1 Korinthe 8, 1-6 De liefde sticht



Dovnload 43.87 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte43.87 Kb.
1 Korinthe 8, 1-6
7. De liefde sticht
1 Aangaande nu de dingen, die aan de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen telamen kennis hebben. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.

2 En zo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen.

3 Maar zo iemand God liefheeft, die is van Hem gekend.

4 Aangaande dan het eten van de dingen, die aan de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen andere God is dan één.

5 Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heren zijn).

6 Nochtans hebben wij maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heere, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem.

Verklaring

Eén en andermaal hebben wij gezien, dat de apostel Paulus in zijn eerste brief aan Korinthe ingaat op een aantal kwesties die hem zijn voorgelegd door de christenen aldaar. Moeilijkheden waarmee men zat. Problemen die samenhingen met hun christen zijn in de praktijk van het dagelijkse leven. In 1 Kor. 7 is Paulus uitvoerig ingegaan op vragen die betrekking hadden op het huwelijksleven. In 1 Kor. 8 stelt hij een geheel andere zaak aan de orde, die de Korinthiërs ook hoog moet hebben gezeten, nl. het eten van aan de afgoden geofferd vlees in de tempels van de goden.



In `hoger' sferen

Hand. 15 : 29



Aangaande nu de dingen die aan de afgoden geofferd zijn (vs. 1a) 1. Om ons een beeld te vormen van wat er zich op dit punt binnen de christengemeente van Korinthe kan hebben afgespeeld, moeten we ons realiseren, hoezeer het gehele dagelijkse leven in een stad als Korinthe gedomineerd werd door de tempels der goden met hun offercultus. Iedereen in die stad was ervan overtuigd, dat die goden het voor het zeggen hadden en dat zij ook te vriend moesten worden gehouden door aan hen op hun tijd offers te brengen. Niemand kon in feite om al die tempels en goden heen.
1 Kor. 13 : 4

Bovendien leverde een bezoek aan zo'n tempel voor de Korinthiërs best enkele aantrekkelijke dingen op. Men kon er - als in een restaurant - een 'party' organiseren. Men kon er met familie en vrienden gaan dineren, waarbij men getrakteerd werd op de stukken vlees van het offerdier die niet gebruikt waren voor het offer op het altaar.


Daar kwam nog bij, dat men bij zo'n maaltijd in de tempel ook in een bepaalde sfeer vertoefde. En sfeer doet immers ook altijd wat in een restaurant. Het was in dit geval de 'hogere' gewijde sfeer van het goddelijke. D.w.z. dat men al etend, een goede relatie kon opbouwen met elkaar, maar vooral ook met de godheid die men vereerde. Samen eten versterkt banden. Zo'n `sfeervolle' maaltijd was dus bepaald niet te versmaden. En dan was er verder nog een ander sfeertje in zo'n tempelrestaurant. In die afgodstempels, vooral die van godin Aphrodite, werd ook gewijde prostitutie bedreven. Men kon er zich dus - na wel gegeten en gedronken te hebben - naar hartelust uitleven. Als in een 'nachtclub'. Met 'gepaste' en goden-gewijde gevoelens.
Het is over deze dingen, dat Paulus de Korinthische christenen nader onderricht geeft in 1 Kor. 8. Het gaat hier over het aanzitten in der afgoden tempel (zie vs. 10). 2.

Blijkbaar hebben gemeenteleden van Korinthe daar een aantal vragen over gesteld. 3. Wat moeten wij aan met deze dingen? Kunnen we er gewoon mee doorgaan? Moeten we het voortaan laten? Christenen die van de stomme afgoden zijn bekeerd, hebben op zo'n punt toch wel een paar problemen.


In Korinthe's gemeente waren er echter die er helemaal geen punt van maakten. Wij krijgen uit wat Paulus schrijft de indruk, dat sommige christenen zelfs zonder gewetensbezwaar als vanouds deelnamen aan (feest) maaltijden in die heidense tempels. Gewoon omdat zij uitgingen van de overtuiging, dat vlees vlees was, ook al was het aan de afgoden gewijd. Ze wisten immers beter? Ze wisten immers, dat al die afgoderij in feite onzin was. Dus maar gewoon meedoen. Een verloste christen is vrij. Hij staat boven de dingen. Hij weet echt wel zijn grenzen te bewaken.
Die mening zullen ze ook niet onder stoelen of banken hebben gestoken. Wellicht probeerden ze hun medechristenen die van dit alles wel een gewetenszaak maakten en beslist weigerden, voor een invitatie om deel te nemen aan zo'n maaltijd in een heidense tempel, over de streep te halen. 'Kom, doe niet zo flauw; laat je niet aan de kant zetten; maak er geen halszaak van.'

De kenners

En hoe reageert de apostel hier dan op? Hij schrijft: wij weten, dat wij allen tezamen kennis hebben (vs.1b). Op hun degelijke kennis beriepen zich de vrije Korinthiërs: wij weten. Zij lieten hun gezond verstand werken. Zij hadden toch immers kennis van (hogere) zaken. Met redelijke bewijzen, 'dogmatisch' goed onderlegd, konden zij alle tegenargumenten ontzenuwen.


Nu goed, schrijft Paulus, wij weten, dat wij allen kennis hebben. Wat een zegen. Als een mens tot bekering komt, krijgt hij best een diep inzicht in de dingen. Hij wordt bepaald wijs. Hij doorziet ook zijn vroegere leven als ijdel gedoe dat nergens toe diende. De Geest maakt hem wijs tot zaligheid. Paulus ontkent niet, dat de Korinthische christenen aan zo'n hogere wijsheid deel hebben gekregen. Het zijn de kenners. En Paulus is natuurlijk ook helemaal geen vijand van echte geloofskennis. 4.
Wetenschap, (geloofs-)kennis, theologische kennis zo men wil, zijn op zich goede zaken. Dat schuift de apostel hier niet aan de kant. 'Het zijn - om met Calvijn te spreken - 'uitzinnige mensen die tegen alle kunsten en vrije wetenschappen razen'. 5. Zo doet Paulus niet. Het is best goed, als een mens ook in de dingen van het geloof de dingen op zijn tijd eens op een rij zet. Daardoor kunnen nodeloze conflicten en angsten worden voorkomen.
Het is nodig, dat wij kennis van zaken hebben, onze Bijbel goed bestuderen en dogmatisch van wanten weten. Want van onkunde heeft geen sterveling ooit veel plezier gehad en de duivel weet er winst uit te slaan.

Laat u dus onderwijzen. Wees wijs in de dingen van het geloof. Zoek klare en duidelijke antwoorden op de vele vragen die het volle leven u stelt.


Maar dan komt nu wel de vraag op (en Paulus stelt deze ook nadrukkelijk aan de orde), of die kenners van Korinthe het probleem, dat zich voordoet, nl. m.b.t. het al of niet mogen deelnemen aan maaltijden in een afgodstempel, wel goed oplossen. Zij benaderen dit probleem immers puur vanuit hun kennis, met een beroep op hun weten. En reeds eerder (nl. in de eerste hoofdstukken van zijn brief) heeft de apostel al wel laten weten, dat hij die 'wijsheid' der Korinthiërs niet vertrouwt. Hij doet er helemaal niet zo positief over. En waarom niet? Wel, die vrije Korinthiërs maakten van hun wijze ideeën geen best gebruik. Kennelijk beriepen deze 'fijnproevers' zich op hun wijsheid ten koste van hun medechristenen. Als elitaire christenen zagen ze wat meewarig neer op anderen die zover nog niet waren als zij. Mensen voor wie de zaak uiterst gevoelig lag en die niet maar zo eens even met gezonde argumenten hun geweten het zwijgen konden opleggen.
Welnu, het is tegen deze aanpak van het probleem - het al of niet geoorloofd eten van offervlees - dat Paulus de stem verheft in 1 Kor. 8.

Geen 'knappe koppen' oplossing

Kennis is prima. Maar - aldus de apostel - het is bepaald niet alles. Kien zijn in de dingen van God en van Zijn Koninkrijk, is niet het één en al. Wat baat dat alles de mens, als hij de liefde niet heeft? 'Al wist hij al de verborgenheden en al de wetenschap...' (1 Kor. 13:2). Zal zelfs ook geloofskennis niet 'eenmaal tenietgedaan worden' (1 Kor. 13:8)? Alleen de liefde is van een eeuwige duur.


1 Kor. 13 : 4

Bovendien wordt een mens door veel kennis vaak ook hoogmoedig. Wie doet me wat?! De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht (vs. 1c). Het is hier als met een ballon die opgeblazen wordt, net zolang, totdat hij uit elkaar springt. 6. Dat is nooit anders geweest. In Paulus' dagen niet. En niet in de 21e eeuw. Heeft het vele weten, het technisch kunnen van de mens hem werkelijk ooit gelukkig gemaakt? Kunnen wij niet met handen tasten, dat de mens door zijn wetenschap bezig is zijn eigen graf te graven? En is dat niet de dwaasheid gekroond?


Kennis is macht. Ja, maar in de praktijk van het zondebestaan van de mens is dat dan wel een macht waarmee op den duur het gehele leven wordt gemanipuleerd en de mensheid wordt getiranniseerd.
Kennis maakt opgeblazen. Helaas, zo is het ook nogal eens in de theologie en in de kerk. Als daar de dienst wordt uitgemaakt door `knappe koppen'. Door hen die 'kennis hebben'; het in hun mars hebben. Paulus schijnt het expres zo te willen formuleren, omdat hij hier vooral het oog heeft op hen die niet slechts weten, maar het ook weten, dat ze veel weten. Mensen die het hoog in de bol hebben. Maar dat is dan ook alles. Hun theologie heeft hen op de troon geholpen. Iedereen moet hen aanbidden. Ze weten het gewoon beter dan iedereen. Ze weten het echt alleen. Het zijn echte 'betweters'.
1 Kor. 10:23

Ja, zo is het helaas nogal eens. Maar Paulus geeft dat alles meteen de doodssteek. Met zo'n opgeblazen, opgedirkte bluf-theologie wordt geen probleem de wereld uitgeholpen. Het is alleen de liefde die dat kan. Die walst niet over de medemens heen. Die leert ons alles wat we hebben en weten, in dienst van de naaste te stellen. De liefde sticht, bouwt op. Zodat de gemeente een echte `woonstede Gods in de Geest' is. 7.


Rom. 8 : 28; Gal. 6 : 3; 1 Kor. 13 :12

Nog even gaat de apostel daarop door in vs. 2 en 3: En zo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen. Maar zo iemand God liefheeft, die is van Hem gekend. Stellig wordt hiermee bedoeld: als soms iemand denkt, dat hij het weet (het in zijn mars heeft), die vergist zich; hij is nog niet tot de rechte kennis gekomen. 8. Dit weten - los van de liefde - is niet wat het behoort te zijn. Want wat is een wijs inzicht, als het niet voortkomt uit de liefde tot God. Wie God bemint, die boort de diepste bron van kennis aan; hij mag een gekende des Heeren zijn. Hij kent als een gekende des Heeren (vgl. 1 Kor. 13:12). 9.


Nullen en nieten

Maar nu terug tot het eigenlijke thema. Dat van het eten van het aan de afgoden geofferde vlees. We zien ook hier weer, hoe de apostel Paulus van een algemene stelregel naar een afzonderlijk geval toe gaat. Hij tast de problematiek van de Korinthische gemeente in de wortel aan. Hij doet geen ethische uitspraken, los van theologische uitgangspunten. En in de onderhavige zaak is dat theologische uitgangspunt: kennis zonder liefde lost niets op. Het geeft geen ware deskundigheid.


1 Kor. 10 : 19

Welnu, wat is er dan vanuit een liefdevolle geloofswetenschap te zeggen over het punt dat thans aan de orde is? Hoe dient een christenmens het eten van aan de afgoden geofferd vlees te beoordelen? Aangaande dan het eten 10. der dingen die aan de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld en dat er geen andere God is dan één (vs. 4). Ziedaar een werkelijk theologische standpuntbepaling. Het geloof mag weten, dat een afgod niets is. Dat is een gezonde redenering.


Neem Aphrodite. De godin der liefde. Bestaat zij wezenlijk? Een Eros in hoogst eigen Persoon die de mens aanmoedigt om zijn driften uit te leven? Bestaat zo'n godin? Geen sprake van. Afgoden zijn nieten en ijdelheden. Zo kunnen we het ook lezen in de Psalmen en bij de profeten van het Oude Testament. 11.
D' afgoón van het heidendom,

Goud of zilver, goón in schijn,

Hebben lippen, maar zijn stom;

Zij die 't werk van mensen zijn,

Waar men genen geest in vindt,

Hebben ogen, maar zijn blind. (Ps. 135:9)


Deut. 6 : 4

Een afgod is niets in de wereld. 12. Hij heeft in het leven van alledag gewoon niets te betekenen. Niemand moet er dus warm voor lopen. Niemand hoeft er over in te zitten, of het wel goed met hem afloopt, als hij zo'n god niet dient. Het heeft allemaal niets om het lijf. Wat een bevrijding. De mens wordt van heel wat angsten verlost, als hij uit de waanwereld van de afgoden wordt weggehaald. Gelukkig, hij hoeft zich niet meer in duizend bochten te wringen, door zijn dwanggedachten en hersenschimmen in de kaart te spelen. Weg ermee. Haal al die afgoden maar van hun troon. Laat er uw leven niet door beheersen. 't Zijn gewoon spookbeelden, projecties van uw eigen innerlijk. Meer niet. Maaksels van mensenhanden. Nul komma nul in vergelijking met die éne levende God. De enig werkelijk bestaande en unieke in Wiens dienst de mens zich voor altijd zalig mag weten. Hij is geen God die men tevreden moet zien te stellen met offers, omdat Hij anders misschien boos wordt: 'do ut des' - ik geef u wat, god, opdat u mij er wat voor terug zou geven.


Nieten, ijdelheden. Ja en toch... Toch spelen al die goden in de wereld een grote rol, om niet te zeggen: de hoofdrol. Neem opnieuw Aphrodite, de godin van de erotiek. Laat ze een projectie zijn van wat er in het binnenste van de mens leeft. Maar als zodanig leidt zij wel een soort goddelijk bestaan. Ze beheerst de hele zaak zelfs. Mensen staan ervoor in vuur en vlam. Ze wordt hoog bejubeld. Ze kan u helemaal in haar greep krijgen. Of neem al die occulte machten waarmee de mens van de 21e eeuw zich druk maakt. Hoezeer laat de moderne mens zich beheersen door zijn sterrenbeeld en het lot dat hem beschoren is.
Ps. 136 : 2v

Onzin. Maar het oefent allemaal wel een enorme macht uit. Daar om schrijft Paulus: Want hoewel er ook 13. zijn die goden genaamd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heren zijn) (vs. 5). Zo genaamd zijn ze er allemaal wel. Omhoog. In de hemel: zon, maan, sterren, als goden vereerd. Op de Olympus: Zeus en ga maar door. Omlaag in het dagelijkse bestaan: een keizer te Rome die zich `kurios' laat noemen: heer, d.i. god. 14. Aanbiddelijkheden.


Maar wie een volgeling van Jezus Christus is geworden, heeft het in al die waan- en dwanggodsdienst niet langer uitgehouden. Hij heeft er vrijwillig en van harte afscheid van genomen. Neem godin Aphrodite. Eros. Kan die zijn bestaan nog langer beheersen? Kan hij zijn hart nog wel ophalen aan zuippartijen en prostitutie? Nee, hij is gelukkig uit dat vernietigende sfeertje, uit dit geestelijke en morele milieubederf weggehaald. Het voert geen heerschappij meer in zijn leven. En daarom zou hij metterdaad ook met een gerust geweten aan tafel kunnen zitten bij zijn vrienden in het restaurant van Aphrodites tempel. 't Doet hem allemaal niets meer. Diep in zijn hart weet hij beter. Hij staat er gewoon boven.

Soli Deo Gloria

Rom. 11:36


Waarom en hoe? Paulus brengt het onder woorden in vs. 6: Nochtans hebben wij maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn en wij tot Hem; en maar één Heere, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem. Prachtige geloofsbelijdenis. Misschien citeert Paulus hier een oud-christelijke hymne. In Korinthe niet onbekend. 15. Dan trekt hij dus bepaald niet aan de verkeerde bel. Integendeel, alle klokken gaan luiden. De klokken van het geloofsgetuigenis. En daar moeten alle goden en geesten voor opzij. Wij hebben maar één, God. En dat is niet onze armoe, maar juist onze rijkdom. `Ik heb mijn God; dat is genoeg; ik wens mij niets daar neven.'
En welk een God is dat. In Deut. 10:17v lezen we: `Want de Heere, uw God, is een God der goden en een Heere der heren; die grote, die almachtige en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; Die het recht van de wees en van de weduwe doet; en de vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve...'
Mal. 2 : 10

Wat vindt u van zo'n God? Is Hij er niet één om te omhelzen? Kunt u voor Hem niet alle andere goden als kiespijn missen? Hij wordt in onze perikoop genoemd: de Vader uit Wie alle dingen zijn en wij tot Hem. Dus: alles wat bestaat, bestaat dank zij Hem. Hij is de Schepper aller dingen. En daarom zijn wij ook alles aan Hem verplicht. Wij zijn er om Hem. Wij, de mensen allemaal. Niemand behoort zichzelf toe. Maar de gelovigen mogen 't zo ook ervaren. Tot Hem. 'Laus Deo' - lof aan God. 'Alles wat adem heeft, love de Heere.'


Joh. 1 : 3; Rom. 12 : 5v

Maar één God. Aan een tweede hebben wij geen behoefte. Niettemin noemt Paulus nog een tweede: Jezus Christus. 16. En Paulus schrijft Hem zulk een eer en waardigheid toe, dat de christenheid van ouds Hem volledig gelijkgesteld heeft met God de Vader. Hij heet immers Heere ('Kurios'). En net zo goed als in het voorgaande vers goden en heren in één adem genoemd worden, worden nu ook God de Vader en de Heere Jezus Christus in één adem genoemd. God de Vader is niet los (van de Heere Jezus Christus) verkrijgbaar. En de Heere Jezus Christus is niet los van de Vader te aanbidden.


Rom. 3 : 30; Ef. 4 : 5v; 1 Tim. 2 : 5

Daar is de Schrift zo duidelijk in. Zij beiden staan op één lijn. Zij beiden hebben het ganse bestaan van de wereld en de mensheid op hun Naam staan. Alles is uit God de Vader. En alles is door de Heere Jezus Christus. 'In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt en zonder hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is (Joh. 1 : 1vv; Kol. 1 : 16). De Vader onze Schepper. De Heere Jezus Christus onze Scheppingsmiddelaar. En onze Verlosser. Want Hij is het, die door Zijn overwinning op de macht van zonde, duivel, dood en hel de Zijnen het leven geeft en een bestaan voor God. Er is dus geen sterveling op de aarde die zijn leven niet aan Jezus Christus te danken heeft. En er is geen gelovige op aarde die niet op zijn tijd - zelfs met de twijfelende Thomas - mag en zal zeggen: `Mijn Heere en mijn God' (Joh. 20 : 28). (vgl. ook Hebr. 1 : 1).


Of is dat misschien toch een te hoge gooi? Nee, in de rechte geloofskennis geldt dat allemaal. Ziedaar een recht theologische standpuntbepaling. 17. Ziedaar het geloof dat de wereld overwint. Zalig die vanuit deze rijke geloofskennis als een rots in de branding is komen te staan. En die het tegelijk mag weten, dat alleen de liefde sticht.
'k Zal met mijn ganse hart Uw eer

Vermelden, Heer',

U dank bewijzen.

'k Zal U in 't midden van de goón

Op hoge toon

Met psalmen prijzen. (Ps. 138:1 ber.)


Welnu, met zo'n belijdenis in het hart, behoeft een christen nergens voor terug te deinzen. Hij zit aan een tafel in een afgodstempel en daagt daar a.h.w. alle goden en machten gewoon uit. Kom maar op. U krijgt mij nooit meer te pakken.
Is het zo? Durft het geloof zover gaan? Mg het zover wel gaan? Of kan zoiets nu net niet? Wordt het ons toch verboden door de liefde? In het vervolg van onze behandeling van 1 Kor. 8 zullen we zien, dat Paulus, ook al neemt hij een hoog geloofsstandpunt in, toch ernstig waarschuwt tegen de mening van de `kenners' in Korinthe die zich vrij en machtig waanden om in het hartje van het oude heidendom als in het hol van de leeuw present te zijn. 18.
Zeg niet te gauw: Ik sta erboven. Ik kan dat wel aan. De wereld doet me niets meer. Want al is de ganse aarde van de Heere, ze is vooreerst toch ook nog het mijnenveld van de satan. Daarom zal een echt wijze christen ook gevaarlijke plaatsen weten te vermijden. Waar hij niet hoeft te zijn, moet hij ook niet (willen) wezen. Een volgeling van de Heere Jezus mag een hoogstaand mens zijn. Maar hij moet ook weten, hoe hij in het leven staat. En dat vooral tegenover zijn broeder en zuster.

Gespreksvragen

1. In onze perikoop gaat het over het eten van aan de afgoden geofferd vlees. Wat kunt u daarover lezen in Hand. 15 (apostelconvent)? En waarom zou Paulus zich niet beroepen hebben op de besluiten die toen door de apostelen in Jeruzalem genomen zijn?


2. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht (vs. 1b). Waarom maakt Paulus hier zo'n grote tegenstelling tussen kennis en liefde? Is het soms niet van belang, dat iemand die de Heere (Jezus) liefheeft, ook degelijke kennis heeft?
3. Mag ik uit vs. 3 de conclusie trekken, dat ik, als ik God liefheb, een gekende (kind) des Heeren ben?
4. Zou u een aantal moderne afgoden kunnen noemen, die ook door christenmensen worden gediend?
5. Afgoden zijn nullen en nieten. En toch oefenen ze macht uit. Hoe kan dat?
NOTEN
1. Het Griekse woord 'eidoolothuta' = het aan de afgoden geofferde; vgl. 1 Kor. 10 : 28 waar het woord 'hierothuta' = gewijd voedsel voorkomt. Vgl. ook 1 Kor. 5 : 10v waar gesproken wordt over de 'eidoololatrès' (dienaar van een afgodsbeeld).
2. Elders (Rom 14; 1 Kor. 10 : 25vv) brengt Paulus ook wel het aan de afgoden aangeboden en op de markt verkochte offervlees ter sprake. Hier echter gaat het over deelname aan een (feest) maaltijd in een afgodstempel.
3. We concluderen dit uit de beginwoorden van 1 Kor. 8: 'per de' (Gr) = wat betreft nu... Zie ook 1 Kor. 7 : 1; 11 : 1.
4. Kennis (Gr. gnosis') en vrijheid spelen in de eerste brief aan Korinthe een grote rol. Het lijkt onjuist aan te nemen, dat er hier sprake is van 'Hellenistisch-gnostisch Christendom' (H. D. Wendland, a w., S. 67), omdat we dit verschijnsel toch pas goed kennen uit de tweede eeuw.

Het woord 'gnosis' (kennis) komt vijfmaal voor in 1 Kor. 8. Verder komen we het woord tegen in 1 Kor. 1 : 5 en 12 : 8. Het zal naast 'logos' (vgl. 1 : 5, 17; 2 : 1-5) en 'sophia' (vgl. 1 : 17-31) een woord in Korinthe zijn geweest, dat 'in' was. Zie Gordon D. Fee, a.w., p S. 365f.


5. J. Calvijn, a.w., blz. 140.
6. Het Griekse werkwoord voor opblazen is 'fusioöo' . Een typisch woord voor Paulus.
7. Zie voor het Griekse 'oikodomè' (stichting, opbouw) en 'oikodomein' (stichten, opbouwen): 1 Kor. 3 : 9; 8 : 1, 10; 10 : 23; 14 : 3vv, 12, 17, 26. Vgl. ook 1 Thess. 5 : 11. In Gal. 2 : 18; 2 Kor. 10 : 8; 13 : 10 gebruikt Paulus het woord voor zijn apostolische bediening.
8. Opvallend is het verschil tussen de werkwoordsvervoegingen van het driemaal in vs. 2 voorkomende werkwoord 'weten'. Weer te geven met: indien iemand meent iets aan de weet gekomen te zijn (weten als bezit; perfectum), die is nog in geen enkel opzicht tot een weten gekomen, zoals men behoort iets aan de weet te komen (tweemaal aoristus).
9. Paulus zal hier zeker doelen op een kennis die zijn wortel vindt in God, in de liefde van God. Indien iemand liefheeft, hij is gekend. Gekend zijn (perfectum in de passieve vorm) door Hem = door God verkoren zijn (vgl. Ex. 33 : 12, 17; Jer. 1 : 5; 2 Tim. 2 : 19). Sommige handschriften laten de woorden 'iets', 'God' en 'door Hem' in vs. 2 en 3 weg. De vertaling wordt dan: 'als iemand denkt, dat hij tot kennis gekomen is, die weet nog niet zoals hij behoort te weten; maar als iemand liefheeft, die weet waarlijk (is voor zichzelf tot kennis gekomen, mediaal; of: is gekend, passief).'
10. Gr 'broosis' = het daadwerkelijk eten van voedsel, niet direct het voedsel zelf.
11. Zie o.a. Ps. 106 : 28; 115 : 4,5; 135 : 15; Hab. 2 : 18; Jes. 44 : 9vv; 46 : 6vv.
12. Het woord 'niets' kan behoren bij 'afgod' (dus: er bestaat geen afgod in de wereld) of bij 'in de wereld' (dus: een afgod is niets in de wereld). Het woord 'eidoolon' - afgod oftewel het onwerkelijke (bij Plato betekent het woord: het niet werkelijke = de tastbare wereld), is het in de Septuagint gebruikelijke woord voor afgodsbeeld. Hiermee werden de goden dus tot nieten en ijdelheden verklaard.
13. 'Kai gar eiper' (Gr) = want ook zelfs als... De Griekse zin van vs. 5 en 6 is een anakolouth.
14. De vergoddelijking van de regerende vorst is vanuit het Oosten (Egypte/Perzië), waar men reeds lang de koning de titel `kurios' (= god) toekende, doorgedrongen naar het Westen van het Romeinse Rijk. Hoewel er aanvankelijk nogal wat verzet tegen leefde bij de Romeinse keizers, lieten sommigen zich ook gaarne met de titel 'kurios' als god vereren. Daarnaast kan hier door Paulus ook gedacht zijn aan de godheden van de mysteriereligies die ook 'kurioi' werden genoemd (zoals de Baäls in de vruchtbaarheidsriten bij de Kanaänieten). Het één hoeft het ander niet uit te sluiten.
15. Voor de belijdenis van de ene God bij Paulus: zie Rom. 3 : 29v; Gal. 3 : 20 en 1 Tim. 2 : 5. Dat Paulus hier een prepaulinisch (hymnisch) belijden zou citeren, aan Hellenistische Joodse christengemeenten ontleend, is o.a. betoogd door H. Lietzmann en H. Conzelmann. Vgl. ook Kol. 1 : 15-20. Zie ook: Kittel, a. w., V S. 1008.
16. Gordon D. Fee schrijft (a.w., p. 375): 'Although Paul does not here call Christ God, the formula is so constructed that only the most obdurate would deny its Trinitarian implications'. Enkele handschriften voegen toe: En één Heilige Geest door Wie alle dingen zijn en wij in Hem.
17. Paulus gaat ook hier - zoals steeds - vanuit de indicatief naar de imperatief (zie 5 : 6vv).
18. Paulus is in 1 Kor. 8 (vgl. ook Rom. 14 en 1 Kor. 10) bezig met een probleem (het eten van het aan de afgoden geofferde waarover ook op het apostelconvent uitspraken zijn gedaan (vgl. Hand. 15 : 29; vgl. ook 21 : 25): de heiden-christenen moesten zich onthouden van wat de afgoden geofferd was (en ook op de markt werd verkocht). Uiteraard was het eten van afgodisch offervlees voor Joden iets aanstootgevends (zie H. L. Strack-P. Billerbeck, a.w., III, S. 377). In 1 Kor. 10 : 23-11:1 (vgl. ook Rom. 14 : 20vv) wekt Paulus - geheel in deze lijn - dan ook op om elke vorm van ergernis op dit punt te voorkomen, hoewel hij er overigens geen zwaarwegend punt van maakt. Dat hij zich niet beroept op het apostelconvent, betekent volgens H. D. Wendland (a.w., S. 69), dat hij de traditie van Hand. 15 (eerst later gefixeerd) niet gekend heeft. Maar dat is voor wie gelooft in de historische juistheid van het in Hand. 15 beschrevene, niet aannemelijk.

Blijkens vs. 10 van 1 Kor. 8 gaat het in dit hoofdstuk (evenals in 1 Kor. 10 : 1-22) niet om het eten van het aan de afgoden geofferde vlees dat op de markt was gekocht, maar om het aanzitten aan een maaltijd in een heidense tempel. Daarom interpreteert M. R. v.d.Berg (in De eerste Brief aan de Korinthiërs, hoofdstuk 8-16, vrij zijn om lief te hebben, Amsterdam 1986, blz. l5vv), toch de gehele perikoop niet goed, wanneer hij van mening is, dat Paulus eigenlijk zegt, dat men door het niet eten van het offervlees geen millimeter in Gods achting is gestegen. Vs. 10 is nl. niet maar een voorbeeld dat Paulus noemt, maar het geval waarover hij hier handelt.


Uit niets blijkt, dat Paulus dit de gemeente van Korinthe verbiedt om ergernis onder Joden-(christenen) te voorkomen. De deelname aan maaltijden in een afgodstempel was ook voor heiden-christenen die van de 'stomme' afgoden bekeerd waren, iets ergerniswekkends. Niet alleen echter om ergernis te voorkomen (dus uit ethische motieven), maar omdat een maaltijd in een afgodstempel `gemeenschap hebben met de tafel der duivelen' betekent (zie 1 Kor. 10 : 20v), verbiedt de apostel het (dus om theologische redenen).

Wij zijn het eens met Gordon D. Fee die in zijn commentaar op 1 Kor. 8 en 10 één en andermaal bepleit, dat het in 1 Kor. 8 (zie vs. 10) en in 1 Kor. 10 : 1-22 niet gaat over het eten van het offervlees dat op de markt werd verkocht, maar om het verschijnsel van de cultische maaltijd dat we overal in de oudheid onder de volkeren tegenkomen en dat Israël verboden was (vgl. Ri. 9 : 27; Ex. 32 : 6; Num. 25 : 1v; Dan. 5 : 1w), maar onder Israël inmiddels wel werd gepraktiseerd (vgl. o.a. Deut.. 14 : 22vv; Ex. 24 : 11; 1 Sam. 9 : 13; 1 Kon. 1 : 25; Hosea 8 : 13). Vgl. ook Openb. 2 : 14, 20. Zie Gordon D. Fee, a.w., p. 360 f. Hij en Leon Morris (a.w., p. 125) citeren een typische invitatie, gevonden in de Oxyrhyncus-papyrus, tot deelname aan zo'n maaltijd: `Chaeremon nodigt uw gezelschap aan de tafel van de heer Sarapis in de Sarapeion (tempel van Sarapis), morgen de 15e te 9 uur (voor de viering van de eerste verjaardag van een dochter). Aan zulk een 'tafel der godheid' dienden cultische dienaren en de godheid werd geacht er tegenwoordig te zijn.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina