16 december 2005 Eerste Kamer



Dovnload 264.12 Kb.
Pagina11/11
Datum20.08.2016
Grootte264.12 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11
53 NJ 1979, 470 m.nt. LWH, AMR 1979, p. 74, AA 1980, p. 32 m.nt. Cohen Jehoram.
54 Verwezen wordt naar de pleitnota van mr. Van Manen van 11 april 2002, onder 9-24.
55 Verwezen wordt naar de pleitnota van mr. Van Manen van 11 april 2004 (lees: 2002, A-G), onder 9-24.
56 Verwezen wordt naar CvA, prod. 2b, p. 25 en prod. 2c, p. 115 e.v.
57 Verwezen wordt naar de pleitnota van mr. Van Manen van 11 april 2002, onder 13.
58 Art. 2bis BC correspondeert met art. 15b Aw.
59 Vgl. Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), par. 3.58, p. 139.
60 Verwezen wordt naar de pleitnota van mr. Van Manen van 8 maart 1999, onder 9.
61 Pendanten van art. 10 EVRM zijn art. 19 van het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en art. 7 Grondwet; de Auteurswet kan echter in verband met art. 120 Grondwet niet aan art. 7 Grondwet getoetst worden.
62 In de literatuur is, na een aarzelende start, deze kwestie vervolgens meer en meer nadrukkelijk aan de orde gekomen, zie bijv.: H. Cohen Jehoram, Auteursrecht contra vrijheid van meningsuiting?, NJB 1974, pp. 1393-1405; B.P. Hugenholtz, Auteursrecht op informatie (diss. 1989), pp. 150-170; P. van Dijk en G.J.H. van Hoof, De Europese conventie in theorie en praktijk (3e druk Nijmegen 1990), pp. 457-458; D.W.F. Verkade, Intellectuele eigendom, mededinging en informatievrijheid (1990); J.M. de Meij, Auteursrecht en informatievrijheid, NJB 1991, pp. 45-51; E.J. Dommering, Internet: een juridische plaatsbepaling van een nieuw communicatieproces, Computerrecht 1996, pp. 210-221; E.J. Dommering (red.), Informatierecht, Fundamentele rechten voor de informatiesamenleving (2000), pp. 431-455; H. Cohen Jehoram, Auteursrecht en expressievrijheid, in: Hins/Nieuwenhuis (red.), Van ontvanger naar zender (De Meij-bundel 2003), pp. 77-87; P.B. Hugenholtz, Auteursrecht contra informatievrijheid in Europa, in dezelfde De Meij-bundel, pp. 157-174 en Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), par. 1.6, pp. 5-8 en par. 5.6-5.7, pp. 219-224.
63 EHRM 7 december 1976, NJ 1978, 236 (Handyside), rov. 49.
64 Zie bijv. EHRM 25 maart 1985, NJ 1987, 900 m.nt. EAA (Barthold), rov. 58 en EHRM 25 november 1999, NJ 2001, 63 m.nt. EJD (Nilsen), rov. 43.
65 Zie bijv. EHRM 7 december 1976, NJ 1978, 236 (Handyside), rov. 48 en 49 en EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146 m.nt. EAA (Sunday Times), rov. 59 en 62.
66 Zie voor een uitspraak waarin het EHRM dit met zoveel woorden zegt: EHRM 28 juni 2001, NJ 2002, 181 m.nt. EJD (VGT Verein), rov. 75. Zie ook J.M. de Meij e.a., Uitingsvrijheid, De vrije informatiestroom in grondwettelijk perspectief (Amsterdam 2000), p. 256.
67 Zie bijv., in een conflict tussen art. 10 EVRM en art. 1 van het Eerste Protocol (rechten van verzoekers om hun mening te uiten versus recht van eigenaar van het winkelcentrum waar zij dit wilden doen): EHRM 6 mei 2003, nr. 44306/98 (Appleby c.s.), rov. 41-49.
68 ECRM 6 juli 1976, NJ 1978, 237 (Geïllustreerde Pers) en ECRM 15 januari 1997, Informatierecht/AMI 1999, p. 115 m.nt. Hugenholtz (France 2/Frankrijk).
69 Zie Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), par. 1.6, p. 7.
70 Denk hierbij aan het hiervoor aan de orde gekomen citaatrecht van art. 15a Aw, en aan artt. 15, 16, 16a en 18 Aw.
71 Vgl. hierover (kritisch) de algemene beschouwingen bij Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), hoofdstuk V-A, pp. 211-224.
72 Bij voorkeur natuurlijk met een kruisverwijzing en een voorrangs- of achterrangserkenning, al is het maar in de Kamerstukken. Bij gebreke daarvan is er meer werk voor de rechter.
73 Een (voorzichtige) aanzet daartoe is te ontwaren in HR 20 oktober 1995, nr. 15735, NJ 1996, 682 m.nt. JHS (Dior/Evora), rov. 3.6.2.
74 Zie voor een (voorzichtige) erkenning hiervan, althans van het beginsel, wederom HR 20 oktober 1995, nr. 15735, NJ 1996, 682 m.nt. JHS (Dior/Evora), nu rov. 3.11 (volgens de HR 'dwong' in deze zaak evenwel het door Evora gestelde niet tot de conclusie dat het belang van de auteursrechthebbende voor het belang van de wederpartij bij haar vrijheid van meningsuiting moest wijken).
75 Vgl. D.W.F. Verkade, a.w. (1990), pp. 36-39. Vgl. ook Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), t.a.p.
76 Vgl. Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), par. 5.6-5.7, pp. 222-224: aldaar ook over de verhouding tot de zgn. 'drie-stappentoets' van de ARl en de (omgekeerde) 'driestappentoets' van art. 10 EVRM.
77 Zie bijv. Rb. Amsterdam 19 januari 1994, AMI 1994, p. 51, IER 1994, nr. 5, p. 50 (met illustratie), Mediaforum 1994, p. B34, NJCM-Bulletin 1994, p. 673 m.nt. Hugenholtz (Boogschutter), Hof Arnhem 15 april 1997 en 5 augustus 1997, AMI 1997, p. 214, BIE 1999, nr. 119, p. 464, Computerrecht 1997, p. 314 m.nt. Struik, Mediaforum 1997, p. B72 en B127 (KPN/Denda), Hof Amsterdam 8 juli 1999, AMI 1999, p. 116 m.nt. Hugenholtz, Mediaforum 1999, nr. 44, p. 222 m.nt. Visser (Anne Frank Fonds/Het Parool) en Rb. Almelo 6 december 2000, AMI 2001, nr. 6, p. 69 m.nt. Cohen Jehoram, Mediaforum 2001, nr. 26, p. 177 m.nt. Beunen, BIE 2002, nr. 36, p. 219 (KPN/Denda).
78 Zie vorige voetnoot.
79 Zie bijv. EHRM 8 juli 1986, NJ 1987, 901 (Lingens), EHRM 25 juni 1992, Publ. Hof, Serie A nr. 239 (Thorgeir Thorgeirson), EHRM 23 september 1994, Publ. Hof, Serie A nr. 298 (Jersild), EHRM 24 februari 1997, NJ 1998, 360 (De Haes & Gijsels), EHRM 1 juli 1997, NJ 1999, 709 (Oberschlick), EHRM 25 augustus 1998, NJ 1999, 712 (Hertel), EHRM 21 januari 1999, NJ 1999, 713 (Fressoz en Roire), EHRM 3 oktober 2000, nr. 34000/96 (Du Roy en Malaurie), EHRM 28 juni 2001, NJ 2002, 181 m.nt. EJD (VGT Verein) en EHRM 13 november 2003, NJ 2004, 338 (Scharsach). Vgl. ook P.B. Hugenholtz, a.w. (De Meij-bundel 2003), p. 173.
80 EHRM 9 februari 1995, Mediaforum 1995, p. B30 m.nt. Schuijt op p. 41, NJCM 1995, p. 480 m.nt. De Meij (Bluf).
81 Hierover zou meer te zeggen zijn (zie volgende voetnoot).
82 Zie met name P.B. Hugenholtz, a.w. (diss. 1989), p. 150 e.v. en Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), par. 1.6, pp. 5-8.
83 Verwezen wordt naar MvA in incidenteel beroep, onder 41 in samenhang met CvR, onder 67.
84 Zie bijv. Vande Lanotte/Haeck (red.), Handboek EVRM Volume II (Intersentia Antwerpen 2004), pp. 321-322, met verdere verwijzingen.
85 Vgl. ook art. 27 lid 2 Universele Verklaring voor de rechten van de mens en art. II-77 lid 2 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie bij het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, Trb. 2004, 275.
86 Voor een voorbeeld waarin art. 10 EVRM daadwerkelijk in conflict kwam met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM verwijs ik naar EHRM 6 mei 2003, nr. 44306/98 (Appleby c.s. tegen Verenigd Koninkrijk).
87 Op de onderdelen 5, 6 en 7 kom ik hieronder terug.
88 Vgl. bijv. P. van Dijk en G.J.H. van Hoof, a.w. (1990), p. 644 e.v.
89 Verwezen wordt naar CvR, onder 68, pleitnotities in eerste aanleg, onder 18-19 en MvA in incidenteel appel, onder 40-41.
90 Zie hierboven nrs. 6.14-6.15.
91 Verwezen wordt naar de pleitnota in hoger beroep, p. 10.
92 Vgl. bijv. Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), par. 4.17, p. 179.
93 Het onderdeel verwijst, opvallenderwijs, niet hiernaar.
94 Overigens heb ik in nr. 5.65 e.v. aangegeven, dat de daartegen gerichte incidentele cassatieklacht van [verweerster 13] en de Providers m.i. opgaat.
95 Zie bijv. Losbl. Onrechtmatige daad II.1, aantt. 96 en 131 (T.E. Deurvorst).
96 Zie bijv. HR 11 februari 1966, NJ 1966, 405 m.nt. HB (Centrafarm/Ciba-Geigy), HR 1 december 1995, nr. 15815, NJ 1996, 510 m.nt. DWFV (Intres/Disney), verwijzend naar de conclusie van A-G Vranken voor dat arrest (waarin sub 25-27 verdere verwijzingen) en HR 21 december 2001, C99/355, NJ 2002, 217 m.nt. TK (VJV c.s./Staat), rov. 3.3 (onder D).
97 C.J.J.C. van Nispen, Het rechterlijk verbod en bevel (diss. 1978), p. 191.
98 De in de s.t. namens Scientology c.s. opgenomen verwijzing naar rov. 3.3 van HR 28 juni 1985, NJ 1986, 356 (Claas/Van Tongeren), is niet terzake. Het ging daar om het specifieke geval van (als zodanig onbestreden) voortdurende hinder door voortdurend gebruik van een perceel in strijd met een bestemmingsplan; onder die omstandigheden was er, anders dan het hof gedaan had, geen plaats voor nadere belangenafweging.
99 Verwezen wordt naar CvR, onder 26-32 en 52, pleitnota in eerste aanleg, onder 15-22 en MvE, onder 43-44.
100 Ik noem, wat de Nederlandse literatuur betreft: P.B. Hugenholtz, Het auteursrecht, het internet en de informatiesnelweg, NJB 1995, pp. 513-519; B.N. Westenbrink, Juridische aspecten van het Internet (1996), o.m. p. 87; H.W.K. Kaspersen, Aansprakelijkheid van Internet-providers, Computerrecht 1996, pp. 9-13; F. Kuitenbrouwer, Internet: de vrijheid voorop, in: Brants/Kelk/Moerings (red.), Er is meer, Opstellen over mensenrechten in internationaal en nationaal perspectief (Swart-Bundel 1996), pp. 291-302; D.J.G. Visser, Het auteursrecht en de Internet provider, AA 1996, pp. 158-160; E.J. Dommering, De auteursrechtelijke aansprakelijkheid van intermediairs, het Kabelpiratenarrest revisited in de tijd van Internet, in: Verkade/Visser (red.), Intellectuele eigenaardigheden (Bremer-bundel 1998), pp. 75-82; W.J.H.T. Dupont e.a., Aansprakelijkheid van tussenpersonen in het Nederlandse intellectuele eigendomsrecht, in: Van Buren-Dee/Grosheide (red.), Tussen de polen van bescherming en vrijheid, Aspecten van aansprakelijkheid (Intersentia Groningen 1998), pp. 223-232; P.B. Hugenholtz, Het Internet: Het auteursrecht voorbij?, Preadvies NJV 1998, pp. 223-235 (verslag in Handelingen NJV 1998-II); K. Koelman, Wat niet weet, wat niet deert: civielrechtelijke aansprakelijkheid van de internet provider, Mediaforum 1998, pp. 204-213; H. Hijmans, Aansprakelijkheid op het Internet na de totstandkoming van richtlijn 2000/31/EG, Computerrecht 2000, pp. 234-239; J.E.J. Prins en S.J.H. Gijrath, Privaatrechtelijke aspecten van elektronische handel (2000), pp. 161-170; M.H.M. Schellekens, Aansprakelijkheid van Internetaanbieders (2001); D.J.G. Visser, 'Napsterren', 'Gnutellen' en de afwezigheid van legale muziek op Internet, Computerrecht 2001, pp. 131-133 en Spoor/Visser/Verkade, a.w. (2005), par. 8.9, pp. 405-408.
101 Zie over de richtlijn en de implementatie ervan, voor zover hier van belang: M.R. de Zwaan, Collega's van God, IER 1998, pp. 247-253; E.J. Arkenbout, Nieuw auteursrecht op komst, Informatierecht/AMI 2000, pp. 125-131; P.B. Hugenholtz, Brussels Broddelwerk, Recht en krom in de auteursrechtrichtlijn, AMI 2001, pp. 2-8; H. Cohen Jehoram, Implementatie van de Auteursrechtrichtlijn, De stille strijd tegen een spookrijder, NJB 2002, pp. 1690-1695 en J.M.B. Seignette, Implementatie en dan nog meer: Reactie op het conceptwetsvoorstel voor de implementatie van de Auteursrechtrichtlijn, AMI 2002, pp. 6-10.
102 Deze bepaling is, vanwege het flexibele karakter van het reeds in de Auteurswet 1912 opgenomen verveelvoudigingsrecht, niet expliciet in de Auteurswet neergelegd, zie Kamerstukken II 2001-2002, 28482, nr. 3 (MvT), p. 13.
103 Deze bepaling is geïmplementeerd in art. 13a Aw, dat de 'technische kopie' niet als verveelvoudiging beschouwt. Vgl. Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), par. 4.14, pp. 176-177. Zie voor kritiek op deze wijze van implementatie: H. Cohen Jehoram, a.w. NJB 2002, p. 1691 en J.M.B. Seignette, a.w. AMI 2002, pp. 7-8.
104 Zie de Considerans bij de Auteursrechtrichtlijn onder 33 en Kamerstukken II 2001-2002, 28482, nr. 3 (MvT), p. 38. De bepaling is volgens de MvT ook van toepassing op bijv. het maken van kopieën die onmisbaar zijn om een werk vanaf een beeldscherm te kunnen raadplegen en op 'browsen'.
105 Met het recht van mededeling aan het publiek wordt gedoeld op openbaarmakingshandelingen, per draad of draadloos, waarbij onderscheid bestaat tussen de bron van de mededeling en de plaats waar het medegedeelde wordt geconsumeerd; bij het beschikbaarstellingsrecht gaat het om de interactieve doorgifte op aanvraag waarbij het materiaal voor particulieren toegankelijk is op de door hen individueel gekozen plaats en tijd, zie MvT, Kamerstukken II 2001-2002, 28482, nr. 3, pp. 13-14.
106 Het recht om fysieke exemplaren van het werk te verspreiden, zie MvT, Kamerstukken II 2001-2002, 28482, nr. 3, p. 15.
107 Ook deze bepalingen vindt men niet met zoveel woorden terug in de in 2004 gewijzigde Auteurswet 1912.
108 Bij de 'Agreed Statement' gaat het om ter Diplomatieke Conferentie geaccordeerde verklaringen, die dienden om het WIPO-Auteursrechtverdrag voor de Diplomatieke Conferentie aanvaardbaar te maken, met vermijding van amendering van de voorliggende verdragsartikelen en de formele kanten van dien. Volgens (het destijds bij de WIPO-Conferentie betrokken lid van de Nederlandse delegatie) Arkenbout gaat het bij de onderhavige Agreed Statement om een handreiking naar de telecommunicatie-industrie: E.J. Arkenbout, Nieuwe verdragen over auteursrecht en naburige rechten, Informatierecht/AMI 1997, p. 70.
De Agreed Statement bepaalt: 'It is understood that the mere provision of physical facilities for enabling or making a communication does not in itself amount to communication within the meaning of this Treaty or the Berne Convention. It is further understood that nothing in Article 8 precludes a Contracting Party from applying Article 11 bis (2).'
109 HR 19 december 2003, C02/186, JOL 2003, 687 (Buma/Kazaa). Ook verder ontleen ik bepaalde alinea's aan deze conclusie.
110 HR 18 december 1919, NJ 1920, p. 35 (Kollo/Lize; 'Cabaret Métropole').
111 HR 11 juni 1920, NJ 1920, 718 (Vereeniging Buitensociëteit).
112 HR 18 juni 1920, NJ 1920, 797.
113 HR 11 februari 1926, NJ 1926, 354 (Harmonie Phileutonia).
114 Vgl. S. Gerbrandy, a.w. (1988), art. 12, aant. 1, p. 125.
115 HR 14 januari 1983, NJ 1984, 696 m.nt. Van Nieuwenhoven Helbach onder NJ 1984, 697 (KTA/Columbia Pictures e.a. I), rov. 3.6.
116 HR 22 november 1985, NJ 1986, 158 (KTA/Columbia Pictures e.a. II).
117 E.J. Dommering, a.w. (Bremer-bundel 1998), pp. 75-82. Op p. 78 merkt Dommering op dat, zo al van openbaarmaking gesproken kan worden, de kabelpiraten de openbaarmakers waren en niet KTA: 'De analogie met de zaalverhuurder die naar vaste jurisprudentie niet zelf openbaarmaakt, maar laat openbaarmaken, dringt zich bij het door piraten gebruikmaken van de in werking zijnde antenne-inrichting op. [...] Het lijkt er op dat de HR door de beslissingen in de Amstelveense zaken gefixeerd was op de draadomroepinrichting als een zelfstandige schakel in de verspreiding.' (In de 'Amstelveense' zaken ging het om de vraag of het actief doorgeven van radio- en tv-programma's door kabeltv-ondernemingen een '(nieuwe of afzonderlijke) openbaarmaking' opleverden, des ja: zie NJ 1982, 435 en NJ 1984, 697).
Ook ik heb mij kritiek op de kabelpiratenjurisprudentie gepermitteerd, in mijn noot onder het kort geding vonnis tussen Scientology c.s. en een aantal van de partijen in onderhavige zaak: zie Computerrecht 1996, p. 76.
118 Zie bijv. H.W.K. Kaspersen, a.w. Computerrecht 1996, p. 11; E.J. Dommering, a.w. (Bremer-bundel 1998), pp. 75-82; M.H.M. Schellekens, a.w. (2001), p. 187 en D.J.G. Visser, a.w. Computerrecht 2001, p. 132.
119 A.w., pp. 78-81.
120 Richtlijn 2000/31/EG van 8 juni 2000, PbEG L178/1. Zie over deze richtlijn bijv.: H. Hijmans en J. Roording, Juridische aspecten van elektronische handel: de ontwerp-richtlijn, Mediaforum 1999, pp. 136-139; H. Hijmans, a.w. Computerrecht 2000, pp. 234-239; N.M. Wisman en M. de Koning, De e commerce richtlijn, Bb 2000, pp. 95-99; M.H.M. Schellekens, a.w. (2001), pp. 215-225 en C.B. van der Net, De civielrechtelijke aansprakelijkheid van internetproviders na de Richtlijn elektronische handel, JAVI 2002, pp. 10-15.
121 De bepalingen raken grote delen van zowel het publiekrecht als het privaatrecht.
122 Bij de wet ter uitvoering van de Richtlijn elektronische handel, Wet van 13 mei 2004, Stb. 2004, 210. De richtlijn had per 17 januari 2002 moeten zijn omgezet.
123 Zie omtrent deze begrippen nr. 8.7 supra.
124 MvT, Kamerstukken II 2001-2002, 28197, nr. 3, pp. 26-27.
125 MvT, pp. 49-50.
126 De MvT verwijst naar het rechtbankvonnis in onderhavige procedure.
127 Zie voor een uitspraak waarin aan de hand van art. 14 van de Richtlijn elektronische handel werd onderzocht of de provider aansprakelijk was: Hof Amsterdam 7 november 2002, NJ 2003, 54 (XS4ALL/Deutsche Bahn).
128 MvT, p. 50.
129 Zie ook artt. 12 lid 3, 13 lid 2 en 14 lid 3 Richtlijn elektronische handel.
130 Respectievelijk voor de door de Richtlijn en de implementatiewet ook bestreken strafsancties.
131 MvT, p. 47 bovenaan, p. 50 onderaan.
132 MvT, Kamerstukken II 2001-2002, 28197, nr. 3, p. 51.
133 MvT, p. 27.
134 MvT, pp. 27-28.
135 MvT, pp. 28 en 51.
136 Vgl. Spoor/Verkade/Visser, a.w. (2005), par. 8.8-8.9, pp. 404-408.
137 HR 8 maart 1957, NJ 1957, 271 (Buma/De Vries).
138 De inwerkingtreding van de Auteursrechtrichtlijn maakt dit m.i. niet anders.
139 Zie bijv. P.B. Hugenholtz, a.w. Preadvies NJV 1998, pp. 212-213; D.J.G. Visser, Techniek en contract geven auteursrecht op Internet het nakijken, NJB 1998, p. 1037; M.H.M. Schellekens, a.w. (2001), pp. 163-165 en Spoor/Visser/Verkade, a.w. (2005), par. 4.13, p. 174 en par. 8.9, p. 407, met verdere literatuurverwijzingen.
Vgl. voor rechtspraak bijv. Pres. Rb. 's-Gravenhage 17 augustus 2000, Mediaforum 2000, p. 353 m.nt. Visser (Webdarts), Pres. Rb. Rotterdam 22 augustus 2000, IER 2000, nr. 55, p. 268 m.nt. EJA (Kranten.com), Hof 's-Gravenhage 21 december 2000, Mediaforum 2000, p. 87 m.nt.Van Eechoud (De Telegraaf/NVM) (op andere gronden gecasseerd door HR 22 maart 2002, NJ 2003, 149), Pres. Rb. 's-Hertogenbosch 10 april 2001, KG 2001, 117, Vzr. Rb. Arnhem 20 juni 2002, Computerrecht 2002, p. 311 m.nt. Asscher, Vzr. Rb. Leeuwarden 30 oktober 2003, AMI 2004, p. 32 m.nt. Koelman (Vriend/Batavus) en Rb. Haarlem 12 mei 2004, NJ 2004, 357 (Techno Design).
140 Deze gedragingen vallen m.i. niet te brengen onder mere conduit, caching of hosting.
141 Verwezen wordt naar de MvE (lees: appeldagvaarding), onder 45-56, de CvR, onder 33-41 en 48-50, de pleitnota in eerste aanleg, onder 24-28 en de pleitnota in hoger beroep, pp. 11-12.
142 Verwezen wordt naar de MvE (lees: appeldagvaarding), onder 45-46, de inleidende dagvaarding, onder 16 en de CvR, onder 33-47.
143 Aldus de verwoording in rov. 13, eerste alinea; in rov. 12 en in rov. 13, tweede alinea zegt het hof het korter, maar onmiskenbaar in dezelfde zin.
144 Dit ligt m.i. overigens anders indien deze vraag beoordeeld wordt naar het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Auteursrechtrichtlijn.
145 Verwezen wordt naar de CvR, onder 72-86 en de pleitnota in eerste aanleg, onder 24-34.
146 Dit strookt m.i. met het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Richtlijn elektronische handel: zie nr. 8.29 e.v.
147 Verwezen wordt naar de pleitnotities in eerste aanleg, onder 13-17.
148 Verwezen wordt naar CvR, onder 7-9 en 72-86 en pleitnotities in eerste aanleg, onder 24-30.
149 De eerste volzin van het citaat loopt niet goed.
150 Zie MvA/MvG in incidenteel appel, onder 24, verwijzend naar: pp. 15-16 pl.n. mr. Van Manen in het kg, par. 14 CvA, par. 46-71 CvD. Vgl. voorts par. 44-45 CvD en par. 57-58 pleitnota mr. Van Manen in prima.
151 Zie, naast de MvA, onder 6, de verwijzingen onder 7 naar par. 72-86 van de CvR en par. 24-34 van de pleitnota van mr. Hermans in prima.
152 Daarbij is onmiskenbaar bedoeld: anders dan via door de rechtbank toelaatbaar geoordeelde citaten.
153 Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding, onder 4-5 en de CvR, onder 17-24 met verwijzingen.
154 Zie bijv. CvR, onder 17 en de pleitnotities in hoger beroep van mr. Hermans, p. 4 (onder 'de vaststaande feiten').
155 Verwezen wordt naar de CvE, onder c en de MvE, onder IIc

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina