1 What sort of thing is a mind? (p 1) 1 Theories of mind



Dovnload 126.26 Kb.
Pagina1/7
Datum22.08.2016
Grootte126.26 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7


Samenvatting: What is a Mind?

Auteur: Suzanne Cunningham



Door Niels Krijger (niels@kryger.nl)
25-6-2009

1 What sort of thing is a mind? (p 1)

1.1 Theories of mind

1.1.1 Substance dualism


Idee dat het lichaam fysiek is en de geest niet-fysiek. Descartes kwam met Substance Dualism (substantie dualisme) dat zegt dat de geest een substantie moet zijn.

Substantie: in filosofische termen is het iets dat eigenschappen heeft.

Argumenten voor:



  • Onsterfelijkheid: als de geest geen substantie is kan het niet onafhankelijk bestaan en dus kan niet voortbestaan als het lichaam sterft. Met het idee van onsterfelijkheid is de geest als substantie noodzakelijk.

  • Vrije wil: mensen kunnen keuzen maken. Als vrije wil vastligt in iets materialistisch dan wordt het een lastig verhaal; vrije wil is dan gebonden aan natuurwetten.

  • Hoe we ons lichaam en geest kennen (introspectie): we ervaren mentale staten niet als een hersentoestand. Het is asymmetrisch: we zien wel onze lichamen maar kunnen mentale toestanden niet aflezen. Dus moet lichaam en geest ook gescheiden zijn. Bijv: Descartes gebruikte fantoompijn, het voelen van een verdwenen ledemaat.

Argumenten tegen:

  • Introspectie is onbruikbaar: introspectie is net zo betrouwbaar als zintuigelijke perceptie. Als we alles zouden weten door er alleen naar te kijken zou wetenschap ook geen bijdrage hebben aan de maatschappij.

  • Interactie: hoe interageren (= op elkaar inwerken) een fysiek lichaam en een niet-fysieke geest? Hier is geen goed antwoord voor. Descartes gebruikte Animal spirits (kleine lichaampjes die door het bloed stromen, Descartes zag deze puur als mechanisch). Dit is echter geen echte verklaring voor de interactie.

  • Evolutionair: hoe is deze niet-fysieke geest ontstaan? Religieuzen zeggen hier dat God deze geschapen moet hebben.

1.1.2 Mind is not a thing at all


Gilbert Ryle beargumenteerde dat Descartes een category mistake maakte (je ziet wel wat gebouwen en studenten, maar waar is de universiteit?). Descartes Substance Dualism noemt de geest een ding met daarbij een grote hoeveelheid niet-fysieke eigenschappen. Volgens Ryle is de geest niet fysiek of niet-fysiek, het is geen ‘ding’. Het is een collectieve naam voor patronen van gedrag. Mede door Ryle spreken we nu meer over mentale toestanden dan over de geest.

Argumenten voor:



  • Interactie opgelost: problemen van de geest kunnen vertaald worden in problemen rondom gedrag.

Argumenten tegen:

  • Vertalen van mentale toestand naar gedrag brengt problemen: “Sally wil koffie” zou je vertalen in “Als er koffie is zal Sally wat gaan halen”. Echter, Sally zal alleen koffie gaan halen als zij ook gelooft dat er koffie is.

1.1.3 Behaviorism


Voor behaviorisme was er introspectie met als grootste probleem dat als een individu een afwijkende verklaring gaf er geen onafhankelijke verklaring voor kan worden gegeven.

  • Metafysisch Behaviorism: mentale toestanden worden geïdentificeerd met gedrag.

  • Methodological Behaviorism: geen claim op de natuur van mentale toestanden, mentale toestanden kunnen privé zijn maar gedragsanalyse kan hierbij bijdragen.

Argumenten voor:

  • Onderzoekbaarheid: het mentale kan onderzocht worden m.b.v. wetenschappelijke methoden.

  • Alles fysiek: geen probleem iets fysieks en niet-fysieks met elkaar te verbinden.

  • Voorspelbaarheid: het gedrag kan voorspeld en gecontroleerd worden, waardoor praktisch nuttig.

Argumenten tegen:

  • Vertalen van mentale toestand naar gedrag brengt problemen: zelfde als vorige paragraaf, er is meestal een impliciete verwijzing naar een verborgen mentale toestand. Het is niet mogelijk om een volledig behavioristische verklaring te geven voor mentale toestanden.

  • Kwalitatief: het legt niet uit in welke gradaties een mentale toestand voorkomt (klein beetje pijn of heel veel pijn, ook wel qualia genoemd).

  • Acteren: je hoeft niet te handelen naar je mentale toestand.

1.1.4 Physicalism


Alles is onderhevig aan de natuurwetten (physicalisme werd ook wel materialisme genoemd). De geest zit in het brein. Uiteindelijk kan alles verklaard worden door fysieke wetenschappen.

  • Central State Identity Theory (of gewoon Identity Theory): naast stimulus-response van behaviorisme zijn er interne mentale toestanden en die kunnen niet alleen uitgelegd worden door gedrag. Deze toestanden zijn identiek aan hersentoestanden. 2 variaties:

    • Type physicalism: specificeert een type mentale toestanden die overeenkomen met mentale toestanden. Probleem: verschillende breinen (anderen dieren of zelfs individuen) kunnen dezelfde mentale toestanden hebben (bijv. angst). Oplossing: brain-state type dat refereert naar de activiteit van neuronen in een specifiek gebied.

    • Token physicalism: iedere mentale toestand is identiek met een fysieke toestand, dezelfde mentale toestand kan op meerdere manieren optreden. Probleem: hoe kan het dat totaal verschillende toestanden hetzelfde effect bewerkstelligen? Oplossing: domein specifiek, dus voor elke diersoort eigen theorieën. Oplossing 2: mentale toestanden komen overeen in dat zij dezelfde functie hebben.

  • Eliminative Physicalism: geen referenties naar mentale toestanden, deze bestaan niet. Als neurowetenschappen klaar is zullen er geen toestanden zijn die wij kunnen identificeren met de concepten uit Folk Psychology.

  • Reductive Physicalism: mentale toestanden kunnen herleidt worden naar fysieke hersentoestanden (versie van Identity Theory). Het ontkent mentale toestanden dus niet.

  • Nonreductive Physicalism: sommige delen van de fysieke werkelijkheid kunnen niet gereduceerd worden tot wetenschappelijke theorieën. Neurowetenschappen praat over neuronen en neurotransmitters, dit kan niet verbonden worden met Folk Psychology begrippen.

Argumenten voor:

  • Bewijslast: er zijn geen argumenten voor het bestaan van een niet-fysieke geest.

Argumenten tegen:

  • Onsterfelijkheid: wordt genegeerd (geen bewijs dat dit concept bestaat).

  • Vrije wil: wordt genegeerd (geen bewijs dat dit concept bestaat).

  • Assymetrie: het legt niet uit waarom mentale toestanden alleen op introspectieve manier toegangelijk is en de rest van de wereld niet.

  • Bewustzijn: wordt niet verklaard.

  • Intentionaliteit: mentale toestanden gaan ergens over, ze zijn ergens op gericht. Deze intentionaliteit lijkt voor ons niet-fysiek van aard.

  • Qualia: mentale toestanden kunnen misschien wetenschappelijk verklaard worden maar de wetenschap kan niet verklaren hoe jij het ziet.

1.1.5 Property Dualism


De mens is een fysiek wezen met zowel fysieke als niet-fysieke eigenschappen. Deze niet-fysieke eigenschappen zijn processen van fysieke elementen. Als de toestand complex genoeg is ontstaat bewustzijn, geloven, wensen e.d.

  • Weak property dualism: vorm van nonreductive physicalism, mentale eigenschappen behoren nog altijd tot de fysieke wereld (atomen e.d.)

  • Strong property dualism: mentaal wijst naar iets niet fysieks, zijn metafysieke unieke eigenschappen.

Argumenten voor:

  • Interactie: verklaard verschillende toestanden (in tegenstelling tot Substance Dualism).

  • Hersenen: deze worden nu betrokken bij mentale toestanden (in tegenstelling tot Substance Dualism).

  • Evolutionair: niet langer een probleem.

  • Eigenschappen in plaats van 1 brein: het ziet de hersenen niet als een alles-of-niets ding.

Argumenten tegen:

  • Weak Property Dualism: heeft dezelfde problemen als physicalism.

  • Strong Property Dualism:

    • Relatie niet-fysieke mentale toestanden en hersentoestanden: moet uitgelegd worden. Oplossingen zijn (1) de mentale toestanden veroorzaken iets in de hersenen of (2) dit doen ze niet. Bij de eerste lijken de problemen dan op Substance Dualism, bij de ander krijg je een epifenomenaal probleem: iets (in dit geval bewustzijn, geloven, wensen e.d.) hebben geen veroorzakende kracht, kennen dus geen invloed.

1.1.6 Functionalism


Komt voort uit het idee van intelligent buitenaards leven zonder hersenen maar wel met dezelfde ‘mentale toestanden’. Hoe dit op te lossen? Dieren (met name apen) kunnen in redelijke mate dingen leren. Experimenten laten zien dat zij mentale toestanden hebben. Plus de computer blijkt sommige vaardigheden veel beter uit te voeren dan mensen. De vraag die hieruit naar voren kwam was: wat moet een systeem doen om intelligent te zijn of mentale toestanden te hebben? Twee kenmerken:

  • Functionele definitie: het gaat om wat het systeem kan doen en niet langer waaruit het bestaat (niet langer een compositie definitie maar een functionele).

  • Incorporeert Behaviorisme en Identity theory: belang van input/output maar zegt ook dat er wat gebeurt in het systeem. Echter: het ontkent dat mentale toestanden identiek zijn aan hersentoestanden. Bij behaviorisme zegt het dat er ook iets interns aan de hand is waar het hier juist tegenin gaat.

Variaties:

  • Machine functionalism: Turing Machine: iets neemt een input , verwerkt dat en produceert een output. Ofwel, x = y*3 (x = output, y = input). Deze functies representeren mentale toestanden, ze zijn niet te herleiden tot de natuurwetenschappen.
    Voordeel: algemene theorie van mentale toestanden onafhankelijke van de fysieke compositie.
    Nadeel: zegt niets over kwalitatieve karakter (qualia) van mentale toestanden.

    • Inverted Spectrum argument: ondanks dat we bijv. een kleur verschillend ervaren (een tomaat lijkt voor de ene rood, voor een ander blauw), de functie van de mentale toestand blijft hetzelfde.

    • Absent qualia argument: gedachte-experiment: er kan een zombie bestaan met dezelfde input, verwerking en output maar zonder qualia. Het zou logisch mogelijk moeten zijn dat dergelijke zombies zouden kunnen bestaan.

Verder zegt Machine functionalism niets over de rol van fysiologie in psychologische toestanden zoals angst of boosheid.

  • Homuncular functionalism: de operaties van intelligente systemen moeten begrepen worden in een hiërarchisch systeem van elementen die samenwerken. Elk element kan 1 operatie uitvoeren en deze naar de volgende laag doorsturen. De bovenste elementen lijken slim omdat deze alle onderste lagen gebruiken voor het eindresultaat.

  • Teleological functionalism: massa’s van niet intelligente biologische elementen produceren het resultaat (komt sterk overeen met homuncular functionalism).

Argumenten voor:

  • Nieuwe aanpak: gaat volledig voorbij aan dualisten en fysicalisten die al eeuwen tegen elkaar aan het debatteren zijn. Niet langer in een cartesiaans theater (een homunculus (= klein poppetje) in de hersenen krijgt via de menselijke zintuigen een afspiegeling van de buitenwereld).

Argumenten tegen:

  • Te liberaal: het idee dat een computer bewustzijn kan hebben gaat te ver. Qualia moeten geïncorporeerd zijn in de theorie.

  • Overleven: systemen gebruiken stimuli niet voor hun eigen bestaanszekerheid, dit zou functionalisme moeten incorporeren.




  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina