16 december 2005 Eerste Kamer



Dovnload 264.12 Kb.
Pagina6/11
Datum20.08.2016
Grootte264.12 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11
De kernstellingen uit deze pleitnotities zijn de volgende. Allereerst (i) wordt verwezen naar een bij MvA in incidenteel appel in het geding gebrachte getuigenverklaring van [betrokkene 2] in een Zweedse procedure(51). Voorts (ii) wordt de stelling van Scientology c.s. dat de werken vanaf de jaren '50 onder embargo of beveiligd openbaar zijn gemaakt betwist. Met name (iii) wordt betwist dat de door Scientology c.s. overgelegde foto's van het beveiligingssysteem, de overeenkomsten tussen RTC en daaraan gelieerde kerkelijke organisaties en vijf rechterlijke uitspraken uit de Verenigde Staten tot het bewijs van deze stelling kunnen dienen. Hierbij wordt (iv) geattendeerd op hetgeen [betrokkene 2] volgens [verweerster 13] in de genoemde Zweedse procedure heeft verklaard. Verder wordt (v) verwezen naar productie 2b bij de CvA, waarin [verweerster 13] (in par. 6) een uitgebreid en gedocumenteerd relaas zou hebben gedaan over het feit dat de werken vrijelijk binnen en buiten de CoS circuleerden, en (vi) naar de verklaring van [betrokkene 1] in prod. 2c bij de CvA, p. 115 (waarnaar ook [verweerster 13] verwijst). Ten slotte (vii) wordt gewezen op een citaat uit het boek van Robert Kaufman.

5.50. Hieromtrent wil ik het volgende opmerken.


Ad (i): [betrokkene 2] verklaart niet anders dan dat over de jaren ongeveer 20.000-25.000 mensen de OT II- en OT III-cursussen hebben voltooid, dat vijf kerken (20 à 30) exemplaren van OT II en OT III hebben, zodat van OT II ongeveer 100 exemplaren bestaan en van OT III ongeveer 150 en dat elk exemplaar een eigen serienummer heeft. Niet onbegrijpelijk is dat het hof hierin geen ondersteuning van de betreffende stellingen heeft gelezen.
Ad (ii) en (iii): Niet onbegrijpelijk is dat het hof dit onvoldoende acht om de stellingen van [verweerster 13] en de Providers te staven.
Ad (iv): Niet onbegrijpelijk is dat het hof hieraan geen waarde heeft gehecht, omdat het slechts om een niet nader onderbouwde weergave van [verweerster 13] omtrent de verklaring van [betrokkene 2] gaat. De verklaring is niet terug te vinden in prod. 1 bij de MvA in incidenteel appel.
Ad (v), (vi) en (vii): Hieruit komt met name naar voren dat er exemplaren van de OT-werken naar buiten zijn gekomen, veelal via ex-leden. Dat het hof dit onvoldoende achtte om aan te nemen dat er in het verleden geen plicht tot geheimhouding bestond en/of dat de OT-werken vrijelijk binnen en buiten de CoS hebben gecirculeerd, is m.i. niet onbegrijpelijk. Ten slotte is evenmin onbegrijpelijk dat het hof voor het antwoord op de vraag of de OT-werken rechtmatig openbaar zijn gemaakt in de zin van art. 15a lid 1 Aw geen waarde heeft gehecht aan de verklaring van [betrokkene 1] dat OT II en III in Hollywood als filmscript hebben gecirculeerd. Uit de verklaring van [betrokkene 1] volgt immers dat het hier om een bewerking van de OT-werken ging, en voorts dat de verbreiding van het script slechts in beperkte kring plaatsvond(52). Beide omstandigheden kunnen ieder voor zich in de weg staan aan het aannemen van een openbaarmaking van de OT-werken in de zin van art. 15a lid 1 Aw (zie wat betreft de tweede omstandigheid nrs. 5.19-5.20, 5.33, 5.44 en 5.46).

5.51. De onderdelen 22 en 23 falen, nu deze niet voldoen aan de eisen die art. 407 lid 2 Rv aan een cassatiemiddel stelt. Met name is nagelaten de vindplaatsen van de genoemde stellingen in het (omvangrijke) procesdossier aan te geven. Ik tref de stellingen in ieder geval niet aan in de in onderdeel 21 genoemde processtukken. Voor zover onderdeel 23 zou refereren aan HR 1 juni 1979 (Buma/Wasserij De Zon)(53) gaat het overigens uit van een onjuiste rechtsopvatting, nu dat arrest van de Hoge Raad betrekking heeft op de uitleg van art. 12 lid 1 sub 4o en lid 4 Aw, en het hof terecht geoordeeld heeft dat die bepalingen bij de uitleg van art. 15a geen rol spelen (zie nrs. 5.19-5.20, en 5.44).

5.52. De onderdelen 24-29 komen met motiveringsklachten op tegen 's hofs oordeel in rov. 7.10 omtrent de geheimhouding en beveiliging van de OT-werken. Onderdeel 24 klaagt dat het hof in rov. 7.10 heeft vooropgesteld dat vast staat dat OT II en III sinds de jaren '50 binnen de CoS zijn verspreid en dat een groot aantal leden van de CoS daar kennis van genomen heeft en dat is gebleken dat 'in elk geval thans' de leden van CoS zijn gebonden aan een geheimhoudingsverplichting en dat sprake is van beveiligingsmaatregelen. Volgens het onderdeel blijkt evenwel nergens uit dat de werken van aanvang onder geheimhouding werden verstrekt en beveiligd zijn geweest.
Onderdeel 25 voert in dat verband aan dat verschillende getuigen in verschillende procedures onder ede hebben verklaard dat zulke geheimhouding en beveiliging aanvankelijk en ook later niet bestond(54) en volgens onderdeel 26 is het mede daarom onbegrijpelijk dat het hof er (kennelijk) van uitgegaan is dat de stukken van aanvang onder geheimhouding zijn verstrekt en dat deze van aanvang zijn beveiligd.

5.53. In onderdeel 25 wordt verwezen naar dezelfde processtukken als in onderdeel 21. Ik verwijs dan ook naar de bespreking hiervan in nr. 5.50. M.i. is het, ook gelet op de betreffende verklaringen, niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de juistheid van de stelling van [verweerster 13] en de Providers, dat er in het verleden geen geheimhoudingsplicht voor de leden gold en dat de OT-werken vrijelijk binnen en buiten de organisatie rond konden gaan, niet is aangetoond.

5.54. Onderdeel 27 klaagt dat waar het hof in rov. 7.10, laatste alinea heeft geoordeeld dat niet is aangetoond dat de werken OT II en III 'zonder beperking ook voor derden ter inzage waren', het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, althans zijn oordeel onbegrijpelijk en onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hof miskent immers dat ook in het geval dat er bepaalde beperkingen aan derden waren gesteld, er sprake kan zijn van openbaar maken.

5.55. Deze klacht faalt, nu wel degelijk van belang is dat niet gebleken is dat de werken zonder beperking ook voor derden ter inzage waren. Dit oordeel, in samenhang met het oordeel dat niet is gebleken dat er geen geheimhoudingplicht voor de leden van de CoS (ook tegenover niet-leden) bestond, draagt bij aan het oordeel over de vraag of de werken openbaar zijn gemaakt in de zin van art. 15a Aw.


Dat het opleggen van beperkingen aan derden er niet altijd aan in de weg staat dat van openbaarmaken kan worden gesproken, doet hier niet aan af.

5.56. Onderdeel 28 betoogt dat onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat [verweerster 13] en de Providers hun stellingen terzake onvoldoende hebben geconcretiseerd en/of onderbouwd. Die stellingen zijn immers uitvoerig onderbouwd(55) terwijl de meeste argumenten terzake niet door het hof zijn besproken.

5.57. Zoals ik in nrs. 5.50 en 5.53 heb aangegeven, heeft het hof de betreffende stellingen van [verweerster 13] en de Providers onder ogen gezien, doch verworpen omdat deze onvoldoende zijn komen vast te staan. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd.

5.58. In onderdeel 29 wordt aangevoerd dat de conclusie van het hof in rov. 7.10, dat uit de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] blijkt dat er wel een geheimhoudingsplicht was, maar dat deze onvoldoende werd nageleefd, onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is. [betrokkene 1] heeft immers onder meer verklaard dat leden en derden OT-werken thuis hadden, dat deze zijn gepubliceerd en dat OT III op last van CoS-leider Hubbard zelf tot een filmscript is bewerkt, dat in Hollywood is verspreid.(56)

5.59. 's Hofs oordeel is m.i. niet onbegrijpelijk. Uit de verklaring van [betrokkene 2] omtrent het beperkte aantal exemplaren van OT II en III en uit de verhalen van [betrokkene 1] kon het hof op begrijpelijke wijze opmaken dat, hoewel er weliswaar (potentiële) lekken waren, en exemplaren van de OT-werken wel eens in handen geraakten van personen (en een instantie als de FBI!), waarvoor deze naar de wens van Scientology c.s. niet bestemd waren, en dat er al wel eens uit geciteerd was, daarmee nog geen sprake was van een openbaarmaking in de zin van art. 15a lid 1 Aw. Wat betreft de opmerkingen van [betrokkene 1] over het filmscript verwijs ik naar nr. 5.50.

5.60. De onderdelen 30-32 komen op tegen 's hofs oordeel in rov. 7.10 omtrent de bewijslastverdeling en het passeren van het door [verweerster 13] en de Providers gedane bewijsaanbod.

5.61. Onderdeel 30 klaagt dat het hof heeft miskend, en niet is ingegaan op de stelling van [verweerster 13] en de Providers dat, mede gezien het feit dat de openbaarmaking onder zeer veel leden van Scientology c.s. vaststaat, het op de weg van Scientology c.s. ligt te bewijzen, althans aannemelijk te maken, hun stelling dat zulke verspreiding van aanvang af, dus vanaf de jaren '50, slechts onder geheimhouding is geschied en dat sinds die tijd sprake is geweest van beveiliging. Opgemerkt wordt dat aangenomen mag worden dat dit met bewijsstukken aannemelijk te maken is en dat het voor [verweerster 13] en de Providers veel moeilijker is om het tegendeel aan te tonen.
Onderdeel 31 betoogt dat het ontbreken van enig bewijsstuk terzake (terwijl door Scientology c.s. van de thans bestaande geavanceerde beveiliging een overvloed aan bewijsmateriaal is overgelegd) en de verklaring van [betrokkene 2] dat zulke beveiliging destijds niet bestond(57) voor het hof toch reden had moeten zijn aan te nemen dat het niet voor de hand ligt, althans op zijn minst kwestieus is, dat van aanvang sprake is geweest van zulke geheimhouding en beveiliging. Het oordeel van het hof is daarom onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 32 voert aan dat het om deze redenen ook onbegrijpelijk is dat het hof Scientology c.s. geen bewijsopdracht heeft gegeven, dan wel dat het [verweerster 13] en de Providers niet heeft toegelaten tot nader bewijs.

5.62. Gelet op art. 150 Rv en gelet op 's hofs oordeel in rov. 7.10, dat gebleken is dat er in ieder geval op dit moment een geheimhoudingsplicht voor de leden van de CoS bestaat en er strenge beveiligingsmaatregelen zijn, is het m.i. niet onjuist dat het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat het aan [verweerster 13] en de Providers is om te (stellen en te) bewijzen dat dit in het verleden niet het geval is geweest. Dat [verweerster 13] en de Providers daarmee in een lastige bewijspositie zitten, doet hier m.i. niet aan af. Zoals ik hiervoor reeds heb betoogd kan aan de betreffende verklaring van [betrokkene 2] m.i. geen belang worden gehecht (zie nr. 5.50). De klacht in onderdeel 32 faalt voorts nu 's hofs oordeel dat het bewijsaanbod van [verweerster 13] en de Providers onvoldoende gesubstantieerd was, niet uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, noch onbegrijpelijk is.


Al met al worden ook de onderdelen 30-32 tevergeefs voorgesteld.

5.63. De onderdelen 33-42 komen op tegen 's hofs oordeel in rov. 7.9 omtrent de vraag of het feit dat de OT-werken gedurende een periode van ongeveer twee jaren ter inzage hebben gelegen in de bibliotheek van de District Court in Californië, ertoe leidt dat de werken rechtmatig openbaar zijn gemaakt in de zin van art. 15a Aw.

5.64. De onderdelen 33 en 34 bevatten slechts een inleiding.
Onderdeel 35 stelt voorop dat art. 15a Aw vereist dat het werk waaruit wordt geciteerd rechtmatig openbaar gemaakt is, dat de rechtbank in Californië de OT-werken als schriftelijke partijverklaring volgens een vaste procedure in haar bibliotheek ter kennisname voor eenieder heeft neergelegd en dat het hof constateert dat de stukken gedurende twee jaar voor derden vrijelijk verkrijgbaar waren. Aldus was volgens het onderdeel sprake van openbaarmaking voor het 'gehele publiek'. Die openbaarmaking was voorts rechtmatig, nu de vaste regels van het betreffende gerecht in acht zijn genomen.
Onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, aldus onderdeel 36, dat het hof niettemin heeft gemeend dat geen sprake was van rechtmatige openbaarmaking. Onvoldoende redengevend daartoe is volgens het onderdeel 's hofs overweging dat door Scientology c.s. geen toestemming is verleend voor openbaarmaking via internet, nu de openbaarmaking door de District Court van Californië, waardoor derden gedurende twee jaren vrijelijk kennis van de stukken konden nemen, reeds heeft te gelden als een rechtmatige openbaarmaking. Het verdere openbaar maken op internet is daardoor in dit verband irrelevant, aldus het onderdeel.
Voorzover de woorden van het hof aldus begrepen moeten worden dat Scientology c.s. nimmer toestemming hebben gegeven voor de openbaarmaking door de District Court, geldt volgens onderdeel 37 dat zulke toestemming niet is vereist, zodat deze stelling ontoereikend gemotiveerd is. Ook indien die stelling juist zou zijn, is onbegrijpelijk waarom de stukken twee jaar bij het gerecht ter inzage hebben gelegen, aldus de klacht. Onder 'rechtmatige openbaarmaking' als bedoeld in art. l5a Aw dient volgens onderdeel 38 ook te worden verstaan het ter inzage leggen volgens de vaste procedure van een rechtbank.

5.65. Ik acht deze klachten gegrond. Dat vloeit voort uit hetgeen ik in nrs. 5.21-5.27 heb geschreven.


Het hof is in rov. 7.9 uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat de terinzagelegging door de District Court in Californië en de daarmee gepaard gaande vrije verkrijgbaarheid voor derden een rechtmatige (voorafgaande) openbaarmaking in de zin van art. 15a Aw opleverde. Zoals onderdeel 37 terecht naar voren brengt, is niet relevant of de auteursrechthebbende toestemming heeft verleend.
Niet weersproken is dat de District Court in Californië de betrokken documenten gedurende twee jaar in zijn bibliotheek openbaar ter inzage heeft gelegd. Niet te weerspreken en niet weersproken is dat de District Court in Californië deel uitmaakt van de openbare macht; dat het een buitenlandse openbare macht is doet voor de toepassing van art. 15b (terzake van de rechtmatigheid van de voorafgaande openbaarmaking) en art. 15a Aw, mede gelet op art. 2bis(58) en art. 10 BC, niet terzake.

5.66. Onderdeel 39 betoogt dat het hof daarnaast heeft miskend dat een affidavit zoals de onderhavige Fishman Affidavit beschouwd dient te worden als onderdeel van een rechterlijke uitspraak, althans van een gerechtelijke procedure, en dat er derhalve ingevolge art. 11 Aw geen auteursrecht op rust zodat citeren is toegestaan.


Het hof heeft voorts volgens onderdeel 40 miskend dat ten aanzien van werken die door de openbare macht, waartoe (in de terminologie van het onderdeel) de 'gerechtelijke macht' gerekend moet worden, zijn openbaar gemaakt ingevolge art. 15b Aw het auteursrecht in het geheel niet kan worden uitgeoefend, zodat ook in dit geval citeren is toegestaan. Niet gesteld of gebleken is dat ten aanzien van OT II en III een auteursrechtelijk voorbehoud is gemaakt, aldus het onderdeel. Onderdeel 41 voert nog aan dat het voor de toepassing van artt. 11 en 15b Aw niet relevant is of de auteursrechthebbende toestemming heeft verleend.

5.67. Niet valt in te zien - laat staan dat gesteld of gebleken is - dat (teksten uit) de OT-werken in een vonnis of beschikking van de District Court zijn opgenomen of dat de werken daaraan zijn aangehecht.(59) Onderdeel 39 faalt dus.

5.68. Het beroep in onderdeel 40, in verbinding met onderdeel 41, op art. 15b Aw is terecht, voor zover het onderdeel daarmee de basis voor de door art. 15a Aw aan citeervrijheid voorafgaande rechtmatige openbaarmaking aanwijst. Zie hierboven nrs. 5.21-5.27 en 5.65. Het onderdeel mist voor het overige belang, nu het niet erover klaagt dat het hof op basis van art. 15b Aw algehele overnamevrijheid van OT II en OT III had moeten aannemen. Het onderdeel klaagt immers enkel over het miskennen door het hof dat in verband met een beroep op art. 15b 'ook in dit geval citeren is toegestaan'.
Overigens heb ik in nr. 5.28 (met verwijzingen aldaar) aangegeven dat, en waarom, bezwaren in de weg staan aan aanvaarding van de gedachte dat openbaarmaking door de overheid overeenkomstig art. 15b zou meebrengen dat een werk (waarvan de overheid niet zelf auteursrechthebbende is) geheel vogelvrij zou zijn, dus ook buiten het citaatrecht. Ook op materiële gronden zou ik het onderdeel in zoverre dus geen steun willen geven.

5.69. Onderdeel 42 voert aan dat mede om de hier genoemde redenen het oordeel van het hof, dat de openbaarmaking binnen (en buiten) de Scientology-gemeenschap (althans aan ten minste 25.000 leden) niet heeft te gelden als een rechtmatige openbaarmaking in de zin van art. 15a Aw, rechtens onjuist, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.

5.70. Nu dit onderdeel geheel voortbouwt op de vorige onderdelen, deelt het het lot daarvan.

5.71. Onderdelen 43 en 44 richten zich ten slotte tegen 's hofs feitelijke vaststelling in rov. 2 van het bestreden arrest, voor zover het hof als volgt heeft geoordeeld:

'[Verweerster 13] heeft in 1995 de Fishman Affidavit met bijlagen waaronder vertrouwelijke delen uit de OT-werken, op haar websites bij (voorheen genaamd) XS4ALL en bij Planet Internet geplaatst. Nadat zij deze vóór 23 februari 1996 had verwijderd, heeft [verweerster 13] haar eigen relaas over Scientology op haar websites (...) gezet, in welk relaas enige citaten uit onder meer OT II, OT III en Ability zijn opgenomen.'

Onderdeel 44 voert aan dat [verweerster 13] op 23 februari 1996 niet de gehele Fishman Affidavit heeft verwijderd. Zij heeft de delen uit de stukken OT II, OT III en Ability, die zij op haar homepage had staan, verwijderd en vervangen voor haar eigen relaas, dat korte citaten uit de werken OT II, OT III en Ability bevatte.(60)

5.72. Deze klacht faalt wegens gebrek aan belang. Het verschil tussen de bestreden overweging en de opvatting van het onderdeel (m.i. spijkers op laag water en lood om oud ijzer) heeft immers geen gevolg voor 's hofs beslissingen omtrent de toe- of afwijzing van het gevorderde.

5.73. Nu ik de klachten in onderdelen 33-42 van het incidentele cassatiemiddel gegrond acht, en het incidentele cassatiemiddel daarmee slaagt, zal dit gevolgen kunnen hebben voor de vraag of in het principale cassatieberoep de bestrijding door Scientology c.s. van het door het hof gehonoreerde beroep van [verweerster 13] en de Providers op art. 10 EVRM nog aan de orde dient te komen.

6. Principaal cassatiemiddel onder A (1-17): Art. 10 EVRM

6.1. Het principale cassatiemiddel stelt onder A (onderdelen 1-17) de relatie aan de orde tussen het auteursrecht en art. 10 EVRM(61), waarin het recht op informatievrijheid/vrijheid van meningsuiting neergelegd.(62)

6.2. Artikel 10 EVRM luidt:

'1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. [...]


2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit

of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.'

6.3. Onverminderd de begrenzingen in lid 2 van art. 10 EVRM, heeft het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in een reeks uitspraken, ingezet met het Handyside-arrest(63), het belang en de strekking van de informatievrijheid benadrukt:

'The freedom of expression constitutes one of the essential foundations of a democratic society and one of the basic conditions for its progress and each individual's self-fulfilment. Subject to paragraph 2 of Article 10, it is applicable not only to information or ideas that are favourable received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without which there is no democratic society.'

6.4. Het EHRM heeft geoordeeld dat de beperkingen op grond van art. 10 lid 2 EVRM 'must [...] be construed strictly, and the need for any restrictions must be established convincingly'.(64)

6.5. Een beperking is slechts noodzakelijk in een democratische samenleving, zoals vereist in art. 10 lid 2 EVRM, indien deze beantwoordt aan een pressing social need, en proportioneel is aan het na te streven doel. De lidstaten, waaronder de wetgever en de autoriteiten die de wetgeving toepassen, zoals de onafhankelijke rechter, bezitten hier een margin of appreciation, doch deze is onderworpen aan toezicht door het EHRM.(65)


Een en ander brengt mee dat in een voorliggend geval het EHRM zich niet beperkt tot een onderzoek naar de legitimiteit van de aan de beperking ten grondslag liggende regelgeving, doch de omstandigheden van het concrete geval bij zijn onderzoek betrekt(66), hetgeen neerkomt op een afweging van het belang dat met de beperking wordt nagestreefd tegen het belang van de informatievrijheid ('balancing the rights in issue').(67)

6.6. Het EHRM heeft zich tot dusverre niet hoeven buigen over de vraag naar de verhouding tussen het auteursrecht en art. 10 EVRM. Er zijn twee uitspraken van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens over deze kwestie(68), doch deze bieden ons weinig aanknopingspunten.

6.7. Bezien wij de nationale regeling in de Auteurswet 1912, dan valt het volgende op. De informatievrijheid van art. 10 EVRM heeft niet (expliciet) gefungeerd als toetsingskader, noch (uiteraard: in 1912!) bij de totstandkoming, maar ook niet bij herzieningen van de Auteurswet nadat het EVRM in werking was getreden(69), al laat de jongste aanpassing van de Aw aan de Auteursrechtrichtlijn ten deze een zekere kentering zien. Ook al noemt de Aw de informatievrijheid van art. 10 EVRM niet als zodanig als beperkingsgrond, er zijn - reeds van oudsher - in de Aw een aantal auteursrechtbeperkende bepalingen opgenomen met het oog op de informatievrijheid.(70)

6.8. De Auteurswet 1912 kent van oudsher een 'open systeem' van aan de auteur toekomende rechten, met de ruime openbaarmakings- en verveelvoudigingstermen in art. 1, die volgens de MvT aan de hand van technische en maatschappelijke ontwikkelingen verdere inhoud konden krijgen, en waarop in de artt. 12, 13 en 14 in zoverre slechts enkele voorschotten werden genomen. Het valt op dat, omgekeerd, naast de in art. 15 expliciet opgenomen beperkingen van het auteursrecht, niet expliciet een soortgelijk handvat is gegeven voor de verdere ontwikkeling van beperkingen van het auteursrecht. Een veel gehoorde (en nog niet uitgestorven) mening was dat de Auteurswet een open systeem van rechten, en een gesloten systeem van beperkingen kent, en dat die beperkingen bovendien nog beperkt zouden moeten worden uitgelegd.(71)


Schijn kan evenwel bedriegen. Artikel 1 Aw luidt: 'Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk [...] om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen bij de wet gesteld'. In de eerste plaats behoeven de 'bij de wet gestelde beperkingen' uiteraard niet in de Auteurswet zélf te staan, maar kunnen zij ook in een andere wet van gelijke staatsrechtelijke orde voorkomen.(72) In de tweede plaats komt het anno 2005 al te formeel voor om het woord 'wet' in de strofe 'behoudens de beperkingen bij de wet gesteld' anders te lezen dan 'recht' in de zin van art. 79 RO c.q. rechtersrecht.(73) In de derde en niet de minste plaats, kan hetgeen een nationale wetgever in zijn eigen wet bepaalt over de omvang van het auteursrecht, vanzelfsprekend niet afdoen aan Verdragsbepalingen van hoger orde, zoals art. 10 EVRM en art. 19 IVBPR. Die Verdragen dienen immers juist om te vergaande nationaal-wettelijke beperkingen van grondrechtelijke vrijheden, waaronder de informatievrijheid, te kunnen redresseren, aan de hand van de in die Verdragsartikelen neergelegde criteria. De toetsingsbevoegdheid hierbij is (mede) in handen gelegd van de nationale rechter, in zoverre mede optredend als Europese (grondrechten-)rechter(74), terwijl een in hoogste nationale instantie afgewezen beroep op het EVRM kan leiden tot een beroep op het Straatsburgse EHRM. (75)

6.9. Ik onderken dat de al eerder genoemde Auteursrechtrichtlijn 2001/29/EG, volgens de considerans onder 32, een uitputtende opsomming van toegelaten beperkingen bevat. Ook indien dit gegeven EU-rechtelijk de nationale wetgevers ertoe verplicht geen andere beperkingen in hun Auteurswetten op te nemen, kan deze richtlijn er m.i. nog steeds niet aan in de weg staan dat art. 10 EVRM onder omstandigheden zijn eigen verdragsrechtelijke rol kan blijven spelen in auteursrechtelijke geschillen.(76)



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina