12 april 2013 Eerste Kamer



Dovnload 257.34 Kb.
Pagina10/10
Datum20.08.2016
Grootte257.34 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10
63 Ingeschreven overeenkomstig de GModVo of een (geharmoniseerde) nationale modellenwet resp. (voor de Benelux) het BVIE.
64 C-168/09, LJN BP3418, RvdW 2011, 355.
65 In het genoemde arrest Flos/Semeraro kwamen deze niet aan de orde, omdat dáárover geen vragen waren gesteld. Aan rov. 21 van het arrest valt te ontlenen dat voor de vraagstellende rechter gegeven was dat 'de lamp Arco' van de eiser aan de voorwaarden voor auteursrechtelijke bescherming voldeed, en evenzo dat het object van de gedaagde zonder meer viel binnen de grenzen van de beschermingsomvang ('alle stilistische en esthetische kenmerken ervan slaafs nabootste').
66 Jur. 2009, p. I-6569. In Nederland gepubliceerd in AMI 2009, nr. 20, p. 198 m.nt. Koelman, IER 2009, nr. 78, p. 318 m.nt. Grosheide, NJ 2011, 288 m.nt. Hugenholtz onder nr. 289.
67 Vgl. ook de uitwerking in rov. 45-48, hieronder aangehaald in nr. 4.38.1.
68 In nr. 4.38.1 zal ik nog ing

aan op tussenliggende overwegingen.


69 C-393/09, Jur. 2010, p. I-13971. In Nederland gepubliceerd in NJ 2011, 289 m.nt. Hugenholtz, AMI 2011, nr. 6, p. 95 m.nt. Van Rooijen, Computerrecht 2011, nr. 35, p. 74 m.nt. Krikke.
70 C-145-10. In Nederland gepubliceerd in AMI 2012, nr. 6, p. 66 m.nt. Van Eechoud, IER 2012, nr. 16, p. 143 m.nt. SJS en PGFAG, Mediaforum 2012, nr. 8, p. 100 m.nt. Rörsch.
71 NJ 2011, 289.
72 Waaraan uiteraard ontelbare commentaren (vermeerderd na het Painer-arrest), al dan niet op internet, zouden kunnen worden toegevoegd.
73 Voetnoot van Hugenholtz: F.W. Grosheide, IER 2009/6, p. 78 e.v. Meer begrip voor de opvatting van het Hof toont Speyart, 'Infopaq: het werkbegrip geharmoniseerd?', NTER 2009/10, p. 335-342.
74 Hugenholtz verwijst naar: D.J.G. Visser, '[E] ingehaald door Infopaq', B9 8122.
75 Zie hierboven nr. 4.6.4. In deze zin ook Speyart, a.w. (voetnoot 73).
76 Zie hierboven nrs. 4.7.2 en 4.8.1.
77 De rechter die onmiddellijk van oordeel is dat bij de objecten van eiser en gedaagde - sowieso - van overeenstemmende totaalindrukken geen sprake is, behoeft zich niet nader in een onderzoek naar de 'auteursrechtelijk beschermde trekken' van het object van de eiser te begeven. Vandaar de woorden '(zo nodig)' in het begin van bovenstaande alinea.
78 Vgl. over dat arrest hierboven de nrs. 4.13.1 - 4.13.8 en 4.22.
79 NJ 1999, 697 m.nt. Hugenholtz, IER 1999, nr. 29, p. 164 m.nt. Grosheide.
80.Ik teken aan dat de door HR in het Una Voce Particolare-arrest gebezigde term 'zelfstandig werk' is te beschouwen als een verkort synoniem voor 'nieuw, oorspronkelijk werk'.
81. [SVV verwijst hier naar:] Gerbrandy, p. 194; Spoor, AMR 1985, p. 109.
82. [SVV verwijst hier naar:] HR 28 oktober 1983, NJ 1984, 184, m.nt. LWH, BIE 1984, nr. 51, p. 172 (Olielampjes). Deze zaak had betrekking op een simpel olielampje, dat gedeeltelijk was nagebootst. Het Hof Arnhem achtte de nabootsing geen verveelvoudiging, maar evenmin zag het daarin een zelfstandig auteursrechtelijk beschermd werk. Het cassatiemiddel achtte dit tegenstrijdig, mede gezien de tekst van art. 13, maar de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep.
83 Vgl. bijv. rov. 3.4 van HR 25 november 2005, LJN AT8782, NJ 2009, 103 m.nt. I. Giesen (Eternit/ Horsting).
84 Vgl. de conclusie van A-G Asser voor het arrest Deacaux/Mediamax onder 2.17 - 2.18, die ik onderschrijf.
85 Statistische zeldzaamheid of eenmaligheid is geen maatstaf om tot EOK & PS te concluderen. Vgl. SVV (2005), § 3.12.
86 '...hetgeen het uiterlijk van de Yasmine minder strak maakt' (rov. 9 eindarrest); 'bestaan de staanders van de Thomas uit twee, in lengte verschillende, latten die tezamen, inclusief tussenruimte, breder zijn dan de staanders van de Tripp Trapp' (rov. 13 eindarrest); 'Daardoor wordt wel enig "zwevend" effect verkregen, maar veel minder dan bij de Tripp Trapp.' (rov. 13 eindarrest).
87 'De tweede auteursrechtelijk beschermde trek is geheel niet terug te vinden. De naar achter hellende staanders van de Yasmine rusten immers niet op horizontale liggers, maar op schuin naar voren hellende staanders, zodat bij de Yasmine de L-vorm van de staanders en de liggers geheel ontbreekt.' (rov. 11, derde volzin eindarrest); 'Daarbij is van belang dat, anders dan bij de Bambino, geen van de twee auteursrechtelijk beschermde trekken van de Tripp Trapp volledig is overgenomen in de Thomas.' (rov. 13, tweede volzin eindarrest); 'Door de tussenruimte tussen de latten zijn bovendien de rugleuning, de zitting en de voetenplank tussen de latten door zichtbaar en kan niet worden gezegd dat deze elementen zodanig in de schuine staanders zijn verwerkt dat zij van opzij bezien wegvallen tegen de achterwaarts hellende staanders. Een en ander heeft tot gevolg dat de Thomas, van opzij bezien, aanmerkelijk minder strak oogt dan de Tripp Trapp en dat zijn uiterlijk niet als 'geometrisch' kan worden aangemerkt.' (rov. 13, vierde en vijfde volzin eindarrest).
88 Hierover in het algemeen: nrs. 4.15.1 - 4.15.4 van deze conclusie.
89 Hierover in het algemeen: nrs. 4.15.1 - 4.15.4 van deze conclusie.
90 Het gaat ook uit van onjuiste lezing van de noot van Grosheide onder het bestreden arrest in IER 2009 nr. 77, p. 312.
91 Het onderdeel haalt citaten aan uit de CvA, nrs. 22-24, de CvD, nr. 55, en de MvA, nrs. 64-67.
92 Daartegen: H. Cohen Jehoram, BIE 2007, p. 12 (die ten onrechte meent dat de Hoge Raad in HR 18 september 2006, LJN AV3384, NJ 2006, 492, BIE 2007, nr. 7, p. 41, IER 2006, nr. 83, p. 294 (Benetton/ G-Star) de rechtsfiguur van 'verwatering van auteursrecht' al erkend zou hebben en zich daartegen afzet). Zie de genuanceerde, met Quaedvlieg sympathiserende reactie van Visser, BIE 2007, p. 16.
93 Zie eerder in deze richting van dezelfde auteur (o.m.): 'Een stijlloze totaalindruk' (n.a.v. het arrest Decaux/Mediamax) in AMI 1996, p. 195; en later: 'Auteursrecht en techniek: fuzzy functionality en subjectieve anorexia tarten de banvloek; bespiegelingen over de Tripp Trapp en de Fatboy' in BIE 2008, p. 182-193. Ik herinner voorts aan het artikel van Huydecoper, 'Originaliteit of inventiviteit? Het technisch effect in het auteursrecht', BIE 1987, p. 106.
94 Ik spreek nog niet eens over (nationaal- of Unie-)mededingingsrechtelijke controle.
95 De ontwikkeling van de rechtspaak van het HvJEU, besproken in deel 4.B van deze conclusie (nrs. 4.29-4.39) wijst niet in die richting.
96 Zie bijv. Groene Serie Vermogensrecht (Jongbloed), art. 3:303, aant. 6.
97 V.C.A. Lindijer, De goede procesorde (2006), p. 100, verwijzend naar o.m. HR 30 maart 1951, NJ 1952, 29, m.nt. PhANH.
98 PG Boek 3 NBW, p. 915. In dezelfde zin Groene Serie Vermogensrecht (Jongbloed), art. 3:303, aant. 6; T&C BW, art. 3:303 BW (Stolker), aant 1; Lindijer, a.w. (2006), p. 100-101.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina