16 december 2005 Eerste Kamer



Dovnload 264.12 Kb.
Pagina2/11
Datum20.08.2016
Grootte264.12 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

16. Maar dat het geven van overwegingen over ingetrokken cassatiemiddelen niet zou kunnen, of niet zou mogen, is daarmee niet gezegd. In ieder geval logischerwijze niet. Maar ook overigens niet. Het kán natuurlijk wel. Ik kan ook geen reden bedenken waarom het - hoewel doorgaans niet voor de hand liggend - niet zou mogen.

17. Tegengeworpen kan worden het gezichtspunt dat - afgezien van het systeem van cassatie in het belang der wet - de Hoge Raad tegen de zin van de intrekkende eiser tot cassatie geen antwoorden op (rechts)vragen zou dienen te geven, nu (i) de eiser tot cassatie geen behoefte meer heeft, terwijl de verweerder via de verwerping van het beroep hetzelfde resultaat behoudt als hij bij de vorige instantie reeds bereikt had, en nog de kosten in cassatie volgens het gebruikelijk tarief vergoed krijgt, en (ii) die antwoorden voor de oplossing van het geschil tussen partijen niet meer nodig zijn.
De onder (i) bedoelde tegenwerping gaat uit van een absolute autonomie van de eiser tot cassatie (mits zijn verlies uit de vorige instantie en een proceskostenveroordeling voor lief nemend) om een zaak bij de Hoge Raad aan te brengen en vervolgens op ieder door hem gewenst moment weer in te trekken, alsof er geen belangen van anderen spelen. Bij zo'n absolute autonomie zijn minst genomen vraagtekens te plaatsen.(10) Wie zijn wederpartij ongevraagd met een cassatieprocedure heeft geconfronteerd en wie die wederpartij daarmee - te meer naarmate de cassatieprocedure al langer aanhangig is - ook op kosten heeft gejaagd (kosten die naar algemeen bekend mag heten doorgaans lang niet goedgemaakt worden via kostenveroordeling volgens het gebruikelijke liquidatietarief) komt m.i. moraliter en ook rechtens die absolute vrijheid niet toe.(11) Op de onder (i) bedoelde tegenwerping valt voorts te repliceren dat degene die het gerechtelijk apparaat met een cassatieprocedure heeft geconfronteerd en daarmee maatschappelijke kosten heeft veroorzaakt - kosten die naar algemeen bekend mag heten doorgaans lang niet goedgemaakt worden via het griffierecht, te meer naarmate de cassatieprocedure al langer aanhangig is - óók ten opzichte van de maatschappij althans moreel geen aanspraak toekomt op een absolute vrijheid als bovenbedoeld.
De repliek op tegenwerping (ii) is deze. De omstandigheid dat materiële overwegingen van de Hoge Raad door de eiser tot cassatie niet (meer) gewenst worden, en voor de oplossing van het geschil tussen partijen niet meer nodig zijn, doet er niet aan af dat zulke overwegingen wél van maatschappelijk nut kunnen zijn, doordat zij kunnen bijdragen aan de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (de terminologie van art. 81 R.O.) of, eenvoudiger gezegd maar daarom niet van mindere waarde, omdat de beantwoording van de in de cassatieklachten aan de orde gestelde vragen voor de praktijk van belang is.

18. Dat - nog steeds naar aanleiding van tegenwerping (ii) - de Hoge Raad zich over (rechts)vragen uitspreekt die voor de beoordeling van het geschil tussen partijen niet nodig zijn (ook buiten het systeem van 'cassatie in het belang der wet') is niet echt ongewoon. Van oudsher heeft Uw college in arresten en beschikkingen af en toe overwegingen 'ten overvloede' neergelegd.


Soms gaat de Hoge Raad daar ver in. Zo kan ik uit een beschikking van 2004(12) aanhalen:

'3. (... ) Om deze reden heeft verzoeker geen belang bij zijn beroep, zodat hij daarin niet kan worden ontvangen.

(...)
4.1 De Hoge Raad ziet nochtans aanleiding in verband met het belang van de door het middel in onderdeel 1 aan de orde gestelde rechtsvraag het navolgende te overwegen.'

Hierna volgden vijf pagina's overwegingen.


In een recent arrest(13) trof ik de volgende variant aan:

'3.4.5 Het vorenoverwogene brengt mede dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en de onderdelen 4b en 5 geen behandeling behoeven. De Hoge Raad zal niettemin onderdeel 4b bespreken, gelet op het belang voor de praktijk van de daarin aan de orde gestelde vraag.'

Overwegingen als deze bevestigen met zo veel woorden dat de omstandigheid dat cassatieklachten geen bespreking behoeven met het oog op de te geven beslissing, er niet aan in de weg staat dat de Hoge Raad die tóch behandelt, gelet op het belang daarvan voor de (rechts)praktijk. De in art. 81 Wet R.O. bedoelde belangen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling zullen met die praktijkbelangen samenvallen; of, indien men dat niet zo ziet, maar indien ze toch aanwezig worden geacht, zullen ze nog zwaarder wegen.

19. Ik zie niet in dat wat op de boven bedoelde wijze kan en mag bij een niét ingetrokken maar voor de beslissing niet relevante cassatieklacht, niet óók zou kunnen en mogen in geval van intrekking van één van de cassatieklachten, en waarom dit niet óók zou kunnen en mogen bij intrekking van het geheel van cassatieklachten, oftewel intrekking van het cassatieberoep.


Met handhaving in zoverre van het model van HR 14 mei 1982, NJ 1982, 376 zou dan nog steeds het cassatieberoep vanwege de intrekking verworpen worden, met veroordeling van de eiser tot cassatie in de kosten van het geding. Maar in afwijking van dat model of liever gezegd als verfijning daarop, zou de Hoge Raad die verwerping desgeraden vooraf kunnen doen gaan door een bespreking van cassatieklachten, voor zover hij die bespreking van belang acht voor de praktijk respectievelijk in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.(14) Indien, voor goed begrip daarvan, een volledige(r) behandeling van méér of zelfs alle middelonderdelen geboden is, is ook zo'n uitvoeriger behandeling door dat belang gerechtvaardigd.

20. Er valt, in het geval de Hoge Raad bij intrekking van het cassatieberoep inderdaad niet onverkort wil vasthouden aan het model van het arrest van 1982, NJ 1982, 376, ook aan alternatieven ten opzichte van de onder 19 verdedigde oplossing te denken.

21. Een - rigoureus - alternatief zou zijn om de mogelijkheid van intrekking van het cassatieberoep als zodanig (met het HR-1982-gevolg van het per se ontbreken van materiële overwegingen) afhankelijk te stellen van de vraag of de wens tot intrekking met dat doel of althans effect (geen materiële overwegingen) beoordeeld moet worden als misbruik van (proces-)recht of althans strijd met een goede procesorde.
Dit alternatief lijkt op het eerste gezicht de aantrekkelijkheid te hebben van aansluiting bij redelijk ingeburgerde, en flexibele leerstukken.
Als bezwaar zie ik dat intrekken als zodanig (daargelaten het aspect van eventueel tóch materiële overwegingen) m.i. eigenlijk altijd zou moeten kunnen. Een andere minder aantrekkelijke kant van dit alternatief is dat het een op de al dan niet aanwezigheid van misbruik van recht en/of strijd met een goede procesorde gericht debat veronderstelt, dat door de Hoge Raad als feitenrechter beslist moet worden, waarbij naast het nieuwe feit van intrekking ook oudere - al of niet in de voorliggende zaak door de feitenrechter beoordeelde - omstandigheden een rol kunnen spelen.

22. In een alternatief waarbij niet de toelaatbaarheid van het intrekken als zodanig, maar wél de vraag van het al dan niet vermelden van materiële overwegingen over de cassatieklachten zou afhangen van de genoemde criteria van misbruik van recht of strijd met een goede procesorde, speelt niet het eerste, maar nog steeds wel het laatste bezwaar van het onder nr. 21 bedoelde alternatief.

23. Afhankelijk van de constellatie van de zaak in cassatie, zou niettegenstaande een intrekking op de voet van het arrest van 1982, soms langs 'technische' weg tóch gekomen kunnen worden tot een arrest met (enige) materiële motivering. Ik denk bijv. aan het geval waarin de verweerder in cassatie voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep heeft ingesteld, maar waarin de Hoge Raad niettemin reden ziet om het voorwaardelijk incidentele middel als eerste te behandelen. Dat komt voor. In zo'n geval zou geredeneerd kunnen worden dat met de intrekking van het principale middel het (niet ingetrokken) voorwaardelijk incidentele middel (toch) niét 'van de baan' is, zodat publicatie van de overwegingen daaromtrent in de rede zou kunnen liggen.
Deze en dergelijke 'technische' varianten zijn evenwel toevalsafhankelijk en gaan voorbij aan de principiële kant van de kwestie.

24. Bij alle onder 21, 22 en 23 aangeduide alternatieven gelden bovendien de volgende twee bezwaren.


In de eerste plaats geldt als bezwaar het reeds genoemde punt dat partijen kunnen hopen (c.q. vrezen) of vermoeden, maar niet weten óf de Hoge Raad naar aanleiding van bepaalde middelonderdelen of bepaalde verweren tot een materieel belangwekkend oordeel zou zijn gekomen. In zoverre zijn discussies over mogelijk misbruik van recht of mogelijke strijd met een goede procesorde in verband met het frustreren van het bekend worden van een materieel rechterlijk oordeel tot op zekere hoogte een slag in de lucht. Dat geldt ook in de onderhavige zaak.
Een ander bezwaar is dat de Hoge Raad, die op basis van het onder 19 beschreven model zélf aanleiding zou zien om bij intrekking van het beroep niettemin in het belang van de praktijk, de rechtseenheid en/of de rechtsontwikkeling, materiële overwegingen toe te voegen, daarbij afhankelijk zou zijn van het toeval of, gegeven de door eiser gewenste intrekking, de tegenpartij daar een 'punt' van maakt.

25. Er is nog het alternatief van de - eerder terloops reeds aangeduide - voordracht tot cassatie in het belang der wet. In een geval waarin genoegzaam debat in cassatie heeft plaats gehad, is dat middel evenwel in vergelijking tot het onder 19 bedoelde model niet nodig, en het lijkt onevenredig 'zwaar'. Ik heb er in deze conclusie dan ook van afgezien om op een of meer onderdelen van de rechtsstrijd in deze zaak een ('voorwaardelijke') voordracht tot cassatie in het belang der wet te doen.(15)

26. Al met al meen ik dat, uitgaande van de wens om de intrekking van een cassatieberoep niet noodzakelijkerwijs gepaard te laten gaan met het altijd en totaal afzien van de bekendmaking van materiële overwegingen, zonder de noodzaak van een voordracht tot cassatie in het belang der wet, een model als onder 19 aangeduid(16) de voorkeur zou verdienen. Een dergelijk systeem, waarbij de HR zelf kiest of hij daartoe aanleiding ziet (zonder die keuze weer te behoeven te motiveren), voorkomt processuele complicaties, en is het meest toegesneden op de per saldo belangrijkste doelstelling die met de bekendmaking van die overwegingen gediend zou worden.(17)

27. Onder deze omstandigheden behoef ik m.i. aan een nadere afweging van de wederzijdse standpunten van partijen, vermeld in nrs. 9 en 10, niet meer toe te komen.

Conclusie

Mijn (nadere) conclusie strekt tot verwerping van het principale beroep, met veroordeling van Scientology c.s. in de kosten daarvan, waarbij het arrest van de Hoge Raad zodanige overwegingen ten aanzien van de geschilpunten in cassatie zal omvatten als de Hoge Raad, met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, dan wel gelet op het belang voor de praktijk, dienstig zal oordelen.

De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,

A-G


1 Ter rolzitting van 12 augustus 2005 werd de datum voor deze conclusie bepaald op heden.
2 Het Rolreglement houdt hierover geen bepaling in, of het zou moeten zijn art. 2 (geval waarin dit reglement niet voorziet). Zoals bleek zijn de betrokken partijen in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken, in de zin van dat artikel.
3 Zie voor een eerdere geheel vergelijkbare beslissing in een verzoekschriftprocedure HR 15 mei 1981, NJ 1982, 185 m.nt. WHH.
4 Uiteraard met het risico van de 'dode mus' van een verkorte art. 81 R.O.-motivering.
5 De brief van 6 juli 2005 verwijst naar HR 18 februari 1994, NJ 1994, 606 m.nt. HER (Zoontjens/Kijlstra). In dit arrest heeft de Hoge Raad na intrekking van het (principale) beroep inderdaad een 'gerechtvaardigd belang' aan de zijde van verweerster aangenomen. De HR loste dit geval van intrekking ná verloop van de cassatietermijn en vóór de aangezegde rechtsdag, waardoor de verweerster de mogelijkheid van het instellen van (incidenteel) cassatieberoep dreigde te verliezen, op door te oordelen dat de intrekking niet in de weg stond aan de ontvankelijkheid van het incidentele beroep.
Intussen valt erop de wijzen dat de HR in rov. 2.3 van het arrest in algemene zin heeft uitgesproken: 'Indien - zoals hier het geval is - het geding in cassatie tijdig en door een aan de wettelijke vereisten beantwoordende dagvaarding aanhangig is gemaakt, moet bij het vaststellen van de rechtsgevolgen van intrekken van het cassatieberoep mede rekening worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de verweerder, waaronder begrepen diens belang bij het kunnen instellen, ook na berusting of na het verstrijken van de cassatietermijn, van incidenteel beroep in cassatie.'
6 De brief verwijst naar de citaten uit Amerikaanse uitspraken en publicaties van Scientology, aangehaald op p. 22 van de pleitnota van mr. Bakker Schut in kort geding in eerste instantie (zie bij prod. 1 bij inventarisnr. 5 in het A-dossier, en in het B-dossier inventarisnr. 4.a) en naar de pleitnota in eerste instantie van mr. Van Manen d.d. 8 maart 1989, sub 83 e.v. (A-dossier nr. 11; B-dossier nr. 11).
7 De brief verwijst naar het verweer van [verweerster 13] in kort geding in eerste instantie, p. 9 bovenaan (prod. 2.b van de ook in dit bodemgeschil in de eerste instantie door [verweerster 13] en de Providers overgelegde producties van mr. Bakker Schut in kort geding in eerste instantie).
8 Vgl. aldaar bijv. de nrs. 1.5, 1.6, 4.1, 4.2, alsmede veel van de voetnoten bij nr. 6.1 e.v. en nr. 8.1 e.v.
9 Daarvoor is nog iets meer reden indien de cassatieprocedure niet op tegenspraak is gevoerd, resp. wanneer de verweerder nog slechts zonder motivering tot verwerping van het beroep heeft geconcludeerd. Dit laatste wil overigens - ik merk het op tegen de achtergrond van de kostenveroordeling - niet zeggen dat de klachten van de eiser tot cassatie aan de zijde van de verweerder niet al duchtig bestudeerd zijn, bijv. met het oog op wel of niet verschijning.
10 Zie over de relativering van de partijautonomie in het algemeen Asser/Vranken/Groen, Een nieuwe balans, 2003, pp. 65-76.
11 Zonder toespitsing op het hier besproken geval van 'intrekking' zijn beschouwingen in deze richting, toegespitst op andere gevallen (passim) te vinden in het proefschrift van B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen (2004).
12 HR 9 januari 2004, R03/128, NJ 2004, 213.
13 HR 12 augustus 2005, nr. C04/095 HR, RvdW 90, LJN AT3477 (X/Univé).
14 Als daaruit zou blijken dat de Hoge Raad een middel(-onderdeel) materieel gegrond geoordeeld zou hebben, zij dat zo.
15 Daargelaten de vraag of geoordeeld zou worden dat een zodanige voordracht aan de eis van art. 78 lid 6 RO (dat 'voor partijen geen gewoon rechtsmiddel openstaat') zou voldoen.
16 Een model waartoe uitspraken van uw Raad als de aangehaalde nr. R03/128, NJ 2004, 213 van 9 januari 2004 en nr. C04/095 van 12 augustus 2005 inspireerden.
17 Toegegeven zij dat in dit systeem aan het in nr. 6 met (iii) aangeduide motief voor de verweerder om de overwegingen hoe dan ook te kennen, niet wordt tegemoet gekomen.

Rolnr. C04/020/HR


Mr. D.W.F. Verkade
Zitting 18 maart 2005

Conclusie inzake:

1. Church of Spiritual Technology,
gevestigd te Los Angeles, Verenigde Staten van Amerika
2. Religious Technology Center,
gevestigd te Los Angeles, Verenigde Staten van Amerika
3. New Era Publications International ApS,
gevestigd te Kopenhagen, Denemarken

tegen:


1. Dataweb BV,
gevestigd te 's-Gravenhage
2. Stichting XS4ALL, voorheen Stichting Temporary, daarvoor Stichting XS4ALL, t
hans gevestigd te Diemen,
3. Stichting De Digitale Stad,
gevestigd te Amsterdam
4. Cistron Internet Services BV,
gevestigd te Alphen aan den Rijn
5. Internet Access Eindhoven BV, thans genaamd Via Net.works Nederland BV,
gevestigd te Eindhoven
6. Easynet Group Nederland BV, als rechtsopvolgster van Wirehub! Internet BV,
gevestigd te Amsterdam
7. Stichting Internet Access,
gevestigd te Slochteren
8. [Verweerder 8], h.o.d.n. B-Art Midden Nederland,
wonende te [woonplaats]
9. Spirit Interactive Diensten BV,
gevestigd te Rotterdam
10. NV Eneco, vennoot van de VOF Spirit Interactive Diensten BV i.o.,
gevestigd te Rotterdam
11. Rotterdams Dagblad BV, vennoot van de VOF Spirit Interactive Diensten BV i.o.,
gevestigd te Rotterdam
12. De gemeente Rotterdam (Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam), vennoot van de VOF Spirit Interactive Diensten BV i.o., zetelend te Rotterdam
13. [Verweerster 13],
wonende te [woonplaats]
14. B-Art Noord Nederland BV,
gevestigd te 's-Gravenhage
15. Stichting Telebyte,
gevestigd te Nijmegen.

1. Inleiding

1.1. Partijen zullen hierna doorgaans als volgt worden aangeduid: eiseres tot cassatie sub 1 als Scientology; eiseres tot cassatie sub 2 als RTC; eiseres tot cassatie sub 3 als NEPI; eiseressen tot cassatie gezamenlijk als Scientology c.s.(1); verweerster in cassatie sub 13 als [verweerster 13]; en verweersters in cassatie sub 1-12, 14 en 15 als de Providers.

1.2. Scientology is de auteursrechthebbende op bepaalde (deels ongepubliceerde) werken waarin de leer van de door L. Ron Hubbard gestichte Church of Scientology is beschreven. Aan RTC en NEPI zijn licenties verleend.


[Verweerster 13] heeft tot 23 februari 1996 de zogenaamde Fishman Affidavit (een schriftelijke partijverklaring in een gerechtelijke procedure in de Verenigde Staten, waaraan als bijlagen (delen van) die werken zijn gehecht) op haar website geplaatst. Nadat zij daartoe door Scientology c.s. is gesommeerd, heeft zij de bijlagen verwijderd en in plaats daarvan citaten daaruit op haar website geplaatst.
De Providers verschaffen toegang tot het internet en bieden op het internet diensten aan, waaronder de mogelijkheid een homepage in te richten.

1.3. Partijen twisten over de vraag of [verweerster 13] en de Providers hierdoor inbreuk maken op het auteursrecht van Scientology en/of jegens Scientology c.s. onrechtmatig handelen.

1.4. In cassatie zijn hoofdzakelijk de volgende thema's aan de orde:
- het voor een beroep op het citaatrecht van art. 15a lid 1 Auteurswet 1912 gestelde vereiste van rechtmatige openbaarmaking van het werk waaruit geciteerd wordt,
- de verhouding tussen art. 10 EVRM en de Auteurswet 1912,
- de aansprakelijkheid van internet (service) providers voor auteursrechtinbreuk of onrechtmatig handelen door hun abonnees, en
- de vereisten voor een rechterlijke veroordeling.

1.5. Bij een door mij vooropgestelde behandeling van het incidentele cassatiemiddel, hoewel voorwaardelijk ingesteld, zal ik concluderen tot gegrondbevinding daarvan, in die zin dat ook los van de door het hof behandelde weg van art. 10 EVRM, [verweerster 13] en de Providers een beroep konden doen op het auteursrechtelijk citaatrecht (al volg ik daarbij een ander parcours dan de rechtbank deed). Indien de Hoge Raad eveneens een beroep op het auteursrechtelijk citaatrecht erkenbaar acht, kan in zoverre het beroep op art. 10 EVRM - desgeraden - buiten beoordeling blijven. Overigens zal ik bij de beoordeling van het principale beroep van Scientology c.s. tégen 's hofs erkenning van het beroep van [verweerster 13] en de Providers op art. 10 EVRM concluderen tot verwerping van die klachten.


De rechtbank heeft in deze zaak belangwekkende - in daarop volgende wetgevingsprocessen mede tot uitgangspunt genomen - regels geformuleerd voor internet (service) providers, zoals de principaal verweersters 1-12 en 14-15. Zie ik het goed, dan klagen de cassatiemiddelen over en weer in wezen niet over de juistheid van deze door de rechtbank aangenomen en in zoverre door het hof onbeoordeeld gelaten maatstaven, en gaat het alleen erom of het hof de desbetreffende dicta van de rechtbank jegens de Providers wegens gebrek aan feitelijke grondslag of gebrek aan belang had mogen vernietigen. Ik zal tot de conclusie komen dat het hof zonder rechtsschending, en ook niet onbegrijpelijk, daartoe heeft kunnen komen. Indien de Hoge Raad mij hierin zou volgen, zal onder meer de door het hof in het midden gelaten kwestie of art. 10 EVRM ook de publicatie van de gehele litigieuze 'OT'-werken van Scientology c.s. kan rechtvaardigen, onbesproken kunnen blijven. In ander geval zal, dunkt mij, een oordeel daarover, na verwijzing, door een ander hof gegeven moeten worden. In mijn conclusie loop ik daarop niet vooruit. Mocht de Hoge Raad een aanvullende conclusie daaromtrent gewenst achten, dan houd ik mij daartoe uiteraard op afroep beschikbaar.

1.6. In deze zaak zijn mede aan de orde de recente EG-Auteursrechtrichtlijn en de recente EG-e-commerce-richtlijn. Aan mij hebben zich evenwel geen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor te leggen uitlegvragen opgedrongen.

2. Feiten(2)

2.1. L. Ron Hubbard (hierna: Hubbard) is de stichter van de Church of Scientology (hierna: CoS).

2.2. De leer van de CoS is beschreven in verschillende werken. Tot die werken behoren de ongepubliceerde 'Operating Thetan I' tot en met 'Operating Thetan VII' (hierna: de OT-werken) en het gepubliceerde 'The Scientologist (Ability Major I)' (hierna: Ability).

2.3. Hubbard is in 1986 overleden. Hij heeft de auteursrechten op zijn werken bij testament vermaakt aan de Trustee of Author's Family Trust B (hierna: de Trustee).

2.4. De Trustee heeft een licentie verleend aan RTC met betrekking tot (onder meer) de van de OT-werken deel uitmakende OT II en III en aan NEPI met betrekking tot (onder meer) Ability.

2.5. Volgens de leer van de CoS zijn de OT-werken slechts toegankelijk voor bepaalde geselecteerde leden van de CoS en zijn deze leden gebonden aan geheimhouding van de OT-werken op grond van door hen ondertekende geheimhoudingsverklaringen.


De OT-werken zijn bij het United States Copyright Office geregistreerd; in verband met het vertrouwelijke karakter daarvan zijn overeenkomstig de voorschriften alleen gemaskeerde afschriften gedeponeerd.

2.6. Ability is eveneens bij het United States Copyright Office geregistreerd onder de naam 'Ability'. Ability wordt door NEPI gepubliceerd als onderdeel van de zogenoemde 'Technical Bulletins'.

2.7. In een gerechtelijke procedure in de Verenigde Staten heeft het voormalig CoS-lid Fishman in 1993 een schriftelijke partijverklaring ingediend (hierna: de Fishman Affidavit) waaraan als bijlagen (delen van) de OT-werken en Ability zijn gehecht.

2.8. De Providers verschaffen toegang tot het internet en bieden op het internet diensten aan, waaronder de mogelijkheid voor gebruikers om op hun servers een homepage in te richten en deze van informatie te voorzien.

2.9. [verweerster 13] heeft twee internetaansluitingen en maakt daartoe gebruik van de diensten van (onder meer) Dataweb BV.
[Verweerster 13] heeft op het internet twee homepages waarop tot 23 februari 1996 de Fishman Affidavit heeft gestaan. Op die datum heeft [verweerster 13] haar homepages gewijzigd en de bijlagen bij de Fishman Affidavit daarvan verwijderd; sindsdien staan daarop wel citaten uit die bijlagen.

2.10. Volgens een op verzoek van Scientology c.s. door notaris J.F. Renes te Amsterdam tezamen met kandidaat-notaris J.L.M. van Erp gemaakte vergelijking tussen, onder meer, de originele werken OT II en III enerzijds en de teksten van de onderdelen OT II en III zoals vervat in via het internet opgevraagde prints met betrekking tot de website http://www.xs4all.nl/~[verweerster 13] anderzijds, zijn deze grotendeels gelijkluidend.

3. Procesverloop

3.1. Scientology c.s. hebben [verweerster 13] en de Providers(3) bij dagvaardingen van 26 februari 1996 gedaagd voor de rechtbank te 's-Gravenhage.

3.2. Zij hebben daarbij, enigszins verkort weergegeven, gevorderd:



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina