1 Wat leer je bij maatschappijleer?



Dovnload 109.57 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte109.57 Kb.

1 Wat leer je bij maatschappijleer?




Vragen blz. 4

1. Discriminatie is een maatschappelijk probleem, omdat:

- er veel mensen mee te maken hebben;

Jongeren, ouderen, gehandicapten, vrouwen en allochtonen.

- er verschillende meningen over zijn;



Mensen verschillen van mening over hoe streng je tegen discriminatie moet optreden.

Mensen die discrimineren vinden zelf vaak niet dat ze discrimineren.

- de overheid zich ermee bemoeit.



De overheid heeft een wet gemaakt die discriminatie verbiedt en de politie treedt op tegen mensen die discrimineren. Ook organiseert de overheid voorlichtingscampagnes.
2. Eigen uitwerking leerling.

In de uitleg dienen de drie kenmerken van een maatschappelijk probleem aan bod te komen.

Voorbeelden: files, tekort aan huurhuizen, (jeugd)werkloosheid, weinig vertier voor jongeren in nieuwbouwwijken, gevaarlijke oversteekplaatsen voor fietsers en voetgangers, enzovoort.
3. Eigen uitwerking leerling.

Voorbeeldantwoord:

- Zoeken naar een betrouwbare website op internet, bijvoorbeeld www.alcoholinfo.nl.

- Het aan een deskundige vragen. Bijvoorbeeld een arts of onderzoeker van de universiteit.
4. Een mening is een oordeel met kennis van feiten.

Voorbeeld: “Het is oneerlijk dat een bankdirecteur zo veel verdient.”

Een vooroordeel is een oordeel zonder dat je de feiten kent.

Voorbeeld: “Die hangjongeren halen altijd rottigheid uit.”



Omdat jongeren in de buurt wel eens wat vernielen, denk je meteen dat dat groepje hangjongeren ook spullen kapot maakt (veronderstelling).

Maar het kan best een feit zijn dat dát groepje jongeren nooit rottigheid uithaalt.
5. - Feiten over de Nederlandse samenleving leer je ook bij aardrijkskunde, geschiedenis of economie.

- Problemen van verschillende kanten bekijken leer je ook bij aardrijkskunde, geschiedenis, economie of levensbeschouwing.

- Je mening beargumenteren leer je ook bij geschiedenis of levensbeschouwing.

Het antwoord verschilt uiteraard per school, per vak en per docent.

6 Over welke maatschappelijke problemen praten zij? blz. 4


Lisa praat over: onveiligheid / criminaliteit.

Francis praat over: broeikaseffect / milieuvervuiling.

Joep praat over: werkloosheid.

Johan praat over: criminaliteit / terrorisme.
7 Het grootste probleem blz. 5
A. Eigen uitwerking leerling.

B. Eigen uitwerking leerling.

C. Eigen uitwerking leerling.

Neem enkele uitwerkingen van leerlingen en bespreek die met de klas. Is de klas het eens met de aangedragen motivatie waarom het probleem als nummer 1 of 2 wordt beschouwd?

D. Eigen uitwerking leerling.



Vraag enkele leerlingen naar hun antwoord en vraag de klas daarop te reageren.

8 Dilemma blz. 5


A Eigen uitwerking leerling.

Voorbeelduitwerking:

Dilemma: ga ik voor een leuke vakantie (vliegen) of kies ik voor het milieu (niet vliegen)?



Het is een lastige keuze omdat het dilemma te maken heeft met twee dingen die in dit geval eigenlijk niet samengaan, namelijk verre reizen maken en het ontzien van het milieu. Wat geef je voorrang?

B Eigen antwoord leerling.



Leg eventueel de stelling voor: “Als ik op vakantie ga, wil ik even helemaal niet aan het milieu hoeven denken.”

C Eigen uitwerking leerling.



Voorbeelduitwerking:

- De krant of een boek lezen op papier of digitaal?



- Een echte kerstboom of een kunstkerstboom?

- Water uit de kraan of water uit een flesje?

- Wel of niet een minuut korter douchen?

9 Feit of mening? blz. 6




1. Een tasjesdief die doodgereden wordt, heeft het zelf verdiend.

M

omdat: mensen verschillend denken over het straffen van criminelen.










2. Vrouwen kunnen niet leidinggeven.

V

omdat: er genoeg vrouwen zijn die wel goed leidinggeven

(zoals ministers en ziekenhuisdirecteuren).











3. In Nederland mag je niet voor eigen rechter spelen.

F

omdat: in de wet staat dat alleen de overheid mag straffen.










4. Dikke mensen zijn gezellig.

V

7. Nick & Simon is het beste Nederlandse zangduo, want ze hebben de meeste hits.

M













5. GTST is de best bekeken soap.

F

8. Afrikaanse hardlopers zijn sneller dan Europese.

V













6. Elke dag verse groente is gezonder dan elke dag patat.

F

* 9. Een verdachte van terrorisme moet worden teruggestuurd naar zijn eigen land.

M

10 Overlast door leerlingen? blz. 6
A Een voorbeeld van een feit is de tekst is:

- We gingen altijd met z’n allen in de pauze naar de supermarkt.

- De een kocht cola, de ander chips.

- We hebben ze wel eens zitten treiteren, zakken chips overgooien en zo.

- Nu mogen er maar maximaal twee scholieren tegelijk naar binnen.

- Moet je zitten wachten, terwijl je maar heel kort pauze hebt!

B Een voorbeeld van een mening in de tekst is:

- Je wordt als scholier gediscrimineerd.

- Ze behandelen ons als criminelen.

C De bron gaat over criminaliteit (winkeldiefstal).

11 In het nieuws blz. 6
A Ja, omdat:

- er veel mensen mee te maken hebben;



Jaarlijks lopen bijna 6.500 NS-medewerkers letsel op, van een blauwe plek tot erger.

- er verschillende meningen over zijn;



Wel of geen cameratoezicht op stations? Wel of geen in- en uitgangscontroles in de late uren? Wel of geen treinverbod voor daders?

- de overheid zich ermee bemoeit.



Samen met de NS werkt de overheid aan het terugdringen van agressie en geweld in het treinverkeer.

B Dit bericht past ook bij het thema Politiek, omdat de overheid maatregelen neemt of zou moeten nemen.



Eind 2013 luidde de NS de noodklok door middel van een brief aan de minister van Veiligheid en Justitie. In de brief uitte de NS zijn bezorgdheid over het stijgende aantal gevallen van fysiek en verbaal geweld tegen reizigers en NS-personeel: “Het is de overheid die het met een dalend aantal politieposten steeds vaker laat afweten.”

2 Kernbegrippen




Vragen blz. 7

1. Een waarde is een principe of uitgangspunt dat iemand belangrijk vindt.

Een norm is een regel hoe iemand zich moet gedragen.
2. Eigen antwoord leerling.

Voorbeeldantwoord:

Waarde: gezondheid.

Tom gebruikt zelf daarom geen wiet.

Norm: “niet klikken”.

Tom weet dat er wordt gedeald, maar hij vertelt dit niet verder.
3. Veel mensen vinden scheldwoorden met ziektes grof en kwetsend.

En daarom onfatsoenlijk.

Richelle vroeg dus met haar actie ‘Kanker verziekt je taal’ aandacht voor de fatsoensnorm om kanker niet als modewoord te gebruiken.
4. Eigen uitwerking leerling.

Voorbeeldantwoorden:

- Als fietser heb ik belang bij veel aparte fietsstroken met goede verlichting.

- Als zaterdaghulp heb ik belang bij een leuke werksfeer en een goed loon.

- Als scholier heb ik belang bij een rustige klas / weinig lesuitval / docenten die orde houden.

- Als ik uitga heb ik belang bij weinig overlast door andere gasten.
5. Eigen uitwerking leerling.

Voorbeeldantwoorden:

- Ouders. Zolang je minderjarig bent, zijn zij verantwoordelijk voor jou. Daarmee hebben zij ook zeggenschap over je.

- Leraar. Hij geeft huiswerk op, bepaalt je cijfer en kan je strafwerk geven.

- Sporttrainer. Hij geeft instructies die je moet uitvoeren en bepaalt de opstelling van het team.


* 6. Eigen uitwerking leerling.

Voorbeeldantwoord:

Als je eerlijk wilt zijn (= waarde) ga je niet spieken (= norm) om een goed cijfer te halen (= belang).

Voor je gezondheid (waarde + belang) is op tijd naar bed gaan (= norm) het beste, maar dat wil je niet altijd.
* 7. De overheid moet zorgen voor het belang van de hele samenleving en moet mensen soms dwingen iets te doen (zoals belasting betalen).

Burgers denken vaak meer aan hun eigen belang dan aan het belang van de samenleving.

8 Belangen blz. 7


ANWB f. Automobilisten

Vakbond FNV e. Werknemers

Amnesty International b. Politieke gevangenen

Stichting Wakker Dier d. Vee

Stichting Jantje Beton c. Stadskinderen

LAKS a. Scholieren


9 Welke normen en waarden? blz. 8
Voorbeelduitwerking:





regel / norm

waarde

1. Verkeer

In de stad mogen auto’s niet harder dan 50 km/u.

Veiligheid.




Op de scooter / brommer draag je een helm.

Veiligheid / Gezondheid.




Doel: meer verkeersveiligheid.




2. School

Geen telefoons aan in de klas.

Respect / Fatsoen.




Niet spieken.

Eerlijkheid.




Doel van ‘telefoon uit’: rust in de klas.







Doel van ‘niet spieken’: een eerlijk verdiend cijfer.




3. Gezin

Er wordt om 18.00 uur samen aan tafel gegeten.

Saamhorigheid / Gezelligheid.




Handen wassen voor het eten.

Hygiëne.

4. Sportclub

Na de wedstrijd geef je de tegenstander een hand.

Sportiviteit.




Doe voor elke training een warming-up.

Gezondheid.

5. Werk

Je bent op tijd aanwezig.

Betrouwbaarheid.




Je laat je werkplek netjes achter.

Ordelijkheid.

10 Wat doe jij? blz. 8


Eigen uitwerking leerling.

Het is interessant om te kijken of de leerling kiest voor de reactie waarbij de eigen veiligheid voorop staat (omstanders roepen en 112 bellen), of dat ze actief verantwoordelijkheid nemen (ernaartoe gaan).

Opmerking: voor de wet ben je verplicht iemand in nood te helpen. Wijs de leerlingen op deze plicht. Vinden zij die terecht?

11 Wie heeft de meeste macht? blz. 8


Eigen antwoord leerling.

Voorbeeldantwoorden:

Barack Obama is leider van een van de machtigste landen ter wereld.

Een chirurg kan er soms voor zorgen dat je beter wordt en niet doodgaat.

De paus heeft als leider van de katholieke kerk miljoenen volgelingen.

In het leger hebben soldaten wapens en kunnen iemand doden.



Of een president afzetten en de macht in een land overnemen.

12 De jeugd van tegenwoordig … blz. 9







waarden

normen

Joop

Respect

Je moet je tegenover anderen correct gedragen.




Veiligheid

Je mag andere mensen geen overlast bezorgen.




Beheersing

Je moet niet toegeven aan een ‘korte lontje’.










Sylvia

Fatsoen

Ruim je eigen rommel op.







Je dient elkaar correct aan te spreken.







Wacht tot je aan de beurt bent.

13 Welk machtsmiddel? blz. 9




situatie

machtsmiddel(en)

1. Ex-inbreker adviseert over inbraakpreventie.

kennis en vaardigheden / overtuigingskracht

2. De minister van Financiën waarschuwt jongeren voor het maken van schulden.

functie

3. ‘Televoters’ kiezen Conchita Würst als winnaar van het Eurovisie Songfestival.

aantal

4. Volgens een automonteur is de auto niet meer te repareren.

kennis

5. Ouders verbieden hun 16-jarige dochter op kamers te gaan wonen.

functie (= ouder)

6. Facebook kocht voor ruim 14 miljard euro Whatsapp.

geld

7. Kevin moet zijn mobieltje aan de leraar geven omdat deze is afgegaan in de klas.

functie

8. Bij een demonstratie pakt de politie tien relschoppers op.

geweld / functie

9. Je vrienden in de klas halen je over mee te gaan op vakantie naar Spanje.

overtuigingskracht



3 Uitgaansgeweld




Vragen blz. 10

1. Uitgaansgeweld is een maatschappelijk probleem, omdat:

- er veel mensen last van hebben;

Onder anderen uitgaande jongeren, café-eigenaren, omwonenden, politie, de gemeente. Jaarlijks zijn er duizenden geregistreerde incidenten. Lees een plaatselijke krant en je ziet dat er in de uitgaanscentra in de steden elk weekend wel arrestaties worden verricht.

- er veel verschillende meningen zijn over de aanpak;



Stappers, politie, horeca, omwonenden en de gemeente hebben allemaal eigen belangen en visies hoe je uitgaansgeweld kunt verminderen.

- de overheid zich ermee bemoeit.



De overheid maakt regels over sluitingstijden en zet politie en camera’s in.
2. 1. Steeds meer mensen gaan tegelijk uit.

Daardoor is er een grotere kans op ruzie.

2. Door alcoholgebruik beheersen mensen zich minder goed.

3. De normen en waarden worden vrijer.

Sommige mensen doen gewoon waar ze zin in hebben.
3. Eigen mening leerling.

Voorbeeldantwoord:

- Fouilleren is de beste maatregel, want dan worden wapens in beslag genomen en lastige, dronken jongeren opgepakt.

- Geen alcohol onder de 16 is minder geschikt, want een goede controle is onmogelijk.

Opmerking: per 1 januari 2014 is de Drank- en Horecawet aangepast. Aan jongeren onder de 18 jaar mag nu geen alcohol meer worden verkocht.

Ouderen kopen drank voor jongeren, jongeren gooien zelf een alcoholdrankje in de cola, de barkeeper kan toch niet zien wie wat drinkt.


* 4. Eigen mening leerling.

Voorbeeldantwoorden:

De overheid, want die moet zorgen voor de veiligheid van mensen. Dat is hun plicht.

De mensen zelf, want iedereen is ook een beetje verantwoordelijk voor anderen.

Bijvoorbeeld de café-eigenaar die niet te veel alcohol verkoopt aan aangeschoten klanten en mensen waarschuwt die vervelend doen.

De mensen die uitgaan, horen zich gezellig te gedragen en moeten een ruziezoeker uit de weg gaan.

5 De een wil dit, de ander dat blz. 10


Eigen uitwerking leerling.

Voorbeelduitwerking:

A De horeca en de politie hebben een tegengesteld belang, want de horeca wil veel drankjes verkopen en de politie wil geen dronken mensen op straat.

B De politie en uitgaande jongeren hebben een gemeenschappelijk belang, want zij willen allebei veilig uitgaan zonder ernstige ongelukken.

C De horeca en de politie hebben een gemeenschappelijk belang, want zij willen geen overlast en vechtpartijtjes.


6 Jongeren en geweld blz. 11
A


Twee feiten:

- Tot 2007 stijgt elk jaar het aantal jongeren dat voor geweld is opgepakt.

- Vanaf 2008 neemt het aantal opgepakte jongeren jaarlijks af.

B Eigen uitwerking leerling.



Voorbeelduitwerking:

- De regels voor alcoholverkoop aan jongeren strenger maken.



Bij veel geweldsmisdrijven is alcohol in het spel.

- Meer camera’s in uitgaansgebieden ophangen.



Dat werkt preventief en er worden daardoor meer geweldplegers opgepakt.

- Voorlichting over groepsgedrag geven.



Vooral in groepen gaan jongeren over tot geweld: stoer willen doen.

7 Veldslag op strandfeest blz. 11


A - Een grote groep jongeren die tegelijk uitgaan.

- Gebruik van alcohol en drugs.

Ook oorzaak van het geweld: normvervaging en agressief gedrag tegen de politie.

B Eigen uitwerking leerling.



Voorbeeldantwoorden:

Ik vind dit een goede maatregel, omdat jongeren dan gaan nadenken over de gevolgen van hun gedrag.

Ik vind dit geen goede maatregel, omdat jongeren kunnen blijven uitgaan.
* 8 Dilemma blz. 12
A Eigen uitwerking leerling.

Voorbeelduitwerking:

Dilemma: Moet de politiek kiezen voor persoonlijke vrijheid (niet fouilleren) of voor veiligheid in de samenleving?



Dit dilemma gaat meer over een keuze van politici dan over een persoonlijke keuze, omdat je niet zelf kunt kiezen voor of tegen preventief fouilleren.

B Privacy en veiligheid.

C De machtsmiddelen functie, aanzien en aantal.

D Eigen mening leerling.



Voorbeeldantwoorden:

Preventief fouilleren in uitgaansgebieden is WEL goed, omdat hierdoor mensen geen wapens meer meenemen.

Preventief fouilleren in uitgaansgebieden is NIET goed, omdat iedereen recht heeft op privacy.

9 Verliefdheid blz. 12


Eigen uitwerking leerling.

Voorbeeldantwoorden:

Ik denk dat jongeren STOPPEN met geweld als ze verliefd worden, omdat ze dan niet meer stoer hoeven te doen om indruk te maken op meisjes en vrienden.

Ik denk dat jongeren NIET STOPPEN met geweld als ze verliefd worden, omdat sommige jongeren vechten en geweld leuk vinden.

10 Oplossingen blz. 12




oplossing

argument voor

argument tegen

1.

- Zware straffen schrikken daders af.

- Langere straffen betekent dat je in die tijd niet iets kunt doen dat strafbaar is.



- Straffen maken je geen beter mens.

- In de gevangenis leer je van anderen vooral criminele trucs.

- Straffen veroorzaken bij gestraften meer agressie (tegen de samenleving).


2.

- Als jongeren wat ouder zijn, kennen ze beter hun eigen grenzen.

- Hierdoor houd je een jongere risicogroep buiten de deur.



- Dan gaan ze wel naar andere uitgaansgelegenheden.

- De meeste daders zijn ouder dan 18!



Je lost dus niets op.

3.

- Camera’s schrikken af.

- Videobeelden helpen bij opsporing van daders.



- Het probleem zal zich verplaatsen naar plekken zonder camera.

- Door al die camera’s hebben mensen helemaal geen privacy meer.




Klassengesprek blz. 13
Neem voorafgaand de acht regels bij het klassengesprek door. Laat de klas dan een stelling kiezen.

Let erop dat de leerlingen zo veel mogelijk argumenten en feiten aandragen.

Zie ook de bladzijden Klassengesprekken op pagina 7 en 8 van deze handleiding.
Voorbeelden van argumenten:
Uitgaansgeweld los je alleen op door veel strenger te straffen.”

Argument voor:

Strengere straffen schrikken af. Mensen passen dan wel op om ruzie te gaan zoeken.

Argument tegen:

Mensen met veel drank op denken meestal niet aan de gevolgen van hun domme gedrag.
Kroegen waar iedere week een vechtpartij is, moeten gesloten worden.”

Argument voor:

De eigenaar doet blijkbaar niks aan verbetering van de situatie. Hij kan bijvoorbeeld een portier bij de deur zetten.

Argument tegen:

Je moet de eigenaar van dat café eerst de gelegenheid geven om maatregelen te nemen.
Met meer camera’s in uitgaansgebieden neemt het geweld vanzelf af.”

Argument voor:

Als mensen weten dat ze gefilmd worden, passen ze wel op om zich te misdragen.

Argument tegen:

Mensen met veel drank op denken toch niet aan de gevolgen van hun daden.
Jongeren die herrie schoppen moeten niet alleen uit de kroeg of disco gezet worden, maar ook een uitgaansverbod van bijvoorbeeld een maand krijgen.”

Argument voor:

Herrieschoppers moeten goed de gevolgen van hun gedrag merken. Als ze een maand niet mogen stappen, vinden ze dat rot en bedenken ze zich een volgende keer wel.

Argument tegen:

Dat is een veel te zware straf. Als je uit een kroeg wordt gezet, ga je al af voor je vrienden en ben je eigenlijk al zwaar gestraft.

Alcohol, waar ligt de grens?


11 Hoe werkt alcohol? blz. 14


A Je gezichtsvermogen gaat al snel achteruit (1-3 glazen).

B Bij 1-3 glazen alcohol gaan je ademhaling en polsslag sneller, maar bij meer dan 20 glazen gaan ze juist veel langzamer.

C Eigen uitwerking leerling.

Voorbeeldantwoord:

Stoer doen, groepsgedrag, eigen grenzen niet kennen, niet goed kunnen plannen of consequenties op (langere) termijn niet kunnen overzien.

12 Alcohol een maatschappelijk probleem? blz. 14
A Eigen uitwerking leerling.

Voorbeelduitwerking:

Alcoholgebruik door jongeren is wel een maatschappelijk probleem, want:

- er zijn veel mensen bij betrokken;

De drinkende jongeren, de ouders, hulpverleners, politie, kroegbazen, en anderen.

- er zijn verschillende meningen over de aanpak;



Wel of niet verbieden, verhogen van de leeftijdsgrens, voorlichtingscampagnes.

- de overheid bemoeit zich ermee.



Voorlichtingscampagnes, landelijke wetten en gemeentelijke regels over het al dan niet toestaan van alcohol, de aanwezigheid van politie, enzovoort.

B Eigen uitwerking leerling.



Let in het antwoord van de leerling op het gebruik van argumenten.

Bespreek enkele uitwerkingen van leerlingen klassikaal.

Discussieer over de stelling: “Jongeren onder de 21 jaar moeten geen alcohol drinken.”
13 Alcoholgebruik blz. 15
A Eigen uitwerking leerling.

Voorbeeldantwoord:

Jongens willen daarmee stoer doen of zich bewijzen in een groep. Bovendien hebben jongens vaak meer alcohol nodig dan meisjes om een bepaald effect te bereiken.



Jongens hebben meer lichaamsvocht dan meisjes, ze breken meer alcohol af in de maag en ze hebben een iets grotere lever dan meisjes.

B Eigen uitwerking leerling.



Voorbeeldantwoord:

- Preventie, zoals meer voorlichting geven over de gevolgen van alcoholgebruik op lange termijn.

Niet alleen aan jongeren, maar ook aan ouders. De politiek en de overheid moeten ouders en jongeren wijzen op hun verantwoordelijkheid.

- Strenge regels, zoals het verhogen van de leeftijd voor het kopen of drinken van alcohol naar 21 jaar.

- Overtredingen strenger bestraffen.

14 In het nieuws blz. 15


A Aan het belang van de volksgezondheid.

Vooral jongeren lopen kans op lichamelijke schade bij alcoholgebruik.

B Eigen uitwerking leerling.



Neem enkele uitwerkingen van leerlingen en bespreek die met de klas. Is de klas het eens met de aangedragen motivatie wie vooral verantwoordelijk is als het gaat om alcoholmisbruik onder jongeren?
Samenvatting blz. 17 en 18

Hoofdstuk 1

Bij maatschappijleer leer je:

- van alles over de Nederlandse samenleving;

- hoe je maatschappelijke problemen kunt bekijken;

- hoe je met goede argumenten je mening kunt geven.
Je noemt een probleem een maatschappelijk probleem als:

- er veel mensen mee te maken hebben;

- mensen er verschillende meningen over hebben;

- de overheid zich met het probleem bemoeit.


Voor een goede mening moet je:

- de feiten kennen;

- de zaak van verschillende kanten bekijken;

- argumenten gebruiken.



Hoofdstuk 2

Bij maatschappijleer spelen de volgende begrippen een belangrijke rol:

- Normen zijn regels hoe jij en anderen zich moeten gedragen.

- Waarden zijn de principes of uitgangspunten die je belangrijk vindt in het leven.

- Het belang is het voordeel dat je ergens van hebt.

- Macht is de mogelijkheid om het gedrag van anderen te beïnvloeden.

Als belangen met elkaar botsen, noem je dit een belangentegenstelling.

Je beroep, aanzien, overtuigingskracht zijn voorbeelden van machtsmiddelen.



Hoofdstuk 3

Als je een maatschappelijk probleem goed wilt begrijpen, kun je de vier volgende vragen stellen:


1. Wat is het probleem? Bij het uitgaan is dat agressie en overlast, veelal onder invloed van alcohol.

2. Wie hebben ermee te maken en wat willen ze?

Bij het uitgaan willen:

- horecaondernemers bijvoorbeeld een hoge omzet, dus veel publiek trekken.

- de politie orde en rust, en dus niet te grote drukte.

- ruziezoekers spanning en actie.

3. Wat zijn de oorzaken van het probleem?

Oorzaken van uitgaansgeweld zijn: de grote drukte, alcoholgebruik, verminderd normbesef.

4. Wat zijn de mogelijke oplossingen?

Bij uitgaansgeweld zou de overheid bijvoorbeeld een drankverbod kunnen instellen voor jongeren / meer camera’s kunnen ophangen / meer politie inzetten / meer voorlichting geven over de risico’s / eisen kunnen stellen aan de horeca m.b.t. drankverkoop, sluitingstijden en deurbeleid.


Begrippenlijst blz. 19

Een maatschappelijk probleem heeft drie kenmerken:

1. Het is een groot probleem waar veel mensen mee te maken hebben.

2. Er zijn verschillende meningen over.



3. De overheid bemoeit zich ermee.
Een feit is iets wat echt waar is en wat je kunt bewijzen.
Een vooroordeel is een oordeel over iets of iemand zonder dat je de feiten kent.
Een argument is iets wat je vertelt om aan te tonen waarom jouw mening goed is.
Een waarde is een principe of uitgangspunt dat iemand belangrijk vindt in het leven.
Een norm is een regel hoe iemand zich moet gedragen.
Een belang is het voordeel dat je ergens van hebt.
In een belangentegenstelling zijn er verschillende belangen die met elkaar botsen
Macht is de mogelijkheid om het gedrag van anderen te beïnvloeden.
Een machtsmiddel is een middel waarmee je het gedrag van anderen probeert te beïnvloeden.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina