12 april 2013 Eerste Kamer



Dovnload 257.34 Kb.
Pagina8/10
Datum20.08.2016
Grootte257.34 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10
Het hof heeft bij zijn vervolgens in rov. 9 en 10 van het tussenarrest toegepaste 'werktoets' overwogen dat het als oorspronkelijk aan de Tripp Trapp in het bijzonder beschouwt (rov. 9) de schuine staanders waarin alle elementen van de kinderstoel zijn verwerkt en waardoor de stoel een strak, geometrisch uiterlijk krijgt, alsmede (rov. 10 tussenarrest) de L-vorm, die ontstaat door de combinatie van de schuine staanders met de horizontale liggers, waardoor het 'zwevende' effect ontstaat.
Nu het hof in zijn feitelijk oordeel deze elementen kwalificeert als auteursrechtelijk beschermde trekken, ligt daarin besloten dat het hof mogelijke andere (vormgevings-)keuzes niet als auteursrechtelijk beschermde trekken aanmerkt. Anders dan het onderdeel betoogt, was het hof niet gehouden om nader te motiveren waarom het sommige gestelde (vormgevings-) keuzes auteursrechtelijk niét van belang acht(84). Het onderdeel miskent ook dat aanwezigheid van 'legio ontwerpkeuzes van de maker' nog niet meebrengt dat alle, of diverse combinaties van de in casu (hier: door [eiser 3]) daaruit gekozen mogelijkheden reeds daarom aan het EOK & PS-criterium voldoen(85).

5.13.4. Voor zover het subonderdeel (andermaal) klaagt over miskenning van rov. 38 en 39 van het Infopaq-arrest van het HvJEU, verwijs ik naar nrs. 4.30 e.v., i.h.b. nrs. 4.39.1 - 4.40.

5.14.1. Volgens onderdeel II.2(b) is 's hofs oordeel onbegrijpelijk nu de rov. 10, 11 en 13 van het eindarrest - zonder nadere motivering die ontbreekt - niet zijn te rijmen met de overwegingen in de rov. 9 en 10 in het tussenarrest. Het hof overweegt immers met betrekking tot de Yasmine- en de Thomas-stoel in eerste instantie dat 'auteursrechtelijk beschermde trekken' wel aanwezig zijn, terwijl het hof vervolgens die 'auteursrechtelijk beschermde trekken' toch niet meer aanwezig acht, 'doordat het opeens andere - triviale - elementen in zijn beoordeling meeneemt, zoals (i) het al dan niet licht gebogen zijn van de staanders, of (ii) het feit dat de vorm niet wordt gevormd door één staander en één ligger, maar door een staander die bestaat uit twee latten en een ligger, of (iii) dat de hoek van de bij de Thomas stoel groter is dan het geval is bij de Tripp Trapp'.

5.14.2. De klacht faalt wegens onjuiste (deels: selectieve) lezing van de rov. 10, 11 en 13 van het eindarrest, en dus gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet eerst geoordeeld dat trekken wel aanwezig zijn en vervolgens toch niet meer. Het oordeel van het hof houdt in dat voor zover beschermde trekken van de Tripp Trapp in de Yasmine- en de Thomas-stoel zouden zijn terug te vinden, dit niet in zodanige mate het geval is dat de totaalindrukken overeenkomen. Daarbij kent het hof gewicht toe aan de in het onderdeel met (i), (ii) en (iii) aangeduide elementen. Het onderdeel kwalificeert die weliswaar als 'triviaal', maar ziet daarbij over het hoofd dat het hier om een bij uitstek feitelijk oordeel gaat. Bovendien kent het hof gewicht toe aan nog andere(86) - in de citaten in het onderdeel deels weggelaten(87) - verschillen.

5.15.1. Onderdeel II.2(c) betoogt dat 's hofs overwegingen in rov. 16 van het tussenarrest en rov. 11 van het eindarrest innerlijk tegenstrijdig zijn, waar het hof eerst oordeelt dat aan de Tripp Trapp stoel een ruime beschermingsomvang dient toe te komen en dat (dus) overname van één van de 'auteursrechtelijk beschermde trekken' al auteursrechtinbreuk oplevert, terwijl het hof vervolgens overweegt dat weliswaar één van de auteursrechtelijk beschermde trekken in de Yasmine terug te vinden is, maar geen dat van auteursrechtinbreuk geen sprake is.

5.15.2. Deze klacht berust op onjuiste lezing van zowel rov. 16 van het tussenarrest als rov. 11 van het eindarrest en mist dus feitelijke grondslag.


Het hof heeft in rov. 16 van het tussenarrest inderdaad geoordeeld dat voor de Tripp Trapp een ruime beschermingsomvang past. Het hof heeft die 'ruime beschermingsomvang'(88) in dezelfde rov. evenwel gepreciseerd in die zin dat 'niet [kan] worden aanvaard dat het overnemen van slechts één van die trekken zou meebrengen dat van auteursrechtinbreuk geen sprake kan zijn.' Anders dan het onderdeel kennelijk tot uitgangspunt neemt, heeft het hof niet geoordeeld dat het overnemen van slechts één van de auteursrechtelijk relevante trekken zonder meer auteursrechtinbreuk met zich brengt. Uit het oordeel van het hof kan slechts worden afgeleid dat ook het overnemen van slechts één (van de twee) auteursrechtelijk beschermde trekken tot auteursrechtinbreuk kan leiden.
Vervolgens moet worden geconstateerd dat - anders dan het onderdeel beweert - het hof niet heeft geoordeeld dat één van de auteursrechtelijk beschermde trekken in de Yasmine is terug te vinden. Integendeel: het hof heeft in rov. 11 van het eindarrest geoordeeld dat de auteursrechtelijk beschermde trekken van de Tripp Trapp niet in de Yasmine zijn terug te vinden, althans niet zodanig dat de totaalindrukken van beide kinderstoelen overeenkomen.
Van innerlijke tegenstrijdigheid is dus geen sprake.

5.16.1. Onderdeel III.1 is gericht tegen rov. 16 van het tussenarrest. Volgens het onderdeel is het oordeel dat het in het Decaux/Mediamax-arrest (HR 29 december 1995) verwoorde 'totaalindrukken'-criterium alleen geldt voor werken van toegepaste kunst, en dat alleen bij werken van literatuur en (zuivere) kunst zou gelden dat overname van één auteursrechtelijk beschermd element al auteursrechtinbreuk zou opleveren, onjuist. Volgens het onderdeel volgt uit het Infopaq-arrest van het HvJEU dat voor alle soorten werken geldt dat sprake is van een auteursrechtelijk relevante bewerking/verveelvoudiging als daarin iets terug te vinden is van datgene wat het werk tot een auteursrechtelijk beschermd werk maakt, en dat van een auteursrechtelijk relevante verveelvoudiging sprake is wanneer een eigen intellectuele schepping van de maker is overgenomen, ook als dat slechts een deel van het werk betreft.

5.16.2. Het onderdeel gaat uit van verkeerde lezing van het Infopaq-arrest. Het HvJEU heeft daarin niet geoordeeld dat steeds sprake is van verveelvoudiging (en dus inbreuk) wanneer iets uit een eigen, intellectuele schepping van de maker is overgenomen, ook als dat slechts een deel van het werk betreft. Het oordeel in het Infopaq-arrest komt erop neer dat bij iedere gehele of gedeeltelijke bewerking of nabootsing in gewijzigde vorm, welke niet als een nieuw, oorspronkelijk werk moet worden aangemerkt in de in hierboven in nr. 5.10.2 aangegeven zin) sprake is van verveelvoudiging. In zoverre is er daarmee dus voor Nederland niets nieuws onder de zon. Ik verwijs voorts naar nrs. 4.30 e.v., i.h.b. nrs. 4.39.1 - 4.40.

5.17. Na het vorenstaande behoeft onderdeel III.2 geen bespreking.

5.B. Incidenteel cassatieberoep van Fikszo c.s.

5.18. Het uit de onderdelen 1 tot en met 5 opgebouwde incidentele middel is gericht tegen rov. 6, 9-11, 13, 16, 17 en 19 van het tussenarrest van 30 juni 2009 (hierna: het tussenarrest) en rov. 8 van het eindarrest.

5.19.1. Onderdeel 1.1 verwijt het hof een onjuiste rechtsopvatting in rov. 6 van het tussenarrest door - feiten aanvullend - te oordelen dat de auteursrechtelijk beschermde trekken van de Tripp Trapp al aanwezig waren in de versie uit 1972. Ten processe is - aldus het onderdeel - niet gesteld dat de Tripp Trapp in de oorspronkelijke versie uit 1972 de door het hof auteursrechtelijk relevant geoordeelde trekken bezat, terwijl de oudste in het geding gebrachte tekening (in de octrooiaanvrage) dateert van 1974, welke tekening op zich niet zag op de thans aan de orde zijnde auteursrechtelijk in aanmerking te nemen kenmerken van de Tripp Trapp. Waar voorts ook geen originele Tripp Trapp in de 1972-versie in het geding is gebracht, heeft het hof niet kunnen vaststellen hoe het oorspronkelijke ontwerp van de Tripp Trapp er heeft uitgezien. Het heeft dus, aldus nog steeds dit onderdeel - niet het oorspronkelijke werk tot uitgangspunt genomen en zodoende (ook) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

5.19.2. De klacht is vergeefs voorgesteld. De rechtbank heeft in haar vonnis onder 2.1 vastgesteld dat Stokke AS sinds 1972 de zogenoemde Tripp Trapp kinderstoel - die 'is ontworpen door [eiser 3]' - op de markt brengt. De rechtbank heeft daarbij afbeeldingen van twee uitvoeringen van de Tripp Trapp opgenomen en voorts overwogen dat de oorspronkelijke Tripp Trapp was uitgevoerd met de lage rugleuning. Tegen deze vaststellingen is in appel geen grief gericht. Dat brengt met zich dat er hof ervan mocht uitgaan dat het oorspronkelijke model van de Tripp Trapp, in 1972, er uitzag als weergegeven in de door de rechtbank opgenomen afbeelding van het model met de lage rugleuning.


Overigens mist de klacht belang, omdat Fikszo c.s. niet (aangegeven waar zij in feitelijke instanties) de anterioriteit van het Tripp Trapp ontwerp - in welke versie ook - ten opzichte van de Bambino, de Yasmine en de Thomas betwisten.

5.20.1. Ook volgens onderdeel 1.2 zou het hof blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting door feiten aan te vullen. De deeloverweging in rov. 6 van het tussenarrest, inhoudend dat de na 1972 aan de Tripp Trapp aangebrachte wijzigingen door of namens [eiser 3] zouden zijn uitgevoerd, dat hem de auteursrechten op die wijzigingen zou toekomen en bovendien dat de aangebrachte wijzigingen de auteursrechtelijke beschermingsomvang niet hebben beïnvloed, zijn - aldus het onderdeel - niet door Stokke c.s. gesteld.

5.20.2. Ook dit onderdeel is vergeefs voorgesteld. De rechtbank heeft in haar vonnis onder 2.1, in hoger beroep niet bestreden, vastgesteld: 'De Tripp Trapp is ontworpen door [eiser 3]. De afbeelding hieronder toont twee uitvoeringen van de Tripp Trapp.', waarna twee afbeeldingen van de Tripp Trapp zijn opgenomen, één met een lage en één met een hoge rugleuning. Dat het hof hieruit afleidt dat [eiser 3] de ontwerper is van deze beide modellen, is niet onbegrijpelijk. Voor het overige moet de klacht falen, omdat Fikszo c.s. niet (aangegeven waar zij in feitelijke instanties) betwisten dat de auteursrechten op de Tripp Trap aan Stokke c.s. toekomen.

5.21.1. Volgens onderdelen 2.1 en 2.2 (abusievelijk opnieuw als 1.1 en 1.2 genummerd) is - waar het hof in rov. 10 van het tussenarrest heeft geoordeeld dat de L-vorm die ontstaat door de combinatie van de schuine staanders met de horizontale liggers karakteristiek is voor de Tripp Trapp - onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rov. 9 van het tussenarrest dat inhoudt dat het hof in het bijzonder als oorspronkelijk aan de Tripp Trapp beschouwt de schuine staanders waarin alle elementen van de kinderstoel zijn verwerkt. Anders dan het hof heeft geoordeeld, is - volgens onderdeel 2.1 - geen onderscheid te maken tussen beide door het hof benoemde auteursrechtelijke kenmerken. Bovendien is, aldus de klachten onder 2.1 en 2.2, het hof eraan voorbijgegaan dat de schuine stand van de staanders technisch is bepaald omdat naar eigen zeggen van Stokke c.s. één van de ontwerpdoelstellingen was dat de Tripp Trapp aan tafel kon worden aangeschoven.

5.21.2. De klachten falen. Dat het hof in rov. 9, 10 (en 13) van het tussenarrest (expliciet) twee verschillende aspecten/elementen voor ogen heeft gehad (in eerste plaats de omstandigheid dat alle elementen van de stoel in de (schuine) staanders zijn verwerkt ofwel de wijze waarop alle elementen van de stoel (rov. 9) en - daarvan te onderscheiden - karakteristiek de L-vorm van de staanders en de liggers (rov. 10)), is geenszins onbegrijpelijk. Dit in 'lekentaal' nog eenvoudig te illustreren door de in rov. 10 bedoelde L-vorm te bezien als species van wat in de visie van 's hofs rov. 9 ook gerealiseerd zou kunnen worden met (bijv.) een kopstaande cursieve T.

5.21.3. De klachten falen ook voor zover zij stellen dat het hof eraan is voorbijgegaan dat de schuine stand van de staanders technisch is bepaald omdat een van de ontwerpdoelstellingen was dat de Tripp Trapp aan tafel kon worden geschoven. Dat het hof daaraan niet is voorbijgegaan, blijkt uit rov. 11 van het tussenarrest, waarin het hof er - nu kort samengevat - op wijst dat andere, horizontale, uitvoeringsvormen met toepassing van dezelfde techniek mogelijk waren. Ik herinner voorts aan mijn exposé in nrs. 4.23.1-4.23.6 over de verhouding van auteursrecht tot eisen van techniek.


Het hof kon al met al, zonder rechtsschending komen tot het - feitelijke en niet onbegrijpelijke - in rov. 15-17 van het tussenarrest vervatte oordeel (behoudens de tegen nu juist díe rov. gerichte klachten, waarover hieronder nader) dat 'de totaalindrukken die de Tripp Trapp en de Bambino [...] te weinig verschillen voor het oordeel dat de Bambino als een nieuw en oorspronkelijk werk kan worden aangemerkt'.

5.22.1. Onderdeel 3 klaagt in de zeven subonderdelen 3.1 t/m 3.7 over het toekennen door het hof van een 'ruime beschermingsomvang' aan de Tripp Trapp (rov. 16 van het tussenarrest).

5.22.2. Alvorens op de klachten in te gaan herinner ik eraan (vgl. ook 5.15.2) dat het hof die 'ruime beschermingsomvang'(89) in dezelfde rov. gepreciseerd heeft, en wel in die zin dat 'niet [kan] worden aanvaard dat het overnemen van slechts één van die trekken zou meebrengen dat van auteursrechtinbreuk geen sprake kan zijn.'
Anders dan onderdeel 3 tot uitgangspunt neemt, heeft het hof niet geoordeeld dat de beschermingsomvang van de Tripp Trapp zo ruim is (dat zij met zich brengt) dat overname van één enkel auteursrechtelijk beschermd element moet leiden tot het oordeel dat sprake is van inbreuk. Volgens het hof is het mogelijk dat - ook bij een werk van toegepaste kunst waarbij het 'totaalindrukken'-criterium geldt - reeds bij overneming van één auteursrechtelijk beschermde trek sprake is van inbreuk, ook wanneer in het werk (slechts) twee auteursrechtelijk beschermde trekken kunnen worden onderscheiden. Nu het hof in rov. 16 van het tussenarrest nog slechts oordeelt dat onder die omstandigheden mogelijk sprake is van inbreuk, gaat het nog steeds uit van een juiste toepassing van het 'totaalindrukken'-criterium. Immers in de redenering van het hof is het - bij overnemen van één beschermde trek waar er twee zijn - zowel mogelijk dat sprake is van inbreuk al dat daarvan geen sprake is.

5.22.3. Zoals blijkt, is het bij de beoordeling van de klachten van onderdeel 3 dienstig om voor ogen te hebben wat de Hoge Raad in het arrest Decaux/Mediamax precies overwoog over het (of: een) 'totaalindrukken'-criterium. Ik kan daartoe verwijzen naar nr. 4.13.1 e.v. Daaruit licht ik nog (nu kort samengevat) dat de vergelijking van de totaalindrukken bepalend moet zijn, en dat dus niet beslissend moet zijn (bijv.): de loutere aanwezigheid van één of meer overeenkomsten naast verschillen, of de loutere aanwezigheid van één of meer verschillen naast overeenkomsten; dat het aankomt op het door de rechter te bepalen totaalgewicht van de meer of minder vergaande overeenkomsten en de meer of minder vergaande verschillen; dat de aanwezigheid van één overeenkomst zwaarder gewogen worden dan tien verschillen of de aanwezigheid van één verschil kan zwaarder gewogen worden dan tien overeenkomsten. En dat het daarmee om een hoogst feitelijke beoordeling gaat.


Hieruit blijkt dat - wat er overigens zij van een meer of minder 'ruime' beschermingsomvang - het hof als feitenrechter, volgens het criterium van het arrest Decaux/Mediamax, reeds op basis van aanwezigheid van één overeenstemmende auteursrechtelijk beschermde trek (naast verschillen), tot het oordeel mag komen dat de totaalindrukken van de producten van partijen onvoldoende verschillen, en daarmee inbreuk op auteursrecht aanwezig kon achten. Of, in andere woorden (vgl. eveneens nr. 4.13.1 e.v.) kan oordelen dat Fikszo c.s. binnen de grenzen die getrokken worden door de mode, trend of stijl enerzijds en door de eisen van functionaliteit anderzijds, niet voldoende afstand van [de Tripp Trapp] genomen hebben, en niet met haar ontwerp op een voldoende eigen wijze uiting [hebben] gegeven aan de vigerende stijl, trend of mode van ontwerpen.

5.23.1. Onderdeel 3.1 klaagt dat het hof in rov. 16 van het tussenarrest heeft miskend dat de beschermingsomvang van een werk dient te worden beoordeeld aan de hand van het eigen karakter van het werk waarvoor auteursrechtelijke bescherming wordt ingeroepen, en - anders dan het hof volgens het onderdeel heeft gedaan - niet kan worden gebaseerd op de toekenning van prijzen en de opname van het desbetreffende werk in de collectie van een museum (het onderdeel spreekt van 'de reputatie van het werk').

5.23.2. Op zichzelf kan ik onderschrijven dat ten deze - inderdaad - niet de 'reputatie' van het werk, maar het eigen oordeel van de rechter aan de hand van de EOK & PS-toets doorslaggevend moet zijn. Toch meen ik dat de klacht niet slaagt, en wel - in de eerste plaats - bij gebrek aan belang.
Zoals in nrs. 5.22.2 - 5.22.3 aangeduid, kan - wat er zij van een 'ruime' beschermingsomvang en wat er zij van de redenen om tot een 'ruime' beschermingsomvang te besluiten - het feitelijk oordeel van het hof dat 'ook al verschillen de totaalindrukken doordat de L-vorm van staander en ligger in de Bambino niet aanwezig is, de totaalindrukken die de Tripp Trapp en de Bambino maken te weinig verschillen voor het oordeel dat de Bambino als een nieuw en oorspronkelijk werk kan worden aangemerkt' (rov. 17) zelfstandig dragen, waarmee het gebrek aan belang gegeven is.

5.23.3. Overigens faalt onderdeel 3.1 m.i. óók omdat het uitgaat van een onjuiste lezing van het tussenarrest. Volgens het hof (rov. 16) is de vraag of sprake is van auteursrechtinbreuk (en dus van de beschermingsomvang) 'in hoge mate afhankelijk [...] van de omstandigheden van het geval en wel in het bijzonder van de aard van het werk'. Het hof heeft in rov. 8-13 het ontwerp van de Tripp Trapp aan uitvoerige beschouwingen onderworpen, en daarin aangegeven wat het in het bijzonder als oorspronkelijk in dat ontwerp onderkent. Hoewel het gebruik van de woorden 'dan ook' (na de vermelding van de bekroningen en de opneming in een Design Museum) minder gelukkig is, laat de daarop volgende zinsnede 'een revolutionair ontwerp met een hoge mate van oorspronkelijkheid en een nieuwe visie op het tot dan toe bestaande concept van een kinderstoel' zich zeer wel begrijpen als een oordeel van het hof zelf dat het hof extern bevestigd ziet; veeleer dan als een louter afgaan door het hof op de reputatie die de Tripp Trapp met die bekroningen en opneming in een Design Museum verkregen heeft. Aldus verstaan, is dat oordeel niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk.

5.24.1. Onderdeel 3.2, mede gericht tegen rov. 17 van het tussenarrest, klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Tripp Trapp een ruime beschermingsomvang toekomt. Voorts klaagt het onderdeel dat het hof het 'totaalindrukken'-criterium onjuist heeft toegepast.

5.24.2. Het onderdeel bouwt voort op het in nrs. 5.23.2 - 5.23.3 i.v.m. 5.22.2 - 5.22.3 besproken onderdeel 3.1 en deelt dus het lot daarvan.

5.25.1. Volgens onderdeel 3.3 is het oordeel van het hof onbegrijpelijk - want innerlijk tegenstrijdig - waar het in de eerste volzin van rov. 17 van het tussenarrest oordeelt dat
'... de A-vorm van het onderstel waarin de L-vorm van staanders en liggers van de Tripp Trap ligt besloten van opzij gezien in voldoende mate de auteursrechtelijk beschermde trekken van de Tripp Trapp vertoont', en in de daarop gevolgde volzin oordeelt dat die omstandigheid ertoe leidt dat de totaalindrukken te weinig van elkaar verschillen,
niettegenstaande het in diezelfde rov. (in de daarop volgende volzin) voorkomende oordeel:
'... ook al verschillen de totaalindrukken doordat de L-vorm van staander en ligger in de Bambino niet aanwezig is'.

5.25.2. De klacht berust op een onjuiste lezing van het arrest door het leggen van verkeerde klemtonen.


Ik 'blok' nog eens de betrokken passages van deze rov. 17 met drie gecursiveerde beklemtoningen van mijn kant en een cursief van het hof zelf:

'17. Het voorgaande in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat Bambino met zijn schuine staanders, waarin de rugleuning, zitting en voetenplank zijn verwerkt, in combinatie met de A-vorm van het onderstel, waarin de L-vorm van de staanders en liggers van de Tripp Trapp ligt besloten [curs. A-G], van opzij gezien in voldoende mate de auteursrechtelijk beschermde trekken van de Tripp Trapp vertoont [curs. A-G], terwijl het vooraanzicht van beide stoelen alleen hierin verschilt dat bij de Bambino de dwarsbalk tussen de liggers ontbreekt. Een en ander leidt ertoe dat, ook al verschillen de totaalindrukken doordat de L-vorm van staander en ligger in de Bambino niet aanwezig is [curs. A-G], de totaalindrukken die de Tripp Trapp en de Bambino maken te weinig [curs. hof] verschillen voor het oordeel dat de Bambino als een nieuw en oorspronkelijk werk kan worden aangemerkt.'

Bij juiste lezing, met inachtneming van bovenstaande klemtonen is er van innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake. 'Niet aanwezig zijn' is niet tegenstrijdig met 'besloten liggen in'; en 'verschillen de totaalindrukken' (door 'niet aanwezig zijn') is niet tegenstrijdig met 'te weinig verschillen' (door 'besloten liggen in'). Hetgeen het hof hier schrijft, had wellicht handiger verwoord kunnen worden, maar tegenstrijdig is het niet. Ik kan bovendien nog cursiveren de zinsnede 'terwijl het vooraanzicht van beide stoelen alleen hierin verschilt dat bij de Bambino de dwarsbalk tussen de liggers ontbreekt', waaraan het onderdeel geheel voorbijgaat.

5.26.1. Onderdeel 3.4 betoogt nog dat voor zover het hof in rov. 17 van zijn tussenarrest heeft bedoeld dat het 'totaalindrukken'-criterium ruimte biedt voor nuancering, het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het onderdeel bestaat binnen dit criterium geen ruimte in de zin dat totaalindrukken meer of minder kunnen verschillen.

5.26.2. Het onderdeel gaat op zijn beurt uit van een onjuiste rechtsopvatting(90). Aanstonds valt te wijzen op miskenning van rov. 3.5 van het arrest Una Voce Particolare, waarin de Hoge Raad aangeeft dat het erop aan komt 'of het beweerdelijk inbreukmakende werk in zodanige mate de auteursrechtelijk beschermde trekken van het eerdere werk vertoont dat de totaalindrukken die de beide werken maken te weinig [cursivering A-G] verschillen voor het oordeel dat het eerstbedoelde werk als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt.'
Ik verwijs verder naar mijn eerdere opmerkingen over het 'totaalindrukken'-criterium in de nrs. 4.9.3 en 4.13.1 - 4.13.8 en (in verkorte samenvatting) nr. 5.22.3 hierboven.

5.27.1. Onderdeel 3.5 acht 's hofs oordeel dat de L-vorm van de Tripp Trapp in de A-vorm van de Bambino besloten ligt zonder nadere motivering, die ontbreekt, evenzeer onbegrijpelijk in het licht van het in rov. 15 van het tussenarrest vervatte oordeel dat het zwevende effect van staander en ligger van de Tripp Trapp in de Bambino ontbreekt, terwijl het hof dat zwevende effect in rov. 10 van het tussenarrest juist karakteristiek (en dus auteursrechtelijk relevant) oordeelde voor de Tripp Trapp: 'Daarnaast, en daarvan te onderscheiden, acht het hof karakteristiek voor de Tripp Trapp de L-vorm, die ontstaat door de combinatie van de schuine staanders met de horizontale liggers. Hierdoor ontstaat het "zwevende" effect.' Aldus is onbegrijpelijk dat het hof enerzijds heeft overwogen dat het zwevende effect - de quintessens van de auteursrechtelijk beschermde trek - in de A-vorm van de Bambino ontbreekt (en het hof bovendien heeft geoordeeld dat de totaalindrukken van de Bambino en de Tripp Trapp verschillend zijn), terwijl het hof zijn oordeel dat de totaalindrukken te weinig zouden verschillen heeft gebaseerd op de, van zijn zwevende effect ontdane, L-vorm die in de A-vorm besloten zou liggen. Auteursrechtelijk in aanmerking te nemen is immers de zwevende vorm in de L-vorm en niet de L-vorm als zodanig, aldus nog steeds dit onderdeel.

5.27.2. Het onderdeel faalt (reeds) omdat het miskent dat het hof zijn oordeel over het inbreukmakend karakter van de Bambino gebaseerd heeft op één van de in de Tripp Trapp onderkende auteursrechtelijk beschermde trekken, nl. (i) 'de schuine staanders waarin rugleuning, zitting en voetenplank zijn verwerkt, zodanig dat van opzij gezien deze elementen wegvallen tegen de achterwaarts hellende staanders', en (juist) níet op de andere, nl. (ii) 'de L-vorm, die ontstaat door de combinatie van de schuine staanders met de horizontale liggers', waardoor het 'zwevende effect' ontstaat (rov. 10 tussenarrest). Het hof overweegt in rov. 15 (dan) ook: 'De L-vorm van de staanders en de liggers van de Tripp Trapp, is in de Bambino als zodanig niet aanwezig' en 'Het "zwevende" effect ontbreekt dan ook bij de Bambino'.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina