12. Pesticiden in voeding



Dovnload 118.06 Kb.
Datum14.08.2016
Grootte118.06 Kb.

Dynamica en Residu’s van Pesticiden Risico-indicatoren

12. Pesticiden in voeding



12.1 Voedselveiligheid en voedselkwaliteit
De term voedselveiligheid geeft de mate van (on)veiligheid van ons voedsel aan. Onder voedselveiligheid vallen het vóórkomen en het voorkómen van voedselvergiftigingen, voedselintoleranties, bederf, voedselallergiëen en andere mogelijke risico's die aan voedsel kunnen zitten. Belangrijke onderdelen zijn de risico-analyse, de risico-communicatie en het risico-management.
Het accent van voedselveiligheid evolueerde in de loop der tijd. Daar waar in het verleden alle aandacht ging naar het voorkomen van voedselbederf en het gebruik van veilige additieven (E-nummers), wijzigde met de tijd de aandacht naar allergenen aanwezig in voedsel, naar mutagene stoffen gevormd tijdens het kookproces en naar zware metalen en POP’s “persistent organic pollutants” verspreid door de chemische industrie. Residu’s van pesticiden mochten zeker niet in dit rijtje ontbreken. Als reactie daarop ging men ook de natuurlijke toxines in de plant gaan bestuderen. De laatste tijd spitst de voedselveiligheid zich meer toe op stoffen die obesitas bevorderen, op genetisch gemanipuleerd voedsel (GMO) en op pathogene micro-organismen.
Voedselkwaliteit is een synoniem voor een eigenschap van het voedsel en duidt aan of dit voedsel aan de wens van de consument beantwoordt. De wensen van de consument kunnen uiteenlopend zijn waardoor het begrip kwaliteit op verschillende manieren kan geïnterpreteerd worden:


  • Externe kwaliteit (marktkwaliteit)

    • vorm, kleur, smaak, gewicht, textuur, afwijkingen

  • Gebruikskwaliteit (processing quality)

    • geschiktheid voor gebruik en verwerking

  • Nutritionele kwaliteit

    • aan- en/of afwezigheid van residu’s en toxines

    • voedingswaarde

  • Ecologische kwaliteit

  • Sociale en politieke aspecten

    • afhankelijkheid van bestrijdingsmiddelen

    • arbeidsomstandigheden

    • prijs van het product



12.2 Pesticiden in voeding
De consument wil geen pesticidenresidu’s in zijn/haar voeding…

…maar pesticiden zijn onvervangbaar in een economisch haalbare landbouw.


Als compromis schrijft de wet voor dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen of pesticiden voor de voedselproductie of tijdens het bewaren, wordt toegelaten onder de voorwaarde dat:

  • niet meer pesticide dan nodig gebruikt wordt om effectief te werken tegen de ziekte/plaag of het onkruid;

  • de residu’s van de pesticiden niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens.

Om dit doel te bereiken streeft de landbouw naar een productiesysteem dat aan de GLP voldoet. GLP (GAP in het engels) wijst op de Goede Landbouwpraktijk. Dit is het officieel aangewezen of nationaal erkend gebruik van pesticiden onder normale omstandigheden noodzakelijk voor een efficiënte en betrouwbare beheersing van ziekte, plaag of onkruid… toegepast op een manier die de kleinst mogelijke hoeveelheid residu nalaat.” FAO International Code of Conduct on the Distribution and Use of Pesticides (2002)


Gewasbeschermingsmiddelen in de voeding zijn terug te brengen tot:

  1. gewasbeschermingsmiddelen terug te vinden op geoogste landbouwproducten

  2. middelen gebruikt voor na-oogstbehandeling

  3. persistente middelen algemeen aanwezig als milieucontaminant

  4. contaminanten gebruikt als biociden.

Residu’s van bestrijdingsmiddelen in de voeding hangen tijdens de toepassing af van het initiëel depot, het vernevelingspatroon, het contact/de verdeling bij de toepassing op het blad; hangen na de toepassing af van verwijderingsmechanismen als « verdunning » door groei van het gewas, fysische verwijdering door afregenen, verdampen, …, chemische afbraak door hydrolyse, fotolyse, … en biologische afbraak door enzymatische, microbiële activiteit, … en hangen bij consumptie af van de bereiding van etenswaren.



De aanwezigheid van residu’s van pesticiden in groenten en fruit wordt vooral door de verhouding tussen de volledige plant en de grootte van het gedeelte dat later geoogst wordt en op het ogenblik van de toepassing reeds aanwezig was, bepaald. Zo zijn teelten die later volledig geoogst worden, zoals bladgroenten, veel gevoeliger voor residu’s van bespuitingen dan teelten waarbij slechts een deel van de plant geoogst wordt, zoals tomaten. Bij deze laatste wordt inderdaad vooral de plant behandeld en komt slechts een deel van de chemische stoffen op de vruchten terecht. Soms gebeurt de toepassing zelfs op het moment dat het later te oogsten gedeelte nog niet gevormd is, zoals bij de behandeling van appelen, aardbeien, e.d.m. tijdens de bloei. In andere gevallen is de groei van het product zodanig snel dat er een zeer belangrijk verdunningseffect optreedt. Dit is b.v. zeer uitgesproken bij komkommers, waarvan het volume in zeer korte tijd zo snel kan verhogen dat een residu van 1 mg/kg zonder enige afbraakreactie toch verdund wordt tot 0.01 mg/kg.


Doordat het graan zelf, slechts een klein deel uitmaakt van de totale plant en goed beschermd is, worden bij de oogst normaal geen of zeer weinig residu’s van de toegepaste middelen aangetroffen. Tijdens het bewaren kunnen granen echter opnieuw behandeld worden vooral met insecticiden zoals malathion, chloorpyrifos-methyl, pirimifomethyl en totaalontsmetters.
Bioaccumulatie
De meeste pesticiden worden in het dierlijk organisme grotendeels afgebroken of uitgescheiden. In zuivelproducten kunnen echter residu’s van pesticiden voorkomen die in het vetgedeelte geconcentreerd worden. Het betreft de organische chloorinsecticiden lindaan en zijn isomeren alfa- en beta-HCH, dieldrin, heptachloorepoxyde (een metaboliet van heptachloor), pp-DDT en vooral zijn metabolieten DDE en DDD en het gechloreerde fungicide hexachloorbenzeen (HCB).
Een van de resultaten van het onderzoek naar residu’s van bepaalde pesticiden is de vaststelling dat ze uiteindelijk aanwezig blijken te zijn in organismen of voedingsmiddelen die niet rechtstreeks behandeld zijn. Na jarenlang gebruik van de organische chloorinsecticiden werd vastgesteld dat sommige van deze, in vet goed oplosbare, verbindingen ook via dit vet in de voedselketen doorgegeven worden, dus dat zij door de verschillende opeenvolgende organismen die het opnemen, niet afgebroken doch integendeel opgestapeld worden. Deze vaststelling is bekend als bioaccumulatie. Bio-accumulatie duidt op de toename van de concentratie van een chemische stof in een levend organisme in de tijd, en dit vergeleken met de omgevingsconcentratie. Bij bio-accumulatie kan men verder een onderscheid maken tussen bio-concentratie en bio-magnificatie. Bio-concentratie is het specifiek proces waarbij de concentratie in een organisme hoger wordt dan in de omgeving en

bio-magnicificatie is het proces dat resulteert in de accumulatie van een chemische stof in een organisme, in vergelijking met de concentratie in de voeding.


Bioaccumulatie kan worden uitgedrukt door de bioconcentratiefactor (BCF). Deze bioconcentratiefactor staat in verband met de octanol/water verdelingscoefficient.
BCF = concentratie in het organisme/concentratie in de omgeving
log BCF ~ log Kow è log BCF = a log Kow + b
Invloed van bereidingsprocessen
Tabel. Voorbeelden van invloed van bereidingen op het residu van gewasbeschermingsmiddelen


Residu gewasbeschermingsmiddelen

  • spoelen van sla

dithiocarbamaten - 64%

metalaxyl - 38%

propamocarb - 10%

  • schillen van appelen

carbendazim - 86%

dimethoaat - 10%

  • spoelen en stoven van spinazie

bifenthrin - 12%

parathion - 83%

Tabel. Verschillende bereidingsprocessen in voedingswaren die het residu van pesticiden beïnvloeden




Proces

Condities

Proces

Condities

Wassen

Koud water

Warm water (blancheren)

Chemisch bad (bijtmiddel, zuur, detergent, hypochloriet)


Pikkelen
Pasteuriseren




Pellen Schillen Doppen Ontbolsteren




Olie productie

Irradiatie



Persen

Solvent extractie

Zuivering

Ontgeuring



Snijden







Hydrogenering

Verbrijzelen

Mixeren

Fijn hakken

Hakken

Drogen

Ovendrogen

Zondrogen



Sap productie

Persen

Zuiveren





Sproeidrogen

vriesdrogen



Koken

Stomen

Koken


Bakken

Frituren


Grillen

Microgolf


Graan malen


Pellen


Polijsten

Vermalen


  • Volledige bloem

  • Witte bloem

Concentreren

Koken

Vacuum trekken

Reverse osmose





  • zemelen

  • kiem

Confituur bewaring




Aftreksel
Fermentatie
Destillatie

Thee, koffie
Bier, wijn, soya, zuurkool, salami
Zware drank

Stomen – essentiële oliën


Bij sommige voedingsmiddelen kunnen de aanwezige residu’s volledig bewaard en zelfs geaccumuleerd worden in de bereidingen, zoals blijkt uit de transfer van organochloorpesticiden in de melk naar boter en kaas. De meeste voedingsmiddelen, zoals groente en fruit ondergaan echter, vóór de consumptie, nog allerlei bewerkingen waardoor een deel van de aanwezige residu’s worden verwijderd. Hieruit volgt dat de hoeveelheid pesticiden opgenomen via de voeding vrijwel altijd lager is dan wat bij de controle van de afzonderlijke voedingsmiddelen wordt vastgesteld. Om de reële opname te kennen is dus onderzoek nodig van bereide voedingsmiddelen of maaltijden, klaar voor consumptie. Dit kan gebeuren door volledige maaltijden te onderzoeken met zoveel mogelijke analysemethoden. Een andere mogelijkheid is het voedingsmiddel bij de aankoop te onderzoeken, dan op het positieve staal een aantal culinaire bewerkingen uit te voeren (b.v. wassen, schillen, koken) en het daarna opnieuw analyseren. Algemeen heeft koken een gemiddelde afname in residu van 73%, wassen 23%, stoven 60% en schillen 78%.


Huidig onderzoek toont geen duidelijk onderscheid tussen contact- en systemische middelen. Bij contactmiddelen blijft het product op het oppervlak en wordt het grotendeels door wassen en schillen verwijderd. Systemische middelen worden in de plant opgenomen en best door stomen en koken verwijderd.
Situatie in België

Figuur. Resultaten residu’s van pesticiden in voeding in België.


Onderzoek van de periode 1995-2001 op 3698 stalen met 19912 analyses op residu’s, waarbij de stalen werden genomen ná-oogst (veiling en supermarkt) tonen aan dat 87% van de stalen geen aantoonbare hoeveelheid pesticiden bevatten. 11% bevindt zich tussen de detectielimiet en de MRL. In 2% van de gevallen worden overschrijdingen van de MRL vastgesteld. Als er wordt gekeken naar het type van gewas, groente of fruit, wordt in het fruit telkens iets meer pesticide aangetroffen.
Opmerkelijk hoge waarden werden aangetroffen voor:

    • propamocarb in Romeinse sla (50%>MRL)

    • methamidofos in paprika (22%>MRL)

    • bromide in walnoten (18%>MRL)

    • chloormequat in peren (17%>MRL)

    • chloorpyrifos in wortel (14%>MRL)

    • chloormequat in tomaat (13%>MRL)

Wanneer nu wordt gekeken naar het effect van bereiding op deze residu’s, stelt men aan de hand van de gemiddelde cijfers vast dat van de 2% overschrijdingen van MRL vóór de bereiding, er géén overschrijdingen meer zijn, behalve voor het pesticide tolclofos-methyl op bladselder. Dit illustreert kort het belang van bereidingsprocessen op het residugehalte. Het is niet zo dat een overschrijding van de MRL van het rauwe product een probleem vormt aan tafel!


12.3 Toxiciteit van bestrijdingsmiddelen
De basis is van de huidige reglementering is nog steeds de stelling van Paracelsus (1493-1541) : “De dosis maakt iets tot een vergif”. Toxiciteit van pesticiden kan in verband gebracht worden met het lipofiele/hydrofiele karakter (Kow) ervan.
Toxiciteit ~ log Kow è log LC50 = a log Kow + b
Acute toxiciteit

huid: irritatie, zwelling, …

ogen: verwijding pupil, tranen, …

zenuwstelsel: spierkramp, nervositeit, …

cardiovasc. stelsel: hartstilstand,…

ademhaling: niezen, klaplong, …

gastro-intestinaal stelsel: braken, kramp,…
Acute giftigheid is de giftigheid als gevolg van één enkele inname van het product. Met betrekking tot pesticiden in de voeding wordt de Acute Referentie Dosis (ARfD) als maatstaf voor de acute toxiciteit gehanteerd. Definitie (EU-wetgeving):“The estimate of the amount of substance in food, expressed on a body-weight basis, that can be ingested over a short period of time, usually during one day, without appreciable risk to the consumer on the basis of the data produced by appropriate studies and taking into account sensitive groups within the population.” De acute referentiedosis is m.a.w. die hoeveelheid pesticide in de voeding, uitgedrukt in mg per kg lichaamsgewicht per dag, die tijdens een eenmalige inname door de mens kan geconsumeerd worden zonder enig nadelig gezondheidsrisico. De acute referentiedosis wordt afgeleid uit acute toxiciteitstesten op dieren. Uit de dosis waarbij 50% van de testdieren sterft wordt de LD50/LC50 afgeleid. Uit deze waarden gaat men de NOAEL (no observed adverse effect level) bepalen. Rekening houdend met een veiligheidsfactor (100-1000) wordt uit die NOAEL-waarde de acute referentiedosis berekend.
NOAEL/safety factor = Acute referentiedosis (ARfD)
Chronische toxiciteit
carcinogeniteit of kankerverwekkende eigenschappen

teratogeniteit of kans op aangeboren afwijkingen

mutageniteit, erfelijke afwijkingen

aborterende werking

allergische reacties
Chronische toxiciteit duidt op negatieve effecten bij herhaalde opname van kleine hoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen gedurende een lange periode. Lastig bij chronische effecten is dat er geen veilige dosis is, zoals bij acute giftigheid. Het gaat niet om de dosis, maar om de tijdsduur dat men er aan blootgesteld wordt. Chronische effecten treden daarom vooral op bij mensen die beroepshalve veel met zulke stoffen werken. Chronische effecten kunnen kwalitatief of kwantitatief worden benaderd.
Met betrekking tot pesticiden in de voeding wordt de Acceptable Daily Intake (ADI) als maatstaf voor de chronische toxiciteit gehanteerd. Definitie (EU-wetgeving): “The estimate of the amount of substance in food, expressed on a bodyweight basis, that can be ingested daily over a lifetime, without appreciable risk to any consumer on the basis of all known facts at the time of evaluation, taking into account sensitive groups within the population.”

De acceptabel daily intake is m.a.w. de geschatte hoeveelheid van een stof in de voeding, uitgedrukt in mg per kg lichaamsgewicht per dag, die dagelijks gedurende het hele leven van de mens mag worden geconsumeerd zonder enig nadelig gezonheidsrisico. De chronische toxiciteit wordt afgeleid uit chronische toxiciteitstesten op dieren. Uit deze testen volgt een LOAEL en NOAEL waarde. Rekening houdend met een veiligheidsfactor (100-1000) wordt uit die NOAEL-waarde de aanvaardbare dagelijkse inname berekend.


NOAEL/safety factor = Acceptable Daily Intake (ADI)
Carcinogeniteit
Het ontstaan van kanker kan niet onmiddellijk verklaard worden met de klassieke leer van de toxicologie. Het effect van kanker is niet meteen dosisgebonden. Het is veeleer de frequentie van inname die belangrijk is. Men kan een heel leven blootgesteld worden zonder kanker te krijgen. Een ander krijgt het op een bepaald moment wel door die ene molecule.
Kwalitatief

Het EPA (Environmental Protection Agency – USA) classificeert het kankerrisico van een scheikundige stof in een aantal groepen, die ook door de Europese Unie grosso modo aanvaard worden.


Tabel. EPA classificatie kankerrisico


Klasse

Beschrijving

Groep A

Kankerverwekkend: duidelijk verband blootstelling/kanker

Groep B

Waarschijnlijk carcinogeen: voldoende bewijs uit dierproeven en

B1

beperkte indicaties uit epidemiologische studies

B2

onvoldoende epidemiologische studies

Groep C

Mogelijk carcinogeen: nog geen bewijs voor mens

Groep D

Niet classificeerbaar: onvoldoende gegevens

Groep E

Niet carcinogeen

De evaluatie naar kankerrisico is gebaseerd op experimentele gegevens. Hierbij is er steeds onzekerheid bij de extrapolatie van dier naar mens. Geen enkel pesticide dat zich in klasse A bevindt is door de overheid erkend. Gezien de delicate materie is de beoordeling erg terughoudend. Sommigen ontkennen dan ook mogelijke carcinogene effecten van bepaalde stoffen. De evaluatie buigt zich enkel over de enkelvoudige stof. Het effect van de combinatie (synergetische effecten) van verschillende stoffen zit niet in de classificatie vervat.


Kwantitatief (=EPA multistage-model)

Naast deze kwalitatieve indeling is er ook vaak nood aan een kwantitatieve meting van het kankerrisico. Ook hier wordt meestal het EPA-model gebruikt dat op een belangrijke parameter, de Q* of “oncogene potentie” gebaseerd is, welke een beeld geeft van het voorkomen van tumoren, die bij relatief lage dosissen van pesticiden in de menselijke voeding te verwachten zijn.


Figuur. Oncogene potentie Q*


Het risico is een combinatie van de inname en de oncogene potentie. Voor de werkzame stof Captan is de Q* factor b.v. 2.30E-03. Met een gemiddelde inname per dag van 25.5 µg/kg lg/d wordt een risico voor de stof bekomen die minder is dan 1 op 1.000.000. Het optreden van kanker door het gebruik van Captan is weinig waarschijnlijk, maar niet uit te sluiten!
risico = inname x Q*

= 5.87E-08

= 1/17.035.775 < 1/1.000.000
12.4 Risico-analyse
Er zijn twee principes voor de risico-evaluatie van bestrijdingsmiddelenresidu’s in voedsel (WHO, FAO, 1962)
1. de totale dagelijkse opname door de mens

< de hoeveelheid die als veilig beschouwd wordt bij levenslange consumptie

2. de residu’s in het voedsel



< de residu’s bekomen door « good agricultural practice »
Totale dagelijkse opname door de mens
Voor het beoordelen van het risico wordt steeds uitgegaan van het gevaar en de mate van blootstelling. Op basis van beide wordt de risicoquotiënt berekend. Op vlak van pesticiden wordt de blootstelling berekend op basis van dieetstudies of modellen (consexpo). Wanneer de consumptiehoeveelheid gekend is en het aanwezige residu in de voedingswaar, kan berekend worden in welke mate de persoon blootgesteld is. Het gevaar zijn de verschillende gradaties van toxiciteit: de NOAEL, ARfD, ADI, oncogeniciteit, estrogene effecten… Specifiek i.v.m. voeding wordt het chronische en het acute risico in de praktijk geëvalueerd aan de hand van respectievelijk de NEDI, ADI en de PSTI en de ARfD.
Risicoquotiënt = Blootstelling / Gevaar
Chronische blootstelling (levenslang)

NEDI - “National Estimated Daily Intake” (nat. geschatte dagelijkse inname)

ADI - “Acceptable Daily Intake” in mg/kg lichaamsgewicht (aanvaardbare dagelijkse inname)
Acute blootstelling (één dag)

PSTI - “Predicted short term intake” in mg/kg lichaamsgewicht per dag (voorspelde korte termijn inname)

ARfD - “Acute Reference Dose” in mg/kg lichaamsgewicht (acute referentie dosis)



Theoretische Maximale Dagelijkse Inname (TMDI)
Residu’s in het voedsel
Bij het gebruik van pesticiden wordt in de landbouw voor elk pesticide een MRL bepaald.

Een MRL



    • wordt aan de hand van residuwaarden van veldtesten die uitgevoerd werden volgens Goede Landbouwpraktijk (GLP) opgesteld;

    • wordt vastgesteld om illegaal en overdreven gebruik van pesticiden te vermijden;

    • is over het algemeen ver beneden de toxicologische grens gelegen;

    • houdt rekening met potentiële blootstelling en het risico voor de consument op basis van inname.

Een MRL is bijgevolg geen toxicologische grens, geen “gezondheidsnorm” noch een “veiligheidsnorm”. Als een MRL wordt overschreden dan moet een extra berekening uitgevoerd worden om vast te stellen of de toxicologische grens werd overschreden. Een MRL is een voorwaarde voor het toekennen van een erkenning (RL 91/414/EEG). Wanneer een erkenning wordt aangevraagd, zijn o.a. een residudossier en een toxicologisch dossier noodzakelijk. Het residudossier bevat o.a. volgende studies: stabiliteit van het residu tijdens opslag, metabolisme van het residu in planten (en dieren), residuproeven op planten, processingdata, voederstudies met dieren en residuen in volggewassen.


MRL’s worden op basis van de landbouwkundige praktijk (GLP) voorgesteld en niet op basis van toxicologie! De bepaling van de MRL grijpt plaats in 2 stappen. Eerst wordt de kritische GLP geïdentificeerd. Vervolgens wordt de MRL berekend. De kritische GLP is de GLP die het meeste residuen zal achterlaten en wordt voor elk gewas en voor elke Europese zone (noord, zuid en onder glas) afzonderlijk bepaald. Belangrijkste parameters zijn het vooroogstinterval of toepassingsstadium, de toepassingsdosis en het aantal toepassingen. Op basis van de resultaten van residuproeven wordt er vervolgens voor elk betrokken gewas een MRL berekend (d.m.v. eenvoudige statistische methodes). Vereiste criteria voor de grote teelten zijn dat er 8 proeven in elke zone plaatsvinden. Voor kleine teelten moeten er 4 proeven in elke zone uitgevoerd worden. De residuproeven moeten telkens beantwoorden aan de kritische GLP van de overeenkomstige zone. Er is een mogelijkheid tot extrapolatie. Om overbodige proeven te vermijden, kunnen de resultaten van residuproeven onder voorwaarden naar andere teelten geëxtrapoleerd worden. Dit moet volgens strikte richtlijnen gebeuren en de GLP’ s moeten overeenstemmen. Voorbeelden zijn: 8 proeven met een late toepassing op appel of peer (minimum 4 op appel) kunnen naar alle pitfruit worden geëxtrapoleerd; 4 proeven met een late toepassing op framboos kunnen naar braambessen worden geëxtrapoleerd.
MRL’ s worden vastgelegd in het KB van 13 maart 2000 (+ wijzigingen). Een overzicht van alle MRL’ s die in België van toepassing zijn, is op www.fytoweb.fgov.be weer te vinden.
Wanneer een MRL een onaanvaardbaar risico betekent voor de consument, kan een MRL niet verlaagd worden. De volledige landbouwkundige toepassing dient herbekeken te worden.
Riscobeheer
In elke risico-evaluatie wordt de blootstelling afgewogen met het gevaar.

Chron. blootstelling < ADI en Acute blootstelling < ARfD

    • Risico is aanvaardbaar

    • MRL wordt officieel vastgelegd

    • Bijhorende erkenning wordt toegekend na het vastleggen van de MRL

Chron. blootstelling > ADI of Acute blootstelling > ARfD



    • Risico is onaanvaardbaar

    • MRL wordt niet officieel vastgelegd

    • Bijhorende erkenning wordt niet toegekend





Harmonisatie EU
Nationale MRL’ s voor specifieke werkzame stoffen/gewas combinaties kunnen van het ene tot het andere land verschillen. Hierdoor ontstaan tussen de landen handelsbarrières. Om deze barrières te doorbreken is in het herzieningsprogramma bij elke beslissing tot opneming of niet-opneming van een pesticide in bijlage I van de Richtlijn 91/414/EEG, het herbekijken van de MRL’ s om van nationale MRL’ s naar Europese MRL’ s over te gaan, opgenomen. MRL’ s zijn nu een exclusieve materie op het Europese niveau. De EFSA (European Food Safety Authority) berekent met één enkele procedure de MRL’ s en vergelijkt deze met risicoschattingen voor de consument. Specifieke tijdelijke of permanente EU MRL’ s worden daarop respectievelijk opgelijst in bijlagen III and II.

Momenteel heeft men te maken met verschillende types van MRL’ s:



  • “Vaste” MRL’ s (annex II): MRL erkend door de EU

  • Tijdelijke MRL’ s (annex III): MRL voormalig erkend door afzonderlijke lidstaat

  • Default MRL’ s: 0.01 mg/kg: met de mogelijkheid om verschillende LOD’ s door te voeren naargelang de combinatie van de stof en de matrix (annex V)

  • Uitzonderlijke gevallen (annex IV): werkzame stoffen waarvoor geen MRL nodig is (b.v. Coniothyrium minitans)

Het grote voordeel is dat de consument nu overal in Europa op dezelfde wijze beschermd wordt. Voor de overheden wordt de aanvraagprocedure voor het toekennen van MRL’ s heel wat eenvoudiger. De gewasbeschermingsmiddelenproducenten moeten slechts rekening houden met één enkele Europese en transparante MRL richtlijn. De boeren, voedingsproducenten en handelaars krijgen beter inzicht in de wettekst en handelbarrières die er vroeger waren worden opgedoekt. De volledige implementatie is einde 2007 voorzien met een complete harmonisatie van de EU MRL’ s en een integratie van internationale standaarden (codex alimentarius) in de EU wetgeving.


Voor het voedingsmiddel waarbij de MRL wijzigt door bereiding of mixen van het middel zal een aangepaste MRL in bijlage I opgenomen worden. De methode en specifieke kenmerken van de bereiding worden hierbij in bijlage VI opgenomen.
Harmonisatie wereldschaal
Op vlak van wereldhandel treedt voor de bepaling van de MRL het systeem van de Codex Alimentarius in voege. Het Codex Systeem is erkend door 165 landen en wil bescherming bieden voor eerlijke handel en de gezondheid van de consument. De Codex wil standaarden in de voeding wereldwijd promoten. Het CCPR (Codex Committee on Pesticide Residues) beveelt Codex MRL’ s aan voor pesticiden op basis van overeenkomst, harmonisatie en kritische landbouwpraktijk. Het systeem van de erkenning van een MRL door de Codex is vergelijkbaar met de weg van de erkenning in Europa.

Een harmonisatie in MRL heft heel wat problemen met betrekking tot handelbarrières op. De teler zal sneller geneigd zijn om te kiezen voor nieuwere, minder risicovolle/toxische middelen en het vertrouwen van de consument in de voedselveiligheid en wetgeving wordt wereldwijd gewonnen.


Private labels
Landbouw is voortdurend in ontwikkeling. Labels als Flandria, Biologische voeding, EurepGAP,… steken de kop op. Zij staan voor een handelswijze in de landbouw met extra aandacht voor duurzaamheid. Het gebruik van pesticiden wordt hierbij vaak geminimaliseerd en zelfs vermeden. Vanuit de supermarkten (Aldi, Lidl, Tesco, …) is er de laatste tijd nu ook een sterk toenemende vraag voor het bekomen van residuarm of residuvrij fruit. Consumenten- en maatschappelijke organisaties zoals Greenpeace en Testaankoop hebben deze nieuwe tendensen op gang gebracht. Tussen de verschillende voedingsketens is er daarom een strijd ontstaan rond residu’s op fruit. De “emotie van residu” is een item geworden dat door deze ketens als concurrentieargument wordt gehanteerd. Bij de implementatie daarvan is er echter geen objectieve benadering, maar iedereen wil zich onderscheiden. Productie volgens de wettelijke normen via milieubewuste of geïntegreerde teelt volstaan niet meer. Iedereen stelt zijn eigen eisen omtrent residu’s en deze zijn een stuk strenger dan de wettelijk toegelaten residugehalten. Hierbij zijn het aantal teruggevonden producten en % van de toegestane MRL’s en/of de acute referentiedosis (ARfD) belangrijke criteria.
RASFF
The Rapid Alert System for Food and Feed (RASFF) was put in place to provide food and feed control authorities with an effective tool to exchange information about measures taken responding to serious risks detected in relation to food or feed. This exchange of information helps Member States to act more rapidly and in a coordinated manner in response to a health threat caused by food or feed.
The European Commission has created a web portal http://ec.europa.eu/food/food/rapidalert/rasff_video_en.htm as part of its striving to make the functioning of the RASFF as transparent as possible to the consumer, business operators and authorities around the world. In doing so however, it needs to strike a balance between openness and protection of information that could lead to disproportionate economical damage. If dangerous products need to be recalled from the market, Member States and the European Commission immediately act to ensure that the product is removed, including providing the necessary information to consumers.

Notifications (Alert = Alert Notification; Info = Information Notification):

ID

Subject

Type

2009.0863

Oxamyl (1.56; 1.46 mg/kg - ppm) in peppers from Turkey

Info

2009.0843

Dithiocarbamates (1.53 mg/kg - ppm) in cauliflower from Italy, via the Netherlands

Info

2009.0841

Monocrotophos (2.1 mg/kg - ppm) in okra from India

Info

2009.0840

Monocrotophos (0.6 mg/kg - ppm) in okra from India

Info

2009.0839

Carbofuran (0.17 mg/kg - ppm) in apricots from Turkey

Info

2009.0828

Methomyl (0.1 mg/kg - ppm) in fresh cucumbers from the Former Yugoslav Republic of Macedonia

Info

2009.0802

Chlormequat (1.5 mg/kg - ppm) in conference pears from Belgium

Info

2009.0801

Chlormequat (2.5 mg/kg - ppm) in conference pears from Belgium

Info

2009.BDK

Diazinon (0.060+-0.026 mg/kg - ppm) in fresh cherries from Turkey

Border Rejection

2009.BDG

Omethoate (0.022 mg/kg - ppm) and dimethoate (0.22 mg/kg - ppm) in fresh apples from Brazil

Border Rejection


12.5 Knelpunten met betrekking tot bestrijdingsmiddelen in voeding
«Common mechanism of activity»


    • MRL’ s per groenten- of fruitsoort

      • Sla + tomaat + prei + kool + …

MRL’ s worden vandaag enkel met betrekking tot de inname van het enkelvoudige voedingsmiddel bepaald. In totaal zal vermoedelijk meer residu door ieder individu ingenomen worden afkomstig van verschillende voedingsmiddelen in de maaltijd.




    • acetylcholinesterase-inhibitoren

      • appelen: 0,5 mg/kg parathion + 0,5 mg/kg chloorpyrifos + 0,5 mg/kg diazinon + 0,5 mg/kg ethion + 3 mg/kg propoxur + 1 mg/kg pirimicarb + … = ca. 10 mg/kg

Per pesticide wordt er een MRL opgesteld. Hier stelt zich de vraag wat het effect is van gelijktijdig gebruik van verschillende middelen op hetzelfde voedingsmiddel waarbij geweten is dat deze middelen behoren tot dezelfde “familie” of dat zij eenzelfde mechanisme van biologische werking hebben. Zijn hun residu’s accumuleerbaar?


«Aggregate pesticide exposure»


    • Voedsel: 75 - 100%

    • Drinkwater: 0 – 2%

    • Lucht: 0 – 1%

    • Gecontamineerde oppervlakken:

      • Spelende kinderen 0 – 20%

      • Oogst-arbeider 1 - 10%

    • Toepassingsblootstelling:

      • Loonsproeier, landbouwer: 1 - 20%

      • Biociden (aerosol, …): 1 - 10%

Voeding is niet de enige weg waardoor de mens aan pesticiden blootgesteld wordt. Moeten die verschillende blootstellingswegen als lucht, water en omgeving niet ook in rekening worden genomen?


«Risk cup»- benadering
Tot nu toe worden enkel pesticiden in beschouwing genomen. Kan simultane blootstelling aan andere chemicaliën als geneesmiddelen, voedingssupplementen, milieucontaminanten (PCB’ s, dioxines), solventen, detergenten, etc. voor bijkomende problemen zorgen?
Acute RfD” versus “ADI”



    • ADI = jaargemiddelde inname

      • vb. champignons = 2 g/dag

      • maar: 1 portie = 50 à 100 g

      • variabiliteit verdeling over een lot: factor x10

    • ARfD = risico per portie



Pesticide type ADI mg/kg LG/dag ARfD mg/kg LG/dag
Triazophos OP 0,001 0,001

Monocrotophos OP 0,0006 0,002

Fipronil 0,0002 0,003



Aldicarb CB 0,003 0,003

Parathion OP 0,0006 0,005

Methamidophos OP 0,004 0,01

Methiocarb CB 0,02 0,02

Chlormequat 0,05 0,05

Fenpropimorph 0,003 0,2

Fenhexamid 0,2 unnecessary
De ADI gaat ervan uit dat de mens dagelijks het bepaalde voedingsmiddel inneemt. De inname van de voedingsmiddelen zijn bijgevolg uitgemiddeld over alle dagen van het jaar. De hierdoor bekomen lage inname per dag strookt voor heel wat voedingsmiddelen zeker niet met de werkelijkheid. Men consumeert maar één maal een grote portie en misschien de week nadien nog eens. De inname van het pesticide en de blootstelling is bijgevolg hoger (te hoog?) dan berekend bij de risico-evaluatie voor de ADI. Moet er meer gekozen worden voor de ARfD?
Gevoelige bevolkingsgroepen
Blootstelling van gevoelige bevolkingsgroepen zoals kinderen, ouderen, zwangere moeders en immunodeficiënte zieken, de zogenaamde “yopi’s” (Young, Old, Pregnant, Immunodeficiënt) valt zeer moeilijk te analyseren en te evalueren.

Voor dergelijke bevolkingsgroepen die een ander gedrag vertonen, een verschillende lichaamsbouw of een ander voedingspatroon hebben, moeten extra veiligheidsfactoren worden gedefinieerd.


In babyvoeding wordt alvast volgende reglementering gehanteerd. Voedingsmiddelen waarvan het residu de detectiegrens van 10 µg/L overschrijdt, zijn in deze voeding niet toegelaten.

Een andere veiligheidsfactor is b.v. het gebruik van de 97.5 percentielscore consumptiecijfers. Risico-evaluatie aan de hand van deze cijfers is bijgevolg meer beperkend.


Beoordelingssysteem chronische risico’s
Evaluatie kankerrisico


  • Gebaseerd op experimentele gegevens

  • Onzekerheid bij extrapolatie dier è mens

  • Beoordeling te voorzichtig

  • Gevolg: sommigen ontkennen carcinogene effecten

  • Wat met combinatie van verschillende stoffen

Zoals beschreven is het inschatten van het risico van kanker alles behalve eenvoudig. Heel wat vragen i.v.m. de bepaling van carcinogeniteit van stoffen blijven onbeantwoord.


Pseudo-estrogene effecten


  • Sommige bestrijdingsmiddelen

  • Ook andere contaminanten

  • hulpstoffen : surfactants

  • weekmakers, etc

Ook op vlak van pseudo-estrogene effecten zijn nog heel wat zaken niet opgehelderd. Pseudo-estrogene effecten worden soms geassocieerd met bepaalde bestrijdingsmiddelen maar ook hulpstoffen in de formulering kunnen dergelijke effecten teweegbrengen. Recent zijn de nonylfenolethoxylaten, een groep van surfactantia, omwille van hun mogelijke pseudo-estrogene werking in de EU uit de markt genomen. Tot voor kort waren zij alomtegenwoordig niet alleen in pesticidenformuleringen maar ook bv. met enorme hoeveelheden in wasproducten.


Wetenschap versus publieke opinie
Zero-risico, waarbij de blootstelling of het gevaar of beide gelijkgesteld zijn aan nul is in de praktijk vaak moeilijk te realiseren. De wetenschap spreekt liever over een aanvaardbaar risico. In dit risico wordt de blootstelling via normen op residugehalten beperkt en het gevaar van pesticiden via een streng toelatingsbeleid gecontroleerd. In een aantal gevallen primeert het voorzorgsprincipe "better safe than sorry”. Dit is wanneer de consequenties van de blootstelling ongekend zijn en/of de wetenschappelijke kennis beperkt is of onzeker. Risico-evaluatie gebeurt aan de hand van. blootstelling en gevaar. Het is aan de overheid om in te grijpen wanneer het risico onaanvaardbaar is. Deze beslissingen zijn vaak afhankelijk van het politieke klimaat en worden meer dan eens gestuurd door de publieke opinie.
Perceptie van het risico is afhankelijk van individu tot individu, van de groep (bv. business, jongeren, “groenen”) en varieert in de tijd. De publieke opinie is vaak zeer uitgesproken en verkiest bv. wat ‘nieuw’ is boven ‘routine’, ‘natuurlijk’ is boven ‘synthetisch’, ‘vrijwillig’ is boven ‘onvrijwillig’.
Resultaat analyse
Wat op het ene toestel niet detecteerbaar (LOD) is, geeft op het andere toestel misschien wel een spoor (tr.). Wat voor het ene labo bepaalbaar (LOQ) is, is voor een ander labo niet meetbaar. Wat de ene rapporteert (LOR) doet de andere misschien niet. Detectiegrenzen en bepaalbaarheidsgrenzen kunnen nogal van labo tot labo verschillen.

Veel labo’s bieden een totaal pakket van analyses aan. Via één of twee multi-residu methodes wordt het monster gescreend op een uitgebreide lijst van pesticiden. De vraag stelt zich of deze werkwijze de meest aangewezen is. Met twee analyses is zeker niet alles bepaald. Het heeft daarnaast weinig zin van met de methode op zoek te gaan naar pesticiden die nooit met het product in aanraking gekomen zijn of er op werden toegepast. Met het gebruik van één multi-residumethode is de kans daarenboven groot dat een aantal middelen niet mee geanalyseerd worden. Door bv. selectief te werken wordt de gevoeligheid van het toestel verbeterd. De vraag stelt zich dan wel: Welke pesticiden komen voor op welke voedingsmiddelen?
Variabiliteit
Kennis van de variabiliteit van het residu op voedingsmiddelen is van groot belang voor de evaluatie van het risico. Naar gelang het gaat over individuele eenheden < 25 g, vb. bessen, erwt, spinazie, boon, … verschillen de porties van mekaar en worden mengmonsters van eenheden gemaakt. Gaat het over porties van volledige eenheden (< 250 g: appel, banaan, citrusvrucht, …) of delen van eenheden (> 250 g: meloen, kool, …) zullen ook hier de monsters telkens van mekaar verschillen.
De variabiliteit tussen monsters hangt verder af van veldtoepassingsfactoren, gewasfactoren, milieufactoren, afbraak tijdens de teelt, factoren van na-oogst effecten en analytische factoren tijdens de bepaling.
12.6 Risicoberekening

Het risico waarbij de blootstelling wordt afgewogen ten opzichte van het gevaar kan zich op 2 methoden baseren: DETERMINISTISCH of PROBABILISTISCH.
Deterministische risico-analyse

De deterministische risico-analyse heeft als basis vaste waarden voor blootstelling, toxiciteit en risico (puntschattingen). Variabiliteit en onzekerheid worden opgevangen door te werken met « worst-case »-scenario’s en veiligheidsfactoren. Voordeel van de deterministische benadering is dat ze eenvoudig is, internationaal toepasbaar en bovendien gemakkelijk te interpreteren is. Nadeel is echter dat de methode niet accuraat is. De variaties en onzekerheden zijn niet voldoende uitgeschakeld en de relatie tussen concentratie en effect wordt niet nader beschouwd.
Concreet wordt in een deterministische benadering de inname van residu’s via voeding (mg/kg lg/dag) vergeleken met de ADI (mg/kg lg/dag). Is de inname > ADI spreekt men van een risico. Is de inname < ADI wordt geen risico gelopen.
Probabilistische risico-analyse

In een probabilistische benadering wordt het risico aan de hand van statistische verdelingen geanalyseerd. Het risico wordt gedefinieerd als « de kans dat de milieu-concentratie groter wordt dan een toxiciteitsconcentratie ». De concentraties zijn random variabelen dwz dat ze kunnen beschreven worden met distributies (bv. lognormaal). Via numerieke (vb. Monte Carlo) of analytische technieken wordt vervolgens de kans berekend. Voordeel van deze benadering is dat de variatie en onzekerheid in hoge mate uitgeschakeld wordt. Er wordt beter gebruik gemaakt van de beschikbare data en beïnvloedende factoren zijn achterhaalbaar in een groot toepassingsgebied. De relatie blootstelling en risico kan in rekening gebracht worden, zelfs met het tijdsaspect. Nadelen zijn echter dat het nogal complex is. Er zijn zeer veel data nodig. De resultaten zijn moeilijk te internationaliseren en soms moeilijk te interpreteren. Er is ook kans op onderschatting van de risico’s.



Concreet wordt in de probabilistische benadering dieet- en residugegevens met elkaar gekoppeld (verdeling INNAME x verdeling RESIDUGEHALTE). Uit de ontstane cumulatieve verdeling wordt aan de hand van de vergelijking met de ADI-waarde de kans berekend dat de ADI waarde wordt overschreden. De residugegevens op groenten en fruit worden gehaald uit labo-analyses. De verdeling van dieetgegevens (inname) worden opgesteld aan de hand van enquêtes naar het consumptiepatroon van mensen. Dit kan verschillen van land tot land en van leeftijd tot leeftijd.
Dieetstudies


Hoe beter het dieet gekend is hoe realistischer de voorspelling van het risico wordt. In plaats van zich te baseren op de MRL kan het werkelijke residu in de evaluatie opgenomen worden. Zijn de effecten van bereiding gekend kunnen ook deze in rekening gebracht worden. Als TMDI < ADI is er geen risico; als TMDI > ADI is er een risico; als EDI < ADI is het risico beperkt en als EDI > ADI is het risico hoog.


 

TMDI

EMDI

EDI

Residu waarde

MRL

MRL

Corr:


- eetbaar deel

- bereiding



Gekende residu’s

Corr:


- eetbaar deel

- bereiding



Consumptie waarde

Hypothetisch nationaal dieet

Cultureel of nationaal dieet

Nationaal dieet + gekend gebruik pesticiden



- -




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina