10. obn-onderzoek aan laagveenwateren



Dovnload 294.17 Kb.
Pagina1/4
Datum22.07.2016
Grootte294.17 Kb.
  1   2   3   4
10. OBN-Onderzoek aan laagveenwateren


    1. Plan van aanpak

Bij het samenstellen van het preadvies is gebleken dat voor degelijk onderzoek naar het herstel en beheer van laagveenwateren een combinatie nodig is van hydrologische, biogeochemische, vegetatiekundige, en faunistische kennis. Dit pleit dus sterk voor een onderzoeksconsortium waarin deze waaier van expertise vertegenwoordigd is.

Voor experimentele maatregelen zijn globaal twee opties mogelijk: een gebiedsgerichte benadering per onderzoeksgroep of geïntegreerd onderzoek op meerdere locaties. Het Deskundigenteam Laagveenwateren heeft een sterke voorkeur voor de tweede variant, waarbij kennis en expertise van verschillende disciplines samengebracht worden. Voor de uit te voeren experimentele maatregelen zal door het Deskundigenteam Laagveenwateren een aantal referentiegebieden in Nederland gekozen worden. Deze zullen geselecteerd worden op grond van hun geschiktheid om de gewenste deelonderzoeken te kunnen uitvoeren. Bij de planning van het onderzoek zal ook zoveel mogelijk aansluiting gezocht worden bij de regionale beheersvisies. Daarnaast heeft het de voorkeur om, ter vergelijking, een aantal buitenlandse referentiegebieden te kiezen als (minder verstoorde) referentie.

De plannen voor onderzoek gaan er vanuit dat de benodigde beheersmaatregelen in de onderzoeksgebieden (referentiegebieden) ook daadwerkelijk uitgevoerd worden. Dit is echter ook zeer waarschijnlijk, aangezien beheerders van referentiegebieden bij het aanvragen van subsidie in het kader van OBN voorrang krijgen.

De bedoeling van het onderzoek is om door middel van gericht onderzoek erachter te komen wat de sturende processen en factoren voor het herstel van laagveenwateren zijn. Alleen door op deze wijze onderzoek te doen, kan het proces van trial and error, waarop herstelbeheer vaak gebaseerd is, losgelaten worden. Het wordt daarmee mogelijk om:


  • de exacte oorza(a)k(en) van achteruitgang te kennen;

  • de stuurvariabelen voor succesvol herstel te kennen;

  • deze variabelen zo te manipuleren dat er ook daadwerkelijk succesvol herstel optreedt (toename gewenste soorten/biodiversiteit);

  • een inschatting te maken van de kansrijkdom van natuurgebieden;

  • een voorspelling te doen over de ontwikkelingen van natuurgebieden.

Een goed voorbeeld van deze werkwijze is het EGM/OBN-onderzoek aan zwakgebufferde wateren (Bellemakers et al., 1993; Brouwer et al., 1996). Voor deze ecosystemen is nu met zeer grote zekerheid te zeggen of het betreffende geëutrofieerde en/of verzuurde ven te restaureren is, en op welke wijze dit dient te gebeuren (via een sleutel voor het beheer; Arts & Van Duinhoven, 2000). Door de opgebouwde kennis van de sturende processen en factoren leiden ingrepen hier in vrijwel alle gevallen tot een succesvol resultaat.

Investeringen in kennis van sturende processen en factoren leveren dus goed gereedschap om gericht herstelbeheer te kunnen uitvoeren in laagveenwateren, en om te kunnen kiezen voor kansrijke situaties boven situaties die vrijwel zeker dreigen te mislukken. Hierdoor kan efficiënt en economisch gewerkt worden, zeker in het licht van de over het algemeen zeer hoge kosten die gemoeid zijn geweest met tot nu toe uitgevoerde herstelprojecten in laagveenwateren.

10.2 Uitwerking, planning en kostenraming


De in 7.2 gedefinieerde kennislacunes roepen verschillende onderzoeksvragen op, die gegroepeerd kunnen worden rond drie, sterk met elkaar samenhangende, centrale thema’s:
Thema 1: Hydrologie en hydrochemie

Thema 2: Herstel van het aquatische laagveensysteem

Thema 3: Herstel verlanding en veenvorming


Deze drie thema’s hebben tot doel om de kennislacunes in het herstelbeheer van laagveenwateren aan te pakken door het genereren van basale kennis over sturende processen en factoren. Hierbij worden, naar aanleiding van de analyse in hoofdstuk 7, de kennislacunes bij zowel de hydrologisch/hydrochemische processen/factoren (landschapsniveau/systeemniveau), de eutrofiëring van aquatische vegetaties (m.n. systeemniveau), en (het achterwege blijven van) verlandingsuccessie en veenvorming (m.n. systeemniveau) aangepakt. Aangezien deze drie thema’s onmogelijk afzonderlijk van elkaar onderzocht kunnen worden, is hieronder een structuur voorgesteld waarbij verschillende betrokken disciplines intensief met elkaar samenwerken. Dit garandeert een systeemecologische aanpak van de problemen die gesignaleerd zijn bij de analyse van het (herstel)beheer van laagveenwateren. De planning en uitvoering van het onderzoek zal in nauw overleg met zowel het Deskundigenteam Laagveenwateren als de betrokken beheerders geschieden. Op deze wijze kan ervoor zorg gedragen worden dat maatregelen ook daadwerkelijk leiden tot het herstel en behoud van de biodiversiteit in laagveenwateren. Het Deskundigenteam Laagveenwateren kent aan deze drie thema’s de hoogste prioriteit toe. Daarnaast is er behoefte aan een heldere integratie van de kennis uit deze drie thema’s, wat uiteindelijk moet leiden tot modellering van de verworven kennis op landschapsecologisch niveau:
Thema 4: Systeemanalyse
Dit vierde thema krijgt de tweede prioriteit van het Deskundigenteam.

Ad thema 1: De hydrologie en hydrochemie, op landschapsecologische schaal, zijn in sterke mate bepalend voor de waterkwaliteit in laagveenwateren (met name de concentratie aan voedingsstoffen). Hierbij gaat het echter ook om de effecten op interne processen, zoals bij peilfluctuaties (waterkwantiteit) en interne mobilisatie van voedingsstoffen door de macro-ionensamenstelling van het voedende water (waterkwaliteit). Het eerste thema stelt de hoofdvraag welke hydrologie en –chemie gewenst is voor herstel en terugkeer van levensgemeenschappen in laagveenwateren. Dit betreft dus zowel een kwantitatieve (m.n. peilbeheer) als een kwalitatitieve kant. Er is een duidelijk raakvlak met thema 2 en 3, waarbij het binnen het eerste thema gaat om onderzoek naar de condities die randvoorwaarden scheppen voor herstel van laagveenwateren, op landschapsecologisch en systeemecologisch niveau.
Ad thema 2: Het blijkt moeilijk om aquatische gemeenschappen van laagveenwateren te herstellen. Vaak is de hoge trofiegraad van het water (en de bodem), gepaard gaand met verstoorde trofische interacties, de oorzaak hiervan en lukt het niet of nauwelijks om deze eutrofiëring te bestrijden. Met name over de interne component bij eutrofiëring is weinig of geen informatie beschikbaar. Bij verlaging van de nutriëntenbeschikbaarheid door interne maatregelen, waaronder actief biologisch beheer, is het moeilijk of niet in te schatten wanneer een omslag naar helder water verwacht kan worden en of deze situatie blijvend is. De waterkwaliteit in een laagveenwater wordt echter sterk beïnvloed door de hydrologie op landschapsniveau, met name door de waterkwaliteit van het voedende water en door peilfluctuaties (thema 1).
Ad thema 3: Net als bij thema 2 is waterkwaliteit ook van doorslaggevende betekenis voor het al dan niet ontstaan van verlandingsgemeenschappen. Het betreft hier zowel helofytenvegetaties als vegetaties die kraggen en drijftillen vormen. Verlanding en veenvorming is een wezenlijk proces in laagveenwateren, dat niet of nauwelijks meer optreedt. Naast de chemische karakteristieken is mogelijk ook de morfometrie van laagveenwateren belangrijk bij dit proces. Bij verlandingsgemeenschappen lijkt het er sterk op dat, meer nog dan bij de aquatische gemeenschappen, een gebrek aan diasporen een belangrijke rol speelt bij het achterwege blijven van successie (voorraad en dispersie). Voor fauna kan gebrek aan dispersiemogelijkheden ook een oorzaak zijn voor het achterwege blijven van herstel. Aan de andere kant is het ook mogelijk dat het maken van corridors tussen gebieden met een goede kwaliteit en gebieden met een slechte kwaliteit een ongunstig effect heeft, door het creëren van een populatie-sink.
Ad thema 4: Hoewel in elk van de voorgaande thema’s onderzoek op elk van de drie schalen (landschapsecologisch-, laagveensysteem- en standplaatsniveau) uitgevoerd wordt, is er geen duidelijke beschrijving van de manier waarop bij herstelbeheer deze verschillende schaalniveaus door moeten werken. Dit vereist een systeemanalytische benadering. De resultaten uit de eerste drie thema’s zullen ook in dit licht bezien moeten worden. Binnen dit vierde thema zal dit uitgewerkt worden en zal een synthese gemaakt worden van de voorgaande drie thema’s, die uit zal moeten monden in een model dat voor elk van de schaalniveaus aangeeft welke beheersinspanningen nodig zijn en hoe de interacties zijn.
Uit het voorgaande blijkt dat de eerste drie thema’s onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, en gezamenlijk een antwoord leveren op de belangrijkste vragen in het herstelbeheer van laagveenplassen binnen OBN. De hoofdvraag hierbij is: welk type beheer is bij de verschillende uitgangssituaties het meest effectief om laagveenwateren, met de verschillende karakteristieke vegetatietypen en faunagemeenschappen, en hun trofische interacties, te herstellen? Er is voor gekozen om het onderzoek aan de hand van deze thema’s uit te voeren, en dus niet als aparte vegetatiekundige, hydrologische, hydrochemische en faunistische onderzoeken. Alleen op deze wijze, sterk uitgewerkt in thema 4, wordt een systeemecologische benadering gewaarborgd. Binnen de verschillende thema’s zal een viertal junior onderzoekers aan de slag gaan, begeleid door een centrale postdoc (een ecoloog met de vereiste ervaring) en een begeleider binnen het eigen instituut. Drie onderzoekers nemen ieder één van de volgende specialisaties voor hun rekening, waaraan ze binnen elk van eerste drie thema’s invulling geven: een biogeochemicus/ecohydroloog, een systeemecoloog vegetatie/productie/veenvorming, en een systeemecoloog trofische interacties/ macrofauna. De vierde onderzoeker is een theoretisch ecoloog/modelleur die gebruik maakt van de informatie die gegenereerd wordt door de andere drie onderzoekers. De postdoc draagt zorg voor de begeleiding van de vier junior onderzoekers, de integratie van de deelonderzoeken, de coördinatie hiervan, de organisatie van vergaderingen, de voorlichting aan derden en de (tussentijdse) verslaglegging. In het verleden is gebleken dat deze constructie met een ervaren postdoc, die aan de hand van een overlegschema zorgdraagt voor afstemming en bijsturing van de afzonderlijke onderzoeken, de beste resultaten opleverde. Voor de benodigde bijkomende expertise op het terrein van actief biologisch beheer, hydrologie/waterbeheer, macrofauna, fytoplankton en terreinbeheer wordt een beroep gedaan op een vijftal experts, die elk voor de gehele periode van vier jaar 60 dagen inzetbaar zijn.

Hoewel er vier duidelijke thema’s zijn, zal elk deelonderzoek in nauwe interactie met de andere deelonderzoeken uitgevoerd worden, in dezelfde referentiegebieden. Hierdoor zal er efficiënt gewerkt kunnen worden en zal het mogelijk zijn de thema’s, die onderling belangrijke raakvlakken hebben, duidelijk te laten integreren. Hieronder zullen de vier onderzoeksthema’s verder uitgewerkt worden.



Thema 1: Hydrologie en hydrochemie
De hoeveelheid en de kwaliteit van het voedende water (oppervlakte-/grond-/regenwater) zijn belangrijke bepalende factoren bij het al dan niet optreden van herstel in laagveenwateren. Binnen dit eerste thema, dat het meest landschapsecologisch getint is van de eerste drie thema’s, zal onderzocht worden aan welke voorwaarden voldaan moet worden om de gewenste waterkwaliteit te verkrijgen. Zowel vanuit beheerszijde als vanuit de wetenschappelijke zijde komt daarnaast de laatste jaren steeds meer de vraag naar voren of het stabiele waterpeil dat gehanteerd wordt in laagveenwateren wel optimaal is voor natuurbeheer. Een meer flexibel peil (’s zomers lager, ’s winters hoger), zoals dat waarschijnlijk in de meeste venen in het verleden optrad, lijkt een aantal belangrijke voordelen te hebben. Voor de ontwikkeling van helofytenvegetaties, en daarmee verlanding, is een wisselend peil erg gunstig. Dit heeft deels te maken met de oxidatie van giftige stoffen, waaronder sulfide. Daarnaast stimuleert het deels droogvallen van oevers voor korte tijd de kieming van zaden. Bovendien leidt peildaling door oxidatie van ijzer tot een sterke binding van fosfaat, dat bij peilverhoging voor een groot deel gebonden blijft. Een hoger winterpeil (minder afvoer) en een lager zomerpeil (minder aanvoer) reduceert de behoefte aan gebiedsvreemd water. Over eventuele negatieve effecten, zoals versterkte mineralisatie, is nog weinig bekend. De hoofdvraag binnen dit thema is:


  • Wat zijn de hydrologische en hydrochemische randvoorwaarden voor het herstel van de reeks van levensgemeenschappen in laagveenwateren?

Deelvragen zijn:




  • Welke landschapshydrologische opties zijn het meest gunstig voor het herstel van de verschillende typen laagveenwateren (kwantiteit, trofie, macroionen, saliniteit)?

  • Aan welke kwaliteit moet het voedende water voldoen?

  • Wat is de relatie tussen de waterkwaliteit en de natuurdoelen (vegetatie, fauna)?

  • Welk peilbeheer moet er gevoerd worden?

  • Wat zijn de effecten van een wisselend peil voor de waterhuishouding van petgaten en legakkers (hydrologie)?

  • Wat zijn de effecten van verschillende hydrologische opties op waterkwaliteit, in relatie tot de betreffende natuurdoeltypen?

  • Wat zijn de effecten van peilwisseling op fytotoxinen in de waterbodem?

  • Treedt er bij peildaling (extra) mineralisatie op (m.n. legakkers)?

De algemene werkhypothesen bij dit onderzoek zijn:




  • Voedend water is het meest geschikt wanneer de kwaliteit zodanig is dat zowel externe en interne eutrofiëring zo ver mogelijk teruggebracht worden. Voor brakwatervenen dient de aanvoer van (zwak) brak water instandgehouden of hersteld te worden.

  • Een (meer natuurlijk) flexibel peilbeheer, met lagere zomerstanden en hogere winterstanden, leidt tot verbeterde waterkwaliteit en tot een betere ontwikkeling van water- en helofytenvegetaties (en karakteristieke faunagemeenschappen), waardoor verlanding gestimuleerd wordt.

Korte beschrijving van de methoden:




  • Vergelijkend onderzoek tussen referentielocaties die duidelijk verschillen in hydrologie, ook tussen locaties met een vast peil en een meer flexibel peil; (bodem)waterkwaliteitsparameters (zie hoofdstuk 9) worden in samenwerking met thema 2 bepaald. Vergelijking moet leiden tot inzicht in de koppeling tussen landschapshydrologie (thema 1), waterkwaliteit (thema 1&2) en vegetatie- en fauna-ontwikkelingen (thema 2&3). Berekening (in samenwerking met thema 2) wat de uitwerking van verschillende peilbeheersopties is voor de nutriëntenbudgetten (landschaps-hydrologische deel).




  • De effecten van experimentele peilverlaging in de zomer en peilverhoging in de winter op waterpeil, vochtvoorziening, decompositie en mineralisatie van de (semi-)terrestrische delen wordt onderzocht (hydrologisch onderzoek en incubaties in veld). Verder wordt op dezelfde wijze ook onderzocht of er effecten zijn op de decompositie en mineralisatie van droogvallende oevers, en op de fysische eigenschappen hiervan (waaronder de stabiliteit).




  • De vegetatiesamenstelling, een aantal indicatieve faunagroepen (waaronder macrofaunagroepen inclusief zoöplankton) en de algensamenstelling worden door de eerste drie onderzoekers van de verschillende thema’s gezamenlijk onderzocht en beschreven voor de referentielocaties.




  • Voor alle beheersmethoden wordt op jaarlijkse basis een inventarisatie van de optredende veranderingen in bovengenoemde abiotische en biotische parameters en mechanismen gemaakt.




  • Gezamenlijk bezoek van de vier junior onderzoekers en de postdoc aan buitenlandse referentiegebieden die sterk lijken op de Nederlandse laagveenwateren, maar minder verstoord zijn. Hier worden water(bodem)monsters genomen, vegetaties beschreven en macrofauna- , vis- en planktonmonsters genomen als vergelijkingsmateriaal voor de Nederlandse laagveenwateren.




  • De resultaten worden uitgedragen middels voor het waterbeheer, natuurbeheer en natuuronderzoek beschikbare rapporten, besprekingen en internationale wetenschappelijke publicaties. Hierbij worden ook de tussentijdse resultaten teruggekoppeld naar de beheerders.



Thema 2: Herstel van aquatische laagveengemeenschappen
In het voorgaande werd duidelijk dat met name eutrofiëring een zeer groot probleem vormt bij het beheer van laagveenwateren. Bij de bestrijding hiervan is het meestal onduidelijk wat het verschil veroorzaakt tussen meer en minder aangetaste laagveenwateren, en welke (combinaties van) methoden het meest geschikt zijn. De hoofdvraag binnen dit thema is dan ook:


  • Op welke wijze krijgen we het water in laagveenwateren weer helder, en van geschikte kwaliteit om verschillende vegetatietypen en verlandingsreeksen (mesotroof-eutroof; inclusief faunagemeenschappen) te herstellen?

Deelvragen hierbij zijn:


  • Welke bijdragen leveren de verschillende nutriëntenbronnen; extern/intern (budget)?

  • Op welke wijze kan interne eutrofiëring het beste bestreden worden (actief biologisch beheer, baggeren, combinaties, andere opties)?

  • Kan er via peilbeheer gestuurd worden in de nutriëntenhuishouding (interactie met thema 1)?

  • Kan peilbeheer bijdragen aan kieming en vestiging van waterplanten (idem)?

  • Wat zijn de effecten van het peilbeheer op het voedselweb?

  • Kan fosfaat op de locatie voldoende geïmmobiliseerd worden met ijzer en/of calcium en is dit beheerstechnisch haalbaar?

  • Vormt desulfatering een goede aanvulling op/vervanging voor defosfatering?

  • Welke methode is geschikt om de bloei van cyanobacteriën aan te pakken?

  • Is herintroductie nodig na verlaging van de nutriëntenlast?

  • Leidt vegetatieherstel automatisch tot herstel van faunagemeenschappen; wat zijn de overige sturende processen en factoren bij faunaherstel?

De algemene werkhypothese bij dit onderzoek is:




  • Door middel van gedegen inzicht in de nutriëntenstromen en de trofische relaties is het mogelijk om via gerichte beheersmaatregelen eutrofiëring in laagveenwateren efficiënt te bestrijden, het water weer helder te krijgen en doelvegetaties en –faunagemeenschappen te herstellen. De maatregelen zullen een langdurig effect hebben.

Korte beschrijving van de methoden:




  • Vergelijkend onderzoek op de verschillende referentielocaties naar de nutriëntenconcentraties in het water en de bodem en andere belangrijke (bodem)waterkwaliteitsparameters (zie hoofdstuk 9). Monstername geschiedt op de juiste (anaerobe) methode voor waterbodems. Via waterfluxgegevens (thema 1), metingen van de opname/afgifte van P en N door de vegetatie en P- en N-mobilisatiemetingen in het sediment in het veld en in het laboratorium wordt een nutriëntenbudget berekend. De vegetatiesamenstelling, een aantal indicatieve faunagroepen (waaronder macrofaunagroepen inclusief zoöplankton) en de algensamenstelling worden door de onderzoekers van de verschillende thema’s gezamenlijk onderzocht en beschreven voor de referentielocaties.




  • Op geschikte locaties wordt op experimentele wijze het effect op de helderheid en trofiegraad van het water onderzocht van een wisselende peilbeheer, actief biologisch beheer, ijzer- en kalkadditie, desulfatering en baggeren (enclosure-experimenten). Dit wordt gedaan door te meten aan de relevante biogeochemische processen. Bij het actief biologisch beheer en waterpeilbeheer worden effecten op de vegetatie, visstand, algensamenstelling, watermacrofauna inclusief zoöplankton geïnventariseerd. Daarnaast wordt onderzocht het effect van verschillende beheersopties op kieming en vestiging van waterplanten onderzocht.




  • Voor alle beheersmethoden wordt op jaarlijkse basis een inventarisatie van de optredende veranderingen in bovengenoemde abiotische en biotische parameters en mechanismen gemaakt.




  • Gezamenlijk bezoek van de vier onderzoekers en de postdoc aan buitenlandse referentiegebieden (Ierland, Polen) die sterk lijken op de Nederlandse laagveenwateren, maar minder verstoord zijn. Hier worden water(bodem)monsters genomen, vegetaties beschreven en macrofauna-, vis- en planktonmonsters genomen als vergelijkingsmateriaal voor de Nederlandse laagveenwateren.




  • De resultaten worden uitgedragen middels voor het waterbeheer, natuurbeheer en natuuronderzoek beschikbare rapporten, besprekingen en internationale wetenschappelijke publicaties. Hierbij worden ook de tussentijdse resultaten teruggekoppeld naar de beheerders.



Thema 3: Verlanding en veenvorming
Een centraal probleem bij het (herstel)beheer van laagveenwateren is gelegen in het uitblijven van verlanding middels kraggen, drijftillen en/of helofytenvegetaties. Hoewel er aanwijzingen zijn over factoren die hierbij een rol kunnen spelen (troebelheid water, gasproductie bij drijftillen, functionele plantengroepen), is het geenszins duidelijk welke factoren daadwerkelijk sturend zijn voor deze successie. Bovendien is het onduidelijk of deze ontwikkelingen automatisch ook gunstig zijn voor de macrofauna. Daarmee komen we tot de volgende hoofdvraag:


  • Welke sturende factoren en processen zijn bepalend voor de verlandingssuccessie in laagveenwateren? Hoe kunnen we voorwaarden creëren om de verlanding en veenvorming te initiëren?

Deelvragen bij dit thema zijn:




  • Welke abiotische en biotische verschillen zijn er tussen locaties met en zonder verlanding en veenvorming?

  • Leidt vegetatieherstel automatisch tot herstel van faunagemeenschappen?

  • Welke mogelijke sleutelfactoren en –mechanismen kunnen hieruit gedistilleerd worden?

  • Wanneer deze sleutelfactoren experimenteel gemanipuleerd worden, wat is dan het effect op verlanding en veenvorming?

  • Is het scheppen van corridors en/of herintroductie nodig voor de initiatie van verlanding?

  • Hebben corridors een gunstig of juist ongunstig effect op macrofauna-gemeenschappen?

De algemene werkhypothese bij dit onderzoek is:




  • Wanneer de sleutelvariabelen en -processen (waaronder waarschijnlijk troebelheid, gasproductie en het voorkomen en uitbreiden van functionele plantengroepen) bekend zijn is het mogelijk om in laagveenwateren verlanding en veenvorming (met de verschillende levensgemeenschappen) weer op gang te krijgen en in stand te houden.

Korte beschrijving van de methoden:




  • Vergelijkend onderzoek tussen referentielocaties met en zonder verlanding en veenvorming; (bodem)waterkwaliteitsparameters (zie hoofdstuk 9) worden bij thema 1 bepaald. Er worden locaties met en zonder verlanding via kraggen, drijftillen en helofyten gekozen. Aan alle wateren worden morfometrische bepalingen gedaan (grootte, diepte, taludvorm). Veendikte en -samenstelling worden bepaald, en de litterproductie, decompositie en veenproductie worden gemeten. Verder wordt via plaats-voor-tijd substitutiereeksen, met bekend startpunt vanuit open water, onderzoek gedaan naar de snelheid van veenvorming en verlanding.




  • De vegetatiesamenstelling, een aantal indicatieve faunagroepen (waaronder macrofaunagroepen inclusief zoöplankton) en de algensamenstelling worden door de onderzoekers van de verschillende thema’s gezamenlijk onderzocht en beschreven voor de referentielocaties. De systeemecoloog vegetatie/veenvorming zal focussen op dat deel van de vegetatie dat direct verantwoordelijk is voor het verlandingsproces en de veenvorming, de functionele plantengroep betrokken bij verlanding (sleutelsoorten, keystone species, ecosystem engineers). Voorbeelden hiervan zijn Krabbescheer, Riet, Cyperzegge, Pijptorkruid en Slangewortel.




  • De toename van het areaal door kraggen, drijftillen en helofytenzoom zal geschat worden door middel van referentiepunten en fotografie (waaronder luchtfoto-interpretatie).




  • Het verloop van de belangrijkste biogeochemische parameters bij verlandingsprocessen zal gemeten worden, waarbij ook eventuele toxiciteit van sulfide en de productie van methaan in drijftillen en kraggen (drijfvermogen) onderzocht worden.




  • Op locaties met verschillende waterkwaliteit en (peil)beheer worden helofyten ‘geënt’, d.w.z. aangeplant, om te onderzoeken of, en onder welke voorwaarden, dit leidt tot versnelde verlanding.




  • Voor een aantal, op grond van de literatuur en/of expert judgement te kiezen, macrofaunagroepen wordt onderzocht of er verschillen zijn tussen meer geïsoleerde en niet-geïsoleerde laagveenwateren. Van deze locaties worden ook vegetatie-opnamen gemaakt en water- en bodemmonsters genomen.




  • Voor alle beheersmethoden wordt op jaarlijkse basis een inventarisatie van de optredende veranderingen in bovengenoemde abiotische en biotische parameters en mechanismen gemaakt.




  • Gezamenlijk bezoek van de vier onderzoekers en de postdoc aan buitenlandse referentiegebieden die sterk lijken op de Nederlandse laagveenwateren, maar minder verstoord zijn. Hier worden water(bodem)monsters genomen, vegetaties beschreven en macrofauna-, vis- en planktonmonsters genomen als vergelijkingsmateriaal voor de Nederlandse laagveenwateren.




  • De resultaten worden uitgedragen middels voor het waterbeheer, natuurbeheer en natuuronderzoek beschikbare rapporten, besprekingen en internationale wetenschappelijke publicaties. Hierbij worden ook de tussentijdse resultaten teruggekoppeld naar de beheerders.



Thema 4: Systeemanalyse
Systeemecologisch onderzoek aan herstelbeheer van laagveenwateren noopt tot een duidelijke ordening van de problemen binnen verschillende schaalniveaus: landschapsecologisch niveau, (veen)systeemniveau, en standplaatsniveau. Een goede systeemanalyse zal een helder beeld geven van de manier van aanpak, zowel binnen het onderzoek als binnen het (herstel)beheer. Bovendien wordt op deze manier een duidelijk referentiekader geboden voor de interpretatie van de onderzoeksresultaten. Deze zullen uitgewerkt worden tot een beslisboom voor herstelbeheer, goed geworteld in kennismodellen, waarin de beheersopties per schaalniveau’s aangegeven zijn. De onderzoeker aan dit thema kan een jaar later starten dan de overige onderzoekers. De hoofdvraag binnen dit thema is:


  • Op welke wijze kan een systeemanalytische beschrijving gemaakt worden van de verschillende typen laagveenwateren, waarbij zowel de systeembeschrijving, de verschillende vormen van herstelbeheer, en de interpretatie van de onderzoeksresultaten duidelijk uitgewerkt worden voor de verschillende schaalniveaus? Op welke wijze kan deze informatie bijeengebracht worden in een beslisboom, die voor verschillende typen laagveenwateren aangeeft wat de beste beheersopties zijn?

Deelvragen zijn:




  • Op welke wijze hangen landschapsecologische veranderingen in laagvenen samen met de hydrologie?

  • Hoe hangen de verschillende processen in laagveenwateren met elkaar samen?

  • Hoe kunnen de verschillende sleutelprocessen in laagveenwateren geordend worden in een conceptueel systeem-model?

  • Op welke wijze worden de resultaten uit de verschillende disciplines op een handzame en heldere wijze geïntegreerd in dit conceptueel model?

  • Hoe kan vanuit dit conceptueel model een beslisboom (computermodel) ontwikkeld worden, op grond waarvan een systeemanalyse voor laagveenwateren uitgevoerd kan worden, en waarmee onderzocht kan worden welke beheersstrategie het meest effectief is op elk van de drie schaalniveaus?

De algemene werkhypothese bij dit onderzoek is:




  • De integratie van de resultaten uit de verschillende onderzoeksgebieden binnen een systeemanalytisch denkkader leidt tot een meer gerichte aanpak van het onderzoek en herstelbeheer van laagveenwateren, waarbij voor ieder ruimtelijk schaalniveau aangegeven kan worden wat de vereisten zijn.

Korte beschrijving van de methoden:




  • Hoewel de onderzoeker van dit thema geen veldonderzoek zal uitvoeren, zal zij/hij wel alle onderzoekslocaties bezoeken samen met de overige onderzoekers.




  • Aan de hand van de resultaten van de overige drie thema’s worden de sturende factoren en processen voor elk van de verschillende niveau’s geïntegreerd en gemodelleerd binnen een conceptueel systeemmodel, waarin de verschillende schaalniveau’s aangebracht zijn.




  • Gezamenlijk bezoek van de vier onderzoekers en de postdoc aan buitenlandse referentiegebieden die sterk lijken op de Nederlandse laagveenwateren, maar minder verstoord zijn. Hier worden water(bodem)monsters genomen, vegetaties beschreven en macrofauna- en planktonmonsters genomen als vergelijkingsmateriaal voor de Nederlandse laagveenwateren.




  • De resultaten worden uitgedragen middels voor het waterbeheer, natuurbeheer en natuuronderzoek beschikbare rapporten, besprekingen en internationale wetenschappelijke publicaties. Hierbij worden ook de tussentijdse resultaten teruggekoppeld naar de beheerders.




  • Het conceptueel model zal uitgewerkt worden tot een beslisboom (computermodel) geschikt is voor het uitvoeren van een systeemanalyse door beheerders en onderzoekers, en het uitzetten van een beheersstrategie in laagveenwateren.



Criteria bij de keuze van onderzoeksgebieden:


  • De OBN-problematiek moet van toepassing zijn;

  • De variatie in water- en vegetatietypen voor de laagveenwateren in Nederland moet gedekt zijn;

  • De variatie in landschaps- en systeemhydrologische (o.a. peilfluctuatie) context moet gedekt zijn;

  • Er moeten voldoende mogelijkheden zijn om het vereiste onderzoek uit te voeren;

  • Er moet voldoende bereidheid zijn bij de beheerder/eigenaar van het gebied;

  • Er moeten locaties bij zijn die door schoon grondwater gevoed worden (bicarbonaattype; geen nitraat-/sulfaatverontreiniging);

  • Er moeten zowel soortenrijke als –arme systemen onderzocht worden;

  • Er moet, indien mogelijk, geprobeerd worden om aan te sluiten bij geplande beheersmaatregelen, met name nieuwe typen;

  • Er moet weinig verstoring (bijv. recreatie) zijn;

  • Er moet voldoende basisinformatie beschikbaar zijn.

  • Voor de buitenlandse referentiegebieden: deze moeten zo goed mogelijk vergelijkbaar zijn met de situatie zoals die voor minder verstoorde Nederlandse laagvenen zou gelden (hydrologie, biogeochemie, vegetatie, fauna).

.

Voorstellen voor onderzoeksgebieden zijn:




  • De Deelen (Friesland; Staatsbosbeheer);

  • Vechtplassengebied, verschillende locaties (Utrecht; Staatsbosbeheer/Vereniging Natuurmonumenten) waaronder de Loenderveensche Plas & Terra Nova (Utrecht; Gemeentewaterleidingen Amsterdam);

  • Ilperveld (Noord-Holland; Stichting het Noordhollands Landschap);

  • Waterland (Noord-Holland; combinatie agrarisch gebruik/natuurfunctie);

  • De Wieden / De Weerribben (Natuurmonumenten/Staatsbosbeheer);

  • Buitenland: nog te kiezen Poolse en Ierse laagvenen.


Personele inzet in 4 (5) jaar:


  • Hydrologie/biogeochemie: 1 (junior) onderzoeker

  • Systeemecoloog trofische interacties/fauna: 1 (junior) onderzoeker

  • Systeemecoloog vegetatie/productie/veenvorming: 1 (junior) onderzoeker

  • Theoretisch ecoloog/modelleur: 1 (junior) onderzoeker

  • Coördinator project (ecoloog): 1 postdoc

  • Expert Actief Biologisch Beheer 1 specialist 60 dagen

  • Expert Hydrologie/Waterbeheer 1 specialist 60 dagen

  • Expert Macrofauna 1 specialist 60 dagen

  • Expert Fytoplankton 1 specialist 60 dagen

  • Expert terreinbeheer 1 specialist 60 dagen



Kostenraming
Een minimale inschatting van de kosten (personeel, exploitatie, reiskosten) ten laste van de opdrachtgever, is 3,250 kƒ (exclusief BTW) voor de periode van 4 jaar (voor thema 4 eventueel met een jaar verschuiving). Dit is gebaseerd op de inzet van 4 junior onderzoekers (ieder1 fte), een postdoc (1 fte), en 5 experts elk voor 15 dagen per jaar.

Tijdplanning:
2001: Start thema 1, 2 en 3. Literatuuronderzoek, vastlegging beginsituatie, correlatief onderzoek in referentiegebieden m.b.t. ieder thema.
2002: Start thema 4. Volgen beheersexperimenten plus extra experimenteel onderzoek per thema, bezoek buitenlands referentiegebied, ontwikkeling systeemanalytisch concept.
2003: vervolg 2002, bezoek tweede buitenlands referentiegebied, ontwikkeling model.
2004: vervolg, ontwikkeling model, afronding en verslaglegging, lezingendag voor beheer en onderzoek. Afronding thema 1, 2, 3.
2005: Afronding thema 4. Presentatie model/beslisboom.

11. Samenvatting

De Nederlandse laagveenwateren vertegenwoordigen een belangrijke natuur- en cultuurwaarde op zowel nationaal als internationaal niveau. Helaas zijn deze wateren sterk achteruitgegaan door vermesting, verdroging en verzuring: de zogenaamde ‘VER-thema’s’. De biodiversiteit is flink afgenomen. Karakteristieke processen als veenvorming en verlanding treden nauwelijks meer op. Het water is veelal troebel door algenbloei en waterplanten zijn goeddeels verdwenen. Samenhangend hiermee zijn trofische interacties, van primaire producenten tot en met vissen en vogels, sterk uit balans.


Aan deze problemen is al de nodige aandacht geschonken in het verleden, zowel door onderzoekers als door beheerders. Hoewel er al redelijk wat ervaring aanwezig is met maatregelen in het kader van herstelbeheer van laagveenwateren, bestaat er nog veel onduidelijkheid door het wisselende resultaat van sommige maatregelen. Daarnaast moet een aantal maatregelen geoptimaliseerd worden. Van een deel van de maatregelen is al wel bekend wat het effect op korte termijn is, maar is het lange-termijn resultaat nog onbekend. Verder is een aantal nieuwe maatregelen nog niet of nauwelijks getest. Dit alles maakt nieuwe kennisontwikkeling noodzakelijk.
Dit Preadvies Laagveenwateren van het gelijknamige deskundigenteam presenteert en beargumenteert de keuze voor het onderzoek dat in het kader van het Overlevingsplan Bos en Natuur (OBN) uitgevoerd zal worden. Hiertoe is eerst aandacht besteed aan de belangrijkste karakteristieken van laagveenwateren. Daarna is op grond van onderzoeksliteratuur en beheerservaring onderzocht waar de belangrijkste knelpunten en kennislacunes liggen voor het (herstel)beheer van deze systemen in relatie tot de VER-thema’s. Dit heeft het team vertaald naar concrete onderzoeksvragen voor het OBN, waarbij het definiëren van sturende processen en factoren centraal staat. In het preadvies is zoveel mogelijk aangegeven op welke schaal (landschapsecologisch, systeem- of standplaatsniveau) de verschillende processen en factoren werkzaam zijn.
Op basis van bovengenoemde analyse is een plan van aanpak voor het OBN-onderzoek aan laagveenwateren geschreven. De thema’s omvatten hydrologie en hydrochemie, herstel van aquatische laagveengemeenschappen, herstel van verlanding en veenvorming, en systeemanalyse (integratie en modelontwikkeling). Voor elk thema zijn hoofd- en deelvragen geformuleerd, met daarbij een korte beschrijving van de methoden. Het onderzoeksplan is sterk toepassingsgericht en zal in nauwe samenwerking met de terreinbeheerders worden uitgevoerd.
Het voorgestelde programma (2001-2005) zal naar verwachting een belangrijke bijdrage leveren aan het herstel van laagveenwateren.





Fig. 53. ‘Moerasvaren helpend bij de verlanding in de rietzoom’. J. Briedé in Van Zinderen Bakker (1947).

12. Verklarende woordenlijst
E = uit het Engels, GR = uit het (oud)Grieks, L = uit het Latijn, NL = uit het (oud)Nederlands, QU = uit het Quechua (een Inca-taal); cursieve woorden verwijzen naar ingangen.

acidobiont [L acidus = zuur + GR biont = levend] in een zuur milieu levend.

actief biologisch beheer (ABB) (biomanipulatie) in wateren; beheersvorm waarbij middels het ingrijpen in het (verstoorde) voedselweb, door het wegvangen van planktivore en benthivore vis, eventueel gecombineerd met het uitzetten van roofvis, geprobeerd wordt om de waterkwaliteit van geëutrofieerde wateren te verbeteren en door herstel van de helderheid van het water weer vestiging van submerse waterplanten mogelijk te maken.

aëroob [GR air = lucht] (voorkomend in een) omgeving waarin de zuurstofconcentratie gelijk is aan die in de atmosfeer.

alkalinisering toename van alkaliniteit van het oppervlakte- of bodemwater door aanvoer van gebufferd water, door bekalking of door interne productie van alkaliniteit.

alkaliniteit (biologische hardheid) zuurbufferend vermogen van oppervlakte-, bodem- of grondwater, voornamelijk geleverd door (bi)carbonaat dat met zuur reageert tot kooldioxide.

allelopathie [GR allelon = wederkerig, patheia, pathos = lijden, aandoening] (meestal negatieve) beïnvloeding van het ene organisme door het andere via uitscheiding van chemische stoffen (allelopathische verbindingen).

anaëroob (voorkomend in een) omgeving waarin de zuurstofconcentratie beduidend lager is dan in de atmosfeer (zie ook anoxisch).

ANC (acid neutralizing capacity, zuurbufferd vermogen) capaciteit van bodem (of water) om zuur te bufferen. Zie zuurbuffering.

anion [GR anieno = naar boven gaan, i.v.m. migratie bij electrolyse] een atoom of groep atomen met een negatieve lading (zie ook kation).

anoxisch (voorkomend in een) omgeving waarin geen zuurstof voorkomt (zie ook anaeroob).

atmotroof [GR atmos (damp) + L sphaera (kring) + GR trepho = door de lucht gevoed] term om water aan te duiden van atmosferische oorsprong dat daardoor nauwelijks gebufferd is, in tegenstelling tot lithotroof (zie ook ombrotroof).

autonome maatregelen zie reguliere maatregelen.

basenbezetting het bezettingspercentage van het kationuitwisselingscomplex in de (veen)bodem met basische kationen (calcium en magnesium).

benthivoor [GR benthos + L vorus = bodemvreter] zich voedend op/in de onderwaterbodem.

biogeochemie de wetenschap die de kringloop van mineralen en de relaties tussen organismen en hun abiotische omgeving (lucht, bodem, water) bestudeert. In de biogeochemie worden micro- en macrobiologisch, geologisch en chemisch onderzoek gecombineerd. Naast de kringloop van elementen als koolstof, stikstof, fosfor en zwavel wordt vaak ook de kringloop van water meegerekend.

biomanipulatie internationale term voor actief biologisch beheer.

brak water dat licht is aangerijkt met chloride (8.5-465 mmol Cl- L-1; 0.3-16.5 g Cl- L-1). Brakwatervenen bevinden zich in het zwak-brakke (oligohaliene) bereik.

broekbos moerasbos, veenvegetatie die gedomineerd word door bomen. De laagveen-broekbossen worden binnen dit preadvies niet behandeld, aangezien ze het onderzoeksgebied vormen van het OBN-Deskundigenteam Natte Bossen.

decompositie [L de + componere = uiteenhalen, ontbinden] Metabolische afbraak van organisch materiaal naar eenvoudige organische en anorganische bestanddelen, waarbij energie vrijkomt.

detritus [L detritus = verminderd, versleten] afgestorven organisch materiaal, voornamelijk bestaand uit plantaardige, maar ook uit dierlijke resten en faeces.

detritivoor [L detritus + vorus = detritusvreter] detritus-etend (dier).

denitrificatie anaerobe, microbieel gestuurde redoxreactie waarbij nitraat omgezet wordt in stikstof- en lachgas en hiermee verdwijnt uit de bodem naar de atmosfeer. Als electrondonor kunnen zowel organische als anorganische verbindingen (bijv. pyriet) dienen.

diaspore [GR diaspora = verspreiding, dispersie] elk deel van een organisme, geslachtelijk of ongeslachtelijk geproduceerd, dat in staat is om een nieuw individu te vormen (bijv. zaden, sporen, tubers, fragmenten van planten, etc.).

drijftil vrij ronddrijvende plantenmassa (van bijvoorbeeld Krabbescheer) waarop zich andere planten (o.a. Waterdrieblad, Waterscheerling, verschillende zeggen, en zelfs bomen) kunnen vestigen.

EGM Effectgerichte Maatregelen; beheers- en inrichtingsmaatregelen genomen binnen het kader van het OBN, gericht op de bestrijding van verzuring, vermesting (eutrofiëring) en verdroging in natuurterreinen. Geformuleerd als aanvulling op het Brongerichte Beleid van het Ministerie van LNV.

EGV Electrische-geleidingsvermogen; maat voor de totale concentratie aan ionen in oppervlakte-, bodem- of grondwater, gemeten aan de hand van de stroomgeleiding door het water over een bepaalde afstand. Geeft geen enkele informatie over de nutriëntenrijkdom.

elektrolyt [GR elektron = amber (levert spanning bij opwrijven) + luo = losmaken] een chemisch deeltje dat bij oplossen een ion wordt, waardoor de oplossing electriciteit kan geleiden.

emers [L ex mergere = opduiken] verwijzend naar een plant die, of een plantendeel dat, boven de waterspiegel uitgroeit.

epifyt [GR epi + phuton = op plant] organisme dat op het oppervlak van een plant groeit, in dit preadvies met name doelend op algen.

epilimnion [GR epi = op, boven + limne = meer, poel] de warmere bovenlaag in meren (en andere diepere wateren) met een spronglaag.

eurytoop [GR eurus = breed, topos = plaats] een breed spectrum aan habitats tolererend, fysiologisch tolerant.

eutrafent een voorkeur vertonend voor een eutroof milieu.

eutrofiëring significante toename van de beschikbaarheid van productiebeperkende nutriënten, in laagvenen met name fosfor en stikstof (zie eutroof).

eutroof [GR eu + trepho = welgevoed] rijk aan productielimiterende voedingstoffen, waardoor de primaire productie hoog is en de wateren vaak troebel kunnen zijn door algenbloei. In aquatische systemen als de concentratie van ortho-fosfaat in het water hoger is dan 4 µmol L-1 (>0.12 mg PO43--P L-1).

evapotranspiratie [L evaporare = verdampen + L trans = door + L spirare = ademen] het waterverlies als gevolg van verdamping via bodem, water en planten per eenheid tijd.

experimentele maatregelen effectgerichte maatregelen binnen het OBN, waarvan nog niet eerder op praktijkschaal getest is of ze enerzijds effectief zijn in de bestrijding van een of meerdere VER-thema’s, en anderzijds of er geen ongewenste neveneffecten optreden. Vroeger onderzoeksmaatregelen genoemd.

extern beheer beheer waarbij maatregelen buiten het betreffende gebied getroffen worden, die effecten binnen het gebied moeten sorteren. Bijv. aanbrengen van bufferzones om de nutriënteninstroom te verlagen, opzetten waterpeil buiten het gebied teneinde wegzijging binnen het gebied te beperken.

externe eutrofiëring eutrofiëring als gevolg van de extra aanvoer van nutriënten van buiten het systeem, bijvoorbeeld via het inlaatwater.

fytoplankton [GR phuton = plant] plantaardig plankton, algen.

fytotoxinen [GR phuton = plant + L toxicum = vergif] stoffen die giftig zijn voor planten.

gebiedseigen water grond- en/of oppervlaktewater dat min of meer van nature binnen het beschouwde (natuur)gebied voorkomt, als tegenhanger van gebiedsvreemd water.

gebiedsvreemd water grond- en/of oppervlaktewater dat van buiten het beschouwde (natuur)gebied aangevoerd wordt, vaak met een duidelijk andere chemische samenstelling (macro-ionen, nutriënten) dan het gebiedseigen water.

guanotrofiëring [QU huanu = mest + GR trepho voeden] eutrofiëring door mest geproduceerd door een vogel-, vleermuis- of zeehondenkolonie.

habitatfragmentatie zie versnippering.

hardheid van water: zie alkaliniteit.

helofyt [GR helos = moeras + phuton = plant] meerjarige plant met knoppen, meestal op wortelstokken, in de bodem onder waterniveau. Ook vaak gebruikt voor moerasplant in het algemeen.

hoogveen veen waarvan althans de toplaag vrijwel geheel door atmosferische depositie gevoed wordt (ombrotroof). Door de lage buffercapaciteit en door biologische en chemische processen is deze toplaag relatief zuur. Hoogvenen hoeven niet per definitie voedselarm te zijn.

hypertroof, hyper-eutroof [GR hyper + trepho = overvoed] zeer rijk aan productielimiterende voedingstoffen, waardoor het water troebel is door algenbloei. In aquatische systemen als ortho-fosfaat in het water niet langer limiterend is (>10 µmol L-1 ; >0.3 mg PO43--P L-1), terwijl de concentratie aan nitraat + ammonium hoog is (>100 µmol L-1 ).

hypolimnion [GR hypo = onder + limne = meer, poel] de koudere onderlaag in meren (en andere diepere wateren) met een spronglaag.

hysterese [GR hysterein = (te) laat komen, tekortkomen] vertraging die optreedt in de respons van een proces tijdens veranderingen van de sturende factor of het sturende proces. In dit preadvies refererend naar de vertraagde respons van de helderheid van water bij een afnemende of toenemende fosfaatconcentratie.

inert [L iners] niet reactief, inactief.

intern beheer beheer dat binnen het betreffende terrein uitgevoerd wordt. Bijv. maaibeheer, opzetten waterpeil binnen het gebied door minder water af te voeren.

interne eutrofiëring eutrofiëring door het versneld vrijkomen van nutriënten binnen het systeem (met name in venen), bijvoorbeeld door een verandering van de waterkwaliteit (zie ook externe eutrofiëring).

ion [GR ieno = gaan, i.v.m. migratie bij electrolyse] een geladen atoom of groep atomen (zie ook kation en anion).

ionenratio (IR) Waarde gebaseerd op de ladingsratio (in %) tussen de calciumconcentratie [Ca] en de [Ca] plus chlorideconcentratie [Cl]: 100 x [Ca] / ([Ca] + 2 x [Cl]). Maat voor de bijdrage van calcium (bi)carbonaat in water, gebruikt om aan te geven hoe lithotroof (tellurisch) het water is. Geeft geen informatie over de nutriëntenrijkdom of de bijdrage van sulfaat.

kation [GR katieno = naar beneden gaan, i.v.m. migratie bij electrolyse] een atoom of groep atomen met een positieve lading (zie ook anion).

kationuitwisseling mechanisme van zuurbuffering in de (water)bodem waarbij basische kationen (met name calcium en magnesium) aan het bodemadsorptiecomplex uitgewisseld worden tegen tegen zuur-ionen (‘protonen’), waardoor de pH over een bepaald traject relatief constant blijft. De potentie van dit mechanisme wordt bepaald door zowel de concentratie aan bindingsplaatsen in de bodem als door de basenbezetting.

kragge (zodde) min of meer stabiele, drijvende veenmassa, bijeengehouden door de wortels en wortelstokken van de daarop groeiende planten (o.a. Riet en Kleine lisdodde). Meestal vastzittend aan en gevormd vanaf de oever, hoewel stukken kragge los kunnen raken en op deze wijze eilandjes vormen.

kraggenvreter drijvend apparaat, ontwikkeld door SBB, dat veenkraggen inclusief de vegetatie verwijderd, waardoor nieuwe petgaten ontstaan.

kwel het uittreden van grondwater onder invloed van grotere stijghoogten buiten het beschouwde gebied.

laagveen veen waarvan de toplaag gebufferd is tegen zuur, door de infiltratie van kalkrijk grond- en/of oppervlaktewater (tellurisch water). Laagvenen kunnen mesotroof, eutroof of hypertroof zijn.

legakker stuk land gelegen tussen petgaten (meestal 2-5 m breed), waarop het gewonnen natte veen te drogen werd gelegd. Onvergraven legakkers worden ook wel ribben genoemd.

lemnide [zoals Kroos, Lemna] groeivorm van vrij op het water drijvende waterplanten met kleine bladeren.

limnofiel [GR limne = meer, poel + philos = vriend] een voorkeur vertonend voor meren en poelen.

lithotroof [GR lithos + trepho = door steen gevoed] (internationale term tellurisch) term om water aan te duiden dat intensief in contact is geweest met kalkhoudende bodem of gesteente en daardoor calcium- en (bi)carbonaatrijk is, in tegenstelling tot atmotroof.

macro-evertebraten e [L e-vertebratus of in-vertebratus = geen gewrichten hebbend] de ongewervelde dieren binnen de macrofauna.

macrofauna [GR makros = groot + L fauna = faun, mythologische halfgodin, kruising tussen een mens en een geit] dieren groter dan 0.5-1 mm, tot maximaal enkele centimeters. Oorspronkelijk alleen gebruikt voor benthische organismen (bodemorganismen), achterblijvend in een 0.5 mm zeef. In dit preadvies wordt de term ook voor niet-benthische fauna gebruikt. In praktijk betekent macrofauna meestal: kleine dieren in water-, (water)bodem- en vegetatiemonsters die zichtbaar zijn met het blote oog. Zoöplankton (zoals watervlooien) wordt, afhankelijk van de grootte en van de literatuurbron, al dan niet meegerekend tot de macrofauna.

macrofyt [GR makros = groot + phuton = plant] (macroscopisch) grote plant, ook voor grote wieren, waaronder kranswieren, gebruikt ter onderscheiding van microscopische algen (microfyten).

mesotroof [GR meso + trepho = gemiddeld gevoed] matig rijk aan productielimiterende voedingstoffen, waardoor micro-algen niet kunnen gaan domineren; gedomineerd door macrofyten. In aquatische systemen als de concentratie van ortho-fosfaat in het water tussen 0.6 en 2 µmol L-1 ligt (0.02 –0.06 mg PO43--P L-1).

methanogenese microbiële productie van methaan (belangrijkste bestanddeel van aardgas).

mineralisatie [L mineralis = betrekking hebbend op mijnen, mineraal] de omzetting van een nutriënt van organisch gebonden vorm naar anorganische wateroplosbare vorm, als gevolg van biologische of chemische omzettingen.

minerotroof [L mineralis = betrekking hebbend op mijnen, mineraal + GR trepho = voeden] naast regenwater ook (in belangrijke mate) door mineraalrijk grond- en/of oppervlaktewater gevoed, waardoor zuurbuffering plaatsvindt. De term zegt niets over het aanbod aan voedingsstoffen, maar refereert alleen aan de voeding met zuurbufferstoffen (bicarbonaat, calcium, magnesium).

nymphaeïde [zoals Waterlelie, Nymphaea] groeivorm bij wortelende waterplanten waarbij drijfbladeren aan lange stelen gevormd worden; vaak hebben deze planten ook onderwaterbladeren.

OBN Overlevingsplan Bos en Natuur; Plan van het Ministerie van LNV naar aanleiding van het NMP2, waarbinnen de EGM verder uitgewerkt zijn. Het OBN biedt beheerders van natuurgebieden ondersteuning bij de uitvoering van EGM.

oligohalien [GR oligos + halos = weinig zout] zwak brak, water met een chlorideconcentratie tussen 8.5 en 85 mmol L-1 (0.3 en 3 g L-1).

oligotroof [GR oligos + trepho = weinig gevoed] relatief arm aan productielimiterende voedingstoffen, in aquatische systemen als de concentratie van ortho-fosfaat in het water lager is dan 0.6 µmol L-1 (0.02 mg PO43--P L-1). De term zegt niets over de basenrijkdom.

ombrotroof [GR ombros + trepho = regengevoed] (ook wel meteorisch) de nutriënten voor het belangrijkste deel via atmosferische depositie krijgend.

onderzoeksmaatregelen zie experimentele maatregelen.

oververnatting vernatting van een natuurgebied waarbij het peil te intensief verhoogd wordt (te hoog en/of te langdurig), waardoor ernstige neveneffecten (eutrofiëring, afsterven planten en bomen) optreden.

oxidatie [GR oxus = scherp, zuur, vandaar zuurstof] zie redoxreactie.

petgat, pet (trekgat) [pet is een nevenvorm van put (NL); de term petgat is dus een pleonasme] laagveensloot, ontstaan door vervening. Door wind- en watererosie kunnen (smalle) legakkers tussen petgaten verdwijnen, waardoor veenplassen (wieden) ontstaan.

pH maat voor de zuurgraad. Het negatieve 10-logaritme (p) van de concentratie aan zuur-ionen (H+) in water of in een waterige oplossing; hierdoor correspondeert een lagere zuurgraad met een hogere pH. pH 6.5 is zo neutraal als melk, pH 3 zo zuur als azijn.

piscivoor [L piscis + vorus = visvreter] vis vangend en etend (dier), over het algemeen niet gebruikt voor menselijke vissers.

plaggen verwijderen van de organische toplaag (5-30 cm) die voedselrijker (m.n. in heide) of zuurder (m.n. laagvenen) is dan de laag eronder. Maatregel om eutrofiëring en/of verzuring te bestrijden.

planktivoor [L vorus = vreter] plankton-etend.

plankton [GR planktos = zwervend] aquatische organismen waarvan de positie of verdeling vrijwel geheel afhankelijk is van de waterbeweging.

proefmaatregelen effectgerichte maatregelen binnen het OBN, waarvan nog niet zeker is dat ze een of meerdere VER-thema’s effectief bestrijden, en/of maatregelen waarvan de risico’s nog onvoldoende duidelijk zijn. Er zijn echter wel sterke aanwijzingen dat deze maatregelen een positief effect zullen hebben.

redoxpotentiaal reductie-oxidatiepotentiaal. Een maat voor de neiging van een bepaald systeem om electronen af te staan (electrondonor of reductor) of juist op te nemen (electronacceptor of oxidator). In een bodem kan de gemiddelde redoxpotentiaal van alle optredende redoxreacties gemeten worden, die als een (grove) indicatie voor het belangrijkste optredende redoxproces gebruikt kan worden. De redoxpotentiaal wordt dus bepaald door biogeochemische processen, maar heeft zelf ook weer een grote invloed op (bodem)processen, zoals de oplosbaarheid van metalen en macronutriënten. De gemeten potentiaal wordt over het algemeen omgerekend naar de normaal-waterstofpotentiaal (Eh), waardoor de waarde onafhankelijk wordt van de gebruikte referentie-electrode.

redoxreactie reductie-oxidatiereactie. Chemische reactie waarbij overdracht plaatsvindt van electronen van een electrondonor (vaak een organisch molecuul) naar een electronacceptor (vaak anorganisch). De afgifte van electronen heet oxidatie, de opname reductie. Verschillende groepen micro-organismen maken gebruik van redoxreacties om energie te winnen. Voorbeelden van ecologisch belangrijke redoxreacties zijn ijzeroxidatie (vooral chemisch), dentrificatie (microbieel), sulfaatreductie (microbieel), methaanproductie (microbieel).

reductie [L reducere = terugbrengen] (fysisch-chemisch) zie redoxreactie.

reguliere maatregelen effectgerichte maatregelen binnen het OBN, waarvan uit onderzoek is gebleken dat ze effectief zijn in de bestrijding van een of meerdere VER-thema’s en daarnaast nauwelijks of geen ongewenste neveneffecten hebben. Deze maatregelen zijn ‘praktijkrijp’. (Oude naam: autonome maatregelen.)

rheofiel [GR rheos = stroom, philos = vriend] een voorkeur vertonend voor stromend water.

rhizoom [GR rhizoma = wortelmassa, van rhiza = wortel] wortelstok. Horizontale stengel, meestal ondergronds of in het sapropelium, van waaruit op knopen wortels en spruiten ontstaan.

saprofiel [GR philos = vriend] een voorkeur vertonend voor (water met een) sapropelium.

sapropelium [GR sapros + pelos = rotte(nde) modder] anaerobe sterk organische laag op de bodem van sommige aquatische systemen, zoals veenwateren, waarin decompositie plaatsvindt.

spronglaag (thermocline) waterlaag in diepere wateren (verschillende meters) waarin de temperatuur plotseling daalt door gebrek aan menging. Hierdoor worden een epilimnion en een hypolimnion gevormd, die niet of nauwelijks met elkaar mengen. In ondiepe veenwateren wordt over het algemeen geen spronglaag gevormd door circulatie van de waterlaag als gevolg van windwerking.

submers [L submers = ondergedoken] verwijzend naar een plant die of een plantendeel dat onder water groeit.

sulfaatreductie anaerobe microbieel gestuurde redoxreactie waarbij organische moleculen, afkomstig uit de decompositie, geoxideerd worden met behulp van sulfaat (electronacceptor). Hierbij wordt sulfide gevormd.

systeemvreemd water zie gebiedsvreemd water.

tellurisch [L tellus = aarde] internationaal gebruikte term om water aan te duiden dat intensief in contact is geweest met kalkrijk(e) bodem of gesteenten, i.e. gebufferd grond- of oppervlaktewater (lithotroof).

tyrphobiont [GR turphê = veen + biont = levend] levend in/op veen.

tyrphofiel [GR turphê = veen + philos = vriend] een voorkeur vertonend voor veen als habitat.

ubiquist (ubiquitist) [L ubique = overal] wijdverbreide soort.

veen 1. (gesteente) accumulatie van gedeeltelijk afgebroken plantenmateriaal onder minder of meer waterverzadigde omstandigheden. 2. veen(1)laag 3. veen(1)producerend ecosysteem.

verbasing zie alkalinisering.

verbraseming aanduiding van de sterke toename van planktivore en benthivore witvis als brasem en karper in een water, gepaard gaand met eutrofiëring.

verdroging significante afname van de vochtvoorziening voor organismen, bijvoorbeeld door verlaging van het (grond)waterpeil. Binnen het natuurbeleid worden vaak ook de indirecte effecten van verdroging, zoals verdrogingsgerelateerde verzuring en de effecten van het inlaten van water, onder deze term gebracht.

verlanding overgang van een aquatische fase (bijv. van een veen) naar een terrestrische, door vorming van drijftillen, kraggen of door uitbreiding van de helofytenzone.

vermesting zie eutrofiëring.

vermorsing overgang van een terrestrische fase (bijv. van een veen) naar een aquatische, door verhoging van het waterpeil (bijv. overstroming).

VER-thema’s verzuring, vermesting (eutrofiëring) en verdroging, thema’s binnen de milieuproblematiek waarvan de negatieve gevolgen binnen het OBN bestreden worden. Verder wordt ook versnippering steeds vaker bij de VER-thema’s genoemd.

vervening 1. veenvorming. 2. Winning van veen ten behoeve van brandstofvoorziening, horticultuur, actief koolstofproductie en/of kuurdoeleinden. In dit preadvies wordt vervening alleen in de tweede betekenis gebruikt; voor de eerste wordt de term veenvorming aangehouden.

versnippering (habitatfragmentatie) verkleining en isolatie van de leefgebieden van organismen, waardoor (rest)populaties geïsoleerd raken. Hierdoor wordt dispersie, (re)kolonisatie en uitwisseling van genetisch materiaal zeer moeilijk of onmogelijk.

verstarring in dit preadvies gebruikte term voor het actief instandhouden van een onnatuurlijk stabiel (grond)waterpeil door het jaar heen.

verzuring afname van het zuurbufferende (zuurneutraliserend) vermogen van water of bodem; dit hoeft niet per se gepaard te gaan met een pH-daling. Verzuring kan zowel natuurlijke als antropogene oorzaken hebben.

wetland [E wet = nat] zoet, brak of zout (semi-)aquatisch ecosysteem dat (periodiek) drassig is of een ondiepe waterlaag heeft en dat gedomineerd wordt door planten. Voorbeelden zijn moerassen, laagvenen, hoogvenen, broekbossen en vennen. De definitie voor de maximale diepte van wetlands en de lengte van de jaarlijkse periode met een waterverzadigde bodem verschilt sterk per literatuurbron.

zoet water dat relatief arm is aan chloride (<8.5 mmol Cl- L-1; < 0.3 g Cl- L-1).

zoöplankton [GR zoion = levend wezen] dierlijk plankton.

zuurbuffering buffermechanismen, waardoor de zuurgraad van een (water)bodem of water constant blijft over een bepaald traject. Van hoge naar lage pH vindt achtereenvolgens zuurbuffering plaats door (bi)carbonaatalkaliniteit (pH 9-6), kationuitwisseling (pH 6-4), en het oplossen van aluminium- en ijzerverbindingen (pH 4-2). De capaciteit van een bodem (of water) om zuren te bufferen (uitgedrukt per eenheid massa of volume) wordt het zuurbufferend vermogen (ANC) of de buffercapaciteit genoemd.

zuurgraad maat voor de concentratie aan zuur-ionen, gewoonlijk uitgedrukt in de pH. Een hoge zuurgraad correspondeert met een lage pH.

13. Geciteerde literatuur
Aber, J.D., K.J. Nadelhoffer, P. Steudler & J.M. Melillo, 1989. Nitrogen saturation in northern forest systems. Bioscience 39: 378-386.
Aerts, R., J.T.A. Verhoeven & D.F. Whigham, 1999. Plant-mediated controls on nutrient cycling in temperate fens and bogs. Ecology 80: 2170-2181.
Akkermans, A.D.L., 1971. Nitrogen fixation and nodulation of Alnus and Hippophaë under natural conditions. Proefschrift, Universiteit Leiden.
Altenburg, W. & M. Brongers, 1999. De Deelen en Slúshoeke: beheersdoelstelling voor de periode 1999-2009. Rapport Altenburg & Wyminga Ecologisch Onderzoek, Veenwouden.
Antheunisse, A.M., 2000. Effect van sulfide op successie in een laagveengebied. Verslag Universiteit Utrecht, Faculteit Biologie, Leerstoelgroep Landschapsoecologie.
Aptroot, A., 1998. Bedreigde en kwetsbare korstmossen in Nederland: toelichting op de Rode Lijst. IKC-Natuurbeheer, Wageningen.
Armstrong, J., F. Afreen-Zobayed & W. Armstrong, 1996a. Phragmites die-back: sulphide- and acetic acid induced bud and root death, lignifications, and blockages within aeration and vascular systems. New Phytologist 134: 601-614.
Armstrong, J., W. Armstrong, Z.B. Wu & F. Afreen-Zobayed, 1996b. A role for phytotoxins in the Phragmites die-back syndrome? Folia Geobotanica et Phytotaxonomica 31: 127-127.
Arnolds, E. & Th. W. Kuyper, 1996. Bedreigde en kwetsbare paddestoelen in Nederland: basisrapport met voorstel voor de Rode Lijst. IKC-Natuurbeheer, Wageningen.
Arnolds, E.J.M. & G. van Ommering, 1996. Bedreigde en kwetsbare paddestoelen in Nederland: toelichting op de Rode Lijst. IKC-Natuurbeheer, Wageningen.
Arts G. & G. van Duinhoven, 2000. Sleutelen aan vennen. Overlevingsplan Bos & Natuur. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
Bakker, S.A., N.J. Van den Berg & B.P. Speleers, 1994. Vegetation transitions of floating wetlands in a complex of turbaries between 1937 and 1989 as determined from aerial photographs with GIS. Vegetatio 114: 161-167.
Bakker, S.A., C. Jasperse & J.T.A. Verhoeven, 1997. Accumulation rates of organic matter associated with different successional stages from open water to carr forest in former turbaries. Plant Ecology 129: 113-120.
Bal, D., H.M. Beije, Y.R. Hoogeveen, S.R.J. Jansen & P.J. van der Reest, 1995. Handboek natuurdoeltypen in Nederland. IKC Natuurbeheer, Wageningen.
Barendregt, A., M.J. Wassen & A. van Leerdam, 1990. Nivellering van de verlanding, een gevolg van veranderingen in hydrologie en beheer. Landshcap 7: 17-32.
Barendregt, A., B. Beltman, M.C. Bootsma, M. Amesz & T. van den Broek, 1997. Herstel van verzuurde laagvenen met oppervlaktewater en mergel. Eindrapportage over de periode 1991-1996 (fase 1 en 2) van de effectgerichte maatregelen tegen verzuring in de EGM/OBN-proefprojecten gelegen in het Ilperveld en de polder Westbroek. Universiteit Utrecht, Utrecht.
Beije, H.M., R. Bobbink, J. Holtland & M.H.J. de Klein, 1999. Onderzoeksvisie OBN. Onderzoeksvisie en –programmering 1999-2004. IKC-Natuurbeheer, Ministerie van LNV, Wageningen.
Beintema, A. J, 1997. European Black Terns (Chlidonias niger) in trouble: examples of dietary problems. Colonial Waterbirds 20 :558-565.
Bekkers, R.M. & E.J. Lammerts, 2000. Naar een rode lijst met Groene Stip voor hogere planten in Nederland. IKC-Natuurbeheer, Ministerie van LNV, Wageningen.
Bellemakers, M.J.S., M. Maessen, M. Cals & J.G.M. Roelofs, 1993. Effectgerichte maatregelen tegen verzuring en eutrofiëring van oppervlaktewateren. Eindrapport monitoringsprogramma eerste fase. Vakgroep Oecologie, Katholieke Universiteit Nijmegen.
Beltman, B. & W. Koerselman, 1988. De verdamping van moerasvegetaties. H2O 21: 199-205.
Beltman, B. & T. van der Krift, 1997. De invloed van sulfaat en chloride op de fosfaatbeschikbaarheid in veenbodem, een bijdrage aan integraal waterbeheer. H2O 30: 19-22.
Beltman, B., T. van den Broek & S. Bloemen, 1995. Restoration of acidified rich-fen ecosystems in the Vechtplassen area: successes and failures. In: B.D. Wheeler, S.C. Shaw, W.J. Fojt & R.A. Robertson (Eds.), Restoration of temperate wetlands. John Wiley & Sons Ltd, Chichester, pp. 273-286.
Beltman, B., T. van den Broek, S. Bloemen & C. Witsel, 1996a. Effects of restoration measures on nutrient availability in a formerly nutrient-poor floating fen after acidification and eutrophication. Biological Conservation 78: 271-277.
Beltman, B., T. van den Broek, K. van Maanen & K. Vaneveld, 1996b. Measures to develop a rich-fen wetland landscape with a full range of successional stages. Ecological Engineering 7: 299-313.



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina