1. Wat is theater?



Dovnload 46.01 Kb.
Datum24.07.2016
Grootte46.01 Kb.
CKV Samenvatting

Blz. 8-28 & 75-85

Korien Hovenga

1. Wat is theater?

Heb je een spel bedacht om echt aan mensen te laten zien, dan komt het in de buurt van een echt voorstelling.

Bij theater heb je 3 zaken nodig:


  1. Een speelvlak.

  2. Spelers.

  3. Publiek.

Theaterzalen zijn meestal een lijsttoneeltheater, hier spelen de mensen op een verhoogd podium en de coulissen aan de zijkant en doeken boven een speelvlak vormen de lijst. of een vlakkevloertheater, hier spelen de mensen op de vloer van het theater en het publiek kijkt vanaf tribunes neer.

Theater op locatie is een voorstelling buiten een theater zoals op straten en pleinen.

Theatermakers vertellen hun publiek een verhaal. Ze kunnen verschillende vormen kiezen. Dat kan verschillen van een korte spottende scène tot een avondvullend toneelstuk.


2. Theatrale middelen

Theatrale middelen kunnen verschillende functies hebben:

  • Een verhalende functie: De acteurs vertellen het verhaal. De middelen geven aanvullende informatie en bepalen sfeer en emoties.

  • Symbolische functie: De middelen verwijzen naar een achterliggende betekenis (de kleur wit en onschuld). Door het symbolische gebruik van de middelen geeft de theatermaker niet alleen zijn persoonlijke visie maar hij zegt ook iets over zijn kijk op het leven.

Om van een tekst een voorstelling te maken worden de volgende middelen gebruikt:

  • Spel: Manier van spreken en bewegen. Het brengt personages tot leven.

  • Mise-en-scène: De plaats en beweging van de acteurs maken onderlinge verhoudingen duidelijk tussen de personages.

  • Grime: Accentueert leeftijd en karakter van personages.

  • Kostuums: Karakteriseren de personages.

  • Decor: Bepaalt de ruimte waar de scène zich afspeelt (realistisch decor, niet realistisch decor).

  • Licht: Bepaalt de sfeer, geeft sfeerverandering en brengt emoties.

  • Muziek en geluid: Ondersteunen de sfeer en geven sfeerveranderingen aan en brengen emoties over.

  • Video en filmprojecties: Geven extra informatie.


3. Theatergenres


Bij mime of bewegingstheater beelden de spelers een verhaal uit zonder daarbij te praten. In beeldend theater speelt de techniek een belangrijke rol, en staan de geluids- en lichteffecten centraal.

Als je theater combineert heet dit totaaltheater.

3.1 Toneel

Voorstellingen waarin de gesproken tekst de belangrijkste rol speelt heet toneel. De magie van theater is dat de persoon in een rol stapt en een heel ander personage is.

Een muziek theater is een theater waarin acteurs niet alleen spreken maar ook zingen of een instrument bespelen (geen musical).
3 belangrijke subgenres:


  • Tragedie/Treurspel: het loopt voor de hoofdpersoon slecht af.

  • Komedie/Blijspel: een vrolijk stuk met een happy end. Als de personages sterk overdreven zijn spreken we van een klucht.

  • Tragikomedie: een droevig verhaal met grappige scènes of een blijspel met een ernstige ondertoon.

3.1.1 Toneel: hoe wordt het verhaal verteld?

Dramatisch conflict: een verhaal over mensen in conflictsituaties.

Dit gebeurt via de volgorde van gebeurtenissen: het handelsverloop.

Het verhaal kon op drie manieren worden verteld:


  1. Een klassieke of traditionele opbouw: Chronologische volgorde.

  2. Een scenische opbouw: Geen chronologische volgorde. Er zijn verschillende verhaallijnen die niet altijd met elkaar te maken hebben. Plaats, tijd en handeling kunnen per scène verschillen. Vergelijkbaar met een soap.

  3. Een absurdistische opbouw: Geen verhaallijn te ontdekken, en het slot verschilt nauwelijks van het begin. Toeschouwer moet zelf samenhang zoeken. Het zegt iets over de absurditeit van de wereld en de zinloosheid van het leven.

Iedere regisseur maakt op basis van tekst zijn eigen voorstelling.

Improvisaties: zelf bedachte teksten.

3.1.2 Toneel: plot en betekenis

Plot: de korte inhoud van het verhaal.

Een toneelstuk heeft ook een betekenis. Er zit een gedachte achter.

De betekenis kan je achterhalen door te kijken naar verwijzingen:


  • Verwijzingen in verloop en de afloop van het verhaal.

  • Verwijzingen bij de personages.

  • Verwijzingen in de tekst.

  • Verwijzingen in het spel van de acteur.

  • Verwijzingen in het toneelbeeld.

3.2 Cabaret

Een cabaretier maakt spottende, kritische kanttekeningen bij het dagelijkse leven. Het hoofddoel van cabaretiers is amusement.



Geëngageerde cabaretiers: willen amuseren maar ook richten op actuele misstanden in de maatschappij en politiek. Cabaret met een boodschap.

Tekstcabaret: gevarieerd programma met sketches, liedjes en gesprekken met de zaal. Taboedoorbrekend.

Stand-upcomedy: groot deel is ter plekke geïmproviseerd.

Fysiek cabaret: het accent ligt op het komische, acrobatische acts en het spelen van vreemde instrumenten en materialen. Tekst is niet belangrijk.

Muzikaal cabaret: muziek met grappen op en met instrumenten, parodieën op bekende composities of vrolijke en droevige liedjes met de voornaamste elementen.

3.2.1 Cabaretier

Ze bedenken bijna altijd zelf hun voorstelling en karikatuur is hun wapen. Ze maken personen of situaties belachelijk. Onderwerpen van spot zijn bij voorkeur:



  • Personen die iedereen kent.

  • Actuele gebeurtenissen.

  • Het publiek.

  • Zelfspot.

  • Taboes en grenzen.

Soms werkt een cabaretier samen met een regisseur. Deze bekijkt of de teksten wel het bedoelde effect hebben.

Tijdens Try-outs blijft de cabaretier werken aan zijn voorstelling.

Zonder wisselwerking met de zaal komt het programma niet tot leven. Cabaretiers zoekt graag de confrontatie met de zaal. Veel cabaretiers bereiken het podium door wedstrijden.

3.3 Muziektheater

De bekendste subgenres van muziektheater zijn musical, opera en operette. Er wordt een verhaal verteld door middel van zang, muziek en vaak ook dans.



Ouverture: muzikale thema’s uit de songs of liederen zijn hierin verwerkt.

Een voorstelling begint met een ouverture.

Belangrijke voorwaarden zijn goed in het gehoor liggende muziek en een goede tekst.

Er wordt altijd veel aandacht gegeven aan het decor en de kostuums. Want deze vormen een groot element voor de voorstelling.



Cast: de acteurs, de zangers, de dansers en de musici.

3.3.1 Musical

De voornaamste aspecten van een musical zijn muziek en vormgeving. Het verhaal is niet heel belangrijk, het is meer een bindmiddel tussen de nummers. Er worden vaak meeslepende songs gezongen waarin de gevoelens van personages worden uitvergroot.

De vormgeving brengt musicals tot leven. Er wordt veel aandacht besteed aan het showelement. Bij geïmporteerde musicals moet de producent zich exact houden aan het concept.

Een goede musical is het resultaat van gedegen teamwork tussen tekstschrijver, componist, arrangeur, choreograaf en vormgevers. De regisseur is verantwoordelijk voor het eindproduct. Een choreograaf ontwerpt de dansnummers.



3.3.2 Opera

Opera is ouder dan de musical. In een opera worden ook de dialogen gezongen. Het gaat in eerste instantie om de muziek.



Recitatief: een gezongen tekst met een verhalend karakter. De grenzen tussen opera en musical vervagen een beetje. Er is ook sprake van cross-covers (rockopera).

Opera’s worden meestal uitgevoerd in de oorspronkelijke taal, de vertaling boven het toneel heet boventiteling.

Het verhaal van een opera is vastgelegd in het tekstboek: libretto. De inhoud is dieper dan een musical.

In een aria krijgen de zangers de kans alle mogelijkheden van hun stem te demonstreren. Het orkest stuurt de emoties aan. Zonder tekst gaat het verhaal verder.

Er wordt veel aandacht aan de vormgeving gegeven.

Het succes van de opera hangt af van de componist. Er wordt geen microfoon gebruikt bij opera’s.



3.3.3 Operette

Dit is een eenvoudiger zangspel dan de opera. De onderwerpen zijn luchtiger en er is meer gesproken tekst. Er wordt ook in gedanst (vooral gezelschapsdansen).



3.4 Dans

Theaterdans heeft een artistieke bedoeling en wordt voor publiek opgevoerd.

Cultuurdans: de dans heeft een sociale functie zoals volksdansen. Het gaat om het beleven van gemeenschappelijke gevoelens.

De danser gebruikt de taal van het lichaam om iets te vertellen.

Je kan het volgende onderscheid maken:


  • Verhalende dans: verhaal.

  • Thematische dans: uiting van gevoelens.

  • Abstracte of absolute dans: pure beweging, zonder betekenis.

3.4.1. Dansante middelen

Voor het maken van een theaterdansvoorstelling heb je een choreograaf nodig. Hij/zij kiest een idee of verhaal dat hij/zij in danspassen uitwerkt. De dans wordt tijdens de repetities opgenomen op film. Dit maakt heropvoeringen mogelijk.

Alleen bij klassieke balletgezelschappen is er sprake van verschillende functies. Solisten zijn de topdansers, zoals de prima ballerina. Halfsolisten vervullen de bijrollen.

Een geliefd onderdeel is een pas de deux, een dansfragment voor twee solisten.

Dansers van een klassieke opleiding beginnen jong en de opleiding duurt 8 tot 10 jaar.

Belangrijke elementen in beweging zijn: tijd, kracht en ruimte. Ruimte zegt iets over het verhaal of thema. Als de ruimte sober is dan gaat alle aandacht naar de dans.



Muziek ondersteunt de bewegingen van de dansers en geeft sfeer en de verandering van stemmen aan.

3.4.2 Dansstijlen

In westerse theaterdans zijn er 4 dansstijlen:



  1. Academische dans/klassiek ballet: vaste (voet)posities op papier gezet. Bewegingen vooral naar boven en buiten gericht. Ballerina’s dragen als schoenen spitzen.

  2. Moderne dans: natuurlijke bewegingen van de mensen. Meer naar de grond gericht. Vallen en opstaan.

  3. Jazz- en musicaldans: combinatie van verschillende dansvormen. Ondersteunt een verhaal of dient als levend decor.

  4. Streetdance: ontwikkeld door jongeren. Hiphop is meer dan dans, rappen, scratchen en graffiti horen er ook bij. Bij dans spreek je van breakdance.


4. Voorstelling – Kunstenaar – Publiek

We volgen de weg van het kunstwerk naar het publiek aan de hand van een rockopera.



4.1 Rockopera/musical

De musical Jesus Christ Superstar wil ook een boodschap overbrengen: het lijdensverhaal van Jezus. De musical werd verfilmd in de jaren 70. De film gaf een nieuwe kijk op geloven en op het nieuwe testament.

Paul Eenens maakt in 2005 een nieuw concept. Hij gaf het verhaal een actuele dimensie en legde het accent op persoonsverheerlijking, met verwijzingen naar Pim Fortuyn.

Ook maakte hij gebruik van een ander modern verschijnsel: rouwen om een onbekend persoon.



4.2 De kunstenaars

Er zijn verschillende kunstenaars bij de voorstelling betrokken: Tim Rice en Andrew Lloyd schreven het script. In 2005 herschreef Paul Eenens het script.

Met Jos Groenier en de kostuum-, licht- en geluidsontwerper bedacht hij hoe de voorstelling eruit moest zien.

Na 2 maanden repeteren speelde de uitvoerende kunstenaars (acteurs, dansers en musici) het stuk.



4.3 Het publiek

De reacties van het publiek hebben grote publiek hebben grote invloed op het karakter van de voorstelling.

Wat de critici vind kan verschillen met de mening van het publiek.
5. Theater en kunsttheorie

5.1 Van amfitheater tot schouwburg

De oudste theater voorstellingen vonden plaats in de 7e eeuw voor christus in de grote amfitheaters in Griekenland. Deze ontstonden ter ere van de god van de god van de wijn en vruchtbaarheid: Dionysos. De voorstellingen gingen vooral over conflicten tussen helden.

In de middeleeuwen trokken verhalenvertellers, acteurs en liedjeszangers over de markten.

In de kerken zetten priesters Bijbelverhalen in scène.

In de 16e eeuw werden de eerste schouwburgen gebouwd. Er werd ook simpele decors wisselingen gedaan en eenvoudige belichting.

5.2 Opera, dans en musical

In de 16e eeuw ontstond ook opera. De eerste bewaarde is L’Orfeo van Monteverdi. Uit de dansen van opera ontwikkelde zich ballet. In begin 20e eeuw kwam dat in verandering. Andere dansstijlen kwamen op zoals jazz. In de jaren ’70 ontstond hiphop in de straten van de ghetto’s. In Nederland werd in 1960 de eerste musical opgevoerd: My fair lady.

1. Wat is architectuur?

Het Nederlandse landschap is bedacht. Bij alles om je heen is nagedacht. Een architect houdt zich bezig met de gebouwen. Hij ontwerpt iets wat voldoet aan deze eisen:



  • Het ziet er mooi uit.

  • Het is bruikbaar voor de functie.

  • Het is degelijk en voldoet aan de veiligheidseisen.

  • Het past goed in de omgeving: stedelijk landschap.

Planologen denken na over grote gebieden: waar komen kantoren en waar mag gewoond worden.

Als je het over een kleinere eenheid hebt zoals een gemeente, dan is het de afdeling stedenbouw die samen met projectontwikkelaars invult hoe de gemeente wordt ingericht.

Sommige architectenbureaus hebben ook ingenieurs in dienst met als opleiding civiele techniek: ze ontwerpen bruggen, viaducten en andere kunstwerken.
2. Architectonische middelen

De voorbijganger baseert zijn mening op de buitenkant van een gebouw. Deze is daarom het meest onderscheidende. De architect houdt zich ook bezig met de binnenkant van het gebouw. Hij bedenkt een geheel van ruimtes, wordt beperkt of verrijkt met de functie van het gebouw en heeft vaak te maken met publiek (uitstraling van het gebouw).

De middelen die een architect tot zijn beschikking heeft om een gebouw te onderscheiden zijn van andere gebouwen zijn:


  • De vorm.

  • De grootte.

  • Het materiaal van de zichtbare buitenkant/de huid.

2.1 De vorm

Onder de vorm van een gebouw verstaan we het spel van de lijnen. Hiermee kan de architect het doel van het gebouw duidelijk maken. Ontwerpen in geometrische vormen kon in de 20e eeuw nog meer worden uitgebuit door nieuwe technieken en bouwmaterialen (beton, gietijzer en glas). Organische vormen zie je vooral terug in de 19e eeuw bij de art nouveau. Het verlangen naar natuur en het bovennatuurlijke kwam terug in de architectuur.

Het karakter van een gebouw wordt bepaald door materiaalgebruik, plaatsing van ruimtes, raampartijen en de omgeving.

2.2 De grootte

De omvang heeft niet alleen met gebruik of behoefte te maken, maar de opdrachtgever wil ook manifesteren: zie mij! Daarnaast is het van belang wie van het pand gebruik maakt.



2.3 Het materiaal van de zichtbare buitenkant/de huid.

Vroeger was het skelet (constructie) van een gebouw van hetzelfde materiaal als de huid (bedekking). Wil je behoudend zijn, dan kies je voor een materiaal dat daaraan refereert. Wil je tonen dat je eigentijds bent, dan kies je voor een materiaal dat laat zien dat jij je tijd vooruit bent.


3. Architectuurstijlen

Er ontstonden vroeger telkens stromingen, de regel was: als de nieuwe stijl in raakt, dan is de andere uit. 100 jaar geleden werd dit patroon doorbroken, want naast het modernisme is men ook traditioneel blijven bouwen. Vaak staan de verschillende stromingen door elkaar. Dit maakt een dorp of stad levendig.

Architecten moeten nu meer kijken wat het grote publiek wil. Er wordt meer gekeken naar klantvriendelijkheid (parkeergelegenheid, plezierige inrichting).
4. Gebouw – Architect – Gebruiker

We volgen de weg van ontwerp naar gebruiker aan de hand van het gemeentehuis Den Haag:



  • Het gebouw: Met welk doel is het gemaakt en wat is de functie?

  • De architect: Wie zijn er allemaal betrokken bij de totstandkoming van het gebouw?

  • De gebruiker: Hoe reageert de gebruiker?



4.1 Het gebouw

Het idee was om een nieuw centrum te creëren buiten het oude centrum, zodat het Centraal Station met de oude binnenstad verbonden zou worden. Het nieuwe stadhuis zou de motor worden voor veel vernieuwingen aan en rond het spui.

Het college van wethouders en burgemeester van Den Haag was de opdrachtgever. Ze nodigden 5 architecten uit om deel te nemen.

Architect Richard Meier kreeg de opdracht. Zijn plan was opgebouwd uit 2 L-vormige gebouwen met lange witte wanden die om een overdekt stadsplein staan.


4.2 De architect

Vaak komt de opdrachtgever via contacten bij een aantal architecten. Als na enkele gesprekken de architect is gekozen, maakt deze een ontwerp en berekent de kosten. Ook maakt hij tekeningen waarop te zien is hoe het gebouw eruit zal zien.

Bij grote projecten werkt men vaak op inschrijving. Architecten ontwerpen een plan en uit een van die plannen word er een gekozen.

De 5 ontwerpen van Den Haag gingen naar de afdeling bouwen en wonen van de gemeente. Deze kijkt of het ontwerp past in het bestemmingsplan, waarin staat waar gebouwd mag worden en wat voor soort gebouwen er gemaakt mogen worden. Ook kijken ze naar de door de wet genoemde technische eisen.

Als dat allemaal goed is gaat het plan naar de welstandscommissie. Deze kijkt hoe het gebouw eruit komt te zien, welke materialen worden gebruikt, of het past in de omgeving en de kwaliteit.

Daarna kan de aannemer aan de slag. De architect heeft zelf een uitvoerder in dienst. Als alles af is vindt de oplevering plaats. De opdrachtgever komt kijken of alles is geworden zoals het was afgesproken. Dan pas tekent hij voor akkoord en vindt de betaling plaats.



4.3 De gebruiker.

De architect heeft heel goed gekeken naar de behoeften van de mensen, de functie van de plek en het gebrek aan structuur op dat moment in de stad.

Het stadhuis in Den Haag is in de eerste plaats praktisch te gebruiken. Maar het staat ook symbool voor dynamisch stadsleven, toonbeeld van democratie, huis voor alle Hagenaars.
5. Architectuur en kunsttheorie

Architectuur begint met een behoefte: een dak boven je hoofd.

5.1 De klassieken

Tot aan de renaissance bouwt men voornamelijk naar de klassieken.

In de middeleeuwen is er een romaanse stijlperiode. Kenmerken zijn rondgebogen en zware muren met kleine vensters. De godsvruchtigheid van de kerkgangers kwam vooral tot uiting in de late middeleeuw in de gotische stijl: de spitsbogen en ribgewelven wijzen naar de hemel.

De versierde portalen vertellen de analfabetische kerkgangers het verhaal van de bijbel.

5.2 Bouwen in rijkdom

In de renaissance kwam door de rijkdom van de burgers de Griekse en Romeinse bouwstijl weer in aanzien. Burgers lieten hun huizen bouwen in strakke symmetrie en belijning. Rijkdom kon je aflezen aan woningen. Het Hollands classicisme straalt je tegemoet bij de grachtenpanden en het paleis op de dam.

Mensen verlangden weer naar de klassieke symmetrische vormen, zoals die werd gebruikt bij Griekse tempels: het neoclassicisme.

5.3 Bouwen als kunst

Pas in de 19e en 20e eeuw werden bouwstijlen naast elkaar gebruikt. Bij neorenaissance en neogotiek werd er teruggegrepen naar vroegere bouwstijlen. Bij art nouveau is er sprake van een nieuwe stijl, hierbij staat schoonheid centraal met vloeiende lijnen en krullerige ornamenten. Er is sprake van een totaalplaatje bij art nouveau: de architect, binnenhuisarchitect en de decorateur werkten samen.

5.4 Functies en vormen.

Werkgevers gingenwoningen buurtjes bouwen voor werknemers. Door stapelbouw werd het gebruik van stalen constructies een feit.



De stijl is een vorm van bouwen waarin lijnen en kleuren een belangrijke rol spelen.

Net als bij het functionalisme, een stijl waar geometrische vormen centraal staan, staat de constructie in dienst van het bouwwerk.

De Amsterdamse school laat bakstenen balkons golven en hoek verdwijnen in rondingen.

5.5 Wijken en waarden

Vaak werd er na de 2e wereldoorlog gekozen voor de snelle constructiebouw: huizen waren schaars. Bij constructiebouw werden onderdelen in de fabriek gemaakt en ter plekke in elkaar gezet.



Strakke straten met veel dezelfde huizen en flats verwijzen naar 1950-1960.

Nu zie je verschillende modernismen, variatie maakt mensen gelukkig.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina