16 december 2005 Eerste Kamer



Dovnload 264.12 Kb.
Pagina10/11
Datum20.08.2016
Grootte264.12 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11
Het hof heeft, aldus de klacht, miskend dat dit een en ander ten grondslag heeft gelegen aan de zijdens Scientology c.s. in eerste aanleg en in hoger beroep ingestelde vorderingen jegens de Providers.

8.49. Mijns inziens is, gelet op het gehele partijdebat, niet onbegrijpelijk dat het hof de vorderingen jegens de Providers heeft beschouwd als voortbouwend op de vorderingen jegens [verweerster 13] en de daaraan ten grondslag liggende feiten.


Een reconstructie van het partijdebat wijst het volgende uit. In eerste aanleg hebben de Providers nadrukkelijk én gemotiveerd (niet alleen juridisch, maar ook feitelijk) ontkend dat een of meer hunner inbreuk zou hebben gemaakt. Uit de CvD in eerste aanleg citeer ik:

'Geen onderbouwing


44. Frappant is dat eisers in deze procedure tot op heden hebben nagelaten te onderbouwen waarom zij van mening zijn dat een of meer van de providers inbreuk hebben gemaakt op hun auteursrechten. Nergens in de procedure is aangegeven op welk adres bij welke provider stukken zijn aangetroffen die inbreuk maken op auteursrechten van eisers. Eisers hebben tot op heden volstaan met sub 14 van de inleidende dagvaarding te stellen dat het Fishman Affidavit zonder hun toestemming op het internet openbaar gemaakt en/of verveelvoudigd wordt via de systemen van de providers, door een aantal van hun gebruikers, waaronder [verweerster 13].

45. Betwist wordt dat abonnees van alle gedaagde providers de litigieuze stukken op het internet hebben getoond en tonen. Eisers hebben ook nagelaten uitdraaien over te leggen van zulke vermeend inbreukmakende homepages, zodat onduidelijk is om welke redenen die homepages inbreuk op de rechten van eisers zouden maken. (Is de inhoud van die homepages bijvoorbeeld identiek aan die van [verweerster 13] of wijkt deze af?). Hier wordt er van uit gegaan dat eisers van mening zijn dat de betreffende andere home page bezitters exact dezelfde informatie op hun home page hebben staan als [verweerster 13].'

8.50. De rechtbank heeft blijkens de door haar vastgestelde feiten dit verweer kennelijk gehonoreerd. Bij de feitenvaststelling in rov. 1 (waarnaar het hof in zijn rov. 3, in cassatie onbestreden, verwijst), heeft de rechtbank onder 1.9 en onder 1.10 immers (uitsluitend) overwogen:

'1.9. Gedaagde sub 20 (hierna: '[verweerster 13]') heeft twee Internet-aansluitingen. Zij maakt daartoe gebruik van de diensten van gedaagde sub 1 [Dataweb BV, A-G] en van Planet International BV (thans geen partij meer in deze procedure). [verweerster 13] heeft op het Internet twee home pages, waarop tot 23 februari 1996 de Fishman Affidavit heeft gestaan. Op die datum heeft [verweerster 13] haar home pages gewijzigd en de bijlagen bij de Fishman Affidavit daarvan verwijderd; sindsdien staan daarop wel citaten uit die bijlagen.

1.10. Volgens een op verzoek van eisers door notaris J.F. Renes te Amsterdam tezamen met kandidaat-notaris J.L.M. van Erp gemaakte vergelijking tussen, onder meer, de originele werken OT II en III enerzijds en de teksten van de onderdelen OT II en III zoals vervat in via het internet opgevraagde prints met betrekking tot de website http://www.xs4all.nl/~[verweerster 13] anderzijds, zijn deze grotendeels gelijkluidend.'

8.51. Omdat [verweerster 13] na sommatie door Scientology c.s. de volledige teksten van haar homepages had verwijderd en nog slechts door de rechtbank toelaatbaar geoordeelde citaten daarop had staan, terwijl met betrekking tot de volledige teksten geen vrees voor herhaling bestond, wees de rechtbank de vordering tegen [verweerster 13] af (rov. 14). De daartegen gerichte grief van Scientology c.s. faalde bij het hof (rov. 8.4, rov. 13), terwijl naar mijn hiervoor gegeven mening de cassatieklachten van Scientology c.s. tegen dat oordeel van het hof eveneens dienen te falen.


De rechtbank wees wél enige jegens de Providers gerichte vorderingen (in gewijzigde vorm) toe, waarover dadelijk meer.

8.52. De appelfase werd ingeleid door de dagvaarding (inclusief grieven) zijdens Scientology c.s. In de inleiding op de grieven stelden zij op pp. 9-10 onder 'III. De feiten' onder meer:(149)

'8. In 1995 hebben diverse personen, waaronder geïntimeerde sub 20, [verweerster 13], kopieën van diverse van de hiervoor genoemde gepubliceerde en ongepubliceerde vertrouwelijke werken op het internet, dat wil zeggen deze personen hebben kopieën van die werken geplaatst op de computersystemen (servers) in eigendom van de andere geïntimeerden, service providers, geplaatst, die daarna deze kopieën toegankelijk maakten voor iedere internet-gebruiker. Door dat te doen maakten deze personen inbreuk op het auteursrecht van appellanten, zoals nu is bevestigd door de rechtbank 's-Gravenhage in haar beslissing van 9 juni 1999.'

Bij Memorie van antwoord (p. 4) hebben de Providers hiertegen bezwaar gemaakt:

'5. De appeldagvaarding bevat in pars. 7 t/m 11 een deels onjuiste uiteenzetting van de feiten. De Providers en [verweerster 13] betwisten c.q. volharden in de betwisting:
[...]
- dat de rechtbank heeft bevestigd dat diverse personen auteursrechtinbreuk maakten op haar werken (MvG, par. 8); de rechtbank heeft slechts (ten onrechte) geoordeeld dat [verweerster 13] gedurende korte tijd auteursrechtinbreuk maakte op OT II, OT III en Ability'.

8.53. Naast deze bestrijding van het door Scientology c.s. gestelde feitensubstraat, hebben de Providers in hun incidentele grief I (dus) erover geklaagd dat de rechtbank blijkens rov. 16 en blijkens het dictum van het vonnis heeft aangenomen dat zij onrechtmatig gehandeld hadden.


De Providers verwezen daarbij naar uitgewerkte betwistingen in eerdere instantie.(150)

8.54. Op grief I in het incidenteel appel antwoordden Scientology c.s. bij MvA in het incidenteel appel onder meer (p. 4 onder 6): 'RTC is van mening dat de Arrondissementsrechtbank terecht heeft overwogen dat van onrechtmatig handelen door de Providers, onder de door de Arrondissementsrechtbank genoemde voorwaarden sprake kan zijn.' Ook Scientology c.s. verwezen daarbij naar uitgewerkte betwistingen in eerdere instantie.(151)

8.55. Het debat is voortgezet bij pleidooien voor het hof. Blijkens de pleitnota van mr. Hermans (pp. 4-5) is zijdens Scientology c.s. wel geklaagd over onjuiste vaststelling van feiten door de rechtbank, maar niet op het op in nr. 8.53 gecursiveerde, door de Providers bedoelde punt.

8.56. Bij pleidooi voor het hof hebben de Providers, blijkens de pleitnota van mr. Van Manen onder incidentele grief I, nr. 65, nogmaals geklaagd over ontoereikend bewijs met betrekking tot openbaarmaking door de Providers, met verwijzing naar de (gemotiveerde) stellingname in nr. 58 van de pleitnota in prima. Daaraan is (in nr. 66) toegevoegd dat [verweerster 13] en alle andere abonnees na februari 1996 (circa drie en een half jaar voor het vonnis) nooit meer OT II en III en Ability op hun websites hebben aangeboden(152) en er geen vrees voor herhaling aannemelijk is gemaakt.

8.57. Zijdens de Providers is hieraan toegevoegd dat de rechtbank met het oog op de rechtsvorming had kunnen volstaan met overwegingen.

8.58. Onder deze omstandigheden meen ik dat het hof, zonder miskenning van een rechtsregel, en in het licht van de door de rechtbank onder 1.9 en 1.10 (door Scientology c.s. niet als te beperkt aangevochten) vastgestelde feiten, die het hof (in cassatie onbestreden) heeft overgenomen, alsmede in het licht van het partijdebat niet onbegrijpelijk, is gekomen tot zijn in rov. 12, laatste alinea, neergelegde oordeel (cursivering van mij, A-G):

'12. [...] Van auteursrechtinbreuk door verveelvoudiging en openbaarmaking door de Providers kan evenmin worden gesproken, nu de citaten van [verweerster 13] in casu geen auteursinbreuk opleveren. Voor het overige hebben Scientology c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit het tegendeel kan blijken. De voorwaardelijke principale grief II kan niet tot vernietiging leiden.'

8.59. Evenmin is onbegrijpelijk 's hofs oordeel in de op rov. 12 voortbouwende rov. 13 dat 'uit het vorenstaande' voortvloeit (post alia) :

'13. [...]
Nu van inbreuk op het auteursrecht of onrechtmatig handelen van [verweerster 13] te dien aanzien geen sprake is, is evenmin sprake van onrechtmatig handelen van de Providers met betrekking tot het relaas van [verweerster 13].
Gelet op hetgeen hierboven in rechtsoverweging 10 is overwogen, is er ook geen dreiging dat de (volledige) Fishman Affidavit met bijlagen op de servers van de providers zullen worden geplaatst.
Dit brengt mee dat de incidentele grief 1 slaagt, evenals de incidentele grieven 2, 3, 4 en 5 voor zover die zijn gebaseerd op beweerde onrechtmatige gedragingen van de Providers, zodat het vonnis niet in stand kan blijven. [...]' [mijn curs., A-G]

8.60. De klacht wordt m.i. dan ook tevergeefs voorgesteld. Ik teken daarbij nog aan dat, hoewel aan het belang bij het verkrijgen van een verklaring voor recht geen hoge eisen gesteld worden, op grond van art. 3:303 BW nog altijd de eis geldt dát er voldoende belang dient te zijn. Bij afwezigheid van een dreiging ten aanzien van de onderhavige Providers, zoals door het hof - als gezegd: in het licht van het partijdebat niet onbegrijpelijk - aangenomen, kon het hof oordelen dat zulk een belang ontbrak. Ik wijs er nog op dat het hof de door de rechtbank in haar rechtsoverwegingen in het algemeen aangenomen maatstaven voor aansprakelijkheid van service providers niét heeft gedesavoueerd.

8.61. Onderdeel 28 betoogt ten slotte dat het hof in rov. 8.4 ten aanzien van de Providers heeft overwogen dat hij bij de daar te nemen beslissing in aanmerking heeft genomen dat het dwingen van de Providers om in dit geval de informatie van [verweerster 13] te verwijderen of ontoegankelijk te maken disproportioneel is. Het onderdeel brengt tegen deze beslissing de in onderdeel (A) 17 en in onderdelen (C) 23-27 aangevoerde klachten in.

8.62. Het onderdeel bouwt volledig voort op de daarin genoemde eerdere klachten en moet het lot daarvan delen.

9. De overige klachten van het principale cassatiemiddel (onder (D) 29-32)

9.1. Het principale cassatiemiddel bevat in onderdelen (D) 29-32 'overige' klachten, die zich richten tegen rov. 5, 7.6-7.12 en 13.

9.2. Onderdeel 29 richt zich tegen rov. 5, slot waarin het hof overweegt:

'Wat de overige werken betreft stellen Scientology c.s. onder 19 van hun memorie van antwoord in het incidenteel appèl dat het feit dat in deze procedure alleen het auteursrecht van Scientology c.s. op de werken OT II, OT III en Ability is komen vast te staan niet afdoet aan de verplichting van de Providers om "de verveelvoudiging van andere werken", waarop Scientology auteursrecht heeft, te verwijderen dan wel te blokkeren na ontvangst van een kennisgeving aan de juistheid waarvan in redelijkheid niet valt te twijfelen. Daar Scientology c.s. ook in hoger beroep niet nader hebben onderbouwd dat zij rechthebbende(n) zijn op andere werken dan OT II, OT III en Ability, gaat het hof aan de vermeende inbreuk op die "andere werken" voorbij.'

Deze beslissing is volgens het onderdeel onbegrijpelijk, allereerst gelet op de stelling van Scientology c.s. dat zij tevens rechthebbenden zijn op de werken OT I en OT IV-VII(153). De rechtbank heeft ten aanzien van de werken OT IV-VII overwogen dat Scientology c.s. er terecht op wijzen 'dat bij de akte worden overgedragen de rechten op de "Works", volgens de definitie omvattende alle werken van Hubbard, en dat Attachment B een opgave is van "certain of the Works" die geregistreerd zijn bij de Copyright Office'; in de visie van de rechtbank levert een en ander een vermoeden, althans een begin van bewijs op, dat ook OT IV-VII in de overdracht zijn begrepen. Gezien hetgeen de rechtbank overigens overwoog, behoefde hier geen nader (tegen)bewijs door [verweerster 13] en de Providers te worden geleverd.
In het licht van de stellingen van Scientology c.s., het oordeel van de rechtbank, en het ontbreken van (voldoende geadstrueerde) stellingen van [verweerster 13] en de Providers, is onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat Scientology c.s. 'ook in hoger beroep niet nader hebben onderbouwd' dat zij rechthebbende(n) zijn op de andere werken.

9.3. Ik acht 's hofs oordeel dat Scientology c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat zij rechthebbenden zijn op andere OT-werken dan OT II en III niet onbegrijpelijk, gelet op het feit dat Scientology c.s. slechts hun rechten op OT II en III en Ability hebben onderbouwd (hetgeen op zichzelf niet onbegrijpelijk is omdat voor onderhavige procedure, ook in de visie van Scientology c.s., uitsluitend deze werken (en Ability) van belang waren(154)).


Overigens faalt de klacht m.i. ook bij gebrek aan feitelijke grondslag wegens onjuiste lezing, en/of bij gebrek aan belang.
In de aangevallen laatste alinea van rov. 5.3 spreekt het hof niet alleen over onvoldoende onderbouwing door Scientology c.s. dat zij rechthebbende zijn op andere werken dan OT II, OT III en Ability, maar ook over de door Scientology c.s. gestelde 'vermeende' inbreuk op 'andere werken' (waarop Scientology c.s. auteursrecht claimen).
Ook indien het onderdeel terecht zou klagen over 's hofs overwegingen met betrekking tot de rechten van Scientology c.s. op de 'andere werken', blijft - als onbestreden - overeind dat slechts sprake was van 'vermeende' inbreuken op die 'andere werken'.
Door in rov. 13, laatste alinea te overwegen dat de daar bedoelde incidentele grieven slagen voor zover die zijn gebaseerd op beweerde onrechtmatige gedragingen van de Providers, heeft het hof kennelijk geoordeeld dat door Scientology c.s. niet genoegzaam is gesteld, noch is gebleken, dat (óók, of juist) ten aanzien van de 'andere werken' sprake is van een dreiging van auteursrechtinbreuk. Dit oordeel is in het licht van het partijdebat niet onbegrijpelijk. Zoals ik in nrs. 7.3-7.4 aangaf, stond het het hof vrij om onder die omstandigheden de gevorderde bevelen af te wijzen.

9.4. Onderdeel 30 klaagt dat het hof, ondanks hetgeen het in rov. 7.6-7.12 heeft overwogen, de gevorderde verklaring voor recht(155), welke vordering mede zag op de plaatsing van de gehele Fishman Affidavit en mede zag op [verweerster 13], afwijst. Hetgeen in rov. 8.1-8.4, 10 en 13 wordt overwogen kan die afwijzing volgens het onderdeel niet dragen. Rov. 8.1-8.4 zien immers - kort gezegd - op de ná 23 februari 1996 ontstane situatie (verwijdering van de Fishman Affidavit), terwijl het in rov. 10 en 13 gaat om het vermeend ontbreken van een 'dreiging'.

9.5. De betreffende vordering zag op de verklaring voor recht dat de OT-werken, althans de werken OT II en III niet rechtmatig openbaar zijn gemaakt, althans niet in de zin van art. 15a lid 1 onder 1 Aw.
Het hof heeft, gelet op het oordeel dat [verweerster 13] en de Providers een beroep op art. 10 EVRM toekomt wat de citaten betreft, en gelet op de afwezig geoordeelde dreiging van hernieuwde plaatsing van de volledige OT II en III, deze vordering kunnen afwijzen wegens gebrek aan belang hierbij (zie rov. 7.1 en 7.12, slot). Indien de Hoge Raad (zoals ik in nrs. 5.65 e.v. verdedigd heb) zou menen dat het citaatrecht van art. 15a op OT II en III wél van toepassing is, hebben Scientology c.s. nog minder belang bij deze vordering.

9.6. Onderdeel 31 komt op tegen rov. 7.12, slot, waarin het hof heeft geoordeeld dat grief 1 in het principaal appel slaagt, maar dat zulks gelet 'op hetgeen hierna zal worden overwogen niet tot vernietiging van het vonnis (kan) leiden'. Deze beslissing kan niet in stand blijven indien één of meer van de in de hoofdstukken A tot en met C en in D onder 29 aangevoerde klachten tot vernietiging van het arrest van het hof leidt/leiden.

9.7. De klacht deelt het lot van de klachten waarop het voortbouwt.

9.8. Tot slot komt onderdeel 32 op tegen rov. 13 waarin het hof een samenvatting van de eerder gegeven beslissingen geeft. De beslissing in rov. 13, eerste gedeelte (eerste vijf regels), ten aanzien van [verweerster 13] kan volgens het onderdeel geen stand houden, gelet op hetgeen hiervoor in de onderdelen onder A en B is aangevoerd. Hetgeen in rov. 13, tweede gedeelte, wordt beslist ten aanzien van de Providers kan geen stand houden op grond van hetgeen hiervoor onder C en in A17 is aangevoerd. De verwijzing in rov. 13, derde gedeelte, naar rov. 10 kan geen stand houden op grond van het onder B aangevoerde. Ten slotte kunnen de samenvattende oordelen in rov. 13, laatste gedeelte (laatste vijf regels), 14 en 15 op grond van het eerder in het middel aangevoerde evenmin stand houden.

9.9. Nu ook dit onderdeel geheel voortbouwt op eerdere klachten, geldt ook daarvoor dat het het lot daarvan deelt.

10. Slotsom

Ik acht het door mij vooraf behandelde voorwaardelijke incidentele cassatieberoep (over het citaatrecht) gegrond. Daarmee ontvalt voor een deel het belang aan het principale cassatiemiddel, waar het gaat over de door het hof i.v.m. art. 10 EVRM toelaatbaar geachte citaten. De daarop betrekking hebbende klachten van het principale middel falen overigens naar mijn mening.
Ook de overige klachten van het principale middel kunnen m.i. niet tot cassatie leiden.

11. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De procureur-generaal bij de


Hoge Raad der Nederlanden,

A-G


1 Ik wijs erop dat Scientology c.s. in diverse (cassatie-)stukken worden aangeduid als RTC c.s., resp. CST c.s. Ik wijs er voorts op dat in het incidentele middel Scientology ook wel wordt gebruikt om de CoS te benoemen.
2 Ontleend aan rov. 1 van het vonnis van de rechtbank van 9 juni 1999, waarvan het hof blijkens rov. 3 van het bestreden arrest ook is uitgegaan. Het hof heeft in rov. 2 nog een samenvatting van deze feiten gegeven (waartegen onderdelen 43 en 44 van het incidentele cassatiemiddel opkomen).
3 In de feitelijke instanties waren aan de zijde van [verweerster 13] en de Providers nog enkele andere partijen (internet service providers) betrokken.
4 Lees: art. 15a lid 1 onder 1 Auteurswet 1912.
5 Het arrest dateert van 4 september 2003; de cassatiedagvaarding van 4 december 2003.
6 Zie met name: Informatierecht/AMI 1999, p. 110 m.nt. Koelman; Mediaforum 1999, p. 205 m.nt. Visser; Computerrecht 1999, p. 200 m.nt. Hugenholtz; BIE 1999, nr. 117, p. 458 m.nt. Quaedvlieg.
7 Zie met name: Mediaforum 2003, p. 340 m.nt. Visser; AMI 2003, p. 217 m.nt. Hugenholtz; Computerrecht 2003, p. 350 m.nt. Koelman; JAVI 2003, p. 193 m.nt. Pors; IER 2003, nr. 69, p. 352 m.nt. Grosheide; BIE 2004, nr. 57, p. 394 m.nt. Quaedvlieg.
8 Zie met name: A&V 1996, p. 105 m.nt. Van Dijk; Mediaforum 1996, p. B59 m.nt. Visser; Computerrecht 1996, p. 73 m.nt. Verkade.
9 Richtlijn 2001/29/EG van 22 mei 2001, Pb. 2001, L167/10. Deze richtlijn is bij wet van 6 juli 2004 (Stb. 2004, 336) in Nederlandse wetgeving omgezet. De wijzigingen waartoe de richtlijn in art. 15a Aw heeft geleid, zijn voor deze zaak niet van belang.
10 Stb. 1985, 307. Tot die wetswijziging was de regeling van het citaatrecht ondergebracht in art. 16 lid 1 onder b (oud) Aw.
11 De Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, zoals deze is aangevuld te Parijs op 24 juli 1971.
12 Kamerstukken II 1980-1981, 16740, nrs. 3-4, p. 6 en id. II 1982-1983, 16740, nr. 7, p. 8.
13 Kamerstukken II 1982-1983, 16740, nr. 7, p. 8. Het betoog in het incidentele cassatiemiddel (onder 8) en de s.t. (onder 6.10-6.14) dat deze opmerking in een andere context is gemaakt en derhalve geen belang toekomt, gaat m.i., naar blijken zal (nrs. 5.20 e.v.), niet op.
14 S. Gerbrandy, Kort commentaar op de Auteurswet 1912 (1988), art. 15a, aant. 5, p. 225.
15 Zie zijn noot bij het bestreden arrest in AMI 2003, p. 223.
16 D.J.G. Visser, Auteursrecht op toegang (diss. 1997), pp. 84-85. Zie ook zijn noot bij het bestreden arrest in Mediaforum 2003, p. 341. Vgl. ook Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht (derde druk 2005), par. 4.5, p. 155 ('openbaarmaken I') en par. 4.17, p. 179.
17 In zijn noot bij het bestreden arrest: BIE 2004, nr. 57, pp. 401-402.
18 Het is volgens hem dan ook ongeloofwaardig om aan te nemen dat de onderhavige OT-werken zich nog in de phase intime bevinden.
19 HR 8 februari 2002, C00/109, NJ 2002, 515 m.nt. JHS (EP Controls/GEC), rov. 5.3, met verwijzing naar HR 25 juni 1965, NJ 1966, 116 m.nt. HB (Televizier).
20 Hof Amsterdam 8 juli 1999, AMI 1999, p. 116 m.nt. Hugenholtz, Mediaforum 1999, nr. 44, p. 222 m.nt. Visser (Anne Frank Fonds/Het Parool), rov. 4.6-4.10.
21 Pres. Rb. Arnhem 3 april 1987, BIE 1991, nr. 19, p. 58 (Notu c.s./Mediaset), rov. 9.
22 Pres. Rb. Zutphen 28 april 1981, RvdW/KG 1981, 58, AMR 1982, p. 16, BIE 1982, nr. 62, p. 182 (Huijgen c.s./Van IJzendoorn c.s.), rov. 7.
23 Bijlagen Handelingen II 1911-1912, 227, nr. 3, p. 9.
24 Vgl. S. Gerbrandy, a.w. (1988), art. 12, aant. 1, p. 124; D.J.G. Visser, a.w. (1997), p. 90 en L. Wichers Hoeth c.s., Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht (2000), p. 339.
25 MvT 1912, p. 9.
26 D.J.G. Visser, a.w. (1997), p. 86.
27 Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), par. 4.19, pp. 180-181.
28 Hetzelfde geldt blijkens art. 12 lid 4 Aw voor tentoonstellingen.
29 HR 9 maart 1979, NJ 1979, 341 m.nt. LWH.
30 HR 24 december 1993, NJ 1994, 641 m.nt. JHS, rov. 3.7.
31 Zie bijv. D.J.G. Visser, a.w. (1997), pp. 126 (voor uitzendingen) en 132 (grens kan niet nog lager worden gelegd); M.H.M. Schellekens, Aansprakelijkheid van Internetaanbieders (2001), p. 163 en Chr. Alberdingk Thijm, Privacy vs. Auteursrecht in een digitale omgeving (IteR-uitgave nr. 49, 2001; zie ook http://www.ivir.nl/publicaties/overig/alberdingk_thijm/-ITeR-privacy-v-auteursrecht.pdf).
32 HR 27 januari 1995, nr. 8476, NJ 1995, 669 m.nt. JHS.
33 Zie ook Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), par. 4.16, pp. 177-178.
34 Ik sluit mij dus niet aan bij de genoemde vonnissen Notu c.s./Mediaset (zie voetnoot 21) en Huijgen c.s./Van IJzendoorn c.s. (zie voetnoot 22), die op een andere keuze duiden.
35 Ik herinner me dat ik het argument met name geuit heb, als het ging om kwesties van samenloop tussen auteursrecht en merkenrecht (vindplaatsen doen nu niet terzake).
36 Waaronder het gevolg van toepasselijkheid van art. 15a Aw, toevoeging A-G.
37 In dezelfde zin T&C IE (1998), art. 15a Aw, aant. 4 (Visser).
38 N. van Lingen, Auteursrecht in hoofdlijnen (5e druk 2002), pp. 129-130.
39 Kamerstukken II 1982-1983, 16740, nr. 7, p. 8.
40 S. Ricketson, The Berne Convention for the Protection of Literary and Artistic Works: 1886-1986, London/Deventer 1987.
41 Zie nader nrs. 5.44 en 6.1 e.v.
42 De ratio valt niet weg en verbleekt nauwelijks, indien het werk (toch al) onrechtmatig openbaar gemaakt is. Dat zou immers onrechtmatige openbaarmakingen kunnen uitlokken, juist óm daarmee het vervolgens citeren te legitimeren.
43 Overigens kent de WOB in art. 10 afwegingsgronden, zoals in art. 10 lid 2 onder e en g: onevenredig nadeel, respectievelijk privacy.
44 Tenzij het auteursrecht daarop wordt voorbehouden, maar dat wordt natuurlijk vaak vergeten.
45 HR 29 mei 1987, NJ 1987, 1003 m.nt. LWH, AMI 1987, p. 105 m.nt. DWFV (Beatrix-postzegel).
46 Zie hieromtrent, recent, Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), par. 3.61-3.63, pp. 141-146, overigens qua stellingname niet anders dan reeds bij Spoor/Verkade, Auteursrecht (2e druk 1993), pp. 129-134.
47 Het onderdeel verwijst naar de pleitnota van mr. Van Manen van 11 april 2002, onder 25-30. Onder 27 wordt verwezen naar HR 24 december 1993, NJ 1994, 641 m.nt. JHS (Kleine kabelnetten).
48 Verwezen wordt naar de pleitnota van mr. Van Manen van 11 januari (lees: april, A-G) 2002, onder 8.
49 Verwezen wordt naar de pleitnota van mr. Van Manen van 11 april 2002, onder 43.
50 Verwezen wordt naar de pleitnota van mr. Van Manen van 11 april 2002, onder 5-24.
51 MvA in incidenteel appel, prod. 1.
52 Ik citeer uit prod. 2c bij CvA, p. 126 (midden): 'People that helped to support it in some ways, contributions, investors were made copies of this (...)'. Het woord 'contributions' in plaats van 'contributors' is kennelijk een verschrijving van de stenograaf/law clerk.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina