16 december 2005 Eerste Kamer



Dovnload 264.12 Kb.
Pagina9/11
Datum20.08.2016
Grootte264.12 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

8.21. Met ingang van 30 juni 2004 zijn de genoemde bepalingen in art. 6:196c BW neergelegd.(122) Het artikel onderscheidt in navolging van de richtlijn in gevallen waarbij het gaat om 'mere conduit' (art. 6:196c leden 1 en 2), 'caching' (196c lid 3) en 'hosting' (196c lid 4).(123) Onder bepaalde in de wet genoemde voorwaarden is de internet provider niet aansprakelijk voor de doorgegeven of opgeslagen informatie.

8.22. Aansprakelijkheid van de dienstverlener die optreedt als 'mere conduit' ontbreekt indien hij zich inderdaad daartoe beperkt en niet betrokken is bij de inhoud van de informatie. De dienstverlener die 'caching'-activiteiten verricht komt een beroep op art. 6:196c lid 3 BW toe wanneer hij (i) de tijdelijk opgeslagen informatie niet wijzigt, (ii) de toegangsvoorwaarden voor de informatie in acht neemt, (iii) zich houdt aan erkende en gangbare regels betreffende de bijwerking van de informatie, (iv) niet de in de bedrijfstak geldende of gebruikelijke technologie voor het verkrijgen van gegevens over het gebruik van informatie wijzigt, en (v) de informatie verwijdert of de toegang daartoe onmogelijk maakt, zodra hij te weten komt dat de informatie verwijderd werd van de plaats waar zij zich oorspronkelijk in het netwerk bevond of dat de toegang ertoe onmogelijk werd gemaakt, of dat een bevoegde autoriteit daartoe heeft bevolen.
De ratio voor deze twee uitsluitingen is dat de dienstverlener louter technische handelingen verricht en die handelingen een passief karakter hebben.(124) Zelfs als de hier bedoelde internet (service) provider op de hoogte is van onrechtmatige activiteiten of informatie, kan hij, mits hij zich houdt aan de genoemde voorwaarden, niet aansprakelijk gehouden worden.

8.23. De aansprakelijkheid van de hosting provider is slechts uitgesloten indien hij niet daadwerkelijk weet of redelijkerwijs behoort te weten van de onwettige situatie, dan wel indien hij, zodra hij er daadwerkelijk kennis van heeft of behoort te hebben, prompt handelt en de informatie verwijdert of de toegang daartoe onmogelijk maakt. Blijkens de considerans bij de Richtlijn elektronische handel (onder 46) dient de verwijdering of het ontoegankelijk maken te geschieden met inachtneming van onder meer het beginsel van de vrijheid van meningsuiting.


Blijkens de MvT(125) moet de hosting provider geacht worden kennis te hebben van de onwettige informatie indien hij daarop is geattendeerd, en aan de juistheid van de kennisgeving in redelijkheid niet kan worden getwijfeld.(126) Dit zal het geval zijn indien de kennisgeving afkomstig is van een rechter of de informatie onmiskenbaar onrechtmatig is. In bijzondere gevallen, waarin de provider gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de bij hem opgeslagen informatie, kan volgens de MvT, in verband met de belangen van derden een onderzoeksplicht op de provider komen te rusten.(127)

8.24. Aan de MvT ontleen ik met betrekking tot de positie van internet (service) providers onder art. 6:196c lid 4 voorts de volgende passage:(128)

'De dienstverlener die van een ander afkomstige informatie opslaat, is doorgaans in staat adequaat op te treden tegen de bij hem opgeslagen informatie. Vanuit de praktijk wordt er wel op gewezen dat de dienstverlener alsdan uit twee kwaden dreigt te moeten kiezen. De dienstverlener die de informatie niet ontoegankelijk maakt, riskeert aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad. De dienstverlener die de informatie wel ontoegankelijk maakt, riskeert een vordering van de afnemer van zijn dienst wegens wanprestatie. De dienstverlener moet inderdaad het belang van (potentieel) door de onrechtmatige informatie gelaedeerden enerzijds en het belang van afnemers van die informatie, doorgaans zijn contractuele wederpartijen, en in het verlengde daarvan het belang van de informatievrijheid en het voorkomen van onwenselijke vormen van inhoudscontrole vooraf anderzijds tegen elkaar afwegen. Voor onoverkomelijke problemen behoeft echter niet te worden gevreesd. Het belang van de vrije uitwisseling van informatie in de maatschappij en de steeds belangrijkere rol die de elektronische snelweg daarin speelt, brengen namelijk mee dat van een dienstverlener in beginsel slechts zal kunnen worden gevergd dat hij de informatie verwijdert of ontoegankelijk maakt, indien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het onrechtmatig karakter daarvan.'

8.25. De aansprakelijkheidsbeperkingen van art. 6:196c leden 1-4 BW staan blijkens lid 5 niet 'in de weg aan het verkrijgen van een rechtelijk verbod of bevel' tegen de provider.(129) De in overeenstemming met de richtlijn opgenomen afzonderlijke regeling van lid 5 voor het rechterlijk verbod of bevel is kennelijk bedoeld ter onderscheiding van het in leden 1-4 primair op aansprakelijkheid voor schadevergoeding geschreven regime.(130)


Hoewel de tekst van art. 6:196c lid 5 BW in dat opzicht niet glashelder is, gaat het blijkens de MvT (nog steeds) om aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.(131) Volgens de MvT is daartoe dan ook vereist dat het voor de provider redelijkerwijs mogelijk is om op te treden, preciezer geciteerd: dat dit 'op proportionele wijze en tegen aanvaardbare kosten mogelijk is [...] met personele en technische maatregelen.'(132) Ook in ander opzicht zal het niet-verwijderen van de informatie onrechtmatig geoordeeld moeten worden: het kan immers niet zo zijn dat de loutere wens van een belanghebbende bij het niet-verdere doorgeven van bepaalde informatie al voldoende zou zijn voor een rechterlijk verbod of bevel. (Denk bijv. aan de wens van een oud-politicus dat een kritisch artikel over zijn handel en wandel niet langer verspreid wordt, evenwel zonder dat er sprake is van een onrechtmatige perspublicatie, noch van inbreuk op auteursrecht of enig ander recht).

8.26. Op het (al bestaande) leerstuk van de onrechtmatige daad in verband met betrokkenheid bij inbreuk op (onder meer) het auteursrecht zal ik hierna in nr. 8.29 e.v. ingaan.

8.27. Naast de aansprakelijkheidsregeling van artt. 12-14 Richtlijn elektronische handel is ook art. 15 van die richtlijn van belang. Art. 15 lid 1 verbiedt de lidstaten internet (service) providers een algemene verplichting op te leggen om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, of om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden. Omdat een dergelijke verplichting in het commune Nederlandse recht ontbreekt, werd implementatie van deze bepaling niet nodig geacht.(133)
Op grond van art. 15 lid 2 van de richtlijn kunnen de lidstaten de providers ook de verplichting opleggen de bevoegde autoriteiten in te lichten over vermeende onwettige activiteiten. Een dergelijke verplichting is niet in de wet ter uitvoering van de richtlijn opgenomen.(134)
Ten slotte kunnen de dienstverleners op grond van art. 15 lid 2 richtlijn worden verplicht om informatie te verstrekken waarmee de afnemers van hun dienst kunnen worden geïdentificeerd. Nu naar het Nederlandse civiele recht reeds de mogelijkheid bestaat dat de rechter de dienstverlener een dergelijke verplichting oplegt, werd om die reden van implementatie van deze bepaling afgezien.(135)

8.28. Het wetsvoorstel tot aanpassing aan de Richtlijn elektronische handel bevat geen specifieke bepaling van overgangsrecht. In dat geval heeft de wet op grond van art. 68a Overgangswet NBW onmiddellijke werking. Ook hier is het evenwel zinvol om in te gaan op de situatie zoals die gold vóór de inwerkingtreding van de Richtlijn elektronische handel.

8.29. Ik breng in herinnering de jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit volgt dat zaalhouders en organisatoren van evenementen, die niet zelf als openbaar maker kunnen worden gezien, doch uitsluitend laten openbaar maken, slechts onder omstandigheden aansprakelijk kunnen worden geacht op grond van onrechtmatige daad.(136)

8.30. Ik noem met name het arrest van de Hoge Raad Buma/De Vries(137) uit 1957. In de procedure van Buma tegen De Vries, had het hof Leeuwarden aansprakelijkheid van De Vries ex art. 1401 BW aangenomen in verband met auteursrechtinbreuken, gepleegd door musici die optraden in het café van De Vries' echtgenote. De Vries had volgens het hof in strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid gehandeld, omdat:


- De Vries bij de muziekavonden in het café te Lippenhuizen aanwezig was om er samen met zijn vrouw de tucht te handhaven, en daarbij de zeggenschap had over het personeel, daaronder begrepen de musici, terwijl de gemeentelijke muziekvergunningen op zijn naam (en niet die van zijn echtgenote) werden verleend,
- De Vries herhaaldelijk door Buma opmerkzaam was gemaakt op reeds gepleegde inbreuken,
- het onder deze omstandigheden op zijn weg had gelegen om, alvorens de muziekuitvoeringen plaatsvonden, opgave van de uit te voeren nummers te vragen en zich ervan te vergewissen of die nummers tot Buma's repertoire behoorden.
Ik teken aan dat van een aansprakelijkheid louter op grond van 'zaalhouderschap' of 'faciliteren' geen sprake is. Zowel in het arrest van het hof, als in het arrest van de Hoge Raad (die het cassatieberoep van De Vries verwierp) is m.i. 'scharnierend' dat De Vries zeggenschap had over het personeel, daaronder begrepen de musici. De Hoge Raad geeft in zijn arrest expliciet aan dat het hof (daarmee) niet heeft beslist dat voor het geven van een gebod als het onderhavige voldoende is, dat de betrokkene feitelijk bij machte is de inbreuk te verhinderen.

8.31. M.i. bevat dit arrest de te hanteren beoordelingscriteria voor gevallen waarin het bijdragen aan (eventuele) inbreuken op intellectuele eigendomsrechten aan de orde is.

8.32. Ik wil ten slotte nog een opmerking maken over de hyperlink. Een hyperlink is een elektronische doorverwijzing. In het algemeen wordt aangenomen dat het aanbrengen van een hyperlink geen auteursrechtelijk relevante handeling inhoudt(138), doch onder omstandigheden wel een onrechtmatige daad jegens de rechthebbende kan opleveren.(139) De vraag of een internet (service) provider aansprakelijk kan worden gesteld voor het toegankelijk maken van een hyperlink, wordt m.i. voorts niet beantwoord in de Richtlijn elektronische handel en evenmin in art. 6:196c BW(140). Deze vraag zal derhalve moeten worden beoordeeld naar de algemene regels van het aansprakelijkheidsrecht waarbij m.i. de criteria uit het arrest Buma/De Vries handvatten kunnen bieden.

8.33. Tot zover mijn inleidende opmerkingen. Thans ga ik over tot bespreking van het principale cassatiemiddel onder C (onderdelen 21-28), dat zich met rechts- en motiveringsklachten richt tegen rov. 11 en 12 van het bestreden arrest.

8.34. Onderdeel 21 betoogt dat 's hofs oordeel in rov. 12, dat van auteursrechtinbreuk door verveelvoudiging en openbaarmaking door de Providers evenmin kan worden gesproken, nu de citaten van [verweerster 13] in casu geen auteursinbreuk opleveren, geen stand kan houden op grond van hetgee

n in de onder A opgenomen klachten (onderdelen 1-17) is aangevoerd.

8.35. Onderdeel 21 bouwt daarmee geheel voort op de onderdelen 1-17 en deelt het lot daarvan.

8.36. Onderdeel 22 voert aan dat, voor zover het hof uit het oog heeft verloren dat de vordering tegen de Providers (in ieder geval mede) gebaseerd was op de stelling dat de Fishman Affidavit met bijlagen in hun geheel op de website van [verweerster 13] hadden gestaan (vgl. rov. 10), dit (uit het oog verliezen) onbegrijpelijk is.(141) In dit licht is het volgens het onderdeel ook onbegrijpelijk dat het hof in rov. 12 (in fine) heeft geoordeeld dat 'voor het overige [...] Scientology c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden [hebben] gesteld waaruit het tegendeel kan blijken'.

8.37. Deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen. Het hof heeft immers in rov. 13, derde alinea, geoordeeld dat, gelet op hetgeen in rov. 10 (ten aanzien van de latere opstelling van [verweerster 13]) is overwogen, geen dreiging (meer) bestaat dat de volledige Fishman Affidavit op de servers van de Providers zal worden geplaatst. Hiermee heeft het hof de betreffende grondslag van de vordering van Scientology c.s. niet over het hoofd gezien.

8.38. Onderdeel 23 klaagt dat het hof ook overigens is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft volgens het onderdeel miskend dat service providers op het moment dat zij toegang geven tot verveelvoudigingen aanwezig op hun computersystemen, zelf auteursrechtinbreuk plegen indien het om inbreukmakende werken gaat. Scientology c.s. hebben uiteengezet(142) dat de werken via de systemen van de Providers ter beschikking worden gesteld, dat indien een gebruiker inbreuk maakt en de documenten ter beschikking stelt op zijn homepage daarvan een kopie aanwezig is in het computersysteem van de betreffende Providers, en dat aan derden die de homepage opvragen vervolgens door de Providers een kopie ter beschikking wordt gesteld die eventueel gedownload kan worden. Aldus is er volgens het onderdeel sprake van inbreukmakende openbaarmaking en/of verveelvoudiging van de werken (ook) door de Providers. Indien de inbreukmakende documenten ter beschikking worden gesteld van derden met behulp van een in een homepage opgenomen 'link' die de inbreukmakende documenten, zich al dan niet bevindend in een ander computersysteem, aanwijst en die bij activering veroorzaakt dat een verveelvoudiging van deze documenten wordt vertoond op het scherm van de computer van de gebruiker, is volgens het onderdeel eveneens sprake van inbreukmakende openbaarmaking en/of verveelvoudiging van de werken door de gebruiker en de Providers, waardoor (ook) deze laatsten inbreuk maken op de rechten van Scientology c.s. en derhalve onrechtmatig handelen jegens hen.

8.39. Wat betreft de aan de vorderingen ten grondslag gelegde stelling dat [verweerster 13] tot februari 1996 de volledige Fishman Affidavit met bijlagen, waaronder de OT-werken en Ability, op haar website had geplaatst, heeft het hof in rov. 10 geoordeeld dat, nu [verweerster 13] ook na het vonnis in kort geding en na het vonnis waarvan beroep (in welke beide gedingen een inbreukverbod jegens haar werd afgewezen) niet is overgegaan tot publicatie op enigerlei wijze van deze Fishman Affidavit met bijlagen, er thans geen dreiging meer bestaat zodat het gevorderde inbreukverbod achterwege dient te blijven en in het midden kan blijven of er sprake is van auteursrechtinbreuk. Dit geldt blijkens rov. 13, derde alinea, ook voor de in onderdeel 23 (dat op onderdeel 22 voortbouwt) bedoelde, door [verweerster 13] voor haar website gebezigde (service) Providers. Het hof behoefde in dit verband derhalve niet toe te komen aan de vraag of deze Providers onder andere omstandigheden auteursrechtinbreuk zouden kunnen plegen met betrekking tot volledige werken als OT II en OT III.
Wat betreft de grondslag dat [verweerster 13] uit OT II en OT III heeft geciteerd, heeft het hof in rov. 12 en in rov. 13, eerste en tweede alinea onder meer geoordeeld dat, nu [verweerster 13] door haar relaas met de litigieuze citaten op haar website, geen auteursrechtinbreuk maakt(143), van auteursrechtinbreuk door de Providers evenmin kan worden gesproken. Reeds hierop stuit de klacht af.

8.40. Desondanks wil ik hieromtrent het volgende opmerken. Nu de betrokken Providers hier als hosting provider moeten worden beschouwd (zij bieden de gebruiker ruimte op hun server aan om een homepage te bouwen en informatie op te slaan) zullen zij, gelet op art. 5 lid 1 Auteursrechtrichtlijn (en art. 13a Aw) als verveelvoudiger moeten worden beschouwd (zie nr. 8.5).(144) Dat zij ook als openbaarmaker moeten worden bestempeld kan op grond van de considerans bij de Auteursrechtrichtlijn en de Agreed Statement bij art. 8 WIPO-Auteursrechtverdrag evenwel niet worden aanvaard (zie nr. 8.6).


Wat de hyperlink betreft, breng ik in herinnering dat het aanbrengen ervan in het algemeen niet als auteursrechtelijk relevante handeling wordt beschouwd (zie nr. 8.32).

8.41. In onderdeel 24 wordt geklaagd dat uit rov. 11 en 12 van 's hofs arrest voorts niet blijkt dat het hof heeft onderkend dat Scientology c.s. aan hun vorderingen (mede) ten grondslag hebben gelegd dat de Providers onrechtmatig hebben gehandeld jegens Scientology c.s., ook indien hun activiteiten niét kunnen worden aangemerkt als openbaarmaking en/of verveelvoudiging.(145) Het hof heeft een en ander niet, althans niet zonder nadere motivering, kunnen passeren als het in rov. 12 heeft gedaan, aldus de klacht.

8.42. Ook deze - eveneens op onderdeel 22 voortbouwende, en daarmee nog steeds op door [verweerster 13] voor haar website gebezigde (service) Providers betrekking hebbende - klacht faalt. Het hof heeft deze grondslag wel degelijk onder ogen gezien, getuige 's hofs oordeel in rov. 13 van het bestreden arrest. In de tweede alinea geeft het hof aan dat nu van inbreuk op het auteursrecht of onrechtmatig handelen door [verweerster 13] geen sprake is, evenmin sprake is van onrechtmatig handelen van de Providers; in de derde alinea beslist het hof dat gelet op hetgeen in rov. 10 is overwogen, er ook geen dreiging is dat de (volledige) Fishman Affidavit met bijlagen op de servers van de Providers zullen worden geplaatst; en ten slotte overweegt het hof in de vierde en laatste alinea dat daarmee de grieven van [verweerster 13] en de Providers, voor zover die gebaseerd zijn op beweerde onrechtmatige gedragingen van de Providers, slagen.

8.43. In onderdeel 25 wordt in aansluiting op het vorige onderdeel aangevoerd dat het hof heeft miskend dat de Providers op grond van de zorgvuldigheid die het maatschappelijk verkeer betaamt verplicht (kunnen) zijn, nadat door de rechthebbende auteursrechtinbreuk/onrechtmatig handelen redelijkerwijs aannemelijk is gemaakt en nadat de Providers van de aanwezigheid en het inbreukmakende karakter van die informatie op de hoogte zijn gesteld, deze inbreukmakende informatie te verwijderen, en/of (desgevraagd) de personalia van de betreffende gebruikers aan de auteursrechthebbende te verstrekken, althans dat zij daartoe gehouden zijn indien aan de kennisgeving van de rechthebbende in redelijkheid niet kan worden getwijfeld.

8.44. Dit - nog steeds op onderdeel 22 voortbouwende - onderdeel faalt omdat uit rov. 10-13 volgt dat er geen sprake (meer) is van auteursrechtinbreuk of onrechtmatig handelen van [verweerster 13] en dat er daarmee geen dreiging (meer) is dat de (volledige) Fishman Affidavit met bijlagen door de door haar gebezigde (service) Providers op het internet zal worden geplaatst. Scientology c.s. hebben dan ook geen belang bij deze klacht. Het hof kon (ook) een in onderdeel 25 bedoelde beoordeling van de gedragingen van de Providers naar civiel aansprakelijkheidsrecht derhalve onbesproken laten.

8.45. Ik merk hierover niettemin nog het volgende op. Op grond van art. 6:196c lid 4 BW is de aansprakelijkheid van (hosting) Providers uitgesloten indien zij, zodra zij kennis hebben van een onwettige situatie maatregelen nemen en de informatie verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk maken. Hierbij geldt dat de Providers geacht worden kennis te hebben van de informatie indien zij daarop zijn geattendeerd en aan de juistheid van de kennisgeving redelijkerwijs niet kan worden getwijfeld, bijv. in het geval dat de kennisgeving afkomstig is van een rechter of de informatie onmiskenbaar onrechtmatig is.(146)


Uit hetgeen het hof heeft overwogen, volgt dat, nu - als vaker aangegeven - ten aanzien van deze Providers een dreiging niet (meer) aanwezig is, naar zijn oordeel aan deze voorwaarden niet is voldaan. Ik verwijs naar nrs. 8.37 en 8.39.

8.46. Onderdeel 26, nog steeds voortbouwend op de vorige klachten, betoogt dat een en ander ertoe leidt dat rov. 13, voor zover betrekking hebbend op de positie van de onderhavige Providers, onjuist is, althans ontoereikend gemotiveerd.


Daarenboven is volgens de klacht onvoldoende inzichtelijk waarom het hof de door Scientology c.s. gevorderde, en door de rechtbank grotendeels toegewezen, verklaring voor recht alsnog heeft afgewezen. Zulks geldt temeer en in het bijzonder ten aanzien van hetgeen zijdens Scientology c.s. is aangevoerd omtrent de publicatie van de Fishman Affidavit met bijlagen, nu wat dat betreft de door het hof gegeven redenering en beslissing omtrent 'de citaten' in ieder geval al toepassing mist.(147)

8.47. Voor zover het onderdeel voortbouwt op de vorige klachten, deelt het het lot daarvan.


Voorts is m.i. geenszins onduidelijk op welke grond het hof de door Scientology c.s. jegens de onderhavige Providers gevorderde verklaring voor recht wat betreft het citeren door [verweerster 13] heeft afgewezen. Dit wordt (wederom) verklaard door het oordeel dat [verweerster 13] geen auteursrechtinbreuk of onrechtmatige daad jegens Scientology c.s. heeft gepleegd (of, wat betreft de publicatie van de volledige OT II en III, dit in het midden kan blijven, vanwege de verwijdering), en dat dus ook aan de Providers, in de visie van het hof, geen verwijten kunnen worden gemaakt (zie rov. 13). Wat betreft de eerdere weergave van de volledige Fishman Affidavit met bijlagen zien Scientology c.s. voorts over het hoofd dat een eventueel eerder inbreukmakend/onrechtmatig handelen van [verweerster 13] niet automatisch onrechtmatig handelen van de Providers met zich brengt. Van dit laatste kon slechts sprake zijn indien de Providers, op het moment dat zij door Scientology c.s. op de hoogte werden gesteld van de onrechtmatige informatie op hun servers, onvoldoende maatregelen hadden genomen om deze informatie te verwijderen of de toegang daartoe af te sluiten. Hiervan kan de Providers evenwel geen verwijt worden gemaakt omdat [verweerster 13] zelf de informatie (OT II en OT III), na door Scientology c.s. te zijn gesommeerd, van haar website heeft verwijderd. Voorts heeft het hof deze verklaring, ook wat betreft het eventuele auteursrechtelijk inbreukmakend handelen van de Providers kunnen afwijzen, nu hij geen dreiging van herhaling van dit handelen aanwezig oordeelde.
Ook in zoverre kan de klacht niet tot cassatie leiden.

8.48. Onderdeel 27 klaagt dat het hof (in rov. 11 en 12) onvoldoende onder ogen heeft gezien dat de vorderingen van Scientology c.s. jegens de Providers niet uitsluitend waren gerelateerd aan de vordering jegens [verweerster 13], en mitsdien/althans in ieder geval de vorderingen tegen de Providers ook beoordeeld dienden te worden onafhankelijk van het oordeel over het handelen van [verweerster 13]. Volgens het onderdeel kan feitelijk uitgangspunt zijn (vgl. rov. 10) dat de gehele Fishman Affidavit met bijlagen op een website is geplaatst, en kan mitsdien in cassatie - in ieder geval veronderstellenderwijs - uitgangspunt zijn dat in zoverre sprake is van auteursrechtinbreuk, althans van onrechtmatig handelen.


Daarbij is zijdens Scientology c.s. in feitelijke instanties het volgende aangevoerd:(148)
- de Fishman Affidavit met bijlagen is door ene [betrokkene 3] zonder enige toestemming overgezet in een voor computers leesbare vorm en in eerste instantie door [betrokkene 3] verspreid via een nieuwsgroep op het internet;
- het document is uiteindelijk door diverse personen, waaronder [verweerster 13], op hun homepages, die zich bevonden op de computersystemen van de Providers, geplaatst;
- de betreffende homepages vermeldden niet de personalia van hun eigenaar en deze waren evenmin langs andere weg te achterhalen, met uitzondering van de personalia van [verweerster 13];
- de Providers is gevraagd een einde te maken aan de inbreuk en de personalia van de gebruikers te verstrekken;
- aan de Providers is gedetailleerde informatie over de vindplaats van de inbreukmakende documenten verstrekt;
- een en ander was voor de Providers voldoende om kennis te nemen van de inbreukmakende documenten;
- zijdens Scientology c.s. is contact opgenomen met de Providers en hun advocaten om tot een praktische oplossing, strekkende tot beëindiging van de inbreukmakende handelingen, te komen; en ten slotte
- uit de uitingen van de personen die de Fishman Affidavit op hun homepages plaatsten kon worden opgemaakt dat zij zich ervan bewust waren dat het hier een illegale verveelvoudiging van die werken betrof.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina