16 december 2005 Eerste Kamer



Dovnload 264.12 Kb.
Pagina8/11
Datum20.08.2016
Grootte264.12 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

6.44. Onderdeel 15 klaagt over de wijze waarop het hof in rov. 8.4, tweede alinea vergaande consequenties verbindt aan de in rov. 8.3 gepresenteerde (selectieve) citaten en betoogt dat 's hofs oordeel niet voldoet aan de aan dergelijke vergaande conclusies te stellen zware motiveringseisen. In rov. 8.3 immers citeert het hof een aantal passages uit enkele documenten, behorend tot een zeer omvangrijke hoeveelheid producties die tot de gedingstukken behoren. Het hof geeft echter onvoldoende precies aan op welke gronden en aan de hand van welke passages het hof tot zijn oordeel in rov. 8.4, tweede alinea is gekomen; het hof volstaat met een algemene verwijzing naar 'de hiervoor onder 8.3 vermelde teksten'. Nu het hof partijen in rov. 6 heeft voorgehouden dat het enkele overleggen van producties uit een eerder gevoerd kort geding en/of het zich daarop in algemene zin beroepen niet voldoen/voldoet aan het vereiste dat een partij die zich op bepaalde feiten en omstandigheden wil beroepen, dit op zodanige wijze moet doen dat voor de rechter voldoende duidelijk is wat als grondslag voor de vordering wordt voorgelegd en voor de wederpartij waarop zij haar verdediging dient af te stemmen, heeft evenzeer voor de procespartijen, in dit geval Scientology c.s. te gelden dat voor hen voldoende duidelijk moet zijn op welke gronden de rechter tot zijn beslissing komt.

6.45. Het onderdeel faalt. Het onderdeel suggereert wellicht, maar klaagt niet dat het hof - in rov. 6 aan partijen als ongenoegzaam voorgehouden - zich heeft gebaseerd op producties uit het kort geding tussen partijen, waarnaar in deze hoofdzaakprocedure niet of onvoldoende verwezen zou zijn. In zoverre is er geen klacht, of zo die er is, mist zij feitelijke grondslag, of voldoet ze niet aan art. 407 lid 2 Rv.
Dat geldt ook voor zover het onderdeel erover zou klagen dat het hof de vindplaatsen van de in rov. 8.3 geciteerde documenten niet genoegzaam zou hebben aangegeven. Het hof heeft overigens wel degelijk vindplaatsen aangegeven; tot méér precisie daarbij was het hof niet gehouden.
Het hof was ook niet gehouden tot nadere motivering waarom hij tot zijn in rov. 8.4 genoemde conclusies kwam. Nu 's hofs oordeel niet onbegrijpelijk is, verlangt het onderdeel in zoverre, ten onrechte, een 'motivering achter de motivering', en klachten over onbegrijpelijkheid stuiten in zoverre af op niet-voldoening van het onderdeel aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

6.46. Onderdeel 16 richt zich tegen rov. 8.4, derde alinea, waarin het hof als bijkomende omstandigheid heeft meegewogen 'dat de documenten OT II en OT III door toedoen van voormelde District Court te Californië tijdelijk voor ieder verkrijgbaar waren, aldus in het publiek domein zijn geweest en in die periode op het internet zijn geplaatst'.


Volgens het onderdeel is allereerst onvoldoende duidelijk of en in welke mate deze omstandigheid bijdraagt aan 's hofs in rov. 8.1-8.4 gegeven beslissing. Voorts valt niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, in te zien dat en in welke mate deze omstandigheid de handhaving van het auteursrecht kan blokkeren, althans daartoe kan bijdragen, in het bijzonder indien in auteursrechtelijke zin die werken door de genoemde handelwijze van de District Court te Californië niet rechtmatig openbaar zijn gemaakt. 's Hofs beslissing is volgens het onderdeel daarenboven rechtens onjuist voor zover daarin in aanmerking wordt genomen de omstandigheid dat - kort gezegd - de auteursrechtelijk beschermde documenten voor derden beschikbaar waren ondanks het feit dat in auteursrechtelijke zin uitgangspunt is dat geen sprake is geweest van rechtmatige openbaarmaking, nu aldus dat aspect van die (tijdelijke) beschikbaarheid in het kader van de binnen het raamwerk van art. 10 EVRM uit te voeren toetsing, althans binnen de door het hof uitgevoerde toetsing, toch weer die rol speelt, althans kan spelen.

6.47. Het onderdeel berust, evenals onderdeel 11, op een miskenning van het aan art. 10 EVRM eigen, autonome toetsingskader. Ik verwijs naar de nrs. 6.1-6.5 en naar de bespreking van onderdeel 11 in nrs. 6.33-6.37. Aldaar heb ik al aangegeven waarom onderdeel 16 behoort te falen: in het systeem van art. 10 lid 2 EVRM met zijn criterium van de 'noodzaak in een democratische samenleving' (pressing social need) voor een wettelijke (bijv. auteursrechtelijke) beperking van de informatievrijheid getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting en is alleszins begrijpelijk dat het hof het door Scientology c.s. ter versterking van hun beroep op auteursrecht ingeroepen vertrouwelijkheidsargument gerelativeerd heeft op de wijze als hij in rov. 8.4, derde alinea gedaan heeft. Ik verwijs verder naar nr. 6.37.

6.48. Onderdeel 17 komt op tegen 's hofs oordeel in rov. 8.4, vierde alinea, 'dat het dwingen van de Providers om in dit geval de informatie van [verweerster 13] te verwijderen of ontoegankelijk te maken disproportioneel is'.
Volgens het onderdeel valt allereerst niet in te zien dat een en ander een rol kan spelen bij beantwoording van de vraag of de vorderingen van Scientology c.s. jegens [verweerster 13] toewijsbaar zijn en in het bijzonder van de vraag of art. 10 EVRM aan de handhaving van het auteursrecht door Scientology c.s. in de weg staat. Voor zover de overweging betrekking heeft op de vorderingen jegens de Providers, is voorts onjuist dat deze omstandigheid een rol speelt bij de in rov. 8.1-8.4 aan de orde zijnde vraag naar de verhouding tussen het auteursrecht van Scientology c.s. en art. 10 EVRM. Daarenboven motiveert het hof op geen enkele wijze op welke grond het meent dat het disproportioneel is de informatie van [verweerster 13] te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Ten slotte verwijst het onderdeel naar de onderdelen (C) 23-27.

6.49. Hoewel 's hofs oordeel, dat het dwingen van de Providers om de informatie van [verweerster 13] te verwijderen of ontoegankelijk te maken disproportioneel is, niet op begrijpelijke wijze duidelijk maakt dat dit een rol kan spelen bij de vraag of [verweerster 13] een beroep op art. 10 EVRM kan doen, meen ik dat dit onderdeel, ook als de klacht op zichzelf gegrond is, niet tot cassatie kan leiden, en wel wegens gebrek aan belang. 's Hofs oordeel in rov. 8.4 wordt namelijk (ruimschoots) voldoende gedragen door de overige, tevergeefs bestreden, overwegingen. Ik verwijs naar nr. 6.13.

7. Principaal cassatiemiddel onder B (18-20): Inbreukverbod

7.1. De onderdelen (B) 18-20 van het principale cassatiemiddel richten zich tegen rov. 10 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat buiten beschouwing kan blijven of door het plaatsen van de (gehele) Fishman Affidavit met bijlagen op de website al dan niet aan de eis van proportionaliteit is voldaan dan wel of art. 10 lid 1 EVRM al dan niet moet wijken voor de beperking van het auteursrecht, waartoe het hof overwoog:

'Naar vast staat heeft [verweerster 13] de Fishman Affidavit met bijlagen in 1995 op de website geplaatst en vóór 23 februari 1996 daarvan verwijderd. Scientology c.s. hebben betoogd dat dit is geschied na sommatie en onder de druk van een kort geding. Nu [verweerster 13] ook na het vonnis in kort geding en na het vonnis waarvan beroep (in welke beide gedingen een inbreukverbod jegens haar werd afgewezen) niet is overgegaan tot publikatie op enigerlei wijze van de Fishman Affidavit met bijlagen, acht het hof thans op dit punt geen dreiging meer aanwezig. Dit brengt mee dat het gevorderde inbreukverbod achterwege dient te blijven.'

De onderdelen betogen kort gezegd dat, nu er in cassatie, in ieder geval veronderstellenderwijs, van kan worden uitgegaan dat door het plaatsen van de (gehele) Fishman Affidavit met bijlagen op de website niet aan de eis van proportionaliteit is voldaan, art. 10 EVRM er niet aan in de weg staat dat Scientology c.s. hun auteursrecht uitoefenen, en dat [verweerster 13] (ontoelaatbaar) inbreuk maakte op het auteursrecht van Scientology en mitsdien onrechtmatig handelde, de hier aan de orde zijnde beslissing rechtens onjuist is, of althans ongenoegzaam is gemotiveerd.

7.2. Onderdeel 18 klaagt dat het het hof niet vrijstond te oordelen dat het gevorderde inbreukverbod achterwege dient te blijven, nu immers, in ieder geval veronderstellenderwijs, vaststaat dat (ontoelaatbaar) auteursrechtinbreuk is gepleegd, althans onrechtmatig is gehandeld, zodat het hof een daarop gerichte verbodsvordering diende toe te wijzen.

7.3. Hieromtrent wil ik het volgende opmerken. Een rechterlijk verbod of bevel is veelal gegrond op art. 3:296 lid 1 BW. Volgens die bepaling wordt degene die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe op vordering van de gerechtigde door de rechter veroordeeld, tenzij anders volgt uit de wet, de aard der verplichting of een rechtshandeling.


Een vordering tot een verbod komt evenwel slechts voor toewijzing in aanmerking indien er een dreiging of vrees voor herhaling bestaat.(95) De beoordeling van de vraag of hiervan sprake is, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.(96) Volgens Van Nispen kan hierover slechts gezegd worden dat een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet vereist is, en dat een theoretische mogelijkheid niet voldoende is. De omstandigheden van het geval zijn beslissend.(97),(98)

7.4. Het hof kon dus wel degelijk het gevorderde inbreukverbod afwijzen op de grond dat er geen dreiging van auteursrechtinbreuk dan wel onrechtmatig handelen meer bestond. Hierop stuit de klacht af.

7.5. Onderdeel 19 betoogt dat het hof, door te oordelen dat het gevorderde inbreukverbod achterwege dient te blijven omdat het 'thans op dit punt geen dreiging meer aanwezig' acht, een onjuiste, namelijk te lichte, maatstaf heeft gehanteerd. Indien 's hofs afwijzing al aanvaardbaar zou kunnen zijn, dan is zulks eerst dan gerechtvaardigd indien redelijkerwijs niet aan twijfel onderhevig is dat niet (wederom) zal worden overgegaan tot plaatsing op de website, althans tot enige publicatie in andere zin, althans de dreiging van inbreuk ondubbelzinnig is weggenomen.

7.6. Het hof heeft, zoals hierboven in nr. 7.3 bleek, een juiste maatstaf gehanteerd. Voorts is zijn oordeel niet onbegrijpelijk. Een maatstaf als in het onderdeel voorgestaan vindt geen steun in het recht. De klacht faalt.

7.7. Onderdeel 20 voert nog aan dat 's hofs oordeel, dat thans geen dreiging meer aanwezig is, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, nu het hof niet (voldoende kenbaar) de volgende zijdens Scientology c.s. in de procedure aangevoerde (relevante) stellingen heeft meegewogen(99):
- [Verweerster 13] wist wel degelijk dat zij inbreuk maakte op de auteursrechten van Scientology c.s.; zij baseerde haar standpunt op het feit dat de Fishman Affidavit gedurende een zekere tijd vrij verkrijgbaar was in een Amerikaanse rechtbank en dat maakte volgens haar, doch ten onrechte, het kopiëren van de Fishman Affidavit inclusief bijlagen rechtmatig;
- [Verweerster 13] stelt nog steeds dat Scientology c.s. geen rechten hebben en ook dat zij gerechtigd is de Fishman Affidavit op het internet te plaatsen;
- Uit de uitlatingen van [verweerster 13] kan afgeleid worden dat het plaatsen van de Fishman Affidavit niet zozeer ten doel heeft kritiek te leveren, doch meer de organisatie van Scientology c.s. te schaden, omdat zij weet dat Scientology c.s. de in de Fishman Affidavit opgenomen stukken als vertrouwelijk beschouwen;
- Ook nu nog weigert [verweerster 13] immers ondubbelzinnig de rechten van Scientology c.s. te erkennen en toe te zeggen dat zij zich in de toekomst van het plegen van auteursrechtinbreuk zal onthouden;
- Daar komt nog bij dat [verweerster 13] anderen ertoe heeft aangezet ook kopieën van de Fishman Affidavit op het internet te plaatsen.

7.8. Ik meen dat 's hofs oordeel in rov. 10, dat er geen dreiging meer bestaat dat de Fishman Affidavit wordt gepubliceerd, niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoefde, ook niet in het licht van de hiervoor aangevoerde stellingen. Het hof kon bij zijn - feitelijk, vgl. hierboven 7.3 - oordeel doorslaggevende betekenis toekennen aan het feit dat [verweerster 13], sinds zij de OT-werken in 1996 (na sommatie van Scientology c.s.) van haar homepage had verwijderd, deze werken niet meer heeft gepubliceerd, ondanks het feit dat een inbreukverbod jegens haar tot tweemaal toe werd afgewezen.

8. Principaal cassatiemiddel onder C (21-28):
De positie van internet (service) providers

8.1. Zoals gezegd komt in onderdelen (C) 21-28 van het principale cassatiemiddel aan de orde de positie van internet providers in auteursrechtelijk en civiel-aansprakelijkheidsrechtelijk opzicht, wanneer door individuele gebruikers (ook wel information providers genoemd) auteursrechtinbreuken worden gepleegd of anderszins onrechtmatig wordt gehandeld, of een dreiging daartoe bestaat.

8.2. Deze problematiek heeft in het laatste decennium veel aandacht getrokken, in de literatuur(100) maar ook bij supranationale, internationale en nationale regelgevers, en in de rechtspraak. Dat verbaast niet, gezien het aanvankelijk geleidelijk toenemende en inmiddels niet meer weg te denken belang van het internet als wereldomspannend netwerk van computernetwerken, en het spanningsveld van verschillende tegengestelde waarden dat zich ook op internet manifesteert. De onderhavige zaak biedt van dit laatste een goed voorbeeld.

De auteursrechtelijke positie van internet (service) providers


8.3. De eerste vraag die ik onder ogen wil zien, betreft de positie in auteursrechtelijk opzicht van internet (service) providers, zoals de partijen die door het hof en in deze conclusie worden aangeduid als 'de Providers'. In dit verband zijn vooreerst van belang de reeds genoemde Auteursrechtrichtlijn 2001/29/EG en de implementatiewet van 2004.(101)

8.4. Art. 2 van de Auteursrechtrichtlijn verplicht de lidstaten ten behoeve van de rechthebbenden te voorzien 'in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden'.(102) Dit zeer ruim geformuleerde reproductierecht brengt mee dat vrijwel iedere handeling op het internet onder het uitsluitende recht van de auteursrechthebbende valt, ook waar het gaat om louter technische reproducties.

8.5. De Auteursrechtrichtlijn bevat in art. 5 lid 1 evenwel een (verplichte) beperking op dit veelomvattende reproductierecht. Door deze bepaling zijn hiervan uitgezonderd: 'tijdelijke reproductiehandelingen, als bedoeld in artikel 2, die van voorbijgaande of incidentele aard zijn, en die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch procédé en die worden toegepast met als enig doel de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon of een rechtmatig gebruik van een werk of ander materiaal mogelijk te maken, en die geen zelfstandige economische waarde bezitten [...]'.(103) Bij deze reproductiehandelingen kan onder meer gedacht worden aan het tijdelijk opslaan van informatie ter vergemakkelijking van de latere doorgifte (het zogenaamde 'caching'), evenwel op voorwaarde dat de informatie niet wordt gemodificeerd en dat niet wordt geïntervenieerd bij in de bedrijfstak gangbare rechtmatig gebruik van technologie voor het verkrijgen van gegevens over het gebruik van de informatie.(104)

8.6. De Auteursrechtrichtlijn bevat, naast het reproductierecht van art. 2, in artt. 3 en 4 het recht van mededeling aan het publiek (waaronder het zogenaamde beschikbaarstellingsrecht(105)), resp. het distributierecht(106),(107). Het recht van mededeling aan het publiek ziet blijkens de considerans onder 27 niet op de loutere beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten om een mededeling mogelijk te maken of te verrichten. Dit sluit aan bij de Agreed Statement bij art. 8 van het WIPO-Auteursrechtverdrag.(108)

8.7. Tegen de bovenstaande achtergrond kan gezegd worden dat de Auteursrechtrichtlijn met zich brengt dat de activiteiten van zogenaamde mere conduit providers (zij geven uitsluitend informatie door of verschaffen toegang tot een communicatienetwerk, vgl. de 'pijpleiding') of caching providers (zij slaan informatie tijdelijk op ter vergemakkelijking van latere doorgifte) veelal niet, maar van hosting providers (hun activiteiten bestaan uit het opslaan van informatie) doorgaans wél als auteursrechtelijke relevante handelingen moeten worden beschouwd.

8.8. Tot zover de auteursrechtelijke positie van de internet (service) provider op grond van de Auteursrechtrichtlijn en de implementatiewet. Als regel van overgangsrecht bepaalt de implementatiewet dat zij de vóór de datum van inwerkingtreding (1 september 2004) verrichte exploitatiehandelingen, alsmede vóór dat tijdstip verworven rechten onverlet laat.

8.9. Ik zal nu stilstaan bij de auteursrechtelijke positie van internet (service) providers, zoals die gold vóór de inwerkingtreding van de ARl en de implementatiewet. Hierbij kan ik goeddeels aansluiten bij hetgeen ik in mijn conclusie voor het arrest Buma/Kazaa(109) (onder 5.6-5.13) schreef over de vraag naar de auteursrechtelijke positie van Kazaa als aanbieder van zogenaamde file sharing-software.

8.10. De vraag valt uiteen in twee nadere vragen:


a) Kunnen internet (service) providers, samen met de gebruiker, als mede-openbaarmaker worden aangemerkt?
b) Verrichten internet (service) providers, ook los van de gebruiker, auteursrechtelijke relevante handelingen?

a) Kunnen internet (service) providers, samen met de gebruiker, als mede-openbaarmaker worden aangemerkt?


8.11. In (oudere) jurisprudentie is de vraag aan de orde geweest of niet zelf uitvoerende personen (tevens) als openbaarmakers kunnen worden aangemerkt. In 1919 oordeelde de Hoge Raad dat de exploitant van een 'cabaret' niet zelf (mede) een ongeoorloofde openbaarmaking verrichtte van een aldaar door een pianist uitgevoerd muziekwerk:

'dat nu in het engageeren van een pianist om in een Cabaret op een openbaar concert, dat men daar geeft, muziekstukken uit te voeren en het zoodoende tot die uitvoeringen medewerken, op zich zelf zonder meer nog niet oplevert openbaar maken, dat in den zin der wet ongeoorloofd zou zijn...',

De Hoge Raad liet hierop volgen dat:

'... van medewerken tot ongeoorloofde uitvoeringen alleen dan sprake zou kunnen zijn, indien mede feiten waren gesteld waaruit zou voortvloeien, dat die ongeoorloofde uitvoeringen in de opdracht waren begrepen, althans dat deze waren voorzien of behoorden te worden voorzien'.(110)

8.12. Blijkens een arrest uit 1920 ging de sociëteit, die in haar zaal gelegenheid gaf tot uitvoeringen, in auteursrechtelijk opzicht vrijuit. De Hoge Raad overwoog:

'dat toch ook in dit artikel [art. 12 Aw, A-G] die uitdrukking [openbaar maken, A-G] de beteekenis heeft, welke daaraan in het dagelijksch leven wordt toegekend, d.w.z.: het feitelijk ten gehoore brengen van het werk.'(111)

In een arrest van een week later uit 1920 blijkt op positieve wijze het belang dat de Hoge Raad toekent aan een rechtstreekse betrokkenheid bij de daadwerkelijke uitvoering: de dirigent van een koorwerk geldt wél als mede-openbaarmaker van dat 'zangstuk'.(112)

8.13. Dat het gelegenheid geven tot het plegen van auteursrechtinbreuk op zichzelf niet voldoende is om als (deelneming aan) auteursrechtinbreuk te gelden, blijkt ook uit de volgende uitspraak, waarin het ging om de aansprakelijkheid van de organisator van een muziekwedstrijd voor de ongeoorloofde openbaarmaking van een bij die wedstrijd voorgeschreven muziekwerk. De Hoge Raad overwoog:

'dat nu dit enkele feit [het gelegenheid bieden tot uitvoering van muziekstukken, A-G], waar zelfs niet is gesteld, dat verweerster kon of moest voorzien dat de vereenigingen dat werk ongeoorloofd zouden uitvoeren, niet kan opleveren deelneming of medewerking aan de schending van eischers auteursrecht, noch op zich zelf een inbreuk op dit recht uitmaakt.'(113)

Ofschoon de Hoge Raad hier enige rol aan de voorzienbaarheid van de te plegen rechtsinbreuken toekende, bleek hij het gelegenheid geven tot auteursrechtinbreuk op zichzelf niet als een auteursrechtelijke openbaarmaking te beschouwen.(114)

8.14. In het licht van het bovenstaande meen ik dat de vraag of internet (service) providers als 'mede-openbaarmaker' van de door de gebruikers verrichte openbaarmakingen kunnen worden aangemerkt, ontkennend moet worden beantwoord.

b) Verrichten de internet (service) providers - los van de gebruikers - zelf auteursrechtelijk relevante handelingen?


8.15. Bij deze vraag zijn de zgn. kabelpiratenarresten uit de jaren '80 van belang. Het ging daarbij om omroeprechtelijk illegale uitzenders van tv-programma's die 's nachts, na afloop van de officiële uitzendingen, signalen op de ontvangstantenne van de Amsterdamse kabelexploitant KTA instraalden, waardoor deze signalen vervolgens via de kabel aan de abonnees werden doorgegeven. Het door de piraten doorgestraalde aanbod omvatte (onder meer) lopende bioscoopfilms. In een van de procedures van de auteursrechthebbenden tegen KTA oordeelde de Hoge Raad:

'Het hof heeft [...] vastgesteld dat de apparatuur van KTA de van piraten ontvangen signalen bewerkt, versterkt en via het kabelnet van KTA doorgeeft aan al haar abonnees te Amsterdam. Dit een en ander moet aldus worden begrepen dat het de activiteit van KTA is - bestaande in het in werking doen zijn van haar apparatuur - die meebrengt dat haar abonnees de films op hun scherm ontvangen. Daarvan uitgaande heeft het Hof terecht geoordeeld dat hier sprake is van openbaarmaking van de films door KTA in de zin van de Auteurswet 1912.'(115)

In een volgende procedure, ditmaal naar aanleiding van het tijdens de reguliere kabeluitzendingen 'wegdrukken' van het officiële signaal door het piratensignaal, herhaalde de Hoge Raad zijn in bovengenoemd arrest gegeven oordeel.(116)
In beide arresten werd de kabelexploitant door de Hoge Raad dus als zelfstandige openbaarmaker van het door de piraten ingestraalde signaal gekwalificeerd. Opgemerkt zij dat deze opvatting van de Hoge Raad niet zonder kritiek is gebleven.(117)
8.16. Na opkomst van de digitale (netwerk)technieken is in de auteursrechtelijke literatuur discussie ontstaan over de betekenis van deze kabelpiratenarresten voor onder meer de aansprakelijkheid van internet (service) providers. Sommigen hebben toepasselijkheid van de kabelpiratenarresten op internet van de hand gewezen.(118) Dommering wijst hierbij op een aantal verschillen tussen internet providers en kabelexploitanten, zoals de actieve rol van de internet gebruiker tegenover de passieve rol van de kabelabonnee, de grote verscheidenheid aan webpagina's tegenover het overzichtelijke aanbod van de kabelexploitant en (ten slotte) de actieve rol van kabelexploitanten in (de selectie van) het aanbod.(119)

8.17. Tegen het standpunt dat internet providers als openbaarmakers moeten worden beschouwd pleit de reeds genoemde, en ook vóór de inwerkingtreding van de Auteursrechtrichtlijn relevante 'Agreed Statement' waarin uitdrukkelijk is bepaald dat het op internet toegesneden openbaarmakingsrecht (het 'making-available'-recht) uit dit verdrag niét ziet op het enkele ter beschikking stellen van de faciliteiten om een werk openbaar te maken.


Tot zover de auteursrechtelijke positie van internet (service) providers.

De aansprakelijkheidsrechtelijke positie van internet (service) providers naar burgerlijk recht


8.18. Thans wil ik enige paragrafen wijden aan de vraag hoe de positie van internet (service) providers naar het civiele aansprakelijkheidsrecht moet worden beoordeeld, in het geval dat individuele gebruikers inbreuk maken op andermans recht.

8.19. De Auteursrechtrichtlijn noch de Auteurswet bevatten regels omtrent de civielrechtelijke aansprakelijkheid van internet (service) providers. De considerans bij de Auteursrechtrichtlijn (onder 16) verwijst hiervoor naar de richtlijn betreffende bepaalde juridische aspecten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (de Richtlijn elektronische handel)(120).

8.20. Deze Richtlijn elektronische handel bevat in artt. 12-14 een horizontale regeling(121) voor de beperking van de aansprakelijkheid van internet (service) providers.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina