16 december 2005 Eerste Kamer



Dovnload 264.12 Kb.
Pagina1/11
Datum20.08.2016
Grootte264.12 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11
Uitspraak

16 december 2005


Eerste Kamer
Nr. C04/020HR
JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:



de rechtspersonen naar buitenlands recht
1. CHURCH OF SPIRITUAL TECHNOLOGY,
gevestigd te Los Angeles, Verenigde Staten van Amerika,
2. RELIGIOUS TECHNOLOGY CENTER,
gevestigd te Los Angeles, Verenigde Staten van Amerika,
3. NEW ERA PUBLICATIONS INTERNATIONAL Aps,
gevestigd te Kopenhagen, Denemarken,
EISERS tot cassatie, voorwaardelijk
incidenteel verweerders,
advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

1. DATAWEB B.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
2. STICHTING XS4ALL, voorheen de Stichting Tempory, daarvoor de Stichting XS4ALL,
thans gevestigd te Diemen,
3. STICHTING DE DIGITALE STAD,
gevestigd te Amsterdam,
4. CISTRON INTERNET SERVICES B.V.,
gevestigd te Alphen aan den Rijn,
5. INTERNET ACCES EINDHOVEN B.V., thans genaamd VIA NET.WORKS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
6. EASYNET GROUP NEDERLAND B.V., als rechtsopvolgster van WIREHUB! INTERNET B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
7. STICHTING INTERNET ACCESS,
gevestigd te Slochteren,
8. [Verweerder 8], handelende onder de naam B-ART MIDDEN NEDERLAND,
wonende te [woonplaats],
9. SPIRIT INTERACTIVE DIENSTEN B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
10. N.V. ENECO, vennoot van de vennootschap onder firma SPIRIT INTERACTIVE DIENSTEN B.V. i.o.,
gevestigd te Rotterdam,
11. ROTTERDAMS DAGBLAD B.V., vennoot van de vennootschap onder firma SPIRIT INTERACTIVE DIENSTEN B.V. i.o.,
gevestigd te Rotterdam,
12. DE GEMEENTE ROTTERDAM (ONTWIKKELINGSBEDRIJF ROTTERDAM), vennoot van de vennootschap onder firma SPIRIT INTERACTIVE DIENSTEN B.V. i.o.,
gevestigd te Rotterdam,
13. [Verweerster 13],
wonende te [woonplaats],
14. B-ART NOORD NEDERLAND B.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
15. STICHTING TELEBYTE,
gevestigd te Nijmegen,
VERWEERDERS in cassatie, voorwaardelijk
incidenteel eisers,
advocaat: mr. H.J.A. Knijff.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder afzonderlijk te noemen: Scientology, RTC en NEPI dan wel gezamenlijk Scientology c.s. - hebben bij exploot van 26 februari 1996 onder meer thans verweerders in cassatie - verder te noemen: de Providers en [verweerster 13] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en - verkort en zakelijk weergegeven - gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a) te verklaren voor recht dat de Providers, door het zonder toestemming van Scientology c.s. op hun computersystemen voor derden toegankelijk aanwezig hebben van een verveelvoudiging van werken waarop Scientology het auteursrecht bezit, inbreuk maken op die auteursrechten en/of onrechtmatig handelen indien zij van de aanwezigheid van deze documenten op de hoogte zijn, dan wel op de hoogte hadden behoren te zijn;
b) te verklaren voor recht dat de Providers door het zonder toestemming van Scientology c.s. op hun computersystemen voor derden toegankelijk aanwezig hebben van een 'link', die bij activering op het scherm van de computer van de gebruiker een verveelvoudiging van werken waarop Scientology het auteursrecht bezit bewerkstelligt, inbreuk maken op die auteursrechten en/of onrechtmatig handelen indien zij van de aanwezigheid van de link op de hoogte zijn, dan wel op de hoogte hadden behoren te zijn;
c) te verklaren voor recht dat de OT-werken niet rechtmatig zijn openbaar gemaakt, althans niet in de zin van art. 15a lid 1 onder 1 Auteurswet l912;
d) [verweerster 13] te bevelen met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden iedere inbreuk op het auteursrecht van Scientology, op straffe van een dwangsom;
e) de Providers te bevelen - primair - met onmiddel-lijke ingang te staken en gestaakt te houden iedere inbreuk op het auteursrecht van Scientology, of - subsidiair - zodra zij worden gewezen op de aanwezigheid van inbreukmakende documenten op hun computersystemen zorg te dragen voor onmiddellijke verwijdering daarvan, en - meer subsidiair - zodra zij worden gewezen op de aanwezigheid van inbreukmakende documenten op hun computersystemen, de desbetreffende gebruiker te verzoeken deze onmiddellijk te verwijderen en bij gebreke van voldoening aan dit verzoek de desbetreffende gebruiker de verdere toegang tot hun computersysteem te ontzeggen, een en ander op straffe van een dwangsom;
f) de Providers te bevelen Scientology c.s. te informeren over de namen en adressen van derden die inbreukmakende documenten via hun computersysteem hebben openbaar gemaakt en/of verveelvoudigd dan wel zullen openbaar maken en/of verveelvoudigen, eveneens op straffe van een dwangsom.

De Providers en [verweerster 13] hebben de vorderingen bestreden.


De rechtbank heeft bij vonnis van 9 juni 1999 de vorderingen van Scientology c.s., met uitzondering van de verklaring voor recht onder c) en het bevel jegens [verweerster 13] onder d), grotendeels toegewezen.
Tegen dit vonnis hebben Scientology c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De Providers en [verweerster 13] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 4 september 2003 heeft het hof het principale beroep verworpen en in het incidentele beroep het vonnis van de rechtbank, voor zover de gevorderde verklaring voor recht en het gevorderde bevel jegens de Providers zijn toegewezen, vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen jegens de Providers alsnog afgewezen en het vonnis waarvan beroep voor het overige bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben Scientology c.s. beroep in cassatie ingesteld. De Providers en [verweerster 13] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Scientology c.s. hebben de zaak doen toelichten door hun advocaat en de Providers en [verweerster 13] hebben de zaak doen toelichten door mrs. J.C.H. van Manen en A.P. Groen, beiden advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
Ter zitting van de Hoge Raad van 24 juni 2005, met een nadere toelichting ter zitting van 8 juli 2005, hebben Scientology c.s. verklaard het principaal beroep in cassatie te willen intrekken, omdat de betekenis van het bestreden arrest "voor de situatie in andere landen" onvoldoende "wezenlijke betekenis had". De Providers en [verweerster 13] hebben daarop verklaard niet met die intrekking in te stemmen; zij achten het verzoek tot intrekking tardief en in strijd met een goede procesorde.
Ter zitting van 8 juli 2005 is de zaak aangehouden voor nadere conclusie door de Advocaat-Generaal.
De nadere conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade van 16 september 2005 strekt tot verwerping van het principale beroep, met veroordeling van Scientology c.s. in de kosten daarvan, waarbij het arrest van de Hoge Raad zodanige overwegingen ten aanzien van de geschilpunten in cassatie zal omvatten als de Hoge Raad, met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, dan wel gelet op het belang voor de praktijk, dienstig zal oordelen.

3. Beoordeling van het beroep

3.1 Zolang de Hoge Raad nog geen uitspraak heeft gedaan, kan de eiser tot cassatie zijn beroep intrekken zonder daartoe de toestemming van de verweerder nodig te hebben. De intrekking heeft enkel tot gevolg dat de door de eiser aangevoerde cassatiemiddelen niet meer kunnen worden onderzocht (vgl. HR 14 mei 1982, nr. 11887, NJ 1982, 376). Dit betekent dat het principaal beroep van Scientology c.s. moet worden verworpen.

3.2 Indien het geding in cassatie tijdig en door een aan de wettelijke vereisten beantwoordende dagvaarding aanhangig is gemaakt, moet bij het vaststellen van de rechtsgevolgen van intrekken van het cassatieberoep mede rekening worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de verweerder, waaronder begrepen diens belang bij het kunnen instellen, ook na berusting of na het verstrijken van de cassatietermijn, van incidenteel beroep in cassatie. De verweerder zal erop mogen vertrouwen dat hij gelegenheid zal hebben incidenteel beroep in te stellen (vgl. HR 18 februari 1994, nr. 15378, NJ 1994, 606). Zodanige gelegenheid is aan de Providers en [verweerster 13] door de intrekking niet ontnomen. Het incidenteel beroep is evenwel ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principaal beroep tot vernietiging van het bestreden arrest leidt. Nu die voorwaarde niet is vervuld, behoeft het beroep geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:


verwerpt het principale beroep;
veroordeelt Scientology c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster 13] en de Providers begroot op € 316,34 aan verschotten en op € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 16 december 2005.


Conclusie

Rolnr. C04/020HR


Mr. D.W.F. Verkade
Zitting 16 september 2005

Nadere conclusie inzake:

1. Church of Spiritual Technology,
gevestigd te Los Angeles, Verenigde Staten van Amerika
2. Religious Technology Center,
gevestigd te Los Angeles, Verenigde Staten van Amerika
3. New Era Publications International ApS,
gevestigd te Kopenhagen, Denemarken,
eiseressen tot cassatie, verweersters in voorwaardelijk incidenteel beroep,

tegen:


1. Dataweb BV,
gevestigd te 's-Gravenhage
2. Stichting XS4ALL, voorheen Stichting Temporary, daarvoor Stichting XS4ALL,
thans gevestigd te Diemen
3. Stichting De Digitale Stad,
gevestigd te Amsterdam
4. Cistron Internet Services BV,
gevestigd te Alphen aan den Rijn
5. Internet Access Eindhoven BV, thans genaamd Via Net.works Nederland BV,
gevestigd te Eindhoven
6. Easynet Group Nederland BV, als rechtsopvolgster van Wirehub! Internet BV,
gevestigd te Amsterdam
7. Stichting Internet Access,
gevestigd te Slochteren
8. [Verweerder 8], h.o.d.n. B-Art Midden Nederland,
wonende te [woonplaats]
9. Spirit Interactive Diensten BV,
gevestigd te Rotterdam
10. NV Eneco, vennoot van de VOF Spirit Interactive Diensten BV i.o.,
gevestigd te Rotterdam
11. Rotterdams Dagblad BV, vennoot van de VOF Spirit Interactive Diensten BV i.o.,
gevestigd te Rotterdam
12. De gemeente Rotterdam (Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam), vennoot van de VOF Spirit Interactive Diensten BV i.o., zetelend te Rotterdam
13. [Verweerster 13],
wonende te [woonplaats]
14. B-Art Noord Nederland BV,
gevestigd te 's-Gravenhage
15. Stichting Telebyte,
gevestigd te Nijmegen,
verweersters in het principale beroep, eiseressen in voorwaardelijk incidenteel beroep.

1. Ter rolzitting van 8 juli 2005 is deze zaak aangehouden voor nadere conclusie PG(1), en wel naar aanleiding van het verzoek van eiseressen in het principale cassatieberoep, tevens verweersters in het voorwaardelijk incidentele beroep (hierna ook: Scientology c.s.), tot intrekking van de zaak, waarin aanvankelijk uitspraak was bepaald op 8 juli 2005.


Dat verzoek was gedaan ter rolzitting van 24 juni 2005 (voorafgegaan door een brief van de advocaat van Scientology c.s. d.d. 17 juni 2005), op verzoek van de rolraadsheer d.d. 24 juni 2005 nader toegelicht ter rolzitting van 8 juli 2005 (voorafgegaan door een brief van 6 juli 2005).
Tegen deze verzoeken hebben verweersters in het principale cassatieberoep, tevens eiseressen in het voorwaardelijk incidentele beroep (hierna ook: [verweerster 13], verweerster sub 13, respectievelijk de Providers, verweersters sub 1-12, 14 en 15) op de genoemde rolzittingen bezwaar gemaakt (voorafgegaan door brieven van hun advocaten d.d. 23 juni 2005 respectievelijk 6 juli 2005).

2. Nu verweersters in het principale cassatieberoep geen medewerking wensen te verlenen aan royement, is duidelijk dat daarvan geen sprake kan zijn (art. 16 lid 2 Rolreglement van de Civiele Kamer van de HR).


De vraag is of het verzoek om intrekking van het principale cassatieberoep gehonoreerd dient te worden, mede gelet op de bezwaren daartegen van verweersters, die dit verzoek tardief en in strijd met een goede procesorde achten, en een gerechtvaardigd belang menen te hebben om zich tegen de intrekking te verzetten.(2)

3. Aan honorering van het verzoek tot intrekking kan de loutere aanhangigheid van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep niet in de weg staan, nu dit kennelijk ingesteld is onder de voorwaarde dat enige klacht van het principale cassatiemiddel tot vernietiging van het arrest van het hof zou leiden.

4. Omtrent intrekking van een cassatieberoep heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 14 mei 1982, NJ 1982, 376 (Kool/Van der Meiden) overwogen:

'2. Beoordeling van het verzoek tot intrekking.


Zolang de Hoge Raad nog geen arrest heeft gewezen, kan de eiser tot cassatie zijn beroep intrekken zonder daartoe de toestemming van de verweerder nodig te hebben. De intrekking heeft enkel tot gevolg dat de door eiser aangevoerde cassatiemiddelen niet meer kunnen worden onderzocht, zodat het beroep moet worden verworpen.'

In het dictum verwierp de Hoge Raad dan ook het beroep, met veroordeling van de eiser tot cassatie in de kosten van het geding.(3)

5. Op basis van dit arrest van 1982 is het dus zo dat een eiser tot cassatie door intrekking van het beroep zich alsnog neerlegt bij de uitspraak waarvan beroep, terwijl hij de kostenveroordeling in cassatie voor lief neemt.
Zijn motieven voor intrekking lijken dan ook slechts de volgende te kunnen zijn: (I) de wens tot een eerdere beëindiging van de procedure, en (II) de wens om alsnog een - uiteraard openbaar - gemotiveerd oordeel van de Hoge Raad omtrent de cassatieklachten (en, in voorkomend geval, een mogelijk - eveneens uiteraard openbaar - oordeel omtrent voorwaardelijk incidentele cassatieklachten) te voorkomen.
Het onder (I) genoemde motief kan, indien de uitspraak van de Hoge Raad, gelet op de 'doorlooptijd' nog geruime tijd op zich zal laten wachten, een alleszins serieus motief zijn. In deze zaak, waarin het verzoek twee weken voor de geplande uitspraakdatum is gedaan, kan het niet spelen. Het is door Scientology c.s. dan ook niet aangevoerd. Het onder (II) genoemde motief kan ook als een serieus, of in elk geval een niet onserieus motief beschouwd worden. Het is door Scientology c.s. evenwel niet aangevoerd. De door Scientology c.s. wél aangevoerde argumenten komen aan de orde in nr. 9.

6. De motieven voor een verweerder in cassatie om bezwaren te hebben tegen de intrekking op de voet van het arrest van 1982 acht ik deels, maar niet geheel spiegelbeeldig.


Een eventueel spiegelbeeldmotief (i) om de eiser louter te misgunnen om 'eerder van de zaak af te zijn' komt niet honorabel voor. Zo'n motief is van de zijde van de Providers en [verweerster 13] ook niet aangevoerd.
De wens om wél een gemotiveerd oordeel van de Hoge Raad te vernemen(4), is zeker een serieus te nemen motief om bezwaar te maken tegen intrekking. Dat is te meer het geval na in cassatie gevoerd materieel verweer, al dan niet gepaard gaand met een voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel, en nóg meer het geval naarmate de stellingname - al dan niet over en weer - een meer principieel karakter heeft. De behoefte van een verweerder om na een aan hem door de eiser opgedrongen cassatieprocedure, een gemotiveerd oordeel van de hoogste rechter over de eis en het verweer te krijgen, is serieus, zelfs al zou dat oordeel uitsluitend, vertrouwelijk, aan partijen bekend worden gemaakt (in zoverre speelt een extra motief (iii) aan de zijde van verweerder). Omdat geheime uitspraken onbestaanbaar zijn, valt dit motief (iii) onvermijdelijk deels samen met een spiegelbeeldmotief (ii), dat tevens ziet op de - eveneens serieus te nemen - behoefte van de verweerder om hetgeen de hoogste rechter over de cassatieklachten geoordeeld heeft juist openbaar te doen zijn, respectievelijk om daaraan nadere bekendheid te kunnen geven.

7. Een afweging van gezichtspunten als hierboven onder 5 en 6 verwoord, was in de zaak die leidde tot het genoemde arrest van 14 mei 1982, NJ 1982, 376, niet aan de orde. Uit dat arrest (onder '1. Het geding in cassatie') blijkt dat de verweerder in cassatie slechts bezwaar had tegen de intrekking omdat partijen niet tot overeenstemming waren gekomen over de vraag wie de proceskosten in cassatie zou dragen. Welnu, wat dat betreft werd de verweerder in cassatie dus op zijn wenken bediend.

8. In de nu voorliggende zaak is deze afweging wél aan de orde. Alvorens daarop door te gaan, geef ik nog de argumenten weer die partijen in deze zaak zélf naar voren hebben gebracht (nrs. 9 en 10).

9. Zoals gezegd, hebben Scientology c.s. hun verzoek tot intrekking niet gemotiveerd met de wens op een spoedig(er) beëindiging van de lopende procedure, noch met de wens om een gemotiveerd oordeel van de Hoge Raad te voorkomen.


Het motief dat Scientology c.s. wél naar voren hebben gebracht, is blijkens de brief van hun advocaat d.d. 6 juli 2005 (overlopende alinea pp. 1-2) dat de betekenis van 's hofs arrest 'voor de situatie in andere landen' onvoldoende 'wezenlijke betekenis had', 'mede gegeven andersluidende uitspraken in andere landen'.

10. [Verweerster 13] en de Providers hebben hun bezwaar tegen royement respectievelijk intrekking bij brieven van 23 juni en 6 juli 2005 als volgt gemotiveerd. Zij achten het verzoek van Scientology c.s. tardief en in strijd met een goede procesorde, en zij stellen een gerechtvaardigd belang te hebben zich tegen de intrekking van het cassatieberoep te verzetten.(5)


Zij hebben in dit al bijna tien jaar lopende en volledig tot en met de CPG uitgeprocedeerde geding zeer veel kosten moeten maken, niet slechts om zich te verweren tegen de rechtsmaatregelen van Scientology c.s., maar ook om een richtinggevende uitspraak van uiteindelijk de Hoge Raad te bewerkstelligen op het vlak van belangrijke en maatschappelijk relevante vraagstukken, zoals provideraansprakelijkheid, auteursrecht en informatievrijheid.
Sinds het aanhangig maken van het cassatieberoep hebben zich geen omstandigheden voorgedaan die het verzoek van Scientology c.s. kunnen verklaren. De in de brief van de advocaat van Scientology c.s. d.d. 6 juli 2005 genoemde motieven leveren geen gegronde reden op. Het recente verloop van procedures in het buitenland is hiervoor irrelevant, nu de uitspraak van de Hoge Raad zich slechts uitstrekt tot het Nederlandse territoir.
Scientology c.s. hebben eerder in Nederland twee andere procedures terzake van het geschil tussen partijen door intrekking doen eindigen. Dit patroon heeft zich in vele buitenlandse procedures waarin Scientology eveneens partij was eveneens voorgedaan. Dit patroon past in een strategie van Scientology om haar opponenten via juridische procedures te breken. De publicaties van [verweerster 13] over deze strategie zijn onderwerp van de onderhavige procedure.(6) In een publicatie van Scientology, die onderwerp is van het geding, valt onder meer te lezen: 'The purpose of the suit is to harass and discourage rather than to win'(7).
Al met al is de onmiskenbare strekking van het standpunt van [verweerster 13] en de Providers dat, gegeven het stadium waarin de procedure in cassatie zich bevindt, Scientology c.s. niet meer zouden mogen verhinderen dat de Hoge Raad een arrest uitspreekt waarin gemotiveerd op de cassatieklachten wordt ingegaan.

11. Mijnerzijds wil ik nog iets opmerken over de maatschappelijke belangen die - niettegenstaande intrekking - met een gemotiveerd arrest gemoeid kunnen zijn. Die belangen zijn vanzelfsprekend met name gelegen in het belang van de (rechts)praktijk om een uitspraak over rechtsvragen te vernemen, respectievelijk in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling. Dat veronderstelt dat in het gegeven geval cassatieklachten aanwezig zijn van dien aard dat Hoge Raad ook zulke uitspraken zóu doen. Over de vraag of dat zo zal zijn, kunnen partijen slechts vermoedens hebben; het is alleen de Hoge Raad die dat weten kan (ik kom hier in nr. 24 op terug).

12. Ook het parket bij de Hoge Raad kan over de even bedoelde vraag slechts vermoedens hebben. Het is niet aan mij om daarover te speculeren, en naar blijken zal bestaat daar in het licht van de conclusie waartoe ik zal komen ook geen behoefte.
Dat kan evenwel niet de ogen doen sluiten voor de volgende omstandigheden van dit geval. Zoals in mijn conclusie in deze zaak d.d. 18 maart 2005 aangegeven(8), heeft deze zaak, evenals het voorafgaande kort geding in twee instanties, aanleiding gegeven tot belangwekkende vragen - en oordelen van de eerdere rechters - over onder meer aansprakelijkheid van internet providers voor toegankelijkheid van via hun servers aangeboden (vermeend) auteursrechtinbreukmakend (of anderszins met de wet strijdig) materiaal, en mede in verband daarmee, over de afweging van (auteursrechtelijke) verbodsrechten tegen de door art.10 EVRM bedoelde informatievrijheid. Ook de recente EG-Auteursrechtrichtlijn en de recente EG-e-commerce-richtlijn kwamen in beeld. Die eerdere uitspraken hebben dan ook ruime aandacht getrokken in de vakpers. Het conflict tussen Scientology c.s. enerzijds en [verweerster 13] en de Providers anderzijds heeft ook internationaal ruime aandacht getrokken. Wie op 14 september 2005 in de zoekmachines Google en Yahoo de combinatie 'Scientology [verweerster 13]' intoetste kreeg 23.600 resp. 38.200 'hits'. Met het trefwoord 'Hoge Raad' erbij waren het nog altijd 229 resp. 230 'hits'.

13. Naar mijn mening is er reden om de eerder genoemde gezichtspunten te betrekken in de overwegingen omtrent de aan een verzoek tot intrekking van een cassatieberoep te verbinden gevolgen.


Daarbij stel ik voorop dat voor mij moeilijk voorstelbaar is dat het verzoek om intrekking sowieso zou moeten worden afgewezen. In de alinea hierboven sprak ik dan ook al over de aan een intrekkingsverzoek te verbinden gevolgen. Met een intrekkingsverzoek is een zaak immers - anders dan in geval van royement - niet zo maar ten einde. Er moet nog steeds arrest gewezen worden.

14. In het meergenoemde arrest van 14 mei 1982, NJ 1982, 376 was het gevolg van het intrekkingsverzoek: (a) impliciete inwilliging, gepaard gaande met twee andere gevolgen, en wel: (b) een expliciete verwerping van het beroep en - na daarop gericht debat - (c) veroordeling van de eiser in de kosten van het geding in cassatie. Daarnaast overwoog de Hoge Raad dus dat de intrekking 'enkel tot gevolg [heeft] dat de door de eiser aangevoerde cassatiemiddelen niet meer kunnen worden onderzocht'.

15. Het komt mij voor dat de laatst geciteerde overweging bezwaarlijk als dogma kan worden opgevat. De overweging is gegeven zonder dat dáárover - de vraag dus of de Hoge Raad ceteris paribus niet tóch materiële overwegingen aan de zaak zou moeten of kunnen wijden - debat was gevoerd.
Ik onderken natuurlijk dat het in principe voor de hand ligt dat over een middel, dat ingetrokken is, geen overwegingen meer naar buiten worden gebracht.(9) De eiser tot cassatie heeft er geen behoefte meer aan, en het lijkt niet gewaagd om doorgaans ervan uit te gaan dat de verweerder in cassatie (die door de intrekking bovendien van een risico dat een van de klachten slaagt, bevrijd is) die behoefte ook niet voelt. Voor de Hoge Raad zelf (en zijn parket) geldt vervolgens dat de menskracht beperkt is en dat afdoening van een ingetrokken zaak op de wijze als geschied in HR 14 mei 1982, NJ 1982, 376 menskracht kan schelen: te meer naarmate de intrekking in een vroegere fase (vóór of vlak na het nemen van de conclusie PG, en wat het parket betreft: ruim vóór de datum van de conclusie) geschiedt.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina