1. waarover en hoe denken economen ? Waarover denken economen



Dovnload 315.68 Kb.
Pagina1/6
Datum23.08.2016
Grootte315.68 Kb.
  1   2   3   4   5   6

Inleiding tot de economie

1. WAAROVER EN HOE DENKEN ECONOMEN ?


    1. Waarover denken economen


De economische probleemstelling: de aanwending van schaarse middelen om het welvaartstekort te verkleinen.
Historische schets:

  • Economische groei: van arm naar welvarend (welvaartstekort  middelen nodig, BBP absurde stijging, zowel per hoofd als in de wereld;desondanks zeer grote spreiding in de wereld, reden stijging is BBP is gekke stijging export

  • Wat produceren?:

    1. De invalshoek van de econoom


Het begrip opportuniteitskost: kiezen is verliezen
Opportuniteitskost = de waarde van de verloren gegane best mogelijke alternatieve aanwending van middelen:

  • De belangrijkste kostprijs van een moeder die beslist thuis te blijven om haar kind op te voeden, is het gemiste inkomen op de arbeidsmarkt

  • De productiemogelijkhedencurve:

    • dalend verloop = opportuniteitskosten

    • grens = efficiënt punt


Ruil en markt
Arbeidsspecialisatie en arbeidsverdeling leiden ertoe dat producenten van het ene goed een overschot hebben en van een ander te weinig. Economische coördinatie kan verlopen via:

  • traditionele systemen:

    • traditie bepaalt welke activiteiten er worden verricht, welke productiewijze er wordt gehanteerd en hoe de output wordt verdeeld

    • efficiënt in stationaire maatschappijen, maar komen tekort indien er veranderingen optreden (relaties met andere streken)

  • bevelsystemen:

    • een centrale overheid staat in voor de organisatie van de economische activiteiten

    • probleem = informatie: moeilijke informatieverzameling + ondernemingen wensen dat de taken (productievolume) die de overheid hen opleg niet te zwaar zijn → hebben er geen belang bij juiste informatie door te spelen

  • marktsystemen:

    • productie en verdeling gebeuren op basis van beslissingen van individuele ondernemingen en gezinnen → koop = contract tussen partijen

    • orde door eigenbelang → prijsmechanisme


Economische agenten en de economische kringloop


  • economische agenten: personen en instellingen die beslissingen nemen m.b.t. productie, consumptie, sparen,… → gezinnen, ondernemingen en overheid

  • consumptie: om te kunnen consumeren, is inkomen nodig. Het deel dat niet gebruikt wordt voor de consumptie = sparen

  • productie: zet inputs om in outputs:

    • inputs: lopende inputs (grond –en hulpstoffen) + productiefactoren (arbeid en kapitaal)

    • bruto-investeringen = netto-investeringen (uitbreiding capaciteit) + vervangingsinvesteringen (investering = depreciatie kapitaalstock)

    • de productiefactoren voegen waarde toe aan de inputs: de bruto toegevoegde waarde → netto toegevoegde waarde = btw – depreciatie

    • output die door andere bedrijven als grondstof worden gebruikt, zijn intermediaire goederen (enkel finale goederen of toegevoegde waarde worden in rekening gebracht als men de economie in zijn geheel beschouwt)





  • overheid: bepaalt wettelijke kader waarbinnen de economische agenten kunnen optreden + maakt maatschappelijke keuzes (inkomensverdeling en publieke goederen)


Rationele economische agenten
Economische agenten streven een doel na en houden daarmee rekening met beperkingen (nevenvoorwaarden: beperkt inkomen,…) → als deze beperkingen veranderen, verandert ook het gedrag. Economen kijken niet naar wat wenselijk is, maar wat mogelijk is:

  • vb. ontwikkelingshulp kan zeer eerbaar zijn, toch kan het arbeid en sparen ontmoedigen

  • belastingen op vensters in 18e E → mensen metselen ramen dicht

► Het volstaat niet economische agenten proberen te overtuigen het “hoger” belang na te streven, maar wel dat de juiste incentieven worden gegeven, zodat men aanzet het “hoger” belang uit eigenbelang te dienen

2. WERKING VAN DE MARKT: PRIJSMECHANISME
2.1 Typologie van markten
Markten worden opgedeeld in een aantal types op basis van volgende kenmerken:

  • het aantal aanbieders en vragers:

    Aantal

    Één vrager

    Enkele vragers

    Veel vragers

    Één aanbieder

    Bilateraal monopolie




    Monopolie

    Enkele aanbieders







    Oligopolie

    Veel aanbieders

    Monopsonie

    Oligopsonie

    Mededinging

  • de graad van informatie: perfecte informatie vaak onrealistisch (cf. arbeidsmarkt). Exclusief bezit van informatie leidt tot een sterke machtspositie en tot de mogelijkheid de prijs te beïnvloeden

  • de homogeniteitsgraad: door productdifferentiatie en merknamen proberen producenten meer macht te krijgen over een deelmarkt (monopolistische mededinging)

  • toe –en uittredingsmogelijkheden: belemmerd door vestigingswetten of technische factoren (toetreding) of opzeggingsvergoedingen (uittreding)


2.2 De vraag
Algemene en partiële vraagfuncties
= verband tussen de gekochte hoeveelheid van een goed en alle factoren die het koopgedrag beïnvloeden → algemene vraagfunctie

qiV = fi (p, pa, pb, … , y, seizoen, gezinsgrootte, …)


Ceteris paribus is het geval waarin men theoretisch de aandacht concentreert op één veranderlijke, terwijl alle andere factoren verondersteld worden onveranderd te blijven → partiële vraagfunctie

qiV = fi (p; pa, pb, … , y, seizoen, gezinsgrootte, …) OF qiV = fi (p)


Algebraïsche weergave van de individuele vraag

qiV = fi (p) = 24 – 0,8p



  • intercept = 24 = waarde van de verklarende veranderlijke als de prijs gelijk is aan 0 (of het snijpunt met de horizontale as)

  • richtingscoëfficiënt = 0,8p = verband tussen p en q → een prijsstijging van €5 doet de gevraagde hoeveelheid afnemen met 4 eenheden

Als men de prijs wil uitdrukken t.o.v de verhandelde hoeveelheid, krijgen we de inverse vraagfunctie:

fi-1 (qiV) = 30 – 1,25qiV


2.3 Het aanbod
Algemene en partiële aanbodfuncties
Aanbod hangt sterk samen met de productiekosten en dus met alle factoren die hiermee samenhangen (kostprijs inputs, belastingen,…) → algemene aanbodfunctie:

qiA = gi (p, pk, pl, … , t, technologie, …)

Ceteris paribus → partiële aanbodfunctie: qiA = gi (p)
Algebraïsche weergave van het individuele aanbod

qiA = gi (p) = - 12 + 1,6p



  • - 12 = snijpunt aanbodcurve met de horizontale as (weinig betekenis)

  • 7,5 (snijpunt met horizontale as) = reservatieprijs = de prijs waaronder de verkoper niet langer bereid is goederen aan te bieden = intercept inverse aanbodfunctie:

p = gi-1 (qiA ) = 7,5 + 0,625 qiA

  • richtingscoëfficiënt = 1,6 = verband tussen p en q → elke prijsstijging met €1 leidt tot een toename van de aangeboden hoeveelheid met 1,6 OF de prijs moet met €0,625 stijgen opdat de koper bereid zou zijn één extra goed te leveren


2.4 De prijsvorming
Stel : qV = fi (p) = 2400 – 80p EN qA = gi (p) = - 1200 + 160p bij een marktprijs van €10

► V=1600 en A=400 → vraagoverschot=1200 → opwaartse druk op de prijs: vragers die het meest bieden om een goed te kunnen kopen + groter aanbod. De evenwichtsprijs wordt bereikt als de aangeboden hoeveelheid overeenstemt met de gevraagde hoeveelheid



2.5 De elasticiteit
De prijselasticiteit van de vraag
Omdat vraag en aanbod in tegengestelde zin bewegen, is de prijselasticiteit van de vraag altijd negatief of nul
εpV = relatieve verandering in de gevraagde hoeveelheid

relatieve verandering in de prijs



q2 q1 ΔqV

εpV = q1 . = q1 . = ΔqV . p1



p2 p1 Δp . Δp q1

p1 p1





  • εpV = 0 in het intercept op de horizontale as (want p=0) en εpV = - ∞ in het intercept op de verticale as (want q=0)

  • εpV = -1 op de scheidingslijn tussen niet-elastisch en elastisch

  • de vraag is elastisch indien | εpV | > 1, ze is inelastisch als | εpV | < 1

Twee bijzondere gevallen van lineaire vraagcurven:



  • perfect inelastische vraagcurve: geen enkele reactie van de gevraagde hoeveelheden op een prijsverandering → vraagcurve is een verticale rechte → εpV = 0

  • perfect elastische vraagcurve: geen enkele reactie van de prijs op een verandering in de gegeven hoeveelheid → vraagcurve is een horizontale rechte → εpV = - ∞

De prijselasticiteit neemt toe naarmate:



  • er meer vervangproducten aanwezig zijn

  • de vraag minder dringend wordt

  • het aandeel van het beschouwde goed in het budget groter wordt

  • de tijdsperiode langer wordt


De prijselasticiteit van het aanbod
Wordt meer aangeboden bij hogere prijzen → εpA positief
De inkomenselasticiteit: luxegoederen en noodzakelijke goederen
De inkomenselasticiteit geeft weer met hoeveel procent de consumptie van een goed toeneemt als het inkomen met 1% stijgt:
q2 – q1 Δq

εy = q1 = q1 = Δq . y1



y2 – y1 Δy Δy q

y1 y1




Inferieur goed

εy < 0

Consumptie neemt af als inkomen toeneemt

Budgetaandeel neemt af als inkomen toeneemt

Noodzakelijk goed

0 < εy < 1

Consumptie neemt toe als inkomen toeneemt

Budgetaandeel neemt af als inkomen toeneemt

luxegoed

εy > 1

Consumptie neemt toe als inkomen toeneemt

Budgetaandeel neemt toe als inkomen toeneemt



Wijzigingen in de prijzen van andere goederen: de kruiselingse prijselasticiteit
εx,b = Δqx . pb

Δpb qx




Complementen

εx,b > 0

Prijsstijging van goed b leidt tot een stijging van de gevraagde hoeveelheid van goed x

Kaas en wijn

Substituten

εx,b < 0

Prijsstijging van goed b leidt tot een daling van de gevraagde hoeveelheid van goed x

Cd’s en cd-spelers

Onafhankelijke goederen

εx,b = 0

Goederen die in de voorkeur van de consument onafhankelijk zijn

Wijn en cd’s



2.6 Verschuivingen van vraag en aanbod
Zwart-wit tv’s zijn veel goedkoper geworden en toch kopen mensen minder zwart-wit tv’s dan vroeger → heeft te maken met andere factoren die we tot nu toe constant hielden (vb. introductie van kleurentelevisie’s) dan de prijs
Verschuivingen van de vraagcurve
qV = 500 – 80px + 80pb + 0,4y


Boekenprijs in euro (pb)

Inkomen in euro (y)

Partiële vraagfunctie

17,5

1250

qV = 2400 – 80px (V0 )

17,5

750

qV = 2200 – 80px (V1)

22,5

1250

qV = 2800 – 80px (V2 )



3. VRAAG EN AANBOD IN WERKING
1. Verschuivingen in vraag en aanbod
Aanbodschokken

Aanbodverschuiving van A0 naar A1 → vraagoverschot ten belope van q0q1 → opwaartse druk op de prijs (p0) tot een nieuwe evenwichtsprijs bereikt wordt: p2 bij V2 en p1 bij V1 → bij zeer steile vraagcurve leidt het beperkte aanbod tot een scherpe stijging van de prijs + als de vraag veel vlakker verloopt, dan is de prijsstijging beperkter → gevolgen voor de ontvangsten van de aanbieder:



  • indien de vraag inelastisch (V1) is, overcompenseert de prijsstijging de reductie in de verhandelde hoeveelheid → ontvangsten ↑: B+C+D > A+B

  • indien de vraag elastisch (V2), neemt het inkomen van de aanbieder af naarmate de oogst slechter is: B+C < B+A↑



In vele gevallen heeft een aanbodschok te maken met een verandering in de productiekosten → stijging productiekosten → A0 naar A1



  • normale vraagcurve (VB): vraagoverschot (DE) weggewerkt door prijsstijging → in punt B wordt de kostenstijging verdeeld over beide partijen

  • perfect inelastische vraag (VC): alleen prijsstijging (C) → aanbieders hebben kostenstijging volledig kunnen doorrekenen aangezien ze evenveel verkopen als voor de kostenstijging

  • perfect elastische vraag (VD): alleen daling in de hoeveelheid (D)kostenstijging volledig op rekening van de aanbieder aangezien de prijs niet gestegen is


Vraagschokken
Analoge analyse, alleen gaan prijs en aanbod in dezelfde richting bewegen bij vraagschokken (vb. recessie lokt een daling van prijs én aanbod uit), daar waar ze dit bij aanbodschokken in tegengestelde manier deden (vb. vrieskoude leidt tot een daling van het aanbod asperges en een stijging van de prijs).
3.2 Prijsregulering
Onderscheid:

  • marktconform ingrijpen: vrije prijsvorming blijft gehandhaafd, alleen stuurt de overheid dit in een door haar gewenste richting (belastingen en subsidies)

  • niet-marktconform: blokkering vrije prijsvorming (vb. minimum –en maximumprijzen, en quota) → aanbod –of vraagoverschotten


Maximumprijs
Als de overheid oordeelt dat een bepaalde evenwichtsprijs p* sociaal niet verantwoord is (vb. huurprijs appartementen), gaat men de consument beschermen en legt men een maximumprijs op. Dit is slechts zinvol als pmax < p* → vraagoverschot aangezien het aanbod de markt bepaalt → mogelijkheid tot ontstaan van zwarte markt
Minimumprijs
Het Europees landbouwbeleid oordeelt dat het inkomen van landbouwers te laag zou zijn indien het gevormd wordt door de evenwichtsprijs van de landbouwproducten die op een vrije markt worden aangeboden (p*) → minimumprijs bij pmin > p* → aanbodoverschot → kans op ontstaan zwarte markten waarbij men toch onder de minimumprijs verkoopt, maar bij het landbouwbeleid liggen de zaken anders: de overheid koopt alle overschotten op tegen de minimumprijs
3.3 Quota
Quotum is een restrictie op de verhandelde hoeveelheid (vb. ivoor) → opwaartse druk op de evenwichtsprijs: quota moedigt olifantenjacht dus aan!
3.4 Indirecte belastingen en subsidies
BTW en accijnzen
Accijns = belasting uitgedrukt als een vast bedrag per fysieke eenheid (liter, ton,…)

Waardebelasting = belasting uitgedrukt in verhouding tot de prijs van het goed (BTW)


Verandering in het marktevenwicht als gevolg van de belasting
Stel:

  • evenwichtsprijs cd = €15 en belasting (t) = €6

  • kopers stellen hun gedrag af op de consumentenprijs → qV= f(pC)

  • aanbieders bepalen hun aanbod op basis van de producentenprijs → qA= f(pP)

Om het marktevenwicht te berekenen, stelt men vraag en aanbod aan elkaar gelijk




qiA = - 1200 + 160pP

qiV = 2400 – 80pC

pP = p – 6

pC = p
qiA = - 1200 + 160(p – 6)

qiV = 2400 – 80p


qiA = - 2160 + 160p

2(qiV)= 2(2400) – 2(80p)



3q = 2640 – 0p

q1 = 880 => p1 = 19




  • in vgl. met het oorspronkelijke evenwicht E0 (met p0 = €15) heeft de belasting geleid tot een stijging van pC (€19) en een daling van pP (€13)→ de consument draagt 66,7% (KE1)van de belasting en de producent 33,3% (KN)

  • in E1 is q1=880 → belastingopbrengst = €5280 (en NIET €7200)


Verdeling van de belasting over consument en producent


  • bij een perfect inelastische vraag leidt de belasting uitsluitend tot een verhoging van pC (€21); de verkoper voelt niets van de belasting → belastingontvangsten (€7200) maximaal (geen effect op de verhandelde hoeveelheid bij gestegen prijs)

  • bij een perfect elastische vraagcurve blijft pC = €15; de verkopers betalen de belasting volledig → belastingontvangsten minimaal (€1440, want verhandelde hoeveelheid daalt tot 240)


4. DE ONDERNEMING – BEDRIJFSECONOMISCHE ASPECTEN
4.1 De onderneming in algemeen economisch overzicht
De onderneming is de abstracte plaats waar de transformatie plaats grijpt van inputs naar outputs en waarbij toegevoegde waarde wordt gecreeërd.

4.2 De onderneming boekhoudkundig beschouwd
Om beter inzicht te verwerven in het reilen en zeilen van een onderneming, is een onderneming verplicht een boekhouding bij te houden. De jaarrekening is daarbij van groot belang, bestaande uit:


  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina