12 april 2013 Eerste Kamer



Dovnload 257.34 Kb.
Pagina9/10
Datum20.08.2016
Grootte257.34 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10
Dat het hof zijn feitelijk oordeel mocht baseren op een te klein verschil in totaalindrukken, veroorzaakt door één auteursrechtelijk beschermd element (i), bleek reeds bij de bespreking van eerdere klachten van onderdeel 3. Dat het hof het ontbreken van het zwevende effect - volgens het onderdeel 'de quintessens van de auteursrechtelijk beschermde trek' daaraan niet heeft laten afdoen, komt omdat het daarbij gaat om het andere element (ii). Overigens komt de feitelijke kwalificatie 'quintessens van de auteursrechtelijk beschermde trek' voor rekening van Fikszo c.s.
Hetgeen het hof overwogen heeft over het besloten liggen van de L-vorm van de Tripp Trapp in de A-vorm van de Bambino vond reeds zijn bespreking bij onderdeel 3.3; onderdeel 3.5 deelt in zoverre het lot daarvan.

5.28.1. Volgens onderdeel 3.6 heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, waar het in rov. 16 van het tussenarrest heeft geoordeeld dat 'de totaalindrukken die de Tripp Trapp en de Bambino maken te weinig verschillen voor het oordeel dat de Bambino als een nieuw en oorspronkelijk werk kan worden aangemerkt', omdat het hof had dienen te beoordelen of de Bambino kan gelden als een zelfstandig werk, hetgeen een minder verstrekkende eis is.

5.28.2. Het onderdeel faalt overeenkomstig de reden waarom onderdeel II.1(a) van het principale middel faalt. Ik verwijs naar nrs. 5.10.1-5.10.2 (inclusief voetnoot 80) hierboven.

5.29.1. Onderdeel 3.7 verwijt het hof dat het zonder motivering is voorbijgegaan aan essentiële stellingen(91) van Fikszo c.s. ter zake van de beschermingsomvang van de Tripp Trapp, en dan met name ten aanzien van 'verwatering' van het auteursrecht op de Tripp Trapp, te weten:


- (i) Dat bij een trendsettend design, zoals de Tripp Trapp, in feite sprake is van een oorspronkelijk product of idee dat op frappante wijze gestalte geeft aan een product, waardoor de dominante waarneming dusdanig wordt beïnvloed dat men in iedere bewerking onmiddellijk de overheersende oorspronkelijke vorm herkent, welke variatie men ook aanbrengt. Het in die omstandigheden jarenlang beschermen en steeds ruimer beschermen van trendsettend design is feitelijk hetzelfde als de door het auteursrecht verboden bescherming van een idee. Op basis daarvan moet naar de mening van Fikszo c.s. dan ook worden vastgesteld dat dit trendsettende product, na afloop van het octrooi in 1992, een (onbeschermde) stijl heeft geïntroduceerd, hetgeen onder meer blijkt uit de gestage jurisprudentie ter zake van al dan niet vermeende inbreuk op de auteursrechten van de Tripp Trapp. Dit een en ander leidt er toe dat de beschermingsomvang dient te worden ingeperkt nu de gebruikte techniek voor iedereen vrij behoort te zijn en feitelijk de open "Z" vorm het enige echt auteursrechtelijke element is en de rest stijl;
- (ii) Voor het aannemen van verwatering van auteursrecht pleit evenzeer dat het niet zo kan zijn dat Stokke c.s. door misbruik van het auteursrecht te maken een grenzeloos monopolie op het verhandelen van de meegroeistoel zouden kunnen verkrijgen. Dat klemt temeer omdat op Nederland steeds grotere internationale druk ontstaat om de auteursrechtelijke beschermingsdrempels en inbreuktoets op te trekken;
- (iii) De Tripp Trapp is deels verworden tot onbeschermde stijl, hetgeen leidt tot verwatering van het auteursrecht; bovendien dient een negatieve reflexwerking van het octrooi te worden aangenomen.

5.29.2. De punten (i) en (iii) van het onderdeel vormen een soort echo van enige beschouwingen van Quaedvlieg onder de titel 'Baanbrekende ontwerpen en vrijheid van stijl: het dilemma van de trendsetter in het auteursrecht' in BIE 2004, p. 488(92).


Ik heb van die beschouwingen(93) met veel belangstelling kennis genomen. Zij kunnen evenwel - zoals Quaedvlieg ook onderkent - niet als geldend recht beschouwd worden. Over de vraag of deze criteria als wenselijke rechtsregels beschouwd moeten worden, heb ik twijfels.
Naar mijn mening is er enerzijds via de bekende, in deel 4.A van deze conclusie beschreven leerstukken van de 'EOK & PS'-werktoets (en de uitsluiting van 'datgene wat nodig is voor een technisch effect') alsmede de Heertje/Hollebrand-inbreuktoets die voorschrijft dat rekening wordt gehouden met 'de omstandigheden van het geval, in het bijzonder ook van de aard van het beweerdelijk bewerkt of nagebootste werk', voldoende ruimte om binnen het systeem van het auteursrecht echt onwenselijke monopolisering te kunnen voorkomen(94). Anderzijds meen ik dat (verdergaande) aanvaarding van nadere criteria als verdedigd door het onderdeel en door Quaedvlieg, de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat.

5.29.3. De onder (i) en (iii) aangehaalde stellingnamen kunnen als algemene rechtsklachten m.i. dus niet tot cassatie leiden.

5.29.4. (Ook) overigens valt er op de klachten onder (i) en (iii) nog wel wat af te dingen.
Dat geldt m.i. reeds voor de uitgangsstelling dat het auteursrechtelijk beschermen van een trendsettend design in feite neerkomt op de door het auteursrecht verboden bescherming van een idee. Daarover heeft - wat de Tripp Trapp betreft - het hof in rov. 11 van het tussenarrest voldoende gemotiveerd anders geoordeeld.
Op de aanknoping in het onderdeel bij de afloop van het (Noorse?) octrooi in 1992, valt af te dingen dat het middel niet aangeeft (waar Fikszo c.s. gesteld hebben) dat nu juist (of mede) de schuine staanders voorwerp van octrooibescherming zijn geweest. Maar gesteld dat dat wel zo zou zijn geweest, is daarmee de auteursrechtelijke uitsluiting nog niet gegeven, zolang de (ooit) geoctrooieerde oplossing de toepassing van andere vormgeving ter verkrijging van hetzelfde technisch effect niet te zeer beperkt (vgl. nr. 4.23.5). Dat het omslagpunt voor 'verwatering' tot onbeschermde stijl gevonden (of: mede gevonden) zou moeten worden in 'gestage jurisprudentie ter zake van al dan niet vermeende inbreuk op de auteursrechten van de Tripp Trapp' kan mijns inziens niet aanvaard worden.

5.29.5. Ook de stellingname onder (ii) kan niet tot cassatie leiden. Het hof heeft - blijkens de meer genoemde rov. 4 en 7 van het tussenarrest en de daarop volgende analyse van de auteursrechtelijk beschermde trekken van de Tripp Trapp, alsmede blijkens de kennelijke en begrijpelijke opvatting in rov. 11 van het tussenarrest dat de verwerking van de elementen van een (verstelbare) kinderstoel, waaronder een sleuvensysteem, ook in (rechte of schuine) staanders op diverse vormgevingswijzen kan worden bereikt - zonder schending van het recht en op begrijpelijke wijze klaarblijkelijk geoordeeld dat van een door Fikszo c.s. (weinig gesubstantieerd) gesteld 'misbruik van het auteursrecht' door Stokke c.s. respectievelijk een (even weinig gesubstantieerd) 'grenzeloos monopolie' van Stokke c.s. op de meegroeistoel, geen sprake is. Ook om die redenen behoefde het hof op het pleidooi van Fikszo c.s. voor 'verwatering van auteursrecht', wat daar overigens van zij, niet in te gaan.


Hetzelfde geldt voor de (even weinig gesubstantieerde) stelling omtrent een steeds grotere internationale druk op Nederland 'om de auteursrechtelijke beschermingsdrempels en inbreuktoets op te trekken'(95).

5.30. Onderdeel 4 komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 19 van het tussenarrest en rov. (7 en) 8 van het eindarrest, die er kort gezegd erop neerkomen dat Fikszo c.s. het belang bij haar vordering ten aanzien van de Amber niet aannemelijk hebben gemaakt.

5.31.1. Onderdeel 4.1 klaagt dat dit oordeel rechtens onjuist is, omdat (i) Stokke c.s. geen grief hebben gericht tegen het impliciete oordeel van de rechtbank dat Fikszo c.s. wel voldoende belang bij de reconventionele vordering hadden en (ii) Stokke c.s. zich in hoger beroep voor het eerst bij pleidooi op het ontbreken van voldoende belang hebben beroepen.

5.31.2. De onder (ii) bedoelde klacht mist feitelijke grondslag. In rov. 3 van het eindarrest ontzenuwt het hof een gelijkluidende tegenwerping van Fikszo c.s. door te wijzen op het gegeven dat Stokke c.s. reeds bij conclusie van antwoord hebben aangevoerd dat niet duidelijk is of er daadwerkelijk plannen zijn om de stoelen op de markt te brengen, wie dat zou gaan doen en waar deze handel plaats zou gaan vinden.

5.31.3. Voor zover klacht onder (i) niet eveneens bij gebrek aan feitelijke grondslag moet falen, geldt ten aanzien van de daarin opgeworpen vraag of het hof deze passage in de CvA ook als een grief mocht aanmerken, dat (de toelichting op) het middel geen aanvullende argumenten aanlevert die zouden kunnen pleiten voor een ontkennende beantwoording ervan. Op grond van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld ben ik van oordeel dat de aan het hof voorbehouden uitleg van de stellingen van Stokke c.s. en de kwalificatie van die stellingen als grief, inzichtelijk en niet onbegrijpelijk is. Onderdeel 4.1 faalt dus in zijn geheel.

5.32. Onderdeel 4.2, dat er net als onderdeel 4.1 van uitgaat dat Stokke c.s. zich pas bij beroep op een en ander hebben beroepen, faalt om de in nr. 5.31.2 vermelde reden.

5.33.1. Volgens onderdeel 4.3 geeft (i) het zo-even genoemde oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de toepassing van art. 3:303 BW doordat het hof heeft nagelaten terughoudend te toetsen en de aanwezigheid van procesbelang te veronderstellen, terwijl hier geen sprake is van een uitzonderingssituatie waarin Fikszo c.s. geacht moeten worden hun procesbelang te bewijzen; althans is (ii) het oordeel onbegrijpelijk in het licht van het door Stokke c.s. gevoerde verweer dat (ook) de Amber auteursrechtinbreuk behelsde, mede gezien het feit dat Stokke c.s. zich tardief op het standpunt hebben gesteld omtrent het ontbreken van voldoende belang; en had (iii) het hof moeten motiveren waarom het in deze situatie er niet van uit kon gaan dat Fikszo c.s. voldoende procesbelang hebben bij haar vordering ten aanzien van de Amber.

5.33.2. De onder (ii) bedoelde klacht deelt het lot van de onderdelen 4.1 en 4.2.

5.33.3. Ten aanzien van klachten onder (i) en (iii) geldt dat Fikszo c.s. met juistheid aannemen dat uit HR 17 september 1993, NJ 1994, 118 m.nt. HER (Severin/Detam) zou kunnen worden afgeleid dat art. 3:303 BW met terughoudendheid moet worden toegepast(96). Ook is juist de stelling dat de rechter de aanwezigheid van voldoende belang mag veronderstellen, tenzij er sprake is van een uitzonderingssituatie(97). Volgens het onderdeel doet een dergelijke situatie zich hier niet voor. Die veronderstelling is onjuist.
In de toelichting Meijers over het ontwerp art. 3.11.8 is te lezen:

'Om te kunnen uitmaken of aan de eiser de rechtsvordering op deze grond moet worden ontzegd, moet de rechter niet alleen nagaan of de eiser enig belang bij de vordering heeft, maar ook, of dit belang voldoende is om een procedure te rechtvaardigen. In het algemeen mag voldoende belang voor de eiser worden verondersteld. Slechts bij uitzondering zal de eiser moeten bewijzen, dat hij voldoende belang heeft. Tot die uitzonderingen behoort de rechtsvordering tot verklaring van recht en die als bedoeld in artikel 1 lid 2. Ook voor het tegenwoordige recht zal men dat moeten aannemen. Er is geen reden waarom het in het ontwerp anders zou moeten zijn.'(98)

Nu een verklaring van recht in de onderhavige procedure aan de orde was, staat daarmee vast dat van de zo-even genoemde uitzonderingssituatie sprake was. Bij die stand van zaken stond het het hof niet vrij voldoende belang te veronderstellen en heeft het dus terecht acht geslagen op het relevante verweer van Stokke c.s. De mogelijkheid dat het hof zulks heeft gedaan uit hoofde van de openbare orde (zie de s.t. onder 10.6) behoeft dus geen bespreking.
Hierop ketst de onder (i) bedoelde klacht af.

5.33.4. De klacht onder (iii) gaat uit van de veronderstelling dat het hof niet heeft gemotiveerd dat Fikszo c.s. onvoldoende procesbelang hebben bij haar vordering ten aanzien van de Amber. Daarmee wordt over het hoofd gezien dat het hof een en ander juist uitvoerig heeft gemotiveerd in rov. 4 t/m 8 van het eindarrest.

5.34. Het voorgaande brengt mee dat onderdeel 4 niet tot cassatie leidt.

5.35.1. Onderdeel 5 constateert dat het hof in het dictum van het eindarrest voor recht heeft verklaard dat het verveelvoudigen en/of openbaar maken door Fikszo c.s. van de Bambino in Nederland inbreuk maakt op de morele rechten van Tripp Trapp-ontwerper [eiser 3], maar dat het hof heeft nagelaten dit oordeel op enigerlei wijze te motiveren. Het onderdeel klaagt dat 's hofs beslissing aldus niet voldoet aan het vereiste dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig dient te zijn gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de desbetreffende beslissing zowel voor partijen als voor derden, de hogere rechter daaronder begrepen, controleerbaar en aanvaardbaar te maken.

5.35.2. Art. 25, lid 1, aanhef en onder c Aw luidt:

'De maker van een werk heeft, zelfs nadat hij zijn auteursrecht heeft overgedragen, de volgende rechten: [...]


c. het recht zich te verzetten tegen elke andere wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid' [...].

5.35.3. Bij inleidende dagvaarding hebben Stokke AS, Stokke Nederland en [eiser 3] gesteld:

'18. De Bambino-stoel maakt daarnaast inbreuk op de persoonlijkheidsrechten, althans op het droit au respect en het droit moral van [eiser 3]. [eiser 3] maakt bezwaar tegen de openbaarmaking van diens bekroonde werk in gewijzigde vorm. Het gaat immers om misvormde of in ieder geval enigszins gewijzigde kopieën van zijn ontwerp.'

Het petitum in de inleidende dagvaarding luidt, voor zover hier van belang, dat de rechtbank

'a. verklaart voor recht dat, door het vervaardigen en/of openbaar maken door Gedaagden van de Bambino-stoel [...], inbreuk wordt gemaakt op de auteursrechten van Eisers, zowel wat betreft de exclusieve verveelvoudigings- en openbaarmakingsrechten van eisers, als wat betreft de morele rechten van [eiser 3]'.

5.35.4. Fikszo c.s. hebben zich, naar gebleken is, met tal van argumenten verweerd tegen de door Stokke c.s. gestelde inbreuk op hun auteursrecht. Onderdeel 5 vermeldt echter niet enige vindplaats van enige stellingname waarin Fikszo c.s. zich meer in het bijzonder tegen de in punt 18 inleidende dagvaarding gestelde en het petitum onder (a) bedoelde inbreuk op morele rechten van [eiser 3] hebben verweerd.

5.35.5. Het hof heeft inbreuk op auteursrechten van Stokke c.s. door Fikszo c.s. aangenomen omdat, nu kort gezegd, de Bambino een ontoelaatbare verveelvoudiging - in gewijzigde vorm - van de Tripp Trapp inhoudt. Dat oordeel is in de eerdere onderdelen van het incidentele middel vergeefs aangevochten.
Met andere woorden (de woorden van nr. 5.73 van de s.t. namens Stokke c.s.): 'Indien er sprake is van een ongeoorloofde verveelvoudiging in gewijzigde vorm (in de zin van art. 13 Aw) is er immers ook sprake van, in ieder geval, een schending van art. 25(1)(c) Aw, welk artikel de auteur in beginsel recht geeft te ageren tegen elke wijziging in het werk'.

5.35.6. Bij deze stand van zaken is aan de voorwaarden voor de door Stokke c.s. gestelde inbreuk op [eiser 3]s recht ingevolge art. 25 lid 1, aanhef en sub c Aw voldaan, en kan bij gebreke aan tegenspraak van Fikszo c.s. ten deze niet gezegd worden dat het hof zijn motiveringsplicht verzaakt heeft. Daarbij verdient nog opmerking dat de uitzondering in art. 25 lid 1, aanhef en sub c Aw 'tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid' een op de gedaagde - in casu Fikszo c.s. - rustende stelplicht veronderstelt, waaraan Fikszo c.s. niet hebben voldaan.


Onderdeel 5 faalt dus.

5.35.7. Ik teken terzijde nog aan dat door Stokke c.s. niets is gesteld over ten gevolge van (mede) inbreuk op de morele rechten door [eiser 3] geleden (bijzondere of extra) schade. Die is er in bovenstaand systeem (nr. 5.73 van de s.t. namens Stokke c.s.) ook niet, en het hof heeft daarover ook niets vastgesteld. In zoverre kan de verklaring voor recht van inbreuk mede op morele rechten van [eiser 3] Fikszo c.s. niet deren, en hebben Fikszo c.s. ook geen belang bij deze cassatieklacht.

6. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele beroep.

De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,

A-G i.b.d.



1 Ter voorkoming van eventueel nodeloos tijdverlies geef ik de volgende leeswijzer mee: in de drie conclusies in de zaken met rolrns. 11/00447, 11/02739 en 11/04114 zijn de nrs. 4.1.1 - 4.1.2, en de nrs. 4.2 - 4.40 identiek, behoudens toespitsingen op elke afzonderlijke zaak in de nrs. 4.24 en 4.30.
2 Ontleend aan het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 februari 2007 onder 2.1 t/m 2.11. Ook het hof is - blijkens rov. 1 van het op dit punt niet bestreden arrest van 30 juni 2009 - hiervan uitgegaan.
3 LJN BB1881, AMI 2007, nr. 13, p. 99 m.nt. D.J.G. Visser, IER 2007, nr. 74, p. 265 m.nt. FWG.
4 LJN BK8037, IER 2009, nr. 77, p. 312 m.nt. FWG.
5 De cassatiedagvaarding is betekend op 3 januari 2011.
6 In het document wordt gerepliceerd in het principale beroep en tevens gedupliceerd in het incidentele beroep.
7 Vgl. Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht (2005), § 1.15, p. 19. Hierna geciteerd als: SVV (2005).
8 Vgl. bijv. Van Lingen, Auteursrecht in hoofdlijnen, 6e druk (2007), p. 53, SVV (2005), § 3.4-3.5 en 3.14-3.15. Zie over geurcombinaties het in nr. 4.6.3 te vermelden arrest van HR 16 juni 2006 (Kecofa/Lancôme).
9 Vgl. evenwel het uit 1985 stammende art. 45a in het hoofdstuk over filmwerken, waar gesproken wordt over een 'bijdrage van scheppend karakter'.
10 Vgl. - naast de bekende handboeken met verwijzingen - het recente artikel van Hugenholtz, Works of literature, science and art, in: Hugenholtz/ Quaedvlieg/ Visser, A century of Dutch Copyright Law, Auteurswet 1912 - 2012, DeLex Amsterdam 2012 p. 33-55.
11 HR 27 januari 1961, NJ 1962, 355 m.nt. HB (Explicator).
12 LJN ZC0104, NJ 1991, 608 m.nt. DWFV, AA 41 (1992) 1, p. 31 m.nt. HCJ, AMI 1991, p. 177 m.nt. JHS, CR 1991, p. 84 m.nt. Hugenholtz, IER 1991, nr. 38, p. 96 m.nt. FWG.
13 Na verwijzing is feitelijk alsnog geoordeeld dat de trefwoordenverzameling aan de door de HR geformuleerde eisen voldeed: Hof 's-Gravenhage 1 april 1993, NJ 1994, 58, AMI 1993, p. 134 m.nt. HCJ, CR 1993, p. 165 m.nt. PBH, IER 1993, nr. 16, p. 82.
14 NJ 2007, 37, AMI 2006, p. 153 m.nt. Quaedvlieg, IER 2006, nr. 39, p. 140.
15 LJN AU8940, NJ 2006, 585 m.nt. JHS, AMI 2006, p. 161 m.nt. Quaedvlieg, IER 2006, 54, p. 201, AA 2006, p. 821 m.nt. Hugenholtz.
16 LJN BC2153, NJ 2008, 556 m.nt. EJD, AMI 2008/5, nr. 12, p. 136 m.nt. Senftleben, IER 2008, nr. 58, p. 227 m.nt. Seignette, AA 2008, p. 819 m.nt. Hugenholtz.
17 In 2006 overgebracht naar (titel III) van het Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (Merken en tekeningen of modellen), afgekort BVIE.
18 Vgl. nader SVV (2005), § 3.38 (waaraan dit nr. ontleend is), met verwijzingen.
19 NJ 1987, 880, AMI 1986, p. 13, BIE 1986, nr. 15, p. 55.
20 NJ 1987, 881 m.nt. LWH, AMI 1987, p. 78 m.nt. JHS, BIE 1987, nr. 49, p. 196 m.nt. Ste., IER 1987, nr 40, p. 70 (met ill.), AA 1987, p. 717 (met ill.) m.nt. H. Cohen Jehoram.
21 NJ 1988, 376, BIE 1988, nr. 49, p. 170. Zie ook de volgende voetnoot.
22 In het BenGH-arrest stond hier 'karakter', maar dat moest volgens de HR gelezen worden als 'stempel': rov. 2, tweede alinea van het arrest van 15 januari 1988.
23 Art. 21 BTMW is overigens per 1 december 2003 vervallen.
24 NJ 1997, 293 m.nt. Gielen (Zoontjens/Kijlstra).
25 LJN AB2391, NJ 2001, 602 m.nt. DWFV, AMI 2001, nr. 15, p. 111 (met ill.) m.nt. Hugenholtz, IER 2001, nr. 41, p. 227 (met ill.) m.nt. HMHS.
26 In vergelijking tot de motiveringseisen volgens het Van Dale/Romme-arrest (maar dat was een bodemgeschil).
27 De HR kon in deze spellen-zaak ook wijzen op tardieve argumentatie in cassatie op het stuk van technische gebruiksvoordelen e.d.: vgl. bijv. rov. 3.5.3.
28 LJN AX3171, NJ 2006, 493, AMI 2006, p. 220 m.nt. Koelman, IER 2006, nr. 84, p. 300 (Timans/ Haarsma c.s.).
29 Bouwkundige werken worden in art. 10, lid 1 onder 8o Aw afzonderlijk genoemd, maar m.i. is er geen relevant verschil met werken als bedoeld in art. 10, lid 1 onder 11o Aw.
30 HR 8 september 2006. LJN AV3384, NJ 2006, 492, BIE 2007, nr. 7, p. 41, IER 2006, nr. 93, p. 294.
31 [Voetnoot hier niet overgenomen.]
32 [Voetnoot hier niet overgenomen.]
33 [Voetnoot hier niet overgenomen.]
34 LJN BK1599, RvdW 2010, 223.
35 Citaat uit SVV (2005), § 3.10 (voetnoten hier niet overgenomen).
36 Citaat uit SVV (2005), § 4.8.
37 Vgl. bijv. het oordeel in de spijkerbroekenzaak G-Star/Benetton, vermeld in nr. 3.9.5.
38 NJ 1979, 339 m.nt. LWH.
39 HR 29 november 2002, LJN AE8456, NJ 2003, 17, AMI 2003, nr. 1, p. 15 m.nt. D.J.G. Visser, IER 2003, nr. 17, p. 93 m.nt. FWG, NTBR 2003/4, p. 224 m.nt. Quanjel-Schreurs (Wassenaar (Accordo) / Tros). Vgl. ook Gielen, De totaalindruk in het auteursrecht, IER 2004, nr. 55, p. 255.
40 In het verlengde van het chronologisch eerdere arrest Decaux/Mediamax: zie hierna 4.13.1.
41 Als bedoeld in HR 21 februari 1992, NJ 1993, 164 m.nt. JHS (Barbie).
42 Daaraan kan niet afdoen dat rov. 3.5 in fine rept van 'een zelfstandig werk' en niet van de art. 13-riedel 'een nieuw, oorspronkelijk werk'. Daarover ging het niet in het Una Voce Particolare-arrest.
43 Vgl. rov. 91 van het - hierna nog ter sprake komende Painer-arrest van HvJEU 2011. Een leerzame beschouwing over foto's als 'werken' is ook te vinden in de conclusie van de A-G Asser voor HR 1 juni 1990, NJ 1991, 377 (Lamoth/Kluwer; stilist).
44 Vgl. de inzet van de zaak Heertje/Hollebrand.
45.LJN ZC1942, NJ 1996, 546 m.nt. DWFV; zie ook Quaedvlieg, AMI 1996, p. 195.
46 Vgl. SVV (2005), § 4.9; Gielen, De totaalindruk in het auteursrecht, IER 2004, nr. 55, p. 255.
47 Ik onderken dat het gebruik van deze terminologie (kleinere vs. ruimere beschermingomvang) in de octrooirechtelijke en merkenrechtelijke context in de afgelopen decennia niet alleen is ingeslopen, maar daar zelfs tot het juridisch acquis is gaan behoren.
48 Vgl. Grosheide, 'Zwakke werken. Een pleidooi voor een merkenrechtelijke benadering van de inbreukvraag in het auteursrecht', in: Intellectuele eigenaardigheden, Opstellen aangeboden aan mr. Theo R. Bremer (1998), p. 126 (132).
49 Zie eerder de CPG, nrs. 4.8 t/m 4.8.4 in de zaak leidend tot HR 2 september 2011, nr. 09/04977, LJN BQ3894 (G-Star/Bestseller Retail). Door de Hoge Raad beslist met toepassing van art. 81 RO.
50 Bij de categorie 'werken van toegepaste kunst' (art. 10 lid 1, sub 11o Auteurswet) is per definitie sprake van functionele elementen, vgl. nr. 4.11.1.
51 Vgl. in deze zin bijv. SVV (2005) § 4.8, p. 158 e.v.
52 NB: de A-G spreekt hier over modellen in de auteursrechtelijke context.
53 De A-G verwijst hier naar het arrest Heertje/Hollebrand.
54 De A-G verwijst hier andermaal naar het arrest Heertje/Hollebrand.
55 DeLex, Amsterdam (2011), p. 15.
56 Zie bijv. SVV (2005), § 4.9.
57 Vgl. ook nr. 4.13.7. Zo'n standpunt lijkt geïnspireerd door bepaalde evoluties in het merkenrecht, maar het laat zich m.i. niet overplanten naar het auteursrecht.
58 Dat is gezien de jaartallen van de arresten al onwaarschijnlijk.
59 Doorgaans met alleen de 'roepnaam'.
60 Er kan nog gewezen worden op de (alle IE-rechten, en dus ook het auteursrecht omvattende) Handhavingsrichtlijn (2004/48/EG) van 29 april 2004, Pb. L 157/45.
61 In de Volgrecht-richtlijn is de constructie een andere: in art. 2 lid 1 noemt de kunstwerken waarop het volgrecht van toepassing limitatief op (vgl. punt 21 van de considerans). Bouwwerken en werken van toegepaste kunst worden daarbij niet genoemd.
62 Hetzelfde staat in punt 33 van de considerans respectievelijk art. 96 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen, Pb 2002, L 3/1, in werking getreden op 6 maart 2002 (de 'Gemeenschapsmodellenverordening' of 'GModVo').


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina