1. Vergilius, Aeneis I&ii korte inhoud



Dovnload 79.17 Kb.
Datum19.08.2016
Grootte79.17 Kb.
Stefanie Fauconnier 1ste BA Latijn-Grieks

Geschiedenis van de Latijnse letterkunde:
Lectuurverslag


1. Vergilius, Aeneis I&II




Korte inhoud


Na de val van Troje gaan de overlevende Trojanen onder leiding van Aeneas op zoek naar een nieuw vaderland. Door het lot zijn ze voorbestemd om zich te vestigen in Italië en de stamvaders van het Romeinse volk te worden. Dit is echter niet naar de zin van de godin Juno, die de Trojanen haat om diverse redenen.

Bij het begin van het epos beweegt ze Aeolus, heerser over de winden, ertoe om een storm los te laten op Aeneas’ vloot. Neptunus weet de storm nog net op tijd te doen liggen en de overlevenden komen terecht in de buurt van Carthago, de stad van koningin Dido. Venus, Aeneas’ moeder, vindt het onrechtvaardig dat de Trojanen het weer te verduren hebben gekregen en gaat haar beklag doen bij Jupiter. Deze weet haar gerust te stellen door uit de doeken te doen wat voor grote toekomst voor het nageslacht der Trojanen is weggelegd.

In Carthago worden de Trojanen met grote gastvrijheid onthaald. Dido, die grote bewondering heeft voor de Trojaanse heldendaden, nodigt Aeneas en enkele van zijn mannen uit voor een feestmaal. Via een list slaagt Venus erin Dido verliefd te laten worden op haar zoon. Zo kan ze er zeker van zijn dat de Trojanen niets te vrezen zullen hebben. Op het feestmaal vertelt Aeneas op verzoek van Dido over zijn lotgevallen en de val van Troje. Hij begint bij het welbekende verhaal van het houten paard.

Na tien jaar oorlog bedachten de Grieken een list: ze maakten een gigantisch houten paard en propten het vol met soldaten. Daarna deden ze alsof ze de aftocht bliezen en terug naar huis keerden. De Trojanen, geconfronteerd met een leeg kamp en een houten paard, wisten niet goed wat ermee aan te vangen. Sinon, de enige Griek die nog te bespeuren viel, beweerde dat zowel hijzelf als het paard bedoeld waren als offer om een veilige thuiskomst af te smeken. Het houten paard zou bescherming van de godin Athena betekenen. De priester Laocoön gelooft er niets van maar wordt gedood door twee zeeslangen. De Trojanen beschouwen dat als een voorteken, halen het paard binnen de wallen en gaan de Griekse aftocht vieren. De Grieken klimmen uit het paard, doen teken aan hun vloot en openen de poorten. Voor de Trojanen het beseffen staat hun stad in lichterlaaie.

Aeneas wordt gewaarschuwd door een verschijning van Hector en doet wat hij kan om de stad nog te verdedigen, maar tevergeefs. Uiteindelijk moet hij vluchten met de Penaten, zijn vader Anchises en zijn zoontje Ascanius. In de chaos verliest hij zijn vrouw Creüsa, voorgoed. Buiten de stad verzamelen alle overlevenden en samen trekken ze verder, op weg naar een nieuw vaderland.

Appreciatie


Het verhaal van ‘De Aeneis’ is ongetwijfeld bijzonder sterk: boeiend, goed opgebouwd en zeer gevarieerd. Ik beschouw het epos als een avonturenroman met een hoog poëtisch gehalte: vorm en inhoud gaan samen. Helaas is dat poëtische element in een vertaling zo moeilijk te behouden. Traduttore, tradittore…

Een van de mooiste passages uit de eerste twee boeken was voor mij het stukje waarin Aeneas moet vluchten uit het brandende Troje. Vergilius roept de chaos heel sterk op: ik zag zo voor me hoe Aeneas in die ellende wanhopig zocht naar zijn vrouw. De anders zo perfecte held werd een mens van vlees, bloed, en ook tranen.

Het enige dat me wat gestoord heeft was de soms nauwelijks verholen Romeinse ‘propaganda’ – al die lof neigt een beetje naar arrogantie. Vooral wanneer Jupiter vertelt over de roemrijke toekomst van het Romeinse volk valt dit op. We mogen natuurlijk niet vergeten dat Vergilius zijn epos niet met louter artistieke doeleinden geschreven heeft. Ik vind dat jammer, want daardoor verliest hij toch een beetje zijn kritische zin en neutraal standpunt.

2. Ovidius, Metamorphoses I



Korte inhoud

In de Metamorphoses beschrijft Ovidius gedaanteveranderingen vanaf het ontstaan van de wereld tot aan zijn eigen tijd. De eerste metamorphose is die van Chaos naar Kosmos: een god brengt ordenende onderscheiding aan. Diezelfde god kneedt van de aarde “een soort van grote bol” (!) en richt ze in. De winden krijgen een plaats, er komt een “heldere bovenhemel” en de dieren worden geschapen. Prometheus geeft de mens zijn vorm.

De eerste mensen leiden onder de god Saturnus een heerlijk leven in een eeuwige lente. Ze zijn volkomen vrij van zorgen in deze Gouden Eeuw. Maar Jupiter neemt de macht van zijn vader over en verdeelt het jaar in seizoenen. Deze Zilveren Eeuw is al veel slechter, maar de Bronzen en de IJzeren zijn dat nog veel meer. Geweld en onrecht vieren hoogtij en de goden worden niet meer vereerd. Daarom roept Jupiter na de aanval van de Giganten een godenvergadering bijeen. Als voorbeeld van de goddeloosheid van de mens geeft hij Lycaon, die Jupiter mensenvlees had voorgeschoteld om zijn goddelijkheid te testen. Er wordt besloten om de mensheid te vernietigen. Er komt een zondvloed die alle mensen en dieren verzwelgt. Alleen Deucalion en zijn vrouw Pyrrha overleven. Wanneer zij op aanraden van de godin Themis stenen (de botten van hun moeder, de aarde) in hun voetspoor laten vallen, ontstaan daaruit nieuwe mensen.

De aarde brengt nieuwe dieren voort, waaronder de schrikwekkende Pythonslang, die gedood wordt door Apollo. Nog euforisch over zijn overwinning beledigt deze god met de boog die andere pijlenschietende god, Cupido. Uit wraak treft deze hem met een liefdespijl zodat hij smoorverliefd wordt op de nimf Daphne, die zijn gevoelens niet deelt. Om aan Apollo te ontkomen wordt het meisje door haar vader, de riviergod Peneius, veranderd in een laurierboom. Na deze metamorphose wordt Peneius bezocht door de andere riviergoden. Alleen Inachus ontbreekt: hij treurt om zijn dochter Io.

Io is geschaakt en verkracht door Jupiter. Uit angst voor Juno’s wraak verandert de oppergod haar daarop in een koe. De wantrouwige Juno laat haar echter bewaken door de honderdogige Argus. Dit monster wordt door Mercurius in slaap gewiegd met de mythe van Pan en Syrinx en vervolgens gedood. Juno is woedend en laat Io achtervolgen door een schrikgodin, tot het meisje totaal uitgeput ineenzinkt aan de oevers van de Nijl. De goden tonen genade en ze krijgt haar ware gedaante terug. Later zal ze vereerd worden als de godin Isis. Io’s zoon Epaphus beledigt zijn vriend Phaëton, die zich erop beroemt de zoon van de Zon te zijn. Phaëtons moeder zweert hem dat dit de waarheid is, maar als de jongen echt een teken wil van zijn goddelijke afkomst, moet hij maar naar zijn vaders huis trekken. Phaëton gaat meteen op weg.

Appreciatie


Dit werk behoort absoluut tot mijn favorieten uit de Latijnse literatuur. Ovidius weet de vele mooie mythes goed aan elkaar te linken en bereikt zo een eenheid. Hier en daar geeft hij wenken naar andere auteurs als Hesiodus, maar zonder klakkeloos over te nemen.

Een van de interessantste passages was voor mij het stukje over de zondvloed, omwille van de gelijkenis met het bijbelverhaal en het epos van Gilgameš. Het is toch wel frappant dat we die zondvloed aantreffen bij drie verschillende culturen. Soms lijken er zelfs kleine details terug te keren. Ovidius spreekt in zijn versie bijvoorbeeld over een berg met twee toppen: “Daar reikt een trots gebergte met twee spitsen sterrenwaarts.” (v. 316) In het epos van Gilgameš lijkt er sprake te zijn van iets dergelijks. Gilgameš moet zich namelijk een weg banen door een ‘Tweelingberg’ om tot bij Ut-Napištim (de Noach-figuur) te geraken: “Toen kwam hij aan bij de berg Tweeling | Die elke dag het opkomen (van de zon) bewaakt | wiens beide toppen de basis van de hemel [stutten]1. (Tablet IX, vv. 38-40)


3. Lucretius, De rerum natura III

Korte inhoud


In het derde boek van zijn grote leerdicht verklaart Lucretius de aard van de ziel en de geest. Daarmee wil hij, in het voetspoor van zijn grote voorbeeld Epicurus, bewijzen dat de mens niet bang moet zijn voor de dood.

Om te beginnen toont de schrijver aan dat de ziel en de geest werkelijk een deel zijn van de mens, en dat het niet gaat om een soort ‘levensverhouding’ of ‘harmonie’ van het hele lichaam. Lichaam, ziel en geest zijn drie verschillende dingen, maar ze zijn onderling wel door zeer nauwe banden verbonden. Zonder elkaar kunnen ze niet bestaan en alleen ten koste van het leven kunnen ze uit elkaar gescheurd worden.

Alle drie hebben ze een materieel karakter, ze bestaan met andere woorden uit atomen. Voor de ziel gaat het wel om minieme, gladde en ronde atomen die uiterst beweeglijk zijn. De ziel is immers heel licht en beweegt zich razend snel door het hele lichaam. Ze bestaat uit warmte, lucht, wind, en een soort bewegende kracht, de ziel-in-de-ziel, waarin het karakter vervat zit.

Op grond hiervan bewijst Lucretius dat de ziel en de geest vergankelijk zijn, want ze zijn stoffelijk en deelbaar. Bovendien zou de ziel zich toch iets herinneren van haar vroegere leven als zij onsterfelijk was. Als ze van buitenaf in het lichaam zou zijn binnengedrongen, zou ze er ook nooit zo grondig mee kunnen verweven zijn. Nee, tegelijk met het lichaam worden ziel en geest geboren, groeien ze en sterven ze. Ze hebben dus ook te lijden aan ziekte en andere lichamelijke ongemakken, zoals blijkt uit gevallen van dronkenschap en epilepsie. En er zijn nog talloze ander voorbeelden die wijzen op het sterfelijke karakter van ziel en geest.

Uiteindelijk bereikt Lucretius zijn doel: hij kan nu aantonen dat de angst voor de dood ongegrond is. Immers, de ziel en de geest sterven samen met het lichaam, dus wij hebben geen besef van onze dood: sterven is als in slaap vallen. Als we gestorven zijn, bestaan wij gewoonweg niet meer, dus we kunnen ook niet meer verlangen naar het aardse leven. Daarom zijn alle verhalen over de onderwereld pure verzinsels, die niet stroken met de werkelijkheid. Als mensen bang zijn om te sterven, is dit dus alleen uit onwetendheid.
Appreciatie

Ook al hou ik niet zo van gefilosofeer over de aard van de ziel, ik vond Lucretius een zeer overtuigend dichter. Als lezer word je overstelpt met bewijzen en voorbeelden tot je hem gelijk geeft. Soms was ik het totaal niet met Lucretius eens, maar het is niet zo gemakkelijk om zijn argumenten onderuit te halen. Zijn stellingen zijn niet alleen theoretisch goed onderbouwd, maar ook nog eens ondersteund door talloze voorbeelden uit het dagelijkse leven. Niet te verwonderen dat de redenaar in spe volgens Quintilianus Lucretius moet lezen.



4. Quintilianus, Institutio Oratoria X 1-2




Korte inhoud


Een goed redenaar moet de stijlvoorschriften kunnen toepassen met “een soort solide gemak”. Om zich daarin te oefenen moet hij veel lezen, spreken en schrijven. Zo zal hij een grote woordenschat verwerven en weten in welke context hij welk woord moet gebruiken. Quintilianus gaat wat dieper in op het element lectuur omdat de toekomstige redenaar zeer veel van zijn grote voorgangers kan leren. Er moeten echter niet alleen redenaars, maar ook dichters, geschiedschrijvers en filosofen op het lectuurprogramma staan. In wat volgt geeft Quintilianus een overzicht per genre van de auteurs die het meest geschikt zijn voor de toekomstige redenaar, met een persoonlijke appreciatie.

Hij begint bij de Griekse literatuur en noemt Homerus als de grootste vertegenwoordiger van de hexametrische poëzie. Deze wordt op de voet gevolgd door Hesiodus, Antimachus, Panyasis, Apollonius en Aratus. Voor de elegie worden Callimachus en Philetas genoemd, voor de jamben Archilochus. Van de lyrische dichters is Pindarus de grootste, maar Stesichorus, Alcaeus en Simonides zijn ook niet te verwaarlozen. In het toneel zijn de komedieschrijvers Aristophanes, Eupolis en Cratinus en de tragedieschrijvers Aeschylus, Sophocles en Euripides de belangrijkste. Er zijn ook nog Menander en Philemon, vertegenwoordigers van de nieuwe komedie. Van de geschiedschrijvers moet men voornamelijk Thucydides en Herodotus lezen. Er volgt een grote groep redenaars: Demosthenes, Aeschines, Hyperides, Lysias, Isocrates en Demetrius van Phaleron. Tot slot zijn er nog de filosofen, voornamelijk Plato, Xenophon, Aristoteles, Theophrastus en de oude Stoïci.

Natuurlijk moet de redenaar in wording ook Latijnse werken lezen. Voor de hexametrische poëzie noemt Quintilianus vele namen, waaronder Vergilius, Ennius, Ovidius en Lucretius. In de elegische poëzie geeft hij de voorkeur aan Tibullus en Propertius. De belangrijkste satiredichters zijn Lucilius, Horatius, Persius en Terentius Varro; voor de jambische poëzie worden Catullus, Bibaculus en Horatius genoemd. Deze laatste is ook de enige lyrische dichter van groot belang. Van de tragedieschrijvers zijn vooral Accius en Pacuvius bekend, van de komedieschrijvers vooral Plautus, Caecilius en Terentius. Voor de fabula togata wordt Afranius genoemd. De grootste namen van de geschiedschrijving zijn Sallustius en Livius. Op het gebied van de retorica is Cicero de grootste, gevolgd door Asinius Pollio, Messala, Caesar, Calvus, Servius Sulpicius en vele anderen. Ook in de filosofie heeft Cicero zich laten gelden, net als Cornelius Celsus, Plautus en Catius. Ook Seneca verdient enige aandacht maar hij is blijkbaar niet Quintilianus’ grootste favoriet.

Door de navolging van deze auteurs kan men veel leren, maar imitatie alleen is natuurlijk niet genoeg. De redenaar moet ook streven naar verbetering en iets persoonlijks kunnen toevoegen. Hij moet niet blindelings zijn voorgangers navolgen, maar moet erop letten dat hij niet te hoog grijpt en dat hij die auteurs kiest die het dichtst bij zijn eigen stijl en kwaliteiten liggen.


Appreciatie

Ik vond het leuk en leerrijk om eens te lezen hoe de Romeinen zelf over de literatuur van de Oudheid dachten. Quintilianus zijn smaak komt blijkbaar sterk overeen met die van ons, maar soms zaten er toch nog verrassingen tussen. Ik heb me bijvoorbeeld afgevraagd waarom er met geen woord gerept werd over Sappho. Ook naar andere bekende namen als Mimnermus en Anacreon heb ik vergeefs gezocht. Tacitus ontbreekt eveneens in het lijstje, maar volgens de voetnoot was die nog niet zo bekend toen Quintilianus zijn werk schreef. De grootste verrassing was wel de naam van keizer Domitianus: ik wist totaal niet dat die zich in zijn jonge jaren had beziggehouden met het schrijven van poëzie!

Quintilianus noemt ook veel namen waar ik nog nooit over gehoord had en waar meestal niets van overgeleverd is. Het is een beetje spijtig om te lezen hoe een auteur geprezen wordt terwijl je weet dat wij er niets meer van kunnen lezen.
5. Plautus, Pseudolus
Samenvatting

Calidorus zit met de handen in het haar: zijn liefje, de slavin Phoenicium, dreigt door haar meester (Ballio de koppelaar) te worden verkocht aan een Macedonische soldaat. Als hij tegen de volgende dag geen twintig minae op tafel kan leggen is hij zijn Phoenicium voorgoed kwijt. In pure wanhoop roept de jongeman de hulp in van Pseudolus, de gewiekste slaaf van zijn vader Simo. Pseudolus belooft om alles in orde te brengen en vat het plan op om Simo twintig minae af te troggelen. Deze laatste is echter al op de hoogte van de plannen van zijn zoon om Phoenicium los te kopen en is er radicaal tegen. Toch slaagt Pseudolus erin een soort weddenschap af te sluiten met Simo: als het hem lukt om Phoenicium te bevrijden uit Ballio’s klauwen betaalt Simo hem de twintig minae; zoniet wacht Pseudolus een zware lijfstraf in de molen.

Pseudolus begint allerlei listige plannen te verzinnen, maar het lot is hem gunstig gezind: op straat treft hij Harpax, de knecht van de Macedoniër. Harpax heeft van zijn meester de opdracht gekregen om Phoenicium te gaan halen. Als bewijsstukken heeft hij een document mee met de stempel van zijn meester en de nog te betalen vijf minae. Pseudolus reageert snel, geeft zich uit voor Syrus, de slaaf van Ballio, en zegt dat zijn meester niet thuis is. Harpax vertrouwt het zaakje niet helemaal maar staat het document met de stempel uiteindelijk af. In afwachting van Ballio’s terugkeer gaat hij een dutje doen in de herberg.

Via Charinus, een vriend van Calidorus, vindt Pseudolus iemand die bereid is om zich uit te geven voor Harpax. De pseudo-Harpax (die in werkelijkheid Simia heet) is al even gewiekst als Pseudolus zelf en vervult zijn rol met verve. Dankzij het document slaagt hij erin Ballio wijs te maken dat hij Harpax is die Phoenicium komt afhalen in naam van zijn meester. Hij betaalt vijf minae en even later staat hij mét Phoenicium terug bij Pseudolus en Calidorus, die deze triomf natuurlijk meteen uitbundig gaan vieren.

Ballio vertelt intussen heel tevreden aan Simo dat deze niet meer hoeft te vrezen voor zijn twintig minae: het plannetje van Pseudolus is mislukt want Phoenicium is al onderweg naar haar nieuwe Macedonische meester. Ballio belooft Simo zelfs twintig minae als dit niet zo zou blijken te zijn, zo zeker is hij van zijn stuk. Maar nog tijdens dit gesprek komt de echte Harpax opdagen. Nietsvermoedend eist hij Phoenicium op en natuurlijk denken Ballio en Simo dat ze te maken hebben met een bedrieger gestuurd door Pseudolus. Na een tijdje begint het hen toch te dagen dat de echte bedrieger er al lang met Phoenicium vandoor is. Ballio kan zich wel de haren uit het hoofd trekken: naast zijn slavin is hij nu ook twintig minae kwijt.

De intussen compleet dronken Pseudolus gaat natuurlijk zijn geld opeisen bij Simo. Deze laatste reageert nogal geprikkeld maar wanneer Pseudolus hem voorstelt om mee het geld te gaan verbrassen is alles weer dik in orde.



Appreciatie


Ik heb de lectuur van dit stuk als zeer ontspannend ervaren. In het begin wrongen het rijm en de soms wat eigenaardige woordkeuze een beetje, maar al snel had ik daar zo goed als geen last meer van. De vertaler heeft volgens mij goed werk geleverd: het moet niet evident zijn om dergelijk taalgebruik om te zetten naar hedendaags Nederlands.

Ik kan wel niet zeggen dat ik ‘Pseudolus’ zeer hoogstaande literatuur vond. De humor gebaseerd op misverstanden en seksuele toespelingen deden me veeleer denken aan een aflevering van ‘FC De Kampioenen’. Zitten schaterlachen heb ik dus niet, maar dit neemt niet weg dat stukken als ‘Pseudolus’ wel eens een aangename afwisseling kunnen zijn tussen de vele serieuze werken van grote auteurs als Cicero.



6. Horatius, Iambi




Korte inhoud


Deze Epoden zijn gedichten over onderwerpen van uiteenlopende aard. Toch zijn er een paar themata die terugkeren, dat van de oorlog bijvoorbeeld. Terwijl de zevende en zestiende Epode duidelijk een aanklacht vormen tegen de burgeroorlog, geeft Horatius in het eerste gedicht te kennen dat hij Maecenas zal volgen in de strijd. In Epode 9 lijkt de overwinning binnen te zijn, want Horatius wil met zijn vriend en beschermheer feesten “uit vreugde om Caesars triomfen”. Dit zijn trouwens niet de enige gedichten waarin Maecenas ter sprake komt. In nummer 14 vraagt de schrijver hem om begrip voor het feit dat hij zijn bundel iamben niet kan voltooien, hij is immers verliefd. Gedicht 3 is dan weer een scherp verwijt aan het adres van Maecenas, omdat deze zijn gast een maaltijd met te veel knoflook had voorgezet.

Naar het voorbeeld van Archilochus lijkt Horatius bepaalde mensen soms de vernieling in te willen schrijven: een omhooggevallen vrijgelatene (4), een lafaard (6), de “stinkende Mevius” (10) of een ex-minnares (8, 12 en 15). Ook in Epode 11 heeft Horatius last van de liefde, want hij gaat klagen bij zijn vriend Pettius.

Een ander onderwerp is dat van de zwarte magie. In het vijfde gedicht wordt een jongen levend begraven door de heks Canidia, die van zijn merg en lever een liefesdrank wil maken. Horatius zal deze beschuldiging betreuren, want Canidia achtervolgt hem met haar hekserij tot hij in Epode 17 vergeefs om genade smeekt.

Ten slotte is er nog gedicht 2, waarin het leven op het land verheerlijkt wordt, en gedicht 13, een uitnodiging om te feesten omdat het buiten zo koud is.



Appreciatie


Uit Horatius’ poëzie blijkt een grote eruditie en een goede vertrouwdheid met de Griekse mythologie en literatuur. Bovendien zijn zijn gedichten niet te lang en zeer gevarieerd. Al deze elementen pleiten natuurlijk in zijn voordeel, maar er zijn ook een aantal negatieve punten. Zo is het niet altijd even gemakkelijk om de gedichten te begrijpen: probeer meer dan tweeduizend jaar na datum maar eens te achterhalen wie Horatius bedoelt wanneer hij spreekt over Canidia of Alfius de woekeraar. Een tweede negatief punt is de vertaling, waarvan ik vond dat ze stroef las en nogal archaïsch overkwam. Toch is deze mindere kant tegelijk ook een pluspunt voor Horatius, want is goede poëzie niet per definitie onvertaalbaar?

7. Livius, Ab Urbe Condita I




Korte inhoud


In boek I van ‘Ab Urbe Condita’ vertelt Livius de geschiedenis van het Romeinse volk vanaf Aeneas tot de verdrijving van de laatste Romeinse koning, Tarquinius Superbus.

Na de val van Troje vestigen Aeneas en de overlevende Trojanen zich in Italië, in het Laurentische land. Aeneas trouwt er met Lavinia, de dochter van de plaatselijke koning Latinus, en sticht er de stad Lavinium. De Trojanen vermengen zich met de inheemse bevolking en worden Latijnen. Na Aeneas’ dood sticht zijn zoon Ascanius de stad Alba Longa en de koningen volgen elkaar op tot Romulus en Remus op het toneel verschijnen. De tweeling van koninklijke afkomst wordt te vondeling gelegd op bevel van Amulius, die zich ten onrechte meester gemaakt had van het koningschap. Ze worden gered door een wolvin en groeien op bij herders. Eenmaal volwassen wreken ze zich op Amulius en zorgen ze ervoor dat hun grootvader Numitor weer op de troon komt. Na een twist doodt Romulus zijn broer Remus en sticht de stad Rome. Als getalenteerd krijgsheer weet Romulus zijn stad goed te verdedigen tegen de talrijke vijanden. Meer nog: hij breidt ze zelfs uit. Onder andere de Sabijnen worden na een dispuut opgenomen in het Romeinse volk.

Na de dood van Romulus komt Numa Pompilius aan de macht. Hij is meer organisator dan generaal en in een lange periode van vrede stelt hij wetten en religieuze gebruiken in. De volgende koning, Tullus Hostilius, is weer wat krijgslustiger. De oorlog die hij voert tegen Alba Longa wordt beslist door het gevecht tussen de Horatii en de Curiatii, twee identieke drielingen. De Romeinen halen de overwinning binnen. Ook in andere oorlogen blijken de Romeinen steeds de sterksten.

Tullus Hostilius wordt opgevolgd door Ancus Marcius, die verschillende Latijnse steden aan Rome onderwerpt. Op zijn beurt wordt hij opgevolgd door Tarquinius Priscus, de eerste koning van Etruskische afkomst. Hij voert onder andere de Spelen in en breidt de senaat en de ruiterij uit. Na een lange regeerperiode wordt hij vermoord door de jaloerse zonen van de vorige koning. Het is echter niet één van hen, maar een zekere Servius Tullius die de nieuwe koning wordt. Ondanks zijn duistere afkomst groeide hij op in het paleis als favoriet van Tarquinius. Servius ontpopt zich tot een geliefd heerser. Zijn voornaamste verdienste is de indeling van het volk volgens vermogen in rangen en klassen. Maar ook hij wordt het slachtoffer van jaloezie en wordt vermoord door zijn eigen dochter en Tarquinius, de zoon van Tarquinius Priscus. Deze Tarquinius wordt de nieuwe koning en voert een waar schrikbewind, wat hem de bijnaam Tarquinius Superbus oplevert. Uiteindelijk wordt hij afgezet en verdreven door zijn neef, de slimme Brutus, die het consulaat instelt.



Appreciatie


Livius vertelt veel leuke en bekende verhaaltjes: de stichting van Rome, de Sabijnse maagdenroof, de strijd tussen de Horatii en de Curatii, enz. Ik vond het interessant om deze verhalen eens in hun context te kunnen lezen. Livius biedt een goed overzicht van de legenden die de ronde deden omtrent het verre verleden van de Romeinen. Zijn drang naar volledigheid maakt het werk soms wel wat langdradig. Vooral de stukken over al de gevoerde oorlogen hadden voor mij een beetje korter mogen zijn.

Hoewel dat natuurlijk te verwachten was, viel het me toch op dat het recht van de sterkste een grote rol speelt in de vroege geschiedenis van Rome. Het volk dat er zich op beroemde het nageslacht te zijn van de godin van de liefde blijkt af te stammen van een stelletje oorlogszuchtige barbaren, althans zo kwam het soms bij mij over.



8. Sallustius, De coniuratione Catilinae




Korte inhoud


Catilina, een man van adellijke afkomst met een intelligente maar compleet verdorven geest, wordt zo gedreven door zijn drang naar geld en macht dat hij buiten de perken van de wet treedt om de macht in Rome naar zich toe te trekken. Na mislukte pogingen om tot consul verkozen te worden zet hij in 65 v.C. een eerste samenzwering op touw, die echter mislukt. Hij dingt opnieuw mee naar het consulaat voor 63 v.C., maar Cicero en Antonius worden verkozen. Catilina wordt nu de aanstoker van een tweede, veel grotere samenzwering. Dankzij zijn grote aantrekkingskracht heeft hij veel aanhangers rond zich verzameld, vooral jongeren die makkelijk te beïnvloeden zijn. Ook het volk, belust op een omwenteling, is hem niet slechtgezind.

Catilina wil Cicero laten vermoorden, maar deze wordt getipt over de geplande staatsgreep door de minnares van één van de samenzweerders. De aanslag mislukt en Cicero houdt in de senaat een vlammende redevoering tegen Catilina, die wegstormt uit de senaat en uit Rome vertrekt. Hij gaat naar Fiesole, waar zijn aanhanger Manlius zich bevindt, om een leger in gereedheid te brengen. Wanneer de senaat dit verneemt worden Catilina en Manlius tot staatsvijanden verklaard. Antonius gaat Catilina met een leger achterna.

In Rome proberen de aanhangers van Catilina contact op te nemen met de gezanten van de Allobrogen, een Gallische stam, om hen voor hun zaak te winnen. De Allobrogen doen alsof ze willen meewerken maar brengen Cicero op de hoogte, die er zo in slaagt om een groot aantal samenzweerders aan te houden. In de senaat wordt er gediscussieerd over hun straf. Caesar pleit tegen, Cato voor de terechtstelling. Deze laatste haalt de overhand en Cicero laat vijf samenzweerders executeren. Buiten Rome komt het tot een treffen tussen de legers van Catilina en Antonius. Antonius behaalt de overwinning en Catilina sneuvelt in de strijd.

Sallustius onderbreekt de verhaallijn vaak om beschouwingen te geven over bijvoorbeeld het morele verval of de teloorgang van de republiek. Hij vindt dat de oude waarden plaats gemaakt hebben voor de zucht naar geld, eer en macht en keurt dit ten stelligste af. Om dingen in hun context te kunnen plaatsen maakt hij soms gebruik van flashbacks. De karaktereigenschappen van zijn personages tekent hij duidelijk en dikwijls legt hij hen redevoeringen in de mond. In zijn geschiedschrijving is psychologie heel belangrijk.


Appreciatie

Ik vond dit werk wel interessant. Het geeft goed weer hoe woelig de periode van de eerste eeuw wel was: de republiek wankelt op haar grondvesten. De karaktertekeningen zijn zeer uitgebreid en ik kon me een goede voorstelling maken van de gebeurtenissen en de sfeer die er heerste.

Voor wie niet zo goed vertrouwd is met de politieke wereld van het Rome van de eerste eeuw v.C. is de verhaallijn soms wel wat moeilijk te volgen. Dit komt vooral door de vele flashbacks en beschouwingen. Ook de steeds aanwezige moraliserende toon is af en toe nogal vervelend. Het lijkt wel alsof Sallustius er steeds op moet wijzen dat de tijden van vroeger toch zoveel beter waren, een kwaal die blijkbaar van alle tijden is.

9. Vitruvius, De Architectura VI&VII




Korte inhoud


In de proloog van boek VI toont Vitruvius aan de hand van een verhaal aan dat kennis belangrijker is dan rijkdom. Als architect vindt hij dat er in het vak veel onbekwamen zijn en daarom schrijft hij een omvattend werk over de architectuur. In wat volgt zet hij de principes voor partculiere gebouwen uiteen. Allereerst moet er rekening gehouden worden met de streek en het klimaat. De huizen moeten daaraan aangepast worden, net zoals de lichaamsbouw en het uiterlijk van de mensen verschilt van streek tot streek. Vervolgens zijn evenwichtige verhoudingen heel belangrijk. Voor elk deel van het huis (hal, atrium, peristylium, triclinium, enz.) moeten bepaalde vaste verhoudingen in acht worden genomen. Ook de juiste oriëntering van de vertrekken is van belang. Een goede architect zorgt er tevens voor dat het huis aangepast is aan het beroep en de stand van de bewoner.

Voor huizen op het platteland zijn er aparte voorschriften die rekening houden met functionaliteit in de landbouw. Ook Griekse woonhuizen hebben een eigen, specifieke structuur (zo hebben ze bijvoorbeeld geen atrium). In beide gevallen geldt weer het belang van evenwichtige verhoudingen.

Om de duurzaamheid van de gebouwen te verzekeren, moet er grote zorg uitgaan naar de funderingen, vooral bij onderaardse gewelven en ruimtes. Het gebruik van ontlastingsbogen en wigvormige stenen moet het gewicht van de muren opvangen. Ten slotte wijst Vitruvius erop dat bij particuliere gebouwen de afwerking, de uitstraling en het ontwerp de drie belangrijkste aspecten zijn. Om het werk tot een goed einde te brengen stelt de architect zich best open voor tips van zowel werklui als leken.

Ook boek VII begint met een verhaaltje als proloog. Vitruvius veroordeelt plagiaat heel scherp en wijst erop dat hij wel gebruik gemaakt heeft van werken van voorgangers, maar zonder schaamteloos te kopiëren. Als eerste heeft hij echter al de beschikbare kennis in een compleet handboek verzameld. In boek VII geeft hij meer uitleg over wand- en vloerdecoraties.

De vloeren bestaan uit verschillende lagen en worden afgewerkt met bijvoorbeeld marmeren platen of mozaïeksteentjes. Ze moeten op de juiste manier gelegd worden om duurzaamheid te verzekeren. Voor het stucwerk moet men ervoor zorgen dat de gebruikte kalk goed geblust is. Naast de werkwijze voor stuc op plafonds en wanden (met enkele tips om een mooie glans te verkrijgen) geeft Vitruvius ook aanwijzingen voor stuc in vochtige ruimtes. Hier is ontluchting heel belangrijk. Wat wandschilderingen betreft laat Vitruvius zich nogal negatief uit over de smaak van zijn tijdgenoten, die totaal onrealistische dingen afbeelden. Kunst moet voor hem in overeenstemming zijn met de werkelijkheid.

Na een korte uitleg over de verschillende soorten marmer sluit de auteur boek VII af met een uiteenzetting over de herkomst van de kleuren vermiljoen, kwikzilver, zwart, blauw, gebrande oker, loodwit, kopergroen, sandrak en purper. Ze zijn afkomstig uit redelijk veraf gelegen gebieden en dus duur. Degenen die minder goed bij kas zijn kunnen een beroep doen op kunstmatige kleuren, verkregen uit bijvoorbeeld planten of bloemen.



Appreciatie


Ik ben totaal niet vertrouwd met de wereld van de architectuur en daarom spraken de passages over bijvoorbeeld de evenwichtige verhoudingen of het aanbrengen van stuc mij niet zo sterk aan. Toch beschouw ik ‘De Architectura’ niet helemaal als een oninteressant technisch werk. Vitruvius geeft een schat aan informatie over hoe de huizen van de Romeinen eruit zagen en brengt daardoor hun leefwereld een stukje dichterbij. De prologen doorbreken de eentonigheid en zijn aangenaam om te lezen, en natuurlijk zijn er ook passages die ik wel als interessant ervaren heb. Vooral het laatste stukje, waarin Vitruvius uitleg geeft over de kleuren, sprak mij erg aan. In het oude Rome lag het blijkbaar niet zo voor de hand als nu om je huis in allerlei vrolijke kleurtjes te schilderen.

10. Apuleius, Metamorphoses




Korte inhoud


Het hoofdmotief in deze raamvertelling is het verhaal van Lucius, die door zijn al te grote nieuwsgierigheid naar hekserij in een ezel verandert en vanalles meemaakt. Net na zijn ongelukkige metamorfose wordt hij gevangen genomen door rovers, die hem afranselen en als lastdier gebruiken. Wanneer de rovers de jonge vrouw Charite gijzelen probeert hij tevergeefs met haar te ontsnappen. Gelukkig kan haar echtgenoot, Tleopolemus, hen redden. Lucius wordt eigendom van het rijke koppel en belandt bij hun pachters, waar hij onder stokslagen weer zware arbeid moet verrichten. Wanneer Tlepolemus vermoord wordt en Charite zich uit verdriet van het leven berooft, slaan de boeren met hun hebben en houden op de vlucht uit angst voor een nieuwe meester. Na wat omzwervingen vestigen ze zich in een stad en verkopen Lucius op de markt. Zijn nieuwe eigenaar wordt een zekere Philebus, de leider van een groep travestieten die een Syrische godin vereren. Wanneer deze beschuldigd worden van diefstal wordt Lucius weer te koop aangeboden. Ditmaal krijgt hij een molenaar als meester, bij wie hij onder de gebruikelijke afranselingen de molen moet aandrijven. Hij blijft er niet lang: de molenaar wordt vermoord door zijn overspelige vrouw en Lucius wordt verkocht aan een uiterst arm hoveniertje. De man is één van de weinigen die Lucius niet mishandelt maar door zijn armoede kan hij hem niet veel eten geven. Na een tijdje wordt de hovenier opgepakt omdat hij een brutale soldaat had geslagen. Deze soldaat wordt Lucius’ nieuwe eigenaar, maar die verkoopt hem al snel aan zijn buren, twee broers. Die broers ontdekken dat hun ezel een bijzondere voorkeur heeft voor delicatessen als taart en wijn. Een van hun vrienden vindt dit zeer vermakelijk en koopt Lucius op. Hij leert de ezel dansen, worstelen en gebarentaal gebruiken. Lucius wordt hierdoor zo beroemd dat een vrouw zelfs geld biedt voor een nacht met hem. Maar wanneer een moordenares veroordeeld wordt tot bestialiteit in het openbaar met de ezel, wordt het hem toch wat te veel en hij slaat op de vlucht naar Cenchreae. Hij bidt er tot de goden om verlost te worden van zijn ezelsgedaante en de godin Isis verhoort hem. In een processie ter ere van haar draagt één van de priesters een rozenkrans. Wanneer Lucius hiervan eet, krijgt hij eindelijk zijn oude gedaante terug. Hij wordt ingewijd in de mysteriën van Isis en komt na verloop van tijd in Rome terecht, waar hij ook toegang krijgt tot de cultus van Osiris.

Het hoofdverhaal wordt voortdurend onderbroken voor secundaire vertellingen, die meestal draaien rond diefstal, moord, overspel en de (vaak gruwelijke) bestraffing ervan.



Appreciatie


Door de vele ingebedde vertellingen heeft deze roman veel afwisseling. Bij elke nieuwe meester of plaats waar Lucius terechtkomt, hoort er wel een anekdote, de ene al wat langer dan de andere. (De mythe van Cupido en Psyche neemt bijvoorbeeld bijna veertig bladzijden in beslag). Deze variëteit en de duidelijk zeer grote fantasie van Apuleius maken van dit boek verfrissende lectuur. Zowel de stijl als de inhoud staan in contrast met het verheven karakter van een groot stuk van de klassieke Latijnse literatuur. In de Metamorphoses klinkt de stem van het gewone volk, niet die van keizer en aristocratie.

11. Petronius, Satyricon

Korte inhoud


Dit werk, dat maar deels overgeleverd is, is ingedeeld in verschillende episodes en behandelt de avonturen van Encolpius, zijn vriend Ascyltos en de jongen Giton. In hun driehoeksrelatie is Giton nu eens het “broertje” (lees: bedgenoot – seksualiteit is nooit ver weg in dit verhaal) van de één, dan weer van de ander. Dit leidt tot meer dan één ruzie.

De meeste episodes zijn nogal fragmentarisch tot ons gekomen, met uitzondering van het stuk dat de beroemde “cena Trimalchionis” beschrijft. Met dit decadente feestmaal probeert de omhooggevallen vrijgelatene Trimalchio zijn rijkdom en luxe ten toon te spreiden. De gasten worden voortdurend bij de neus genomen: de opgediende ever blijkt gevuld te zijn met levende lijsters, er is varkensvlees dat eruit ziet als vis, enz. De beschrijvingen van de walgelijk grote hoeveelheden eten worden afgewisseld met alledaagse praatjes (of scheldpartijen) tussen de gasten. Zo vertelt Niceros bijvoorbeeld over zijn ervaringen met een weerwolf. Maar naast veel eten is er natuurlijk ook veel drank... Wanneer het uit de hand dreigen te lopen (een brandweerploeg begint “met emmers water en bijlen beroepshalve huis te houden”) maken onze drie vrienden zich uit de voeten.

In de volgende episodes maakt Ascyltos na nieuwe ingewikkelde ruzies over Giton plaats voor de mislukte dichter Eumolpus. Het drietal scheept zich in maar al snel blijkt dat de kapitein en zijn vrouw oude bekenden zijn van Giton en Encolpius. Zij hebben nog een eitje te pellen met de twee mannen, die zich kaal scheren en zich voordoen als weggelopen slaven om niet herkend te worden. Het loopt uiteindelijk toch nog goed af en Eumolpus vertelt het verhaal van de weduwe van Ephese, die ondanks haar kuisheid uiteindelijk toch valt voor de verlokkingen van het lichaam. Het schip komt echter in een storm terecht en Giton, Encolpius en Eumolpus spoelen als enige overlevenden aan op een strand dicht bij de stad Croton. Daar trekken ze dan maar naartoe en onderweg geeft Eumolpus een gedicht over de burgeroorlog ten beste. Croton blijkt een stad vol erfenisjagers te zijn en daarom doet Eumolpus zich voor als een rijke kinderloze man. Zowel hij als zijn “slaven” Encolpius en Giton worden enorm in de watten gelegd door de erfenisjagers.

In de volgende episode wordt Encolpius gekweld door impotentie, en dat op het moment dat de mooie Circe zich aanbiedt. Encolpius probeert verschillende remedies, maar zonder al te veel succes. Uiteindelijk wordt hij verlost door de god Mercurius. Intussen dreigt het spelletje met de erfenisjagers af te lopen. Eumolpus maakt bekend dat wie van hem wil erven, zijn lijk zal moeten opeten. Een zekere Gorgias blijkt hier nog toe bereid ook. Hier stoppen de fragmenten.



Appreciatie


Satyricon heeft veel weg van de Metamorphoses van Apuleius: verschillende verhaaltjes van uiteenlopende aard, een volks karakter, de seksualiteit die prominent aanwezig is,... Ik vond Satyricon echter beduidend minder sterk. Veel episodes zijn nogal voorspelbaar en het gedoe rond “broertje” ging me al snel vervelen. Ook steekt het verhaal naar mijn mening minder goed in elkaar dan dat van Apuleius, maar dat ligt natuurlijk grotendeels aan het feit dat Satyricon zo fragmentarisch overgeleverd is.

Bovendien is Apuleius voor de lezer van nu veel makkelijker te begrijpen: Petronius parodieert en bespot voortdurend toestanden uit zijn tijd waardoor de humor van bepaalde passages nu soms onopgemerkt voorbijgaat. Het inlassen van “poëtische” verzen vond ik bijvoorbeeld tamelijk vervelend, terwijl dit misschien parodiërend bedoeld was.


12. Ausonius, Mosella
Korte inhoud

Bij het afvaren van de Moezel bewondert Ausonius de natuurpracht die aan hem voorbijtrekt en giet zijn liefde voor de rustige, vredige stroom in verzen.

Zijn loflied begint bij de streken waar hij doortrekt, maar Ausonius schakelt al snel over naar de rivier zelf en de mooie omgeving. Hij beschrijft de verschillende soorten vissen die hij in het heldere water kan bespeuren: barbeel, zalm, snoek, meerval,… Bij het bekijken van het landschap gaan zijn gedachten niet alleen naar Bacchus (de wijngaarden) maar ook naar de saters, najaden en nimfen die zich misschien wel in de struiken schuil houden.

De vele schepen doen Ausonius denken aan Romeinse spelen met zeegevechten en hij kijkt toe hoe vissers hun vangst binnen halen. De villa’s kunnen wat hem betreft gerust concurreren met bouwwerken van grote architecten, en sterker nog: hij twijfelt er niet aan dat veel van de villa’s van hun hand zijn.

Na een passage over de verschillende bijrivieren van de Moezel wordt erop gewezen dat veel goede auteurs uit deze streek afkomstig zijn. Even wijkt Ausonius af van zijn onderwerp om zijn plannen voor latere werken uit de doeken te doen. Dan richt hij zijn aandacht weer op de Moezel, die nu uitmondt in de Rijn. Als besluit geeft Ausonius nog wat informatie over zichzelf en verzekert hij dat hij de Moezel, die haar gelijke niet kent, zal blijven bezingen.
Appreciatie

Ik vond de lectuur van dit werk zeer rustgevend: ik zag mezelf bijna ronddobberen in een bootje op de Moezel. Achteraf heb ik me wel afgevraagd waarom juist deze rivier Ausonius’ voorkeur wegdraagt. Voor mij is de Moezelstreek helemaal niet zo speciaal, zeker niet in vergelijking met Italië of Zuid-Frankrijk. Dan is het wel opvallend dat juist hij, een geromaniseerde schrijver afkomstig uit Bordeaux, deze koude streek boven het Zuiden verkiest! Het gras zal altijd groener zijn…


13. Iuvenalis, Satirae I, II, III
Korte inhoud

Satire I: Waarom schrijf ik satiren?

Ook al heeft Iuvenalis een retorenopleiding genoten, toch geeft hij er de voorkeur aan om in het voetspoor van Lucilius satiren te schrijven. Redenaars zijn er immers al in overvloed, en bovendien vindt hij in Rome meer dan genoeg inspiratie voor zijn spotgedichten. Zijn verontwaardiging over de heersende wantoestanden zetten hem aan tot schrijven. Al te veel mensen verrijken zich ten koste van het volk, ze liegen en bedriegen, “want braafheid siert de mens, maar maakt niet rijk”. Uit angst voor wraakacties neemt Iuvenalis zich echter voor om zijn spot te richten op de doden.


Satire II: Decadente mannen

Vooral de homoseksuelen moeten het ontgelden. Ze bedriegen hun vrouw voortdurend en ze gedragen zich verwijfd en decadent. Zo geeft Creticus de advocaat zich over aan de modegrillen: hij draagt doorschijnkleren. Iuvenalis vindt het ook ongehoord dat twee mannen met elkaar in het huwelijk kunnen treden. Volgens hem is homofilie Rome’s schandvlek. Wat moeten de voorvaderen niet van hen denken?


Satire III: De onverdraagzaamheid van Rome

Iuvenalis’ vriend Umbricius heeft besloten naar Cumae te verhuizen omdat hij het in Rome niet langer uithoudt. Voor een eerlijk en eenvoudig man is er in de urbs geen plaats, wie zich wil handhaven moet gewetenloos zijn. De buitenlanders en vooral de Grieken hebben de stad verziekt: het zijn sluwe, losbandige huichelaars die de sobere Romein verdringen. De kleine man moet het voortdurend ontgelden en heeft geen kans om hogerop te komen. Bovendien is wonen in het dichtbevolkte Rome duur en gevaarlijk. Het dagelijkse leven in de stad is zeker niet aangenaam.


Appreciatie

Iuvenalis bewijst dat maatschappijkritiek niet noodzakelijk hoeft samen te gaan met een overdreven belerend toontje. Zijn satiren zijn grappig en halen een constant hoog niveau. De schrijver toont dat hij een belezen man is door parallellen te trekken met figuren uit de mythologie of de literatuur, maar dit komt nooit geforceerd of pochend over. Het gaat zeker niet om makkelijke humor, zoals dat bij Martialis soms wel het geval is. Een ander pluspunt is zijn visie op het volk: hij doet niet denigrerend over de gewone mensen, maar heeft er eerder medelijden mee. Zijn pijlen richt hij op de rijken, de profiteurs die het volk uitzuigen. Deze menselijkheid siert de dichter, hij is geen hooghartige aristocraat. Ik vond Iuvenalis’ satiren dus zeer aangename literatuur.


14. Seneca, Medea




Korte inhoud


Voorgeschiedenis: de koningszoon Jason krijgt de opdracht om in het verre Colchis het Gulden Vlies te bemachtigen. Bijgestaan door de Argonauten moet hij er vele gevaren overwinnen. Dankzij Medea, de dochter van de koning van Colchis die verliefd op hem is, slaagt hij uiteindelijk in zijn opdracht. Medea vermoordt zelfs haar eigen broer en keert met Jason terug naar Griekenland, waar ze trouwen. Wanneer ze zich vestigen in Corinthe vraagt koning Creon aan Jason om met zijn dochter Creusa te trouwen. Jason stemt hiermee in om later koning te kunnen worden en laat zo Medea in de steek.

Seneca’s Medea begint op het punt dat Jason en Creusa gaan trouwen. Medea is woest en roept de goden om wraak. Overmand door haat voorspelt ze al het gruwelijke einde van het verhaal: “Geboren, al geboren is mijn wraak | ik heb die al ter wereld gebracht.” , “Verminking, moord, de dood die het hele lijf doortrekt”. Het koor zingt ter ere van de bruiloft van Jason en Creusa en wenst de “heks uit Colchis” duisternis toe. Wanneer Medea dit lied hoort vervloekt ze Jason, Creusa en Creon. Haar voedster probeert haar wat te bedaren, maar tevergeefs. Creon is op zijn hoede voor Medea’s listen en wil haar verbannen, maar Medea gaat met hem in discussie. Ze brengt in herinnering wat ze allemaal voor Jason heeft gedaan en smeekt om afscheid te mogen nemen van haar kinderen. Zo bekomt ze één dag uitstel. Het koor bezingt de reis van de Argonauten.

In het derde bedrijf beschrijft de voedster Medea’s blinde razernij. Ze lijkt alle zelfbeheersing te hebben verloren. Er volgt een dialoog met Jason, die beweert dat hij voor Creusa gekozen heeft uit liefde voor zijn kinderen. Medea verwijt hem zijn trouweloosheid en ondankbaarheid, en vraagt om haar kinderen te mogen meenemen in ballingschap. Jason weigert en Medea besluit hem te treffen in deze zwakke plek. Ze beveelt de voedster om een vergiftigde mantel, bestemd voor Creusa, te brengen. Het koor zingt over Medea’s woede en over het slechte lot van veel Argonauten.

De voedster vertelt hoe Medea toverdranken brouwt met haar magische kunsten. Ze roept de goden van de onderwereld op en laat haar zonen uiteindelijk de mantel naar Creusa brengen. Het koor uit zijn angst voor Medea’s wraak. In het laatste bedrijft meldt een bode dat het paleis van Creon in brandt staat en dat hij en Creusa dood zijn. Medea wordt nog even heen en weer geslingerd tussen liefde en haat maar klimt uiteindelijk met haar zonen op het paleisdak en vermoordt hen. Ze vlucht door de lucht met een wagen getrokken door draken. Jason schreeuwt haar wanhopig na: “Rijd naar de hoge hemel en je zult ontdekken | dat waar jij zult rijden, geen goden meer zijn.



Appreciatie


Hoewel de sterke pathos misschien wel goed past bij de razernij en de waanzin, vond ik het toch wat overdreven. Er ligt naar mijn aanvoelen wat te veel nadruk op het gruwelijke en op monsterachtige van Medea. Ik had haar liever gezien als mens dan als waanzinnige heks. De karaktertekening is wat zwart-wit, ten nadele van de psychologische diepgang. Zo wordt er zeer lang uitgeweid over de magische bezweringen, terwijl er te weinig ingegaan wordt op de innerlijke verscheuring bij Medea. De lezing van deze tekst gaf me geen afdoend antwoord op de vraag hoe een vrouw komt tot een dergelijke gruwelijke daad, en dat vind ik jammer.

15. Pervigilium Veneris
Korte inhoud

Dit is een loflied op de liefde, die opnieuw ontluikt bij het begin van de lente. Dezelfde twee regels keren steeds terug als een refrein: “Cras amet qui numquam amavit | quique amavit cras amet!” De godin Venus, ook wel Dione of Cypris genoemd, is natuurlijk alomtegenwoordig. Het is dankzij haar dat het seizoen van het nieuwe leven kan beginnen. Haar bloemen, de rozen, ontsluiten zich en Amor en de nimfen vieren feest. De maagdelijke Artemis moet zich terugtrekken; de hele nacht wordt er gewaakt met hymnen ter ere van de liefdesgodin. Zij zit op haar troon temidden van bloemen, met de drie Gratiën bij zich. De oermoeder van het Romeinse volk doet de wereld ontwaken uit zijn winterslaap, de dieren paren weer. In de laatste verzen vraagt de dichter zich af wanneer zijn lente eindelijk zal komen en wanneer hij zal ophouden met zwijgen. Want door te zwijgen heeft hij zijn muze verloren.


Appreciatie

Ik vond Pervigilium Veneris een prachtig, vrolijk lied dat je humeur voor de rest van de dag goed maakt. De levensvreugde die uit dit gedicht spreekt is zo sterk dat ze je bijna in het gezicht springt. De Latijnse verzen zijn kort maar krachtig, en bovendien zeer geschikt om op muziek te zetten: je kan ze zo zingen.



16. Phaedrus, Fabulae
Korte inhoud

Phaedrus’ fabels zijn ingedeeld in vijf boeken plus een aanhangsel, de Appendix Perottina. In de proloog van het eerste boek geeft de schrijver aan dat zijn fabels, die geïnspireerd zijn door Aesopus, een dubbel doel hebben: net als Horatius wil hij de mensen vermaken en hen tegelijk wijze raad meegeven. Deze wijsheid wordt meestal kort geformuleerd net voor (promythion) of net na (epimythion) de eigenlijke fabel. Meestal komt het ongeveer neer op “Eerlijk duurt het langst”, of toch wat de eenvoudige mensen betreft. De machtigen laten immers hun recht van de sterkste gelden en als lagergeplaatste stoot je hen maar beter niet voor het hoofd. Alleen door slimheid kan je soms ontsnappen aan hun onrechtvaardigheid, wie naïef is gaat eraan.

Hoewel de fabel voor ons onlosmakelijk verbonden is met dieren, is dit bij Phaedrus niet steeds (maar wel vaak) het geval. Goden als Prometheus duiken een paar keer op als hoofdrolspeler (IV, 13 en 16 bijvoorbeeld). Er zijn ook veel anekdotes rond Aesopus of andere bekende Grieken. (III, 3, 9 en 19; IV, 23; V, 1). Soms worden Romeinen als Pompeius (Appendix Perottina, 10) of keizer Tiberius (II, 5) ten tonele gevoerd.
Appreciatie

In de prologen maakt Phaedrus vaak duidelijk dat zijn fabels in Rome niet zoveel erkenning kregen, maar ik vond ze wel aangenaam om te lezen: ze zijn luchtig, zeer kort en ontspannend.Vooral bij de dierenfabels is er wel een risico voor eentonigheid, maar de boodschap is telkens anders en er worden zeer veel verschillende dieren gebruikt.

Dit werk is ook zeer interessant omdat het duidelijk een grote inspiratiebron is geweest voor Jean de la Fontaine. Sommige fabels doen ook denken aan werken uit de Oudheid zelf. Het verhaal van ‘De weduwe en de soldaat’ (Appendix Perottina, 15) keert bijvoorbeeld terug bij Petronius (De weduwe van Ephese).

17. Suetonius, Vitae Caesarum, Divus Claudius




Korte inhoud


Tiberius Claudius Drusus werd geboren in Lyon tijdens het consulaat van Antonius en Africanus. Zijn vader Drusus, de zoon van Livia, had zich onderscheiden in Germanië en had daardoor de titel Germanicus verworven, die later op zijn zoon overging.

De jonge Claudius had een zeer zwakke gezondheid en in zijn familie werd hij als achterlijk beschouwd. Augustus achtte hem niet bekwaam om belangrijke ambten op zich te nemen en ook onder keizer Tiberius vervulde hij geen rol van betekenis. Pas onder Caligula kwam hier verandering in en werd hij consul. Toch werd er nog veel met hem gespot. Het is dan ook vreemd dat juist hij na de moord op Caligula keizer werd.

In het begin van zijn regeerperiode was hij zeer gematigd en daardoor zeer geliefd bij het volk. Toch bleef hij niet gespaard van aanslagen. Hij bekleedde nog vier maal het ambt van consul en later ook dat van censor. In deze functies volgde hij geen vaste beleidslijn en handelde compleet onvoorspelbaar. Hij velde onzinnige vonnissen en veroordeelde onschuldigen. Daardoor ging zijn reputatie sterk achteruit.

De voornaamste openbare werken die Claudius liet uitvoeren waren een waterleiding, een afwateringskanaal voor het Fucinus-meer en de havenwerken van Ostia. Hij deed veel schenkingen aan het volk: schouwspelen, Eeuwfeesten, wedrennen, gladiatorenvoorstellingen en zelfs een zeegevecht. Op religieus, burgerlijk en militair vlak voerde hij vele oude tradities opnieuw in en introduceerde een aantal nieuwe gebruiken. Zo voerde hij bijvoorbeeld veranderingen door in de bevoegdheden van de quaestoren en in de militaire loopbaan van ridders. Volgens Suetonius, die nogal negatief is tegenover Claudius, werd hij bij het nemen van deze en andere maatregelen sterk beïnvloed door zijn echtgenotes en vrijgelatenen.

Claudius is vier maal in het huwelijk getreden: met Urgulanilla, met Paetina, met Messalina en tot slot met Agrippina. Hij had vijf kinderen en adopteerde ook nog Nero, de zoon van Agrippina. Naast zijn familieleden was hij ook zeer gesteld op zijn vrijgelatenen. Zijn karakter werd gekenmerkt door wreedheid, bloeddorstigheid, vreesachtigheid en achterdocht. Ook was hij zeer opvliegend, vergeetachtig, verstrooid en onnadenkend. Anderzijds was hij wel een geletterd man die veel schreef, kennis had van het Grieks en zelfs drie nieuwe lettertekens introduceerde.

Naar alle waarschijnlijkheid kwam Claudius aan zijn einde door vergiftiging. Wie de dader was staat echter niet vast, hoewel velen de naam van Agrippina noemen. Zijn dood werd een tijdje verborgen gehouden tot de maatregelen voor zijn opvolging getroffen waren. Hij stierf na veertien jaar geregeerd te hebben.


Appreciatie

Suetonius’ biografie van Claudius is nogal subjectief gekleurd en staat bol van anekdotes die in mijn ogen historisch niet altijd even relevant zijn. Daarom zou ik dit werk niet tot de “zuivere” geschiedschrijving rekenen. Suetonius beperkt zich ook wat te veel tot opsommen en beschrijven van losse feiten of verhalen en besteedt te weinig aandacht aan het leggen van oorzakelijke verbanden, wat Tacitus wel doet.

Ik vond het wel interessant om te lezen hoe de Romeinen zelf dachten over hun keizers en welke verhalen er zoal over hen de ronde deden. De keizers mogen na hun dood dan wel vergoddelijkt zijn, ze waren blijkbaar niet altijd even populair...

18. Tacitus, Germania




Korte inhoud


In dit werkje beschrijft Tacitus de woeste ongereptheid van de Germanen, met hier en daar een sneer naar de Romeinse decadentie. Hij vindt duidelijk dat het Romeinse volk ontaard is en eigenlijk nog wat zou kunnen leren van die barbaren. Na een kort woordje over de geografie geeft hij uitleg over hun oudste geschiedenis, waarbij hij vermeldt dat Hercules en Odysseus ooit bij hen verzeild zouden zijn geraakt. Daarna werkt hij in “aaneenrijgende” stijl een aantal punten uit.

Qua bodemschatten zijn de Germanen niet echt rijk, goud en zilver hebben ze niet. Op militair vlak is dapperheid van het grootste belang, en hun grootste slagkracht zit in de infanterie. De Germaanse goden worden gelijkgeschakeld met de Romeinse: Tacitus spreekt bijvoorbeeld over Mercurius en Mars. De Germanen kennen een soort volksvergadering maar de spil van de politieke organisatie zijn de toch de leiders. Deze hebben een gevolg dat in oorlog voor hen vecht en hen vee en graan levert. Natuur- of baksteen is de Germanen onbekend, voor woningen gebruiken ze hout of graven ze ondergrondse holen. Vrouwen en mannen dragen dezelfde kleren.

De Germaanse huwelijksmoraal is zeer strikt en de bestraffing op overspel onverbiddelijk. Kinderen worden zeker niet verwend of vertroeteld. Gastvrijheid staat zeer hoog aangeschreven, en in feesten en drinken zijn de Germanen zeer sterk. Slaven worden over het algemeen menselijk behandeld. Woekeren is een ongekende praktijk en ook in grondbezit zijn de Germanen niet hebberig. Uitvaarten zijn zeer sober.

In wat volgt behandelt Tacitus de afzonderlijke Germaanse stammen. De omgeving van De Rijn wordt bewoond door o.a. de Treveren en de Vangiones, maar de dappersten zijn de Bataven en de Mattiaci. Bij het Hercynische woud begint het gebied van de goedgeorganiseerde Chatti. Andere westelijke stammen zijn de Usipi en de Friezen. In het noordwesten wonen de Chauci, de aanzienlijkste Germaanse stam. Na een uitweiding over de confrontaties tussen Rome en de Germanen gaat Tacitus verder met oostelijk Germanië en de Suevi, die onderling verdeeld zijn in losse stammen. Zij vereren Moeder Aarde, die een speciale cultus heeft. In het hoge Noorden situeren zich de Suiones, de Esten, die barnsteen verzamelen, en de Sitones, geregeerd door een vrouw. Tot slot vermeldt Tacitus nog een aantal stammen waarvan hij niet weet of ze wel bij de Germanen horen.


Appreciatie

Het deel over de Germaanse cultuur en gebruiken vond ik wel interessant, hoewel ik niet zo hou van Tacitus’ gemoraliseer. Er zit veel afwisseling in en het is wel leuk om te zien met welke ogen de Romeinen naar die exotische Germanen keken. Het tweede deel, over de afzonderlijke stammen, vond ik wat afbreuk doen aan het geheel. Het is nogal saai en opsommend: de anders zo compact schrijvende Tacitus wordt haast langdradig.



19. Martialis, Anthologie ‘Romeinse epigrammen’




Korte inhoud


Je moet in mijn gedichten geen | Harpij, Centaur of Gorgo zoeken, | maar slechts de mens: de mens alleen | geeft geur en smaak aan al mijn boeken.” (X, 4), zo stelt Martialis. En gelijk heeft hij: in zijn puntgedichtjes hekelt hij de kleine menselijke kantjes (gierigheid, gulzigheid, jaloezie...). Ook seksualiteit is een geliefd onderwerp. Overspel, homofilie, knapenliefde, prostitutie, impotentie: het komt allemaal aan bod. Genadeloos drijft de dichter de spot met de wellust van zijn medeburgers.

De bijtende spot wordt nog versterkt door het feit dat Martialis zijn slachtoffers steeds rechtstreeks aanspreekt (hoewel de namen wel fictief zullen zijn). Bovendien zijn de epigrammen vaak zeer bondig en daardoor zo krachtig. In een paar trefzekere bewoordingen worden iemands gebreken te grabbel gegooid voor heel Rome. In meerdere epigrammen geeft Martialis immers te kennen dat zijn poëzie in heel de stad gelezen wordt.



Het is duidelijk dat de schrijver er een enorm plezier in schept mensen uit te dagen en te verontwaardigen, maar toch is het spottende karakter niet in elk gedicht terug te vinden. Epigram 44 van boek IV gaat bijvoorbeeld over de uitbarsting van de Vesuvius, en een paar keer zingt Martialis de lof van keizer Domitianus.

Appreciatie


Martialis’ epigrammen zijn grappig en goed gevonden. Zorgvuldig weet hij ze op te bouwen tot de verrassende pointe. Hij was ongetwijfeld een groot talent. Maar er is een wijze spreuk die voor zijn werk wel toepasselijk is: overdaad schaadt. Je moet de gedichten niet allemaal in één ruk uitlezen, want dan heb je er al snel schoon genoeg van. Martialis moet dit probleem zelf ook aangevoeld worden, want hij schrijft: “Een epigrammenschrijver | wil bondig zijn en kort. | Maar ach, wat baat zijn ijver | als het een bundel wordt? ||”. (VIII, 29)


1 Het epos van Gilgameš. Vertaald uit de verschillende grondteksten, ingeleid en geannoteerd door Herman Vanstiphout (Nijmegen, 2001), p. 120







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina