16 december 2005 Eerste Kamer



Dovnload 264.12 Kb.
Pagina7/11
Datum20.08.2016
Grootte264.12 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

6.10. In de lagere rechtspraak is de vraag naar de verhouding tussen art. 10 EVRM en het auteursrecht een aantal keren aan bod gekomen.(77) Ik wil in het bijzonder wijzen op de zgn. Boogschutter-zaak(78) waarin de rechtbank Amsterdam het auteursrecht rechtstreeks toetste aan art. 10 EVRM in een geval waarin De Volkskrant bij een interview een foto had afgebeeld, waarop de geïnterviewde directeur naast een in het gebouw van diens onderneming aanwezige auteursrechtelijk beschermde sculptuur was afgebeeld, en De Volkskrant van inbreuk op het auteursrecht op die sculptuur werd beticht. Hoewel de afweging door de rechtbank voor De Volkskrant per saldo negatief uitpakte, vormt het vonnis m.i. een goed voorbeeld van de wijze waarop de Nederlandse rechter te werk moet gaan wanneer een partij in een auteursrechtelijk geschil een beroep doet op art. 10 EVRM.

6.11. Ter afsluiting van deze inleidende opmerkingen wil ik er nog op wijzen dat het EHRM in het algemeen de bedoeling bij het uiten van bepaalde informatie van belang acht bij de beoordeling van de vraag of de beperking daarop aan het noodzakelijkheidsvereiste voldoet. Wanneer bijv. informatie wordt geuit om in de pers wantoestanden aan de kaak te stellen en verder onderzoek daarnaar uit te lokken, zal het EHRM minder snel overtuigd zijn van de noodzaak van een beperking, dan indien ná zulke gedane zaken, of los daarvan de uiting (nog weer) aan de eer of goede naam van een ander afbreuk doet.(79) Ook de modaliteiten van de vrijheidsbeperkende maatregelen (sancties) spelen - in het licht van de proportionaliteitstoets - een rol. Zo accepteerde het EHRM in de 'Bluf'-zaak, waarbij het blad een BVD-document had gepubliceerd, de inbeslagneming door de Nederlandse autoriteiten, maar niét de maatregel van onttrekking aan het verkeer, omdat de inhoud al grotendeels bekend was geraakt.(80)


Het behoeft voorts m.i. geen betoog dat de positie van informatie-aanbieders via internet in veel opzichten te vergelijken is met die van de pers. De pers heeft zijn klassiek bepaalde, maar in de 20e eeuw reeds steeds verder geëvalueerde en verruimde contouren. De 'pers' is geen gesloten groep of begrip. Het internet heeft een verdere verruiming gegeven aan de mogelijkheden voor individuen en organisaties om een rol te vervullen die - afgezien van het buurkrantniveau - vóór het internet-tijdperk feitelijk aan beperkter groepen was voorbehouden.

6.12. Tot zover de inleidende opmerkingen. Ik ga nu over tot bespreking van onderdelen (A) 1-17 van het principale cassatiemiddel. Deze onderdelen richten zich tegen rov. 8.1-8.4, waarin het hof het beroep van [verweerster 13] en de Providers op art. 10 EVRM heeft gehonoreerd. 's Hofs eindoordeel in rov. 8.4, slot, luidt:

'Naar 's hofs oordeel kan in deze bijzondere omstandigheden niet worden gezegd dat een beperking van de informatievrijheid op grond van de handhaving van het auteursrecht nodig is in de zin van artikel 10 EVRM en evenmin dat het belang van [verweerster 13] en de Providers en het algemeen belang bij de informatievrijheid van artikel 10 lid 1 EVRM in verhouding tot dat van Scientology c.s. bij handhaving van hun auteursrecht in dit geval minder zwaar weegt. Derhalve behoort het eerstgenoemde belang niet te wijken voor het belang van Scientology c.s. en slaagt het beroep op artikel 10 lid 1 EVRM.'

6.13. Ook bij de bespreking van deze onderdelen past een vooropstelling. De in deze onderdelen vervatte klachten richten zich ieder tegen één van de door het hof in rov. 8.1-8.4 aan zijn eindoordeel ten grondslag gelegde omstandigheden. Nu het geenszins vanzelfsprekend is dat met de gegrondheid van één of enkele klachten en daardoor het wegvallen van één of enkele van deze omstandigheden, 's hofs oordeel aan vernietiging bloot staat, behoort eigenlijk aan de vraag naar de gegrondheid van iedere klacht vooraf te gaan of Scientology c.s. bij die klacht voldoende belang heeft.


Het vorenstaande betekent voor mij niet dat ik de klachten niet stuk voor stuk zal bezien. Op de vraag of, in het licht van het bovenstaande, gegrondheid van één of meer klachten tot vernietiging van het in cassatie bestreden arrest dient te leiden, zal ik nog terugkomen (zie nr. 6.49).

6.14. Onderdeel 1 voert aan dat het in 6.12 weergegeven oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat het auteursrecht (slechts) de vorm waarin het idee is belichaamd beschermt, en niet de uiting van het idee als zodanig, zodat reeds hierom van een conflict tussen het auteursrecht en het recht op de vrijheid van meningsuiting geen sprake kan zijn. Het recht van [verweerster 13] (en de Providers) op haar/(hun) uiting wordt geenszins beperkt door het auteursrecht, aldus het onderdeel.

6.15. Het onderdeel faalt. Ook als men met Scientology c.s. ervan uitgaat dat het auteursrecht slechts de subjectieve vorm en niet de objectieve inhoud van een werk beschermt(81), sluit dit geenszins uit dat het auteursrecht met de informatievrijheid van art. 10 EVRM in strijd kan komen.(82) Tot het door art. 10 EVRM beschermde belang en recht om inlichtingen en denkbeelden te verstrekken, behoort of kan althans behoren een weergave in de vorm waarin een werk is vervat. Het citaatrecht van art. 15a Aw vormt hier juist een beeldend voorbeeld van. En als de nationaal-wettelijke regeling van het citaatrecht te nauw bemeten is om in een bepaald geval de overneming toelaatbaar te doen zijn, betekent dat nog niet dat daarmee het door art. 10 EVRM beschermde belang en recht om inlichtingen en denkbeelden te verstrekken in de vorm waarin een werk is vervat, is uitgeput.

6.16. Onderdeel 2 klaagt dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, is voorbijgegaan aan de zijdens Scientology c.s. aangevoerde omstandigheid(83) dat op gelijke hoogte met het recht op vrijheid van meningsuiting het fundamenteel grondrecht op ongestoord genot van eigendom (art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM) staat, onder welk recht ook het auteursrecht valt. De uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting kan volgens het onderdeel derhalve slechts geschieden onder respectering van het eigendomsrecht van Scientology c.s.

6.17. Ook deze klacht faalt. Hoewel het auteursrecht onder art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM valt(84) en aldus als mensenrecht kan worden bestempeld(85), is het auteursrecht daarmee geenszins verheven boven een afweging tegen de informatievrijheid van art. 10 EVRM.(86)
Voor zover het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, is die onjuist, terwijl de motiveringsklacht faalt omdat een rechtsoordeel in cassatie niet met een motiveringsklacht bestreden kan worden.
Voor zover het onderdeel betoogt dat het hof miskent dat er onder het EVRM plaats is voor afweging van het (mede door art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM beschermde) auteursrecht tegenover de uitingsvrijheid van art. 10 EVRM, mist het feitelijke grondslag, omdat het hof blijkens de aangevallen rov. 8.4 juist wél een zodanige afweging heeft uitgevoerd.

6.18. In onderdeel 3 wordt aangevoerd dat het hof in rov. 8.4, slot heeft miskend dat het auteursrecht als zodanig voldoet aan de voorwaarden van art. 10 lid 2 EVRM en er dan ook geen ruimte is voor een belangenafweging als door het hof is verricht.

6.19. Deze klacht faalt omdat de nationale rechter in een situatie als de onderhavige in concreto dient te onderzoeken of de op de Auteurswet gebaseerde beperkingen op de vrijheid van informatie van art. 10 EVRM aan de in lid 2 van dat artikel gestelde voorwaarden voldoen. Een toetsing in abstracto, neerkomend op een beoordeling van de vraag of de beperkende nationale regeling als zodanig in de vorm van een wettelijke regeling bestaat, en een van de in art. 10 lid 2 EVRM vermelde belangen dient, volstaat niet, naar de jurisprudentie van het EHRM (in lijn met de tekst van art. 10 lid 2 EVRM) leert. Dit geldt ook voor een wettelijke regeling als die van het auteursrecht.

6.20. Ik bespreek onderdeel 4 in samenhang met onderdeel 8. Onderdeel 4 betoogt dat indien er al ruimte zou zijn voor enige toetsing van het auteursrecht in een concreet geval aan art. 10 EVRM, de beschermingsomvang van het auteursrecht uitgangspunt dient te zijn en de rechter hoogstens kan toetsen of zich zodanige exceptionele, althans (zeer) bijzondere omstandigheden voordoen dat in het concrete geval het belang van de auteursrechthebbenden bij handhaving van hun auteursrechten zou moeten wijken voor dat van derden bij de vrijheid van meningsuiting. Het hof heeft dit volgens het onderdeel miskend; het hof stelt - volgens het onderdeel ten onrechte - de vrijheid van meningsuiting voorop en beoordeelt of in het concrete geval een beperking van de informatievrijheid op grond van het auteursrecht nodig is in de zin van art. 10 EVRM, althans of het belang van [verweerster 13] en de Providers en het algemeen belang bij de informatievrijheid van art. 10 lid 1 EVRM in verhouding tot dat van Scientology c.s. bij handhaving van hun auteursrecht in dit geval minder zwaar weegt.


In onderdeel 8 wordt betoogd dat aan 'al het hiervoor aangevoerde'(87) niet afdoet dat het hof in rov. 8.2, tweede alinea, overweegt dat het 'denkbaar is dat er bijzondere gevallen zijn waarin de handhaving van het auteursrecht, zoals een inbreukverbod, moet wijken voor de informatievrijheid', omdat zulks (temeer) in samenhang met hetgeen overigens in rov. 8.2 en 8.4, slot is overwogen, duidelijk maakt dat het hof van een onjuiste toetsingsmaatstaf is uitgegaan, althans onduidelijk is welke toetsingsmaatstaf het hof heeft gehanteerd, welk laatste gebrek 's hofs beslissing reeds onaanvaardbaar onduidelijk en onaanvaardbaar gebrekkig inzichtelijk maakt.

6.21. De onderdelen falen. Het hof heeft blijkens rov. 8.4, slot (en rov. 8.2, laatste zin) in concreto onderzocht of de onderhavige beperking op de informatievrijheid noodzakelijk is in een democratische samenleving en aldus geoordeeld overeenkomstig het bepaalde in art. 10 lid 2 EVRM. Hierbij heeft het hof de in die Verdragsbepaling genoemde belangen gewogen. Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het hof dus geen onjuiste toetsingsmaatstaf aangelegd.


Waar het onderdeel stelt dat het auteursrecht slechts in exceptionele of zeer bijzondere omstandigheden zal moeten wijken voor de informatievrijheid van art. 10 EVRM, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Terzijde teken ik aan dat de onderdelen niet een afbakening aangeven van exceptionele of zeer bijzondere omstandigheden tegenover minder exceptionele of minder bijzondere omstandigheden, en ook niet klagen dat het in casu om omstandigheden in laatstbedoelde zin zou gaan.
Het verband tussen enerzijds rov. 8.2, tweede alinea en anderzijds rov. 8.2, laatste zin en rov. 8.4, slot laat zich als volgt verklaren. Het hof heeft in rov. 8.2, eerste drie volzinnen, aangegeven dat het auteursrecht bij de wet is voorzien en dient ter bescherming van de rechten van anderen en aldus in beginsel aan de vereisten van art. 10 lid 2 EVRM voldoet, doch dat zich bijzondere gevallen kunnen voordoen waarin het auteursrecht moet wijken voor de informatievrijheid. Dit laatste zal, blijkens rov. 8.2, laatste zin en rov. 8.4, slot, het geval zijn indien de beperking niet voldoet aan het noodzakelijkheidsvereiste van art. 10 lid 2 EVRM. Rov. 8.2, laatste zin en rov. 8.4, slot, geven hiervoor op juiste wijze het toetsingskader aan.

6.22. Onderdeel 5 richt zich tegen rov. 8.2, derde regel en klaagt dat het hof, voor zover het daarin het auteursrecht slechts 'in beginsel' tot de in art. 10 lid 2 EVRM bedoelde 'rechten van anderen' rekent (ter bescherming waarvan het recht op informatievrijheid kan worden onderworpen aan beperkingen die in een democratische samenleving nodig zijn en bij de wet zijn voorzien), blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu als uitgangspunt geldt dat het auteursrecht dient te worden gerekend tot de in art. 10 lid 2 EVRM bedoelde 'rechten van anderen'.

6.23. Het onderdeel mist feitelijke grondslag, omdat het berust op een onjuiste lezing. 's Hofs oordeel in rov. 8.2, dat het auteursrecht in beginsel onder de rechten van anderen in de zin van art. 10 lid 2 EVRM valt, heeft aldaar onmiskenbaar geen andere betekenis dan het in het onderdeel als juist getypeerde oordeel, dat als uitgangspunt geldt dat het auteursrecht tot die rechten van anderen behoort. Het onderdeel faalt dus.

6.24. Onderdeel 6 voert aan dat het hof in rov. 8.2, laatste zin heeft miskend dat met de in de Auteurswet 1912 erkende bescherming van de auteursrechten van rechthebbenden uitgangspunt dient te zijn dat Scientology c.s. recht en belang hebben bij de handhaving van hun auteursrechten en dat de vraag (hoogstens) is of zich zodanige exceptionele, althans (zeer) bijzondere, omstandigheden voordoen dat het belang van Scientology c.s. bij hun auteursrechten zou moeten wijken voor dat van de vrijheid van meningsuiting.

6.25. Het onderdeel bouwt geheel voort op onderdeel 4 van het middel en deelt het lot daarvan.

6.26. Onderdeel 7 sluit bij het voorgaande onderdeel aan en klaagt dat het hof ook heeft miskend dat (voor zover er voor een belangenafweging al plaats zou zijn) het de vraag had te beantwoorden of er zodanige exceptionele, althans (zeer) bijzondere, omstandigheden waren die tot de conclusie zouden kunnen en moeten leiden dat in het onderhavige geval het belang van Scientology c.s. bij hun auteursrechten zou moeten wijken voor dat van de vrijheid van meningsuiting, en aldus of in het onderhavige geval toewijzing van de vorderingen van Scientology c.s. noodzakelijkerwijs achterwege zou dienen te blijven.

6.27. Ook voor deze klacht geldt dat zij geheel voortbouwt op onderdeel 4 en het lot daarvan deelt. Ik volsta met een verwijzing naar nr. 6.21.

6.28. Onderdeel 8 is besproken in nrs. 6.20-6.21.

6.29. Onderdeel 9 klaagt dat onjuist, althans onaanvaardbaar onduidelijk is hetgeen het hof in rov. 8.2 in fine - onder verwijzing naar EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146 - tot uitdrukking beoogt te brengen met de verwijzing naar 'een zekere beleidsvrijheid' die 'is overgelaten aan de nationale autoriteiten'. Het EHRM heeft, aldus het onderdeel, in genoemde uitspraak uit 1979 tot uitdrukking gebracht dat de lidstaten bij beantwoording van de vraag of een beperking nodig is in een democratische samenleving een zekere beleidsvrijheid genieten.
Uit 's hofs beslissing blijkt volgens het onderdeel niet, althans onvoldoende of en zo ja, met betrekking tot welk aspect en in welke mate, de Nederlandse wetgevende autoriteiten, handelend in lijn met (bijvoorbeeld een internationale regeling als) de Berner Conventie, die beleidsvrijheid te buiten zijn gegaan. Indien het hof ziet op andere nationale autoriteiten dan de wetgevende autoriteiten, is de beslissing rechtens onjuist. Indien het hof iets anders bedoelt, is de beslissing onbegrijpelijk en niet naar de eisen der wet met redenen omkleed, omdat dan niet duidelijk is wat het hof wel bedoelt, aldus de klacht.

6.30. Evenals het hof gedaan heeft, neemt het onderdeel terecht tot uitgangspunt dat de lidstaten bij de beoordeling van het vereiste van noodzakelijkheid van art. 10 lid 2 EVRM een 'margin of appreciation' hebben, die onder controle staat van het EHRM. Zie nr. 6.5 supra. Deze vrijheid komt evenwel, zoals aldaar aangegeven, niet slechts wetgevende autoriteiten toe.(88) Voor zover het onderdeel daarover klaagt, faalt het dan ook.


Voor zover het onderdeel stelt dat, in een geval waarin de rechter tot de conclusie komt dat de beperking op de informatievrijheid niet noodzakelijk is in een democratische samenleving, vereist is dat de rechter expliciet aangeeft in hoeverre de wetgever de 'margin of appreciation' heeft overschreden, vindt het geen steun in het recht. Ook in zoverre kan deze klacht niet tot cassatie leiden.

6.31. Onderdeel 10 strekt ten betoge dat het hof in rov. 8.1-8.4 niet, althans niet voldoende (kenbaar) in aanmerking heeft genomen de stelling van Scientology c.s. dat het kopiëren van, publiceren van of citeren uit de auteursrechtelijk beschermde werken van Scientology c.s. niet noodzakelijk was om desgewenst op voldoende wijze kritiek op Scientology c.s. te kunnen leveren.(89) De vraag of het doel van de (beoogde) uiting ook, in voldoende mate, kan worden bereikt zonder auteursrechtinbreuk te plegen vormt hierbij volgens de klacht een essentiële, althans relevante omstandigheid.

6.32. Het gaat hier slechts om de beoordeling van het citeren door [verweerster 13]. Het hof heeft daarover in rov. 8.4 geoordeeld dat is gebleken dat de citaten de door [verweerster 13] beoogde informatieverstrekking ondersteunen en geloofwaardig maken. Hiermee heeft het hof, zoals bij de beoordeling van onderdeel 1 bleek(90), geen onjuiste maatstaf aangelegd. Voor zover het onderdeel van een andere maatstaf uitgaat, faalt het. 's Hofs oordeel is voorts niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van het partijdebat.

6.33. Onderdeel 11 klaagt dat het hof - zonder voldoende kenbare motivering - is voorbijgegaan aan hetgeen zijdens Scientology c.s. is aangevoerd omtrent het bijzondere karakter van de OT-werken(91) en zijn beslissing in zoverre onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.


Het onderdeel wijst erop dat zijdens Scientology c.s. met name is aangevoerd dat de vertrouwelijkheid van de OT-werken altijd gewaarborgd is gebleven en dat de betrokkenen van die intentie tot vertrouwelijkheid op de hoogte waren; dat de persoonlijkheidsrechtelijk getinte rechten een bijzondere bescherming bieden aan datgene wat te maken heeft met iemands religieuze opvattingen of levensovertuiging, ongeacht of anderen die opvatting kwalificeren als 'kinderachtig of, zoals in casu, "bizar", ...'; dat met name in zodanig geval bij de auteursrechthebbenden een belang van bescherming aanwezig is, nu juist dan een bescherming aangewezen lijkt tegen het in de openbaarheid brengen van door een auteur bewust vertrouwelijk gehouden ontboezemingen over godsdienstige of levensbeschouwelijke materie.

6.34. Het systeem van de Auteurswet 1912 (en van de Berner Conventie) levert geen aanwijzingen op voor een bijzondere bescherming van werken met een religieus karakter. Aan de steller van het middel kan toegegeven worden dat dit systeem wél aanwijzingen oplevert voor een verdergaande bescherming van niet openbaar gemaakte (veelal samenvallend met: vertrouwelijke) werken, dan voor openbaar gemaakte werken.(92)

6.35. Het gaat in de aangevallen overweging van het hof evenwel om de uitleg en toepassing van art. 10, leden 1 en 2 EVRM. Artikel 10 EVRM kent zijn eigen, in nrs. 6.1 e.v. becommentarieerde maatstaven. Daarin komt, aan de kant van de beperkingsgronden van lid 2, naast de bescherming van 'rechten van anderen' ook voor het belang om 'de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen'(93).
Zoals uiteengezet in nrs. 6.4.-6.5 geldt daarnaast echter de toets dat de beperking van de uitingsvrijheid 'in een democratische samenleving noodzakelijk is' (met de daarbij behorende proportionaliteitstoets). Nu ook de bekendmaking van vertrouwelijke gegevens aan deze nadere toetsing onderworpen is, en nu het geen betoog behoeft dat het belang om inlichtingen te verstrekken volgens de hoofdregel van art. 10 lid 1 EVRM bij uitstek ook betrekking kan hebben op vertrouwelijke mededelingen, faalt het onderdeel voor zover het zou betogen dat de door Scientology c.s. ingeroepen (c.q. in auteursrechtelijke zin gestaafde) vertrouwelijke verspreiding op zichzelf zou medebrengen dat andere dan de even bedoelde - door het hof tot uitgangspunt genomen - maatstaven zouden moeten zijn aangelegd.

6.36. Nadat het hof op juiste wijze was uitgegaan van de maatstaven van art. 10 EVRM, is 's hofs oordeel, niettegenstaande het door Scientology c.s. ingeroepen (c.q. in auteursrechtelijke zin gestaafde) vertrouwelijke karakter, reeds niet onbegrijpelijk in het licht van 's hofs (uitvoerige) rov. 8.3 en de daarop voortbouwende rov. 8.4, eerste en tweede alinea (waartegen blijkens deze conclusie door mij geen slagende klachten worden aangetroffen).

6.37. Voorts dient opgemerkt te worden dat het hof in rov. 8.4, derde alinea (die, naar blijken zal, door onderdeel 16 vergeefs aangevochten wordt) als 'bijkomend argument' heeft overwogen (en ook al eerder in rov. 7.9 heeft overwogen) dat de documenten OT II en OT III tijdelijk (twee jaar) voor een ieder (vrijelijk) verkrijgbaar waren, en aldus (rov. 7.9) 'in het publiek domein' zijn gekomen. Naar het klaarblijkelijke en begrijpelijke oordeel van het hof was daarmee van daadwerkelijke vertrouwelijkheid in objectieve zin geen sprake meer. Dat het hof in rov. 7.11 het beroep van [verweerster 13] en de Providers op het citaatrecht van art. 15a Aw afwees omdat het geen voorafgaande rechtmatige openbaarmaking in de zin van dat artikel aanwezig achtte, doet daaraan niet af.(94) Ten overvloede: de omstandigheid dát de documenten OT II en OT III door toedoen van de District Court van Californië tijdelijk voor een ieder verkrijgbaar waren, duidt op zichzelf al op de - in het kader van art. 10 EVRM relevante - rol die deze documenten in een maatschappelijk debat over de CoS spelen.

6.38. In onderdeel 12 wordt geklaagd dat, voor zover het hof in rov. 8.4, tweede regel met de verwijzing naar 'citaten van derden' tot uitdrukking bedoelt te brengen dat de in het relaas van [verweerster 13] opgenomen citaten uit de OT-werken geen auteursrechtinbreuk opleveren, zulks rechtens onjuist is, nu ook in zodanig geval sprake is van openbaarmaking en/of verveelvoudiging van niet rechtmatig openbaar gemaakte documenten.

6.39. Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Een oordeel als in het onderdeel vervat ligt immers niet besloten in rov. 8.4, tweede regel en met name niet in het gebruik van de woorden 'citaten van derden'.

6.40. Onderdeel 13 klaagt dat, voor zover het hof in rov. 8.4 heeft meegewogen dat de citaten uit OT II en OT III het betoog van [verweerster 13] 'ondersteunen en geloofwaardig maken', zulks onvoldoende is om de auteursrechtinbreuk te rechtvaardigen, althans voortduring van de auteursrechtinbreuk te dulden, met een beroep op vrijheid van meningsuiting. In het licht van hetgeen het hof overigens overweegt omtrent het 'gehele relaas' van [verweerster 13] geldt temeer hetgeen in onderdeel 10 omtrent het op andere, niet inbreukmakende, wijze leveren van kritiek op Scientology c.s. is aangevoerd.

6.41. De klacht faalt. 's Hofs oordeel in rov. 8.4, eerste alinea, dat gebleken is dat de citaten uit de OT-werken de door [verweerster 13] beoogde informatieverstrekking ondersteunen en geloofwaardig maken, is wel degelijk een omstandigheid die een rol kan spelen bij de beoordeling van de vraag of [verweerster 13] en de Providers een beroep op art. 10 EVRM toekomt. Het onderdeel vormt in wezen een herhaling van de klacht in onderdeel 10 en deelt het lot daarvan. Voor zover het onderdeel klaagt dat deze omstandigheid op zichzelf niet doorslaggevend kan worden geacht, faalt het bovendien bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu 's hofs oordeel niet uitsluitend hierdoor wordt gedragen.

6.42. In onderdeel 14 wordt aangevoerd dat, waar het hof in rov. 8.4 heeft overwogen dat 'gesteld noch gebleken is dat zij [[verweerster 13]] daarmee (mede) een commercieel doel heeft beoogd', onvoldoende inzichtelijk is welke betekenis een en ander heeft voor 's hofs verdere redenering, en dat de beslissing aldus onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat in een situatie dat geen commercieel doel met de informatieverstrekking (mede bevattend een inbreuk op auteursrecht) wordt beoogd, het auteursrecht, althans de handhaving daarvan, op eerder aanvaardbaar te achten gronden kan worden terzijde gesteld (met de redenering die het hof voorts presenteert) dan in andere situaties het geval is, is zulks rechtens onjuist, althans is die beslissing onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel.

6.43. In de kennelijke gedachtegang van het hof zou een bij [verweerster 13] eventueel wél aanwezig commercieel doel mogelijk tot een ander - voor Scientology c.s. gunstiger - oordeel hebben kunnen leiden. Nu het onderdeel niét bestrijdt 's hofs feitelijk oordeel dat gesteld noch gebleken is dat [verweerster 13] met het weergeven van de citaten (mede) een commercieel doel heeft beoogd, faalt het onderdeel bij gebrek aan belang.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina