1. Present Simple = Ik werk Ik werkte niet Heb ik gewerkt ?



Dovnload 22.98 Kb.
Datum24.07.2016
Grootte22.98 Kb.

Tenses



1. Present Simple

= Ik werk – Ik werkte niet – Heb ik gewerkt ?

 I work – I don’t work – Do I work?

GEBRUIK :



  1. Uurroosters

Vb. : The train leaves at 7.30 tomorrow morning.

  1. Gewoonten

Vb. : We have biology on Thursdays.

  1. Algemene waarheden

Vb. : Water boils at 100 degrees.

  1. Permanente situaties

Vb. : I live in Leuven.

  1. Met tijdsaanduidingen : every month, weekly, once a week, on Sundays, always, never, usually, often, seldom


2. Present Continuous

= Ik ben aan het werken – Ik ben niet aan het werken – Ben ik aan het werken?

 I am working – I’m not working – Am I working?

VORMING :

Simple Present van ‘to be’ + infinitief + -ing vorm

GEBRUIK :



  1. Acties die nu bezig zijn

Vb. : I’m reading.

  1. Bij non-active verbs wordt deze tijd NIET gebruikt : to need, to want, to wish, to like, to love, to prefer, to agree, to think, to know, to remember, to understand, to believe, to realise, to see, to hear, to feel, to smell, to taste, to sound, to be, to seem, to mean, to have, to belong to

  2. Bij dingen die al gepland zijn

Vb. : What are you doing on Saturday? I’m meeting my boyfriend.

  1. Met tijdsaanduidingen : now, at the moment


3. Past Simple

= Ik werkte – Ik werkte niet – Werkte ik?

 I worked – I didn’t work – Did I work?

VORMING :



  1. Regelmatige werkwoorden : Infinitief + ed

  2. Onregelmatige werkwoorden : zie T-files

GEBRUIK :

  1. Acties die bezig waren in het verleden en die helemaal zijn beëindigd

Vb. : We dindn’t go out last night. We stayed at home.

  1. Met tijdsaanduidingen : yesterday, last week, a week ago, in 1999

  2. In verhaaltjes met gebeurtenissen uit het verleden

Vb. : On day, the king wanted to send this three sons an a long journey.
4. Past Continuous

= Ik was aan het werken – Ik was niet aan het werken – Was ik aan het werken?

 I was working – I wasn’t working – Was I working?

VORMING :

Simple Past van ‘to be’ + infinitief + -ing vorm

GEBRUIK :



  1. Om over dingen te praten die in het verleden bezig waren

Vb. : You were waiting for a bus.

  1. Bij meerdere acties die tegelijkertijd bezig waren.

Vb. : When the telephone rang, Kate answered it.

  1. Om de achtergrond in een verhaal te schetsen

Vb. : I was standing outside the bus station.

  1. Met tijdsaanduidingen : When, while


5. Present Perfect Simple

= Ik heb gewerkt – Ik heb niet gewerkt – Heb ik gewerkt?

 I have worked – I haven’t worked – Have I worked?

VORMING :



  1. Regelmatige werkwoorden : Simple Present van ‘to have’ +

voltooid deelwoord (= infinitief + ed)

  1. Onregelmatige werkwoorden : Simple Present van ‘to have’ + Voltooid deelwoord (T-files)

GEBRUIK :

  1. Dingen die startten in het verleden en nog altijd bezig zijn

Vb. : We have always loved this beach. (And I still love it now)

  1. Voor dingen die gebeurt zijn in het verleden en waarvan je nu het resultaat kan zien

Vb. : Someone had broken the window. (The window is now broken)

  1. Met tijdsaanduidingen : This week, for, since, yet, already, lately, recently, ever, just

  2. Met tijdsaanduidingen zoals today, this morning, this afternoon, … maar deze tijdsperioden zijn nog niet gedaan (dus het is nog altijd vandaag, ochtend, namiddag)

Vb. : I have writte a latter this morning. (It’s still morning)

  1. Voor dingen die in een tijd gebeuren die naar de tegenwoordige tijd gaan

Vb : Have you ever seen a ghost? (Tot nu toe in u leven)
6. Present Perfect Continuous

 I have been working – I haven’t been working – Have I been working?

VORMING :

Have/Has + been + infinitief + -ing vorm

GEBRUIK :


  1. Dingen die startten in het verleden en nog altijd bezig zijn

Vb. : How long have you been waiting for the bus?

  1. Voor dingen die gebeurt zijn in het verleden en waarbij de activiteit van belang was

Vb. : Who’s been eating my chocolates? There are only a few left!

  1. Acties die verspreid zijn over een bepaalde tijd

Vb : How long have you been living in Leuven?

  1. Met tijdsaanduidingen : This week, for, since, yet, already, lately, recently, ever, just


7. Future Simple

= Ik zal werken – Ik zal niet werken – Zal ik werken?

 I shall/will work – You will not (=won’t) work – Will I work?

! Negatie van Shall = Shan’t / Negatie van Will = Won’t

VORMING :

Shall / Will + Simple Past van de infinitief

GEBRUIK :

Met tijdsaanduidingen : Next week, if he has time



    • Will

    1. Waarheden in de toekomst

Vb. : I’ll be 16 next year.

2. Spontane beslissingen

Vb. : I’ll send you that document right away

3. Na de werkwoorden : To hope en To expect

Vb. : I hope we’ll have a great time together.

4. Voor beloftes

Vb. : I’ll read that documents before I get on board.

5. Om de toekomt te voorspellen



Vb. : All major cities will turn into one big traffic jam.

    • Going to

    1. Om dingen te voorspellen in de toekomst

Vb. : Things are going to get worse before they get better.

    1. Bij voornemingen, dingen dat mensen hebben beslist van te doen / niet te doen

Vb. : He is going to install the same thing.

    • Present Continuous

  1. Voor persoonlijke arrangementen

Vb. : I’m taking them on a long holiday

    • Present Simple

  1. Bij uurroosters

Vb. : My plane leaves at 4 p.m.









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina