12 april 2013 Eerste Kamer



Dovnload 257.34 Kb.
Pagina7/10
Datum20.08.2016
Grootte257.34 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

Niet ruimer dan dat. Au fond niét zo ruim dus.
En ik voeg hieraan toe dat - niettegenstaande andere terminologie - ik hierin wezenlijk niets anders kan lezen dan een bescherming die zich uitstrekt tot, maar ook niet verder gaat dan, overneming van wat in Hoge Raad-teminologie heet 'auteursrechtelijk beschermde trekken'. Ik zie dus niet in dat de criteria zoals die in Nederland door de Hoge Raad zijn ontwikkeld, van het Europese Infopaq-arrest zouden afwijken.

4.38.2. Wat BSA betreft: in dat arrest spreekt het HvJEU niet over ruime beschermingsomvang. Ik wijs intussen nogmaals op de in nr. 4.37.2 aangehaalde rov. 48. Hetgeen het HvJEU daar in verband met de werktoets overwogen heeft, kan m.i. niet anders dan 'doorwerken' in gevallen waarin (aspecten van) een gebruikersinterface enerzijds 'net' de toets doorstaa(t)(n), maar anderzijds beoordeeld moet worden of een beweerdelijk inbreukmakende gebruikersinterface inderdaad onder de beschermingsomvang valt.

4.38.3. Dan de beschermingsomvang in Painer (cursiveringen toegevoegd door mij, A-G):

'95 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of die bescherming geringer is dan de bescherming die andere werken, met name andere fotografische werken, genieten, moet meteen al worden opgemerkt dat de auteur van een beschermd werk aan artikel 2, sub a, van richtlijn 2001/29 vooral het uitsluitende recht ontleent om de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.

96 Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat aan de op grond van artikel 2 van richtlijn 2001/29 verleende bescherming een ruime omvang moet toekomen (zie arrest Infopaq International, reeds aangehaald, punt 43).

97 Bovendien moet worden vastgesteld dat niets in richtlijn 2001/29 of in een andere op het betrokken gebied toepasselijke richtlijn de conclusie wettigt dat de omvang van een dergelijke bescherming zou worden bepaald door eventuele verschillen in de mogelijkheden van artistieke schepping bij de totstandbrenging van diverse categorieën werken.

98 In het geval van een portretfoto kan de door artikel 2, sub a, van richtlijn 2001/29 verleende bescherming dan ook niet geringer zijn dan de bescherming die andere werken, andere fotografische werken daaronder begrepen, genieten.

99 Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 6 van richtlijn 93/98 aldus moet worden uitgelegd dat een portretfoto krachtens die bepaling in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming mits - hetgeen de nationale rechter in ieder afzonderlijk geval dient na te gaan - een dergelijke foto een intellectuele schepping van de auteur is die de persoonlijkheid van deze laatste weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije creatieve keuzen van die auteur bij de totstandkoming van die foto. Wanneer is vastgesteld dat de betrokken portretfoto de hoedanigheid heeft van een werk, geniet dit een bescherming die niet geringer is dan die waarvoor ieder ander werk, een fotografisch werk daaronder begrepen, in aanmerking komt.'

Ik teken aan dat het Hof onder verwijzing naar Infopaq wederom spreekt over een 'ruime beschermingsomvang' (rov. 96), maar dat de mate van dat 'ruime', wederom uit de verdere overwegingen van het arrest moet worden afgeleid. In rov. 97 wijst het hof een categorische, geringere bescherming voor bepaalde soorten van werken af, in rov. 98 herhaald en toegespitst op portretfoto's. In rov. 99 herhaalt het hof voorwaarden van de door de feitenrechter uit te voeren werktoets. Slaagt het object (de portretfoto) daarvoor, dán geniet het 'een bescherming die niet geringer is dan die waarvoor ieder ander werk, een fotografisch werk daaronder begrepen, in aanmerking komt.' Ik lees (ook hier) niets over een 'ruime' bescherming. Ik noteer nog dat het hof geen nadere uitspraak doet over de omvang van de 'bescherming [...] waarvoor ieder ander werk [...] in aanmerking komt'.
Kortom: ik zie niet in dat de criteria zoals die in door de Hoge Raad op basis van nationaal auteursrecht zijn ontwikkeld, zouden afwijken van de criteria van het Painer-arrest.

4.38.4. Dat de Hoge Raad voor 'toegepaste kunst' ofwel 'tekeningen en modellen' geen zwaardere auteursrechtelijke toets (geen 'extra kunst-eis' of eis van 'duidelijke kunstzinnigheid') hanteert, werd al beslist in de Screenoprints-jurisprudentie(76).

4.39.1. Beschermingzoekenden kunnen (in grensgevallen) al gauw in euforie geraken door het gegeven dat het HvJ niet heeft uitgesloten dat reeds een passage van 11 woorden in een dagbladartikel aan het werkkarakter kan voldoen. Maar het Hof heeft niet beslist dát zo'n passage daaraan voldoet: dat is te beoordeling van de nationale (feiten-)rechter. Gelijke opmerkingen zijn te maken over de 's hofs - naar de feitenrechter verwijzende - overwegingen over grafische gebruikersinterface (BSA-arrest, met een niet te miskennen 'waarschuwing' in rov. 48) en over een portretfoto van een kind in zijn of haar lagere-schoolomgeving (Painer-arrest, met zo'n 'waarschuwing' in rov. 93).

4.39.2. In de genoemde Infopaq- en Painer-zaken was een mechanische c.q. elektronische reproductie van het voortbrengsel (tekst, foto) van de eiser in confesso. Onder die omstandigheden kan het niet verbazen dat het Hof van Justitie, aangenomen dat het voortbrengsel aan de werktoets voldoet, een (in beginsel) verboden verveelvoudiging aanneemt.


Over beschermingsomvang in gevallen van beweerde 'namaak' of 'plagiaat' die los staan van mechanische overneming, is jurisprudentie van het HvJEU nog niet voorhanden, met name ook niet over het gewicht in dat verband van de verhouding tussen objectieve en subjectieve trekken (zie hiervoor nrs. 4.9.1 - 4.11.2). Dát het Hof van Justitie voor dit (in de Richtlijnen over auteursrecht (juist) nog niet geadresseerde, maar in de EU alom bekende probleem) oog zal hebben, laat zich overigens afleiden uit de meergenoemde rov. 48 van het BSA-arrest.

4.40. Per saldo zie ik noch in het door Stokke c.s. aangevoerde Infopaq-arrest, noch in de daarop gevolgde arresten BSA en Painer, aanleiding om te concluderen tot door de Hoge Raad aan het HvJEU te stellen prejudiciële vragen.

5. Bespreking van de cassatiemiddelen

5.1.1. Alvorens over te gaan tot bespreking van de cassatiemiddelen, wijs ik erop dat deze zaak met rolnr. 11/00447 en de zaak met (Hoge Raad-)rolnr. 11/04114 (Hauck/Stokke c.s.) op het stuk van het materieel auteursrecht nogal verstrengeld zijn. In die zaak concludeer ik heden eveneens. De verstrengeling komt doordat in de Hauck/Stokke c.s.-zaak met (HR-)rolnr. 11/04114, het hof 's-Gravenhage overwegingen (de rov. 11-13 en 16 van het tussenarrest d.d. 30 juni 2009) uit de onderhavige zaak Stokke c.s./Fikszo c.s. heeft overgenomen en tot de zijne gemaakt.

5.1.2. Ik teken aan dat de (incidentele) cassatieklachten van Fikszo BV en H3 Products BV in de onderhavige zaak met (HR-)rolnr. 11/00447 en de cassatieklachten van Hauck in de zaak met (HR-)rolnr. 11/04114 tegen (inhoudelijk) dezelfde overwegingen van het hof, niet (althans niet steeds) inhoudelijk corresponderen.

5.A. Principaal cassatieberoep van Stokke c.s.

5.2.1. Het uit de onderdelen I tot en met III opgebouwde middel is gericht tegen rov. 4, 7, 9, 10, 13, 15, 16 en 17 van het tussenarrest van 30 juni 2009 (hierna: het tussenarrest) en rov. 11, 13 en 14 van het eindarrest.

5.2.2. Nu het hof ten aanzien van de Bambino heeft geoordeeld dat deze stoel inbreuk maakt op de auteursrechten op de Tripp Trapp, missen klachten van Stokke c.s. over 's hofs wijze van oordeelsvorming in zoverre belang en kunnen zij in zoverre niet tot cassatie leiden. Stokke c.s. hebben bij deze klachten vanzelfsprekend wél belang voor zover het gaat om toewijzing van de reconventionele vorderingen van Fikszo c.s. met betrekking tot de Yasmine en de Thomas.

5.3.1. Onderdeel I is gericht tegen rov. 4 van het tussenarrest. Het klaagt onder I.1(a), samengevat, dat het hof een onjuiste maatstaf voor de inbreuktoets heeft aangelegd door (i) uit te gaan het criterium van het Una Voce Particolare-arrest, terwijl dat criterium alleen gegeven zou zijn als een regel m.b.t. omkering van de (ontlenings-)bewijslast; en door (ii) niet uit te gaan van het criterium van het arrest Decaux/Mediamax, dat - in tegenstelling tot het Una Voce Particolare-arrest - voor de inbreuktoets zou meebrengen dat bij de totaalin

drukken niet alleen de 'auteursrechtelijk beschermde trekken' maar alle elementen in de beoordeling zouden moeten worden betrokken.

5.3.2. De klacht faalt omdat zij uitgaat van onjuiste lezing van beide arresten van de Hoge Raad en dus van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals in nrs. 4.13.1 - 4.13.8 uiteengezet, gaat het ook volgens het arrest Decaux/Mediamax om vergelijking van (alleen) de 'auteursrechtelijk beschermde trekken', hetgeen in het (latere) Una Voce Particolare-arrest zijn bevestiging vindt. En zoals uiteengezet in nr. 4.10.2, kan de daar besproken Una Voce Particolare-regel weliswaar (mede) van belang zijn voor de vraag of er reden is voor bewijslevering ten aanzien van (niet-) ontlening, maar gaat het om een regel van algemene strekking ter zake van de toepassing van het 'totaalindrukken'-criterium.
Waar het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat het er om gaat of het beweerdelijk inbreukmakende werk de auteursrechtelijk beschermde trekken van het eerdere werk vertoont, zodanig dat de totaalindrukken overeenkomen, is het van een juist uitgangspunt uitgegaan.

5.3.3. Na het vorenstaande behoeft onderdeel I.1(b) geen bespreking.

5.4. Onderdeel I.2 richt zich tegen de rov. 7, 9, 10, 13, 15, 16 en 17 van het tussenarrest en de rov. 11, 13 en 14 van het eindarrest.

5.5.1. Onderdeel I.2(a) verwijt het hof niet de totaalindruk van de stoelen te beoordelen, maar slechts een tweetal elementen van het Tripp Trapp ontwerp te hebben geïsoleerd, te weten de schuine staanders waarin alle elementen van de stoel zijn verwerkt en de L-vorm die de staanders en liggers samen vertonen. Het hof past aldus het 'totaalindrukken'-criterium van het Decaux/Mediamax-arrest niet toe, althans onjuist toe, en verliest uit het oog dat de omstandigheid dat bepaalde elementen, zoals zuiver functionele elementen of stijl, op zichzelf niet te beschermen zijn, nog niet meebrengt dat die elementen niet kunnen bijdragen aan het karakter van het werk en dus ook relevant kunnen zijn voor de vraag of sprake is van inbreuk. Overname van zulke niet te beschermen elementen moet - aldus nog steeds de klacht - worden meegenomen bij de beoordeling en beantwoording van de inbreukvraag.

5.5.2. Het onderdeel haalt enige criteria door elkaar. In het arrest Una Voce Particolare (zie hierboven 4.10.1) heeft de Hoge Raad het concept van 'auteursrechtelijk beschermde trekken' (klaarblijkelijk: tegenover niét auteursrechtelijk beschermde trekken) aanvaard. Dat brengt mee dat de rechter alle reden heeft om bij beoordeling van het 'eerdere' werk (dat van de eiser) in het kader van de 'EOK & PS'-werktoets zulke 'auteursrechtelijk beschermde trekken' van 'niét auteursrechtelijk beschermde trekken' te onderscheiden. Dat is precies wat het hof in rov. 9 en 10 (en 13) van het tussenarrest en in rov. 9 van het eindarrest - rechtens juist dus - gedaan heeft.
Uit het resultaat van de werktoets ('EOK & PS', die kunnen worden bepaald door verschillende elementen) volgt of en zo ja in hoeverre ('auteursrechtelijk beschermde trekken') sprake is van een beschermd werk. Het recht van de auteur is, voor zover hier van belang, in ieder geval begrensd in die zin dat inbreuk overneming van 'auteursrechtelijk beschermde trekken' veronderstelt. Ik verwijs naar hetgeen ik in nr. 5.3.2 bij de bespreking van het (falende) onderdeel I.1(a) heb gezegd.
Bij de 'nabootsings'-inbreuktoets komt dan (zo nodig) aan de orde of en in hoeverre - naar het criterium van het Una Voce Particolare-arrest, nu met enkele cursiveringen - 'het beweerdelijk inbreukmakende werk in zodanige mate de auteursrechtelijk beschermde trekken van het eerdere werk vertoont dat de totaalindrukken die de beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het eerstbedoelde werk als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt'(77).

5.5.3. Reeds hierop stuit de klacht van het onderdeel af, mede in het licht van het falende onderdeel I.1(a).

5.5.4. Ten overvloede merk ik op dat - voor zover het hof, anders dan ik meen, in de bestreden overwegingen zou hebben moeten toekomen aan het 'totaalindrukken'-criterium van de arresten Una Voce Particolare en Decaux/Mediamax - het onderdeel nog steeds niet slaagt. Ik kan daartoe verwijzen naar nrs. 4.13.1 - 4.13.8. Onderdeel I.2(a) miskent namelijk ook dat het 'totaalindrukken'-criterium (anders dan optel- en aftrekwerk) nu juist meebrengt dat verschil ten aanzien van één vormelement of kenmerk (en dus ook verschil ten aanzien van twee vormelementen of kenmerken) kan en mag leiden tot het oordeel dat er sprake is van andere totaalindrukken.

5.5.5. Overigens berust het onderdeel m.i. ook op verkeerde lezing van de bestreden arresten. Anders dan het onderdeel stelt, heeft het hof wel degelijk (zelfs betrekkelijk uitvoerige, van illustraties voorziene) beschouwingen gewijd aan tal van aspecten van de vormgeving van de stoelen: voor de Tripp Trapp met name in de (in het onderdeel niet aangehaalde) rov. 8 van het tussenarrest, en voor de Yasmine en de Thomas met name in de (in het onderdeel niet aangehaalde) rov. 10 en 12 van het eindarrest, terwijl het ook in de rov. 11 en 13 nader op diverse (andere) aspecten van de vormgeving van de stoelen ingaat. Dat het hof in rov. 9 en 10 (en 13) van het tussenarrest en in rov. 9 van het eindarrest - in het kader van de 'EOK & PS'-werktoets - de schuine staanders waarin alle elementen van de stoel zijn verwerkt resp. de L-vorm aanmerkt als de twee auteursrechtelijk beschermde trekken (en dat dat doorwerkt bij de inbreuktoets) doet daaraan niet af.

5.5.6. Voor zover het onderdeel nog klaagt over miskenning van rov. 38 en 39 van het Infopaq-arrest van het HvJEU, verwijs ik naar nrs. 4.30 e.v., i.h.b. nrs. 4.39.1 - 4.40.

5.5.7. Bij de klachten tegen rov. 15-17 van het tussenarrest, die uitsluitend betrekking hebben op de Bambino, hebben Stokke c.s. geen belang. Ook bij de (niet nader gespecificeerde) klacht tegen rov. 7 van het tussenarrest hebben Stokke c.s. geen belang, terwijl de klacht tegen rov. 14 van het eindarrest het lot van het gehele onderdeel deelt.

5.6. De motiveringsklacht onder I.2(b) faalt in het verlengde van hetgeen ik in nr. 5.5.5 heb aangegeven. Ook overigens faalt de klacht. De stellingen waarnaar wordt verwezen komen er - naar de kern genomen - op neer dat de Tripp Trapp een ruime auteursrechtelijke bescherming toekomt vanwege het oorspronkelijk en eigen karakter. Dat heeft het hof echter niet miskend, integendeel: ook het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat de Tripp Trapp - vanwege de hoge mate van oorspronkelijkheid van het revolutionaire ontwerp van de Tripp Trapp - een ruime beschermingsomvang toekomt. Dat die bescherming per saldo minder ruim uitvalt dan Stokke c.s. zouden wensen, doet daaraan niet af.

5.7.1. Volgens onderdeel I.2(c) is 's hofs oordeel rechtens onjuist waar het hof miskent dat bij de beoordeling van een auteursrechtelijke inbreukvraag de nadruk dient te liggen op de punten van overeenstemming en niet op de punten van verschil. Door zich bij de beoordeling te beperken tot twee door het hof geïdentificeerde vormgevingselementen, hebben alle anderszins overeenstemmende elementen ten onrechte geen rol gespeeld bij de beantwoording van de inbreukvraag door het hof.

5.7.2. Een regel dat de feitenrechter bij de beoordeling van een inbreukvraag meer nadruk zou dienen te leggen op de punten van overeenstemming dan op de punten van verschil is - anders dan het onderdeel beweert - niet te vinden in het Decaux/ Mediamax-arrest, om niet te zeggen: integendeel (in de zin dat het juist niét aankomt op 'optellen en aftrekken')(78). Zij ligt evenmin besloten in andere rechtspraak van de Hoge Raad over Nederlands auteursrecht. Voor zover zij besloten ligt in het door Stokke c.s. aangehaalde arrest HR 16 april 1999 (Bigott/Doucal)(79), zij opmerkt dat het daar niet ging om auteursrecht, maar om Arubaans merkenrecht: zie rov. 3.6-3.7 van dat arrest (een dienovereenkomstige regel in het Europees geharmoniseerde merkenrecht is mij niet bekend).
Voor het overige komt de inhoud van het subonderdeel neer op een herhaling van eerdere klachten.

5.8. Na het vorenstaande behoeft onderdeel I.2(d) geen bespreking.

5.9. Onderdeel II richt zich tegen rov. 9, 11 en 13 van het eindarrest.

5.10.1. Onderdeel II.1(a) betoogt dat 's hofs oordeel dat de Yasmine en de Thomas als nieuwe oorspronkelijke werken kunnen worden aangemerkt, enkel en alleen door te beoordelen dat twee door het hof geïdentificeerde 'auteursrechtelijk beschermde trekken' van de Tripp Trapp niet 'in zodanige mate in de Yasmine en Thomas stoel voorkomen dat de totaalindruk overeenkomt met de Tripp Trapp', rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is. Onder verwijzing naar (wederom) het Una Voce Particolare-arrest van HR 29 november 2002 wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of de Yasmine en de Thomas stoel werken zijn met een eigen, oorspronkelijk karakter die tevens het persoonlijk stempel van de maker dragen overeenkomstig artikel 10 Aw.

5.10.2. De klacht faalt omdat zij uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting (en daarmee ook een onjuiste interpretatie van het Una Voce Particolare-arrest). Toegegeven zij dat het wettelijk inbreukcriterium van art. 13 Aw (uit 1912) ten deze letterlijk luidt: '... in het algemeen iedere geheele of gedeeltelijke bewerking of nabootsing in gewijzigden vorm, welke niet als een nieuw, oorspronkelijk werk moet worden aangemerkt'(80). De wetgever heeft de - op zich juiste - gedachte gehad dat in het geval dat een bewerking of nabootsing zodanige afwijkende, eigen trekken vertoont dat zij 'als een nieuw, oorspronkelijk werk moet worden aangemerkt', er geen sprake is van inbreuk.
Het is echter reeds lang - met name ook door de Hoge Raad - onderkend, dat de wetgever daarmee níet gezegd heeft dat er slechts in dat geval geen inbreuk is. Ik citeer uit SVV (2005), § 4.7 (incl. twee daar geplaatste voetnoten):

'In artikel 13 betekent [...] "nieuw, oorspronkelijk werk", evenwel iets anders: daar geeft het aan dat dit werk zo weinig auteursrechtelijk beschermde trekken van een ander werk overneemt, dat het auteursrechtelijk daarvan onafhankelijk is.(81)

[...]

Volgens de tekst van het artikel is iets dus hetzij een verveelvoudiging, hetzij een nieuw oorspronkelijk werk. Er is echter nog een derde mogelijkheid: het voortbrengsel dat noch het een, noch het ander is.(82) Zie ook § 3.51 sub 5.'



Zolang er geen sprake is van een processuele noodzaak (bijv. een tegenvordering wegens 'beweerde namaak van de beweerde namaak') volstaat dus het oordeel dat het posterieure voortbrengsel (qua totaalindrukken) te weinig auteursrechtelijk beschermde trekken van het anterieure werk overneemt, en behoeft niet te worden onderzocht of het posterieure voortbrengsel zelf aan de 'EOK & PS'-werktoets zou voldoen.

5.11.1. Onderdeel II.1(b) verwijt het hof dat zijn oordeel in rov. 9 van het eindarrest innerlijk tegenstrijdig is en daarmee onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende met redenen omkleed. Het hof heeft in de rov. 9 en 10 van zijn tussenarrest twee 'auteursrechtelijk beschermde trekken' gedefinieerd. Hoewel het hof in rov. 1 van het eindarrest vervolgens zegt te blijven bij hetgeen in het tussenarrest is overwogen en beslist, past het hof in zijn eindarrest een andere definitie toe van de twee 'auteursrechtelijk beschermde trekken' dan die welke gedefinieerd zijn in het tussenarrest, aldus dit onderdeel.

5.11.2. Voor zover het onderdeel klaagt dat rov. 9 van het eindarrest zelf innerlijk tegenstrijdig is, faalt het reeds omdat het in geen enkel opzicht aangeeft waarom dat zo zou zijn, en dus niet voldoet aan de eisen van art 407 Rv.

5.11.3. Hetzelfde geldt voor zover het onderdeel bedoelt te klagen dat rov. 9 van het eindarrest in strijd is met hetgeen het hof in rov. 9 en 10 van het tussenarrest heeft overwogen. Overigens valt tegenstrijdigheid niet in te zien. Het hof heeft in rov. 9 van het eindarrest (met verwijzingen naar het tussenarrest) zakelijk hetzelfde overwogen de auteursrechtelijk beschermde trekken overwogen als in de rov. 9 en 10 van het tussenarrest, samengevat in rov. 13 van het tussenarrest.

5.11.4. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof, dat in rov. 1 van het eindarrest zegt te blijven bij hetgeen in zijn tussenarrest is overwogen en beslist, in strijd daarmee in rov. 11 en 13 van het eindarrest is afgeweken van de rov. 9 en 10 van het tussenarrest (met de aldaar gedefinieerde twee 'auteursrechtelijk beschermde trekken'), door in rov. 11 en 13 van het eindarrest een andere definitie van de twee 'auteursrechtelijk beschermde trekken' toe te passen, stuit het evenzeer af op de ingevolge art. 407 Rv. aan cassatieklachten te stellen eisen.
Het onderdeel volstaat in wezen met knippen en plakken van de desbetreffende rechtsoverwegingen (uit het tussenarrest en het eindarrest) in de cassatieschriftuur. Het geeft op geen enkele wijze aan op welke punten de rov. 11 en 13 van het eindarrest nu eigenlijk zouden afwijken van de rov. 9 en 10 van het tussenarrest. Het legt dus een ongemotiveerd 'zoekplaatje' aan de cassatierechter voor.

5.11.5. Ik teken, terzijde, nog aan dat ook indien een wél onderbouwde klacht hierover aan de eis art. 407 Rv. zou hebben voldaan, zo'n klacht vermoedelijk nog steeds van het tapijt zou moeten verdwijnen omdat zij in wezen - in de vorm van motiveringsklachten - om een hernieuwde beoordeling van feitelijke stellingen vraagt, en zulks een beoordeling de taak van de cassatierechter te buiten gaat.(83)

5.11.6. Te allen overvloede teken ik - meer materieel - bij dit subonderdeel nog aan dat allicht sprake is van verkeerde lezing. Ik vraag mij namelijk af of de stellers van het middel onderkennen dat in rov. 11 en 13 van het eindarrest (over de Yasmine en de Thomas) niet zo maar sprake kan zijn van een zelfde (één op één) verhouding tot de rov. 9 en 10 van het tussenarrest (over de Tripp Trapp), als waarvan sprake was in rov. 14-17 van het tussenarrest (over de Bambino). Dat Stokke c.s. anders gewenst zouden hebben, doet daaraan niet af.

5.12. Na het vorenstaande behoeft onderdeel II.1(c) geen bespreking.

5.13.1. Onderdeel II.2(a) klaagt over het voorbijgaan aan essentiële stellingen. Het hof heeft zich beperkt tot de twee door hem geïdentificeerde 'auteursrechtelijk beschermde trekken' en is daarmee voorbij gegaan aan de stelling dat meer door Stokke c.s. genoemde elementen, die ook eigen oorspronkelijk karakter hebben en het persoonlijk stempel dragen van de maker, meegewogen hadden moeten worden. Stokke c.s. verwijzen in dit verband naar hun stellingen in de MvG onder 24, 27, 28, 45, 49, 58-64 en 75 en de pleitnota in appel onder 25.

5.13.2. Op de plaatsen waarnaar wordt verwezen, stellen Stokke c.s. dat de beschermingsomvang van de Tripp Trapp wordt vergroot doordat de stoel diverse elementen bevat die bijzondere vormgevingskeuzen bevatten. Zij stellen dat 'bijvoorbeeld de keuze voor (i) stijlen, voor (ii) staanders aan de onderzijde, voor (iii) een diagonaal in de stijlen, (iv) voor een aanknoping aan de voorzijde van diagonaal en staanders, (v) voor hout, (vi) voor metalen tegenelementen, (vii) voor een open, transparant uiterlijk etc etc' niet noodzakelijk zijn om de functionaliteit van de Tripp Trapp als meegroeistoel vorm te geven (MvG onder 49).

5.13.3. Het onderdeel - dat grotendeels een herhaling inhoudt van eerdere klachten - mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 8 van het tussenarrest de eigenschappen van de Tripp Trapp ampel vermeld. Het middel klaagt niet over rov. 8 van het tussenarrest, en dus ook niet dat het hof in de vermelding van de eigenschappen van de Tripp Trapp tekortgeschoten zou zijn.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina