16 december 2005 Eerste Kamer



Dovnload 264.12 Kb.
Pagina4/11
Datum20.08.2016
Grootte264.12 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

Uit de hiervoor onder 8.3 vermelde teksten blijkt dat Scientology c.s. met hun leer en Organisatie de verwerping van democratische waarden niet schuwen. Uit die teksten volgt tevens dat met de geheimhouding van OT II en OT III mede wordt beoogd macht uit te oefenen over leden van de Scientology-organisatie en discussie over de leer en praktijken van de Scientology-organisatie te verhinderen.
Als bijkomende omstandigheid geldt dat de documenten OT II en OT III door toedoen van voormeld District Court te Californië tijdelijk voor ieder verkrijgbaar waren, aldus in het publiek domein zijn geweest en in die periode op het internet zijn geplaatst. Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat het dwingen van de Providers om in dit geval de informatie van [verweerster 13] te verwijderen of ontoegankelijk te maken disproportioneel is.
Naar 's hofs oordeel kan in deze bijzondere omstandigheden niet worden gezegd dat een beperking van de informatievrijheid op grond van de handhaving van het auteursrecht nodig is in de zin van artikel 10 EVRM en evenmin dat het belang van [verweerster 13] en de Providers en het algemeen belang bij de informatievrijheid van artikel 10 lid 1 EVRM in verhouding tot dat van Scientology c.s. bij handhaving van hun auteursrecht in dit geval minder zwaar weegt. Derhalve behoort het eerstgenoemde belang niet te wijken voor het belang van Scientology c.s. en slaagt het beroep op artikel 10 lid 1 EVRM.'

3.12. Omtrent het door [verweerster 13] vóór 23 februari 1996 op haar homepage aanwezig hebben van de gehele Fishman Affidavit oordeelde het hof als volgt:

'10. Of door het plaatsen van de (gehele) Fishman Affidavit met bijlagen op de website al dan niet aan de eis van proportionaliteit is voldaan dan wel of artikel 10 lid 1 EVRM al dan niet moet wijken voor de beperking van het auteursrecht, kan naar het oordeel van het hof buiten beschouwing blijven op grond van het volgende.
Naar vast staat heeft [verweerster 13] de Fishman Affidavit met bijlagen in 1995 op de website geplaatst en vóór 23 februari 1996 daarvan verwijderd. Scientology c.s. hebben betoogd dat dit is geschied na sommatie en onder de druk van een kort geding. Nu [verweerster 13] ook na het vonnis in kort geding en na het vonnis waarvan beroep (in welke beide gedingen een inbreukverbod jegens haar werd afgewezen) niet is overgegaan tot publikatie op enigerlei wijze van de Fishman Affidavit met bijlagen, acht het hof thans op dit punt geen dreiging meer aanwezig. Dit brengt mee dat het gevorderde inbreukverbod achterwege dient te blijven. Derhalve faalt de (voorwaardelijke) principale grief 1, welke aan de orde is nu de desbetreff

ende voorwaarde is vervuld. (...)'

3.13. Ten slotte heeft het hof omtrent de positie van [verweerster 13] en de Providers nog het volgende geoordeeld:

'11. De (voorwaardelijke) principale grief II houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de activiteiten van de providers geen relevante verveelvoudiging en/of openbaarmaking in de zin van de Auteurswet 1912 opleveren.

12. Naar het oordeel van hof verschaffen service-providers slechts de technische faciliteiten om openbaarmaking van gegevens door anderen mogelijk te maken. Het lijkt dan ook niet juist hen op één lijn te stellen met uitgevers die, naar wordt aangenomen, zelf openbaar maken.
Dit oordeel is ook in overeenstemming met het Agreed Statement bij artikel 8 van het WIPO Auteursverdrag:
"It is understood that the mere provision of physical facilities for enabling or making a communication does not in itself amount to communication within the meaning of this Treaty or the "Berne Convention."
Van auteursrechtinbreuk door verveelvoudiging en openbaarmaking door de Providers kan evenmin worden gesproken, nu de citaten van [verweerster 13] in casu geen auteursinbreuk opleveren. Voor het overige hebben Scientology c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit het tegendeel kan blijken. De voorwaardelijke principale grief II kan niet tot vernietiging leiden.

13. Uit het vorenstaande vloeit voort dat [verweerster 13] door haar relaas met de litigieuze citaten op haar website te plaatsen en geplaatst te houden geen inbreuk maakt op het auteursrecht. Evenmin is gebleken dat zij in de gegeven omstandigheden daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Feiten of omstandigheden, waaruit volgt dat zij zich anderszins onrechtmatig heeft gedragen, zijn onvoldoende onderbouwd.


Nu van inbreuk op het auteursrecht of onrechtmatig handelen van [verweerster 13] te dien aanzien geen sprake is, is evenmin sprake van onrechtmatig handelen van de Providers met betrekking tot het relaas van [verweerster 13].
Gelet op hetgeen hierboven in rechtsoverweging 10 is overwogen, is er ook geen dreiging dat de (volledige) Fishman Affidavit met bijlagen op de servers van de providers zullen worden geplaatst.
Dit brengt mee dat de incidentele grief 1 slaagt, evenals de incidentele grieven 2, 3, 4 en 5 voor zover die zijn gebaseerd op beweerde onrechtmatige gedragingen van de Providers, zodat het vonnis niet in stand kan blijven. (...)'

3.14. Van dit arrest zijn Scientology c.s. - tijdig(5)- in cassatieberoep gekomen. [verweerster 13] en de Providers hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep en hebben voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld. Scientology c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het incidentele beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht en zijdens [verweerster 13] en de Providers is er gedupliceerd.

4. Nadere inleidende opmerkingen

4.1. Commentatoren hebben zich verre van onbetuigd gelaten na het wijzen van het rechtbankvonnis(6) en vervolgens na het nu bestreden arrest(7) in deze zaak. Dit deed zich ook voor na het kort-gedingvonnis van 1996.(8)

4.2. In cassatie zijn nog de volgende kernthema's aan de orde:
(1) het voor een beroep op het citaatrecht in art. 15a lid 1 Aw gestelde vereiste van rechtmatige openbaarmaking van het werk waaruit geciteerd wordt,
(2) de verhouding tussen art. 10 EVRM en de Auteurswet 1912,
(3) de aansprakelijkheid van internet (service) providers voor auteursrechtinbreuk of onrechtmatig handelen door hun abonnees, en
(4) de vereisten voor een rechterlijke veroordeling.

4.3. Onderwerp (1) wordt in het incidentele cassatiemiddel aan de orde gesteld; de onderwerpen (2) en (3) in onderdelen 1-17, resp. 21-28 van het principale cassatiemiddel. Het principale cassatiemiddel bevat daarnaast nog (in onderdelen 18-20) een aantal klachten dat is gericht tegen rov. 10 van het bestreden arrest en ten slotte (in onderdelen 29-32) enige 'overige klachten'. Onderwerp (4) komt in het principale cassatiemiddel verspreid aan de orde.

4.4. Ik zal eerst, onder 5, het incidentele cassatiemiddel bespreken, hoewel het voorwaardelijk is ingesteld. Daarna volgt de bespreking van het principale cassatiemiddel: onderdelen (A) 1-17 onder 6; onderdelen (B) 18-20 onder 7; onderdelen (C) 21-28 onder 8; en onderdelen (D) 29-32 onder 9.

5. Incidenteel cassatiemiddel:


Rechtmatige openbaarmaking in de zin van art. 15a Aw

5.1. Hoewel het incidentele cassatiemiddel voorwaardelijk is ingesteld en ik zal concluderen tot verwerping van het principale middel, meen ik dat het incidentele middel beter eerst behandeld kan worden: zulks omdat de vraag of binnen het auteursrechtelijk systeem een beroep op het citaatrecht bestaat m.i. vooraf dient te gaan aan het (subsidiaire) beroep van [verweerster 13] en de Providers op citeervrijheid onder art. 10 EVRM.

5.2. Het incidentele middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de OT-werken II en III, waaruit [verweerster 13] op haar homepage heeft geciteerd, niet rechtmatig openbaar zijn gemaakt als bedoeld in art. 15a lid 1 onder 1 Aw.

5.3. De klachten richten zich telkens tegen één van de door het hof in rov. 7.1-7.12 aan dit oordeel ten grondslag gelegde (deel-)overwegingen.


Ik kondig reeds aan dat ik (slechts) enige klachten, vervat in de onderdelen 33-42 gegrond zal achten. Die raken echter wel een essentiële schakel in de redenering van het hof. Mocht de Hoge Raad eenzelfde opvatting hebben, dan zou dit hem aanleiding kunnen geven een groter of kleiner deel van de overige klachten bij gebrek aan belang onbesproken te laten.
Ik zal - na enige inleidende beschouwingen - de klachten niettemin stuk voor stuk en in de door het middel gekozen volgorde bezien.

5.4. Op grond van art. 15a Aw is het onder bepaalde voorwaarden toegestaan uit auteursrechtelijk beschermde werken te citeren. Art. 15a lid 1 Aw bepaalt (in de tekstversie sinds de implementatie van de EG Richtlijn betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, hierna: Auteursrechtrichtlijn of ARl)(9):

'1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd het citeren uit een werk in een aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke verhandeling of voor een uiting met een vergelijkbaar doel, mits:
1o. het werk waaruit geciteerd wordt rechtmatig openbaar gemaakt is;
2o. het citeren in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is en aantal en omvang der geciteerde gedeelten door het te bereiken doel zijn gerechtvaardigd;
3o. artikel 25 in acht wordt genomen, en
4o. voor zover redelijkerwijs mogelijk, de bron, waaronder de naam van de maker, op duidelijke wijze wordt vermeld.'

5.5. De eerdere versie van artikel 15a Aw was in 1985 bij wet van 30 mei 1985(10) in de Auteurswet opgenomen ter aanpassing van de Auteurswet aan de Akte van Parijs van de Berner Conventie (hierna: BC)(11). Art. 10 lid 1 BC luidt, voor zover hier van belang:

'Geoorloofd zijn aanhalingen uit een werk dat reeds op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt [mijn curs., A-G], mits zij verenigbaar zijn met de goede gebruiken en voor zover door het doel gerechtvaardigd (...).'

Blijkens de MvT en MvA van de aanpassingswet van 1985 werd met het voorgestelde art. 15a Aw aangesloten bij dit artikel.(12)

5.6. De reeds genoemde Auteursrechtrichtlijn bevat in art. 5 lid 3 onder d een regeling van het citaatrecht:

'3. De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op de in de artikelen 2 en 3 bedoelde rechten stellen ten aanzien van:


[...]
d) het citeren ten behoeve van kritieken en recensies en voor soortgelijke doeleinden, mits het een werk of ander materiaal betreft dat reeds op geoorloofde wijze voor het publiek beschikbaar is gesteld [mijn curs., A-G], indien de bron - waaronder de naam van de auteur - wordt vermeld, tenzij dit niet mogelijk blijkt en het citeren naar billijkheid geschiedt en door het bijzondere doel wordt gerechtvaardigd.'

5.7. Het incidentele cassatiemiddel stelt aan de orde wanneer voldaan is aan de in art. 15a lid 1 onder 1 Aw gestelde voorwaarde dat het werk waaruit wordt geciteerd rechtmatig openbaar gemaakt is.

5.8. Over het element rechtmatig kom ik te spreken in nr. 5.21 e.v. Ik zal eerst stilstaan bij het vereiste dat het werk openbaar gemaakt is.

5.9. De MvA bij de aanpassingswet uit 1985 zegt hierover(13):

'De eis van een rechtmatige openbaarmaking in artikel 15a is ontleend aan artikel 10, eerste lid, van de [BC] betreffende het citaatrecht en wordt daar gesteld omdat men het citaatrecht niet wilde laten gelden voor manuscripten of werken voor een beperkt publiek, maar alleen voor werken die tot het gehele publiek gericht zijn.'

Deze uitleg sluit m.i. goed aan bij de bewoordingen van art. 10 lid 1 BC (voor het publiek toegankelijk maken) en correleert ook met het jongere art. 5 lid 3 onder d ARl, waarin gesproken wordt over voor het publiek beschikbaar stellen.

5.10. Gerbrandy meent dat met deze voorwaarde is beoogd het recht van de auteur om zijn werk wel of niet aan de openbaarheid prijs te geven strikt te handhaven.(14) Volgens Hugenholtz vormt het vereiste een weerslag van het droit de divulgation, het (morele) recht van eerste openbaarmaking.(15) Ook Visser meent dat (onder meer in de context van het citaatrecht) gedoeld wordt op de eerste openbaarmaking, die volgens hem ook wel wordt omschreven als 'het doen verschijnen', 'het aan de openbaarheid prijsgeven' of 'het licht doen zien'. Het is, aldus Visser, 'de overgang van de situatie waarin het werk voor de buitenwereld verborgen is, naar de situatie waarin het 'geopenbaard' is. (...) Voordat de eerste openbaarmaking heeft plaatsgevonden bevindt het werk zich in de "phase intime". De auteur heeft het recht te beslissen of en zo ja, wanneer zijn werk deze intieme fase verlaat.' Dit recht dient volgens Visser zowel een moreel belang, bestaande in de wens vertrouwelijke, onrijpe en onvoltooide werken geheim te kunnen houden, als een juridisch en economisch belang.(16)
Quaedvlieg gaat tot op zekere hoogte met de hiervoor genoemde schrijvers mee. Hij meent evenwel dat aan de voorwaarde van openbaarmaking reeds voldaan is, indien de auteur het werk afgeeft aan de wereld buiten hem.(17) Hierbij wijst hij op de belangen van de samenleving die zich manifesteren vanaf de phase du don.(18)

5.11. De Hoge Raad heeft zich tot op heden niet over de betekenis van het begrip 'openbaar maken' in de zin van art. 15a Aw hoeven buigen. Ik wijs intussen op een arrest waarin aan de orde was of bepaalde werktekeningen openbaar waren gemaakt of bestemd waren om openbaar gemaakt te worden (en aldus auteursrechtelijke 'geschriftenbescherming' toekwamen) en waarin de Hoge Raad oordeelde dat hiervan slechts sprake is indien het op enigerlei wijze ter beschikking van het publiek is gesteld en dat, gelet op de mate waarin en de voorwaarden waaronder de werkgever de tekeningen ter beschikking van derden stelde (slechts aan bepaalde bedrijven en onder geheimhouding), de tekeningen niet konden gelden als openbaar gemaakt en evenmin als bestemd om openbaar gemaakt te worden.(19)

5.12. In de lagere rechtspraak zijn enkele uitspraken te vinden over het openbaarmakingsbegrip van art. 15a Aw. In een procedure naar aanleiding van de publicatie door Het Parool van nog niet eerder gepubliceerde fragmenten uit het dagboek van Anne Frank, verwierp het Amsterdamse hof het beroep van Het Parool op het citaatrecht met de overweging dat de fragmenten niet eerder rechtmatig waren openbaar gemaakt in de zin van art. 15a lid 1 onder 1 Aw. Het hof verwees hierbij ook naar art. 10 lid 1 BC.(20)
De president van de rechtbank te Arnhem oordeelde in 1987 dat niet aannemelijk was geworden dat gedaagde Mediaset door bepaalde onderzoeksgegevens openbaar te maken inbreuk had gemaakt op het auteursrecht van Notu c.s., omdat deze gegevens reeds voorkwamen in (een verkorte versie van) het basisrapport dat Notu c.s. 'in beperkte kring hadden verspreid en aldus - kennelijk rechtmatig - openbaar hadden gemaakt'.(21) Ik wijs voorts op een vonnis van de president van de rechtbank te Zutphen uit 1981(22) waarin deze oordeelde dat het gedaagde Van IJzendoorn op grond van art. 16 lid 1 onder b (de voorganger van art. 15a) Aw vrij stond in zijn stageverslag te citeren uit bronnen waarvan aangenomen werd dat die, of althans delen daarvan, in beperkte kring waren verbreid voordat zij in druk waren verschenen, en aldus door eiser Huijgen c.s. waren openbaar gemaakt.

5.13. Naar blijken zal, stelt het incidentele cassatiemiddel aan de orde of het openbaarmakingsbegrip van art. 15a Aw dezelfde betekenis heeft als het (ruime) openbaarmakingsbegrip van artt. 1 en 12 Aw. Daarover merk ik het volgende op.

5.14. Artikel 1 Aw bepaalt dat het auteursrecht mede omvat het uitsluitend recht op openbaarmaking. De term dient als een verzamelbegrip voor de handelingen die (naast de verveelvoudiging) onder het auteursrecht van de rechthebbende vallen. Artikel 12 bepaalt wat mede onder openbaarmaking wordt verstaan.

5.15. De MvT van 1912(23) zei hierover, in een befaamde passage:

'Wat in de eerste plaats moet worden verstaan onder het "openbaar maken", waartoe de uitsluitende bevoegdheid een essentiale is van het auteursrecht, behoeft de wet niet te bepalen. Ten aanzien van iedere soort van letterkundig, wetenschappelijk of kunstwerk geeft het woord zijn natuurlijk begrip duidelijk aan. Bij letterkundige en wetenschappelijke werken, die in een geschrift bestaan, beteekent het: in druk doen verschijnen en voor het publiek verkrijgbaar stellen, uitgeven. Evenzoo bij muziekstukken. Bij schilderijen en beeldhouwwerken moet men er onder verstaan, het inzenden op eene tentoonstelling, voor het publiek toegankelijk. Bij voorwerpen van kunstnijverheid, het in den handel brengen.
Doch naast die primaire beteekenis eischt de wettelijke regeling van het auteursrecht eene andere, die niet zóózeer voor de hand ligt, dat zij geene wettelijke uitlegging zou behoeven.'

Het - na 1912 herhaaldelijk uitgebreide - artikel 12 Aw voorziet in de wetsduiding van de in de laatste alinea van dit citaat bedoelde afgeleide betekenissen.(24)

5.16. Artikel 12 lid 1 onder 2 Aw bevat één van deze afgeleide betekenissen en bepaalt dat onder openbaar maken mede wordt verstaan het verbreiden van een werk zolang dit niet in druk is verschenen. Ik citeer uit de MvT van 1912(25):

'Voorts zal men moeten toegeven, dat het verbreiden van een werk, d.w.z. het doen toekomen aan of verkrijgbaar stellen voor, een zekere groep van personen, aan den eigenaar van het auteursrecht moet blijven voorbehouden, ook al is die groep niet zóó uitgebreid, dat het verbreiden synoniem moet worden geacht met openbaar maken.'

Het gaat hier blijkens de MvT om verspreiding op beperkte schaal; het werk wordt niet aan het gehele publiek ter beschikking gesteld. Van openbaarmaking in de gebruikelijke zin van het woord is volgens Visser dan ook geen sprake.(26) Dat de wet deze beperkte verbreiding toch onder het uitsluitend recht van de auteur heeft willen brengen, duidt volgens Spoor/Verkade/Visser op een bevoegdheid met een persoonlijkheidsrechtelijke inslag.(27)

5.17. Ook art. 12 lid 1 onder 4o in verbinding met art. 12 lid 4 Aw bevat een nadere duiding van het openbaarmakingsbegrip: onder openbaar maken valt ook de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar. Blijkens art. 12 lid 4 Aw is hiervan eveneens sprake bij een voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in besloten kring (dat is dus toch een openbaarmaking!), tenzij deze zich beperkt tot de familie-, vrienden- of daaraan gelijk te stellen kring en voor de toegang geen betaling geschiedt.(28) Onder de daaraan gelijk te stellen kring moet volgens de Hoge Raad in het arrest Willem Dreeshuis(29) worden verstaan een groep van personen tussen wie banden van persoonlijke aard bestaan, die nauwelijks minder hecht zijn dan familiebanden en banden van vriendschap.


De Hoge Raad heeft in 1993 het 'kring-criterium' van art. 12 lid 4 Aw in het 'Kleine kabelnetten'-arrest analoog van toepassing verklaard op kabeldoorgifte.(30) Dit is er waarschijnlijk de oorzaak van dat door sommigen is gezegd dat het criterium dan voor alle openbaarmakingsvormen zou gelden, resp. dat het de ondergrens van het openbaarmakingsbegrip van art. 12 Aw vormt.(31)

5.18. In rov. 3.2.2 van het arrest Bigott/Doucal I van 1995(32) heeft de Hoge Raad intussen onderstreept (behalve dat het begrip openbaar maken in art. 12 Aw een ruime betekenis heeft), dat voor openbaarmaking, ook in de afgeleide betekenissen van het begrip, vereist is dat het werk aan het publiek ter beschikking is gesteld(33):

'Uit de wetsgeschiedenis van de (Nederlandse) Auteurswet 1912 [...] blijkt dat aan het begrip 'openbaarmaking' in artikel 12 weliswaar een ruime betekenis moet worden toegekend, maar dat in elk geval, ook in de afgeleide betekenissen van het begrip, vereist is dat het werk op een of andere manier aan het publiek ter beschikking wordt gesteld'.

5.19. Ik kom terug op de in nr. 5.13 gestelde vraag. Ik meen dat het begrip 'openbaar maken' in artt. 1 en 12 Aw een andere strekking heeft dan in art. 15a Aw. Het openbaarmakingsrecht van art. 1 en de uitbreidende wetsduidingen daarvan in art. 12 hebben betrekking op het recht van de auteursrechthebbende, dat zelfs verbreiding in 'een zekere groep' van een niet in druk verschenen werk, en uitvoering binnen een besloten kring (anders dan een familie-, vrienden- en daaraan gelijk te stellen kring, maar zelfs binnen díe zéér besloten kring als ervoor betaald moet worden!), moet kunnen tegenhouden.


Het vereiste van openbaarmaking van art. 15a vloeit voort uit het persoonlijkheidsrecht van de auteur ten aanzien van de eerste openbaarmaking. De uitbreidende begrippen van art. 12 zijn, naar hun achtergrond, dan ook niet zonder meer door te trekken naar het (enkele) hoofdbegrip 'openbaar gemaakt' in art. 15a.(34)

5.20. Dat de voor de auteur positieve lading van art. 12 zich niet zonder meer laat doortrekken naar een voor hem negatieve lading in art. 15a, sluit niet uit dat men daartoe toch besluit, op basis van het argument dat de rechthebbende (hier: de auteur of zijn rechtverkrijgende) niet behoeft of behoort te profiteren van the best of two worlds. Ik herinner mij dat ik dat argument wel eens (misschien wel meer dan eens) in stelling heb gebracht, als het ging om m.i. te vérgaande intellectueel-eigendomsrechtelijke aanspraken.(35)


Het argument heeft m.i. in de context van het auteursrechtelijke citaatrecht onvoldoende gewicht. Ik citeer in dit verband nogmaals (zie ook nr. 5.9) de MvA bij de aanpassingswet uit 1985:

'De eis van een rechtmatige openbaarmaking in artikel 15a [...] wordt daar gesteld omdat men het citaatrecht niet wilde laten gelden voor manuscripten of werken voor een beperkt publiek [mijn curs., A-G], maar alleen voor werken die tot het gehele publiek gericht zijn.'

Een keuze van de wetgever om enerzijds wél een auteursrechtelijke aanspraak te geven tegen bekendmaking in een meer dan minimale kring, maar om anderzijds de bekendmaking in die meer dan minimale, maar nog steeds beperkte kring niet te laten gelden als een 'beschikbaarstelling aan het publiek', die het werk citeervrij zou maken, is misschien het heroverwegen waard. De in 1985 gemaakte keuze is echter niet inconsistent, ook al krijgt de rechthebbende daarmee in zekere zin the best of two worlds.
In par. 5.44 en bij de bespreking van het principale cassatiemiddel (in nr. 6.1 e.v.) zal ik aangeven dat in concrete gevallen aan het bezwaar dat deze keuze met zich kan brengen, tegemoet gekomen kan worden door een (niet te benepen) erkenning van een beroep van de andere zijde op art. 10 EVRM, dat daartoe meer toegesneden criteria biedt.

5.21. Maar kan zich binnen het systeem van de Auteurswet niet een alternatieve mogelijkheid voordoen, die citeermogelijkheden biedt, ook al is het werk (al dan niet na verspreiding in een ruime besloten kring) niet door of met toestemming van de maker openbaar gemaakt? Daartoe is nodig dat het werk anderszins 'rechtmatig' openbaar gemaakt is. Biedt art. 15a daartoe de ruimte? Of is openbaarmaking door of met toestemming van de auteur de enige manier waarop een openbaarmaking rechtmatig kan plaatsvinden?

5.22. Dit laatste wordt in de Nederlandse literatuur gesuggereerd door Visser. Hij schrijft in zijn dissertatie (1997, p. 85) 'Voor het intreden van deze rechtsgevolgen(36) is noodzakelijk dat de eerste openbaarmaking rechtmatig, oftewel met toestemming van de maker heeft plaats gehad.'(37)
Gerbrandy (a.w. 1988) schrijft in zijn commentaar op art. 15a (aant. 5, p. 225): ' (...) het werk waaraan is ontleend moet rechtmatig zijn openbaar gemaakt. Dit is in dit geval: zonder in strijd te komen met het auteursrecht. Bedoeld is, strikt te handhaven het recht van de auteur om zijn werk wel of niet aan de openbaarheid prijs te geven.'
Gerbrandy's eerste volzin is voorzichtiger en ruimer dan de daarmee niet geheel strokende tweede volzin.
Van Lingen(38) en Spoor/Verkade/Visser (a.w. 2005, zie par. 5.21 aldaar) laten zich niet expliciet over deze kwestie uit.

5.23. Indien Visser inderdaad rechtmatigheid slechts bij toestemming van de auteur aanwezig acht, is die (door Scientology c.s. en door het hof omhelsde) strikte opvatting m.i. niet in overeenstemming met de Auteurswet. Art. 15a Aw spreekt immers niet over 'met toestemming van de maker', maar over 'rechtmatig'.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina