1 Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een



Dovnload 426.88 Kb.
Pagina1/7
Datum07.10.2016
Grootte426.88 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7
LUKAS
Lukas 1

1 Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een

verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben;

2 Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelven aanschouwers en

dienaars des Woords geweest zijn;

3 Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk

onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus!

4 Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt.

5 In de dagen van Herodes, den koning van Judea, was een zeker priester, met

name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochteren van

Aaron, en haar naam Elizabet.

6 En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en

rechten des Heeren, onberispelijk.

7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden verre

op hun dagen gekomen waren.

8 En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de

beurt zijner dagorde.

9 Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, dat

hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen.

10 En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des reukoffers.

11 En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter[zijde] van

het altaar des reukoffers.

12 En Zacharias, [hem] ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen.

13 Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is

verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten

Johannes.

14 En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn

geboorte verblijden.

15 Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank zal hij

drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner

moeders lijf aan.

16 En hij zal velen der kinderen Israels bekeren tot den Heere, hun God.

17 En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te

bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de

voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk.

18 En Zacharias zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud,

en mijn vrouw is verre op haar dagen gekomen.

19 En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriel, die voor God sta, en

ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.

20 En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze

dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden niet geloofd

hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.

21 En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat hij zo

lang vertoefde in den tempel.

22 En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij

een gezicht in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom.

23 En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar

zijn huis ging.

24 En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, bevrucht; en zij verborg zich vijf

maanden, zeggende:

25 Alzo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, in welke Hij [mij] aangezien

heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen.

26 En in de zesde maand werd de engel Gabriel van God gezonden naar een stad in

Galilea, genaamd Nazareth;

27 Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit den

huize Davids; en de naam der maagd was Maria.

28 En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde;

de Heere [is] met u; gij [zijt] gezegend onder de vrouwen.

29 En als zij [hem] zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en

overlegde, hoedanig deze groetenis mocht zijn.

30 En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God

gevonden.

31 En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten

JEZUS.


32 Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de

Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven.

33 En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns

Koninkrijks zal geen einde zijn.

34 En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?

35 En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen,

en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat

uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.

36 En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in haar

ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.

37 Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.

38 En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren: mij geschiede naar uw woord.

En de engel ging weg van haar.

39 En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het

gebergte, in een stad van Juda;

40 En kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet.

41 En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het

kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;

42 En riep uit met een grote stem, en zeide: Gezegend [zijt] gij onder de

vrouwen, en gezegend [is] de vrucht uws buiks!

43 En van waar [komt] mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?

44 Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo sprong het

kindeken van vreugde op in mijn buik.

45 En zalig is [zij], die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere

gezegd zijn, zullen volbracht worden.

46 En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere;

47 En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker;

48 Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu

aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.

49 Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig [is]

Zijn Naam.

50 En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem

vrezen.

51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de



hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.

52 Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij

verhoogd.

53 Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig

weggezonden.

54 Hij heeft Israel, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der

barmhartigheid.

55 (Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, [namelijk] tot Abraham, en zijn

zaad) in eeuwigheid.

56 En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis.

57 En de tijd van Elizabet werd vervuld, dat zij baren zoude, en zij baarde een

zoon.


58 En die daar rondom woonden, en haar magen hoorden, dat de Heere Zijn

barmhartigheid grotelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd.

59 En het geschiedde, dat zij op den achtsten dag kwamen, om het kindeken te

besnijden, en noemden het Zacharias, naar den naam zijns vaders.

60 En zijn moeder antwoordde en zeide: Niet [alzo], maar hij zal Johannes heten.

61 En zij zeiden tot haar: Er is niemand in uw maagschap, die met dien naam

genaamd wordt.

62 En zij wenkten zijn vader, hoe hij wilde, dat hij genaamd zou worden.

63 En als hij een schrijftafeltje geeist had, schreef hij, zeggende: Johannes is

zijn naam. En zij verwonderden zich allen.

64 En terstond werd zijn mond geopend, en zijn tong [losgemaakt]; en hij sprak,

God lovende.

65 En er kwam vrees over allen, die rondom hen woonden; en in het gehele

gebergte van Judea werd veel gesproken van al deze dingen.

66 En allen, die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit

kindeken wezen? En de hand des Heeren was met hem.

67 En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met den Heiligen Geest, en

profeteerde, zeggende:

68 Geloofd [zij] de Heere, de God Israels, want Hij heeft bezocht, en verlossing

te weeg gebracht Zijn volke;

69 En heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn

knecht;


70 Gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het

begin der wereld [geweest zijn];

71 [Namelijk] een verlossing van onze vijanden, en van de hand al dergenen, die

ons haten;

72 Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan Zijn

heilig verbond;

73 [En] aan den eed, dien Hij Abraham, onzen vader, gezworen heeft, om ons te

geven.


74 Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder

vreze.


75 In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens.

76 En gij, kindeken, zult een profeet des Allerhoogsten genaamd worden; want gij

zult voor het aangezicht des Heeren heengaan, om Zijn wegen te bereiden;

77 Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden.

78 Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons

bezocht heeft de Opgang uit de hoogte;

79 Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des

doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes.

80 En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en was in de

woestijnen, tot den dag zijner vertoning aan Israel.


Lukas 2

1 En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den

keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.

2 Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrenius over Syrie stadhouder was.

3 En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad.

4 En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de

stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht

van David was);

5 Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke bevrucht

was.


6 En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij

baren zoude.

7 En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem

neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.

8 En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en

hielden de nachtwacht over hun kudde.

9 En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren

omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze.

10 En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote

blijdschap, die al den volke wezen zal;

11 [Namelijk] dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere,

in de stad Davids.

12 En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden,

en liggende in de kribbe.

13 En van stonde aan was [er] met den engel een menigte des hemelsen heirlegers,

prijzende God en zeggende:

14 Ere [zij] God in de hoogste [hemelen], en vrede op aarde, in de mensen een

welbehagen.

15 En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel, dat

de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat

ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.

16 En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende

in de kribbe.

17 En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van

dit Kindeken gezegd was.

18 En allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van

de herders.

19 Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende [die] in haar

hart.

20 En de herders keerde wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles,



wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was.

21 En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd

Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam

ontvangen was.

22 En als de dagen harer reiniging vervuld waren, naar de wet van Mozes,

brachten zij Hem te Jeruzalem, opdat zij [Hem] den Heere voorstelden;

23 (Gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is, dat de

moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden.)

24 En opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Heeren gezegd is,

een paar tortelduiven, of twee jonge duiven.

25 En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens

was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de vertroosting Israels, en de

Heilige Geest was op hem.

26 En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij

den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Heeren zou zien.

27 En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus

inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen;

28 Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide:

29 Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord;

30 Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.

31 Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken:

32 Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk

Israel.

33 En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd.



34 En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt

gezet tot een val en opstanding veler in Israel, en tot een teken, dat

wedersproken zal worden.

35 (En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de gedachten uit vele

harten geopenbaard worden.

36 En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuel, uit den stam van

Aser; deze was tot groten ouderdom gekomen, welke met [haar] man zeven jaren had

geleefd van haar maagdom af.

37 En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke niet week

uit den tempel, met vasten en bidden, [God] dienende nacht en dag.

38 En deze, te dierzelfder ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heere

beleden, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.

39 En als zij alles voleindigd hadden, wat naar de wet des Heeren [te doen] was,

keerden zij weder naar Galilea, tot hun stad Nazareth.

40 En het Kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en vervuld met

wijsheid; en de genade Gods was over Hem.

41 En Zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van pascha.

42 En toen Hij twaalf jaren [oud] geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan

waren, naar de gewoonte van den feestdag;

43 En de dagen [aldaar] voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het Kind

Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet.

44 Maar menende, dat Hij in het gezelschap op den weg was, gingen zij een

dagreize, en zochten Hem onder de magen, en onder de bekenden.

45 En als zij Hem niet vonden, keerden zij wederom naar Jeruzalem, Hem zoekende.

46 En het geschiedde, na drie dagen, dat zij Hem vonden in den tempel, zittende

in het midden der leraren, hen horende, en hen ondervragende.

47 En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden.

48 En zij, Hem ziende, werden verslagen; en Zijn moeder zeide tot Hem: Kind!

waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht.

49 En Hij zeide tot hen: Wat [is het], dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet,

dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?

50 En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak.

51 En Hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En Zijn

moeder bewaarde al deze dingen in haar hart.

52 En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de

mensen.
Lukas 3

1 En in het vijftiende jaar der regering van den keizer Tiberius, als

Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes een viervorst over

Galilea, en Filippus, zijn broeder, een viervorst over Iturea en over het land

Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene;

2 Onder de hogepriesters Annas en Kajafas, geschiedde het woord Gods tot

Johannes, den zoon van Zacharias, in de woestijn.

3 En hij kwam in al het omliggende land der Jordaan, predikende den doop der

bekering tot vergeving der zonden.

4 Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesaja, den profeet,

zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren,

maakt Zijn paden recht!

5 Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de

kromme [wegen] zullen tot een rechten [weg] worden, en de oneffen tot effen

wegen.


6 En alle vlees zal de zaligheid Gods zien.

7 Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: Gij

adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?

8 Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te zeggen bij

uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze

stenen Abraham kinderen kan verwekken.

9 En de bijl ligt ook alrede aan den wortel der bomen; alle boom dan, die geen

goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen.

10 En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen?

11 En hij, antwoordende, zeide tot hen: Die twee rokken heeft, dele hem mede,

die geen heeft; en die spijze heeft, doe desgelijks.

12 En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester!

wat zullen wij doen?

13 En hij zeide tot hen: Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is.

14 En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen?

En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met

bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen.

15 En als het volk verwachtte, en allen in hun harten overleiden van Johannes,

of hij niet mogelijk de Christus ware;

16 Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij

komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben den riem van Zijn schoenen

te ontbinden; Deze zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur;

17 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en de

tarwe zal Hij in Zijn schuur samenbrengen; maar het kaf zal Hij met

onuitblusselijk vuur verbranden.

18 Hij dan, ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde den volke het

Evangelie.

19 Maar als Herodes, de viervorst van hem bestraft werd, om Herodias' wil, de

vrouw van Filippus, zijn broeder, en over alle boze [stukken], die Herodes deed,

20 Zo heeft hij ook dit nog boven alles daar toegedaan, dat hij Johannes in de

gevangenis gesloten heeft.

21 En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus [ook] gedoopt was,

en bad, dat de hemel geopend werd;

22 En dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde, in lichamelijke gedaante, gelijk

een duif; en dat er een stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij zijt Mijn

geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!

23 En Hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren [oud] te wezen, zijnde (alzo men

meende) de zoon van Jozef, den [zoon] van Heli,

24 Den [zoon] van Matthat, den [zoon] van Levi, den [zoon] van Melchi, den

[zoon] van Janna, den [zoon] van Jozef.

25 Den [zoon] van Mattathias, den [zoon] van Amos, den [zoon] van Naum, den

[zoon] van Esli, den [zoon] van Naggai,

26 Den [zoon] van Maath, den [zoon] van Mattathias, den [zoon] van Semei, den

[zoon] van Jozef, den [zoon] van Juda,

27 Den [zoon] van Johannes, den [zoon] van Rhesa, den [zoon] van Zorobabel, den

[zoon] van Salathiel, den [zoon] van Neri,

28 Den [zoon] van Melchi, den [zoon] van Addi, den [zoon] van Kosam, den [zoon]

van Elmodam, den [zoon] van Er,

29 Den [zoon] van Joses, den [zoon] van Eliezer, den [zoon] van Jorim, den

[zoon] van Matthat, den [zoon] van Levi,

30 Den [zoon] van Simeon, den [zoon] van Juda, den [zoon] van Jozef, den [zoon]

van Jonan, den [zoon] van Eljakim,

31 Den [zoon] van Meleas, den [zoon] van Mainan, den [zoon] van Mattatha, den

[zoon] van Nathan, den [zoon] van David,

32 Den [zoon] van Jesse, den [zoon] van Obed, den [zoon] van Booz, den [zoon]

van Salmon, den [zoon] van Nahasson,

33 Den [zoon] van Aminadab, den [zoon] van Aram, den [zoon] van Esrom, den

[zoon] van Fares, den [zoon] van Juda,

34 Den [zoon] van Jakob, den [zoon] van Izak, den [zoon] van Abraham, den [zoon]

van Thara, den [zoon] van Nachor,

35 Den [zoon] van Saruch, den [zoon] van Ragau, den [zoon] van Falek, den [zoon]

van Heber, den [zoon] van Sala,

36 Den [zoon] van Kainan, den [zoon] van Arfaxad, den [zoon] van Sem, den [zoon]

van Noe, den [zoon] van Lamech,

37 Den [zoon] van Mathusala, den [zoon] van Enoch, den [zoon] van Jared, den

[zoon] van Malaleel, den [zoon] van Kainan,

38 Den [zoon] van Enos, den [zoon] van Seth, den [zoon] van Adam, den [zoon] van

God.
Lukas 4

1 En Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van de Jordaan, en

werd door den Geest geleid in de woestijn;

2 En werd veertig dagen verzocht van den duivel; en at gans niet in die dagen,

en als dezelve geeindigd waren, zo hongerde Hem ten laatste.

3 En de duivel zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg tot dezen steen,

dat hij brood worde.

4 En Jezus antwoordde hem, zeggende: Er is geschreven, dat de mens bij brood

alleen niet zal leven, maar bij alle woord Gods.

5 En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al de

koninkrijken der wereld, in een ogenblik tijds.

6 En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid

derzelver [koninkrijken] geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien

ik ook wil;

7 Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uw zijn.

8 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is

geschreven: Gij zult den Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.

9 En hij leidde Hem naar Jeruzalem, en stelde Hem op de tinne des tempels, en

zeide tot Hem: Indien Gij de Zoon Gods zijt, werp Uzelven van hier nederwaarts;

10 Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U

bewaren zullen;

11 En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat Gij Uw voet niet te eniger tijd

aan een steen stoot.

12 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Er is gezegd: Gij zult den Heere, uw

God, niet verzoeken.

13 En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van Hem voor een

tijd.


14 En Jezus keerde wederom, door de kracht des Geestes, naar Galilea; en het

gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land.



  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina