij' voor in het Oude Testament (Bruce).
7. J. Calvijn, a. w., blz. 123
8. Leon Morris, a.w., p. 108.
9. Met deze uitleg leg ik de nadruk op het positieve in de oproep die in de verzen 17-24 klinkt: blijf staan waar u stond bij uw bekering en blijf daar en zo uw God dienen. Gordon D. Fee (a.w., p. 307ff) knoopt in zijn verklaring van deze perikoop vooral aan bij vs. 1b (de gedachte die leefde bij de Korinthiërs, dat hun roeping tot het geloof een roeping tot het ongehuwd zijn inhield) en zegt dan vervolgens, dat volgens Paulus het al of niet gehuwd zijn een irrelevante zaak is. M.i. echter zegt Paulus hier niet maar, dat men van deze kwestie in Korinthe niet zo'n ophef moet maken. Hij roept hen ook op niet van hun post weg te lopen, maar de Heere juist daarin te dienen. Zie vooral vs. 20, 24. Leon Morris (a.w., p. 111) omschrijft terecht Paulus' mening aldus: 'Conversion is not the signal to leave one's occupation (unless it is plainly incompatible with Christianity) and seek something more `spiritual' ...We should serve God where we are until he calls us elsewhere.'
10. Vs. 17 begint met de Griekse woorden 'ei mè' = maar echter, evenwel... (zie Gal. 1 : 17); dus: hoe het ook zij, dit geldt in elk geval. De eerste twee zinsdelen lopen parallel; het tweede vult het eerste aan. In het eerste gaat het om wat God ons toedeelde in het algemeen; in het tweede om die status op het moment, dat Hij ons riep tot het geloof in Christus. Voor het Griekse werkwoord 'meridzoo' - toedelen zie ook Rom. 12 : 3; 2 Kor. 10 : 3. Voor het Griekse werkwoord 'peripateoo' - rondgaan zie: Gal. 5 : 16; 1 Thess. 4 : 1.
11. Zie 1 Thess. 4 : 11 v; 2 Thess. 3 : 6-12.
12. Zie 1 Makk. 1 : 14 v. Zie ook Fl. Josephus, Oudheden XII, 241(?). Paulus gebruikt hier het werkwoord 'epispaoo' = toetrekken, overtrekken (van de voorhuid - Gr. 'akrobustia'), een medische term.
13. J. Calvijn (a. w., blz. 125) schrijft: 'Had Paulus op het verbond en gebod Gods gezien, zo zou hij de besnijdenis zonder twijfel meer geacht hebben'... En even verder: 'want op deze voorwaarde is de doop in de plaats der besnijdenis gekomen, dat het genoeg zij, dat wij met de Geest van Christus besneden worden.'
14. Het Griekse zelfstandige naamwoord 'klèsis' = roeping (het komt slechts in vs. 20 voor; het werkwoord 'kaleoo' komt acht keer voor in deze perikoop). O.i. echter doelt Paulus (blijkens de context) zowel op de roeping tot het heil in Christus als op de status waarin iemand tijdens die roeping verkeerde. En in het laatste ziet hij dan een opdracht van Godswege tot dienst aan de Heere. Vgl. 1 Kor. 1 : 26; Rom. 11 : 29; Fil. 3 : 14; 2 Thess. 1 : 11. De reformatorische exegese (o.a. J. Calvijn (a.w., blz. 124v) legt vooral de nadruk op het laatste. Roeping is dan hetzelfde als beroep ('een behoorlijke wijze van leven', Calvijn). O.i. echter is de vertaling 'beroep' niet adequaat aan de diepe inhoud van het Griekse woord 'klèsis'.
15. Hoewel de slavernij in de antieke oudheid wellicht minder ondraaglijk was dan wij thans vermoeden. Een slaaf had soms meer sociale zekerheid dan een vrije. Als hij vrij kon worden, koos hij in bepaalde gevallen toch vrijwillig voor een in dienst blijven bij zijn heer. Zie Ex. 15 : 16w.
16. Letterlijk: laat er u niets aan gelegen liggen. Zie over de verhouding heer-slaaf: Ef. 6 : 5w; Kol. 3 : 22w; 1 Tim. 6 : 1v; Tit. 2 : 9v; Filemon; 1 Petr. 2 : 18w.

17. Het laatste deel van dit vers wordt verschillend vertaald. De Leidse Vertaling heeft b.v.: zelfs al kunt gij vrij worden, blijf liever slaaf (laat het uw slavenstand ten goede komen). De vraag is, wat als object moet worden gezien van de aansporing: maak liever gebruik van... Het verband (slaaf of vrije, het doet er niet toe) doet ons echter vermoeden, dat Paulus wil zeggen: maak van uw vrijheid dan des te meer gebruik, nl. om de Heere te dienen.
18. Zie Ds. M. R. van den Berg, De eerste brief aan de Korinthiërs, hoofdstuk 1-7, Dwaas worden om wijs te zijn, Amsterdam 1984 blz. 110.
19. Voor een prijs betaald (letterlijk). Dus rechtmatig. Vgl. 1 Kor. 6 : 20.
20. Zie Gordon D. Fee, a.w., p. 308.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina