18 sept. 2003: Katholieke Universiteit Nijmegen wordt Radboud Universiteit Nijmegen



Dovnload 31.09 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte31.09 Kb.
18 sept. 2003: Katholieke Universiteit Nijmegen wordt Radboud Universiteit Nijmegen
Waarom Radboud?
De naam Radboud Universiteit Nijmegen verwijst naar de oorsprong van de universiteit. In 1905 wordt de Radboud Stichting opgericht ter bevordering van het rooms-katholieke hoger onderwijs. In 1923 sticht ze de Roomsch Katholieke universiteit in Nijmegen. In 1956 volgt de oprichting van het academisch ziekenhuis Sint Radboud. Met de naam Radboud Universiteit Nijmegen bevestigt de universiteit ook de band met de katholieke gemeenschap.

Wie was Radboud?


De bisschop, geleerde en dichter Radboud leefde rond 900. Hij is geboren in een adellijke Frankische christelijke familie en vernoemd naar zijn voorvader, de Friese koning Radboud. De naam staat voor “boodschapper van raad”. Radboud kreeg zijn opleiding aan de hofscholen in Keulen en Tours. Hij kan worden beschouwd als één van de eerste christelijke geleerden in de Noordelijke Nederlanden. In 900 werd hij bisschop van Utrecht, maar vanwege de invallen van de Noormannen resideerde hij in Deventer.

 

St. Radboud, door broeder H.F. Boelaars 1956 - Vita Radbodi


het wapen

 

In het wapen zijn de volgende elementen te onderscheiden:



Het schild, waarop bovenaan de heilige Geest in de vorm van een zilveren duif staat afgebeeld en waarvan de staart wordt vormgegeven door zeven stralen die staan voor de zeven gaven van de heilige Geest: wijsheid, verstand, raad, sterkte, wetenschap, godsvrucht en de vreze des Heeren.

Onderop het schild staat het kruis op een rood veld. Dit is het wapen van het aartsbisdom Utrecht, dat bij het herstel van de kerkelijke hiërarchie in 1853 werd ingevoerd. Het vertegenwoordigt de hele Nederlandse katholieke kerk.

De kroon op het wapen verwijst naar keizer Karel en symboliseert de band met Nijmegen.

De spreuk 'In Dei Nomine Feliciter' tenslotte gaat terug naar de eerste bisschop van Utrecht Willibrord. In de traditie van de oprichting van de universiteit verwijst de spreuk ook naar Karel de Grote in wiens tijd de spreuk werd gebruikt voor de ondertekening van acten. In het universitaire gebruik wordt de spreuk opgevat als een bede: "Mogen wij in Godes naam gelukkig voortgaan".

Met het geheel van deze elementen symboliseert het wapen de verbondenheid met de katholieke gemeenschap waar ze uit voortkomt, de christelijke traditie en de stad Nijmegen.

 
St. RADBOUD – RADBOD

Memorial 29 November

Profile Grandson of the last pagan king of the Frisons of Holland. Raised by his uncle Gunther, bishop of Cologne. Part of the court of King Charles the Bald. Benedictine bishop of Utrecht in 900, joining the Benedictine order after taking his see, and in order to better govern it, for there was a strong Benedictine influence in the religious orders in his diocese. Noted for his support of the poor. Writer and poet of great intellect; some of his works have survived. Forced to flee his see due to invasion by the Danes, he lived his last years in exile.

Died: 917 at Deventer, Holland of natural causes 

Feasts: 29 November (natalis); 25 June (translatio).

For his vita: Analecta Bollandiana VI (1887), pp. 5-15.

Benedictine bishop. The great grandson of the last pagan King of Friesland, Holland, Radbod was given an education as a Christian by his uncle Gunther, Bishop of Cologne, Germany, and became bishop of Utrecht, Holland, in 900. As all of is predecessors had belonged to the order, Radbod immediately entered the Benedictines and found this affiliation helpful in administrating his diocese, in which the Benedictine influence was most keenly felt. As bishop, he also distinguished himself for his aid to the poor and for his poetry. He died at Deventer, France, where he had been forced to move his see after an invasion by the Danes.

His works

He is known as a poet and author of homilies. He is the composer of text and music of the office for Martini Translatio, and of the sequentia Ave summa praesulum for the same feast (AH 53, p. 297, nr. 182). Besides, he wrote some saints lifes (Amalberga, Suitbertus, Lebuinus, Servatius etc.).

According to De Goede, p. CXIV (and Séjourné) Radbod brought the St Gall Sequentiarium to Utrecht.
Literature

F. Lochner: Un Évêque musicien au Xe siècle .

De Goede: The Utrecht Prosarium, p. CXIII-CXIV

Szövérffy, pp. 317-319

 

Ratbod Bischof von Utrecht (899-917)



vor 850-29.11.917 Ootmarsum (Prov. Overijssel) 

Begraben: Deventer, St. Lebuin
Sohn eines Lommatschgauer Grafen und einer Tochter des Grafen Gerulf des Älteren
Aus vornehmer fränkischer Familie der Gegend von Namur, verwandt mit dem Friesen-Herzog Radbod (+ 719) und den 'HILDUINEN', Neffe des Erzbischofs Gunthar von Köln.
Zunächst in Köln unter der Obhut Gunthars erzogen, begab er sich nach dessen Absetzung (863) an die Hofschule KARLS DES KAHLEN, dessen Kapellan er wurde. Nach KARLS Tod (877) setzte er seine Studien wohl in St-Martin in Tours fort. 899 mit Zustimmung Kaiser ARNULFS zum Bischof von Utrecht gewählt und kurz danach geweiht, nahm er seinen Sitz nicht im von den Normannen zerstörten Utrecht, sondern (wie seine beiden Vorgänger) in Deventer. Auch nach dem Erwerb Lotharingiens durch den westfränkischen König Karl der Einfältige (911) erkannte er noch 914 den ostfränkischen König KONRAD I. an. 914/15 reiste er nach Rom, wo Johannes X. seinen Streit mit dem Grafen Meginhard schlichtete. Seinen Nachfolger Balderich hat Radbod selbst designiert. Literarisch sehr produktiv, verfasste er Werke religiösen und historischen Inhalts.

Quellen und Literatur:


B. Ahlers, Die ältere Fassung der Vita R.i, 1976 - R. Grosse, Das Bm. Utrecht und seine Bf.e im 10. und frühen 11. Jh., 1987.

Jäckel Hugo: Seite 92


"Die mittelfriesischen Grafen"

Als die Heimat Bischof Ratbods nennt die Vita den in dem Winkel zwischen Maas und Sambre liegenden Lommatschgau. Ein Graf dieses niederlothringischen Gaues wird sein Vater gewesen sein. Die Lommatschgauer Grafen walteten auch über den benachbarten Gauen und waren mit den mächtigsten Geschlechtern Lothringens, namentlich mit der Familie Reginars, verwandt. Mit dem späteren Bischof Stephan von Lüttich, einem Verwandten Matfrids und des westfränkischen Königs Karl des Einfältigen, zusammen besuchte Ratbod zu KARLS DES KAHLEN Zeit die westfränkische Hofschule, die damals von dem berühmten Manno geleitet wurde. Seine erste Ausbildung aber hatte Ratbod beim Bruder seiner Mutter, dem hoch gebildeten, in den Gedichten der Zeit gepriesenen Erzbischof Gunther von Köln (849-863) erhalten. Erst als dieser 863 abgesetzt wurde, begab er sich an den Hof KARLS DES KAHLEN. Ratbod ist also spätestens um 850 geboren. Da er nach einem mütterlichen Vorfahren genannt und für den geistlichen Stand bestimmt wurde, muss er ein jüngerer Sohn des Lommatschgauer Grafen gewesen sein. Dies nötigt uns, die Geburt seiner friesischen Mutter um das Jahr 830 hinaufzurücken. Bischof Ratbod wäre der Vetter des Grafen Waldger und der 839 genannte Gerulf der Großvater des Bischofs gewesen.


Wir hören von langwierigen Streitigkeiten Meginhards von Hamaland mit dem Utrechter Bischof Ratbod, der ja mütterlicherseits friesischer Abkunkt war. Der Streit verschärfte sich, als der unglückliche Bischof infolge der Verwüstung Utrechts durch die Normannen seinen Sitz nach Deventer, also mitten in Meginhards Grafschaft, verlegen musste, und nahm erst ein Ende, als Ratbod persönlich in Rom vor Johann X. (914-928) gegen die Angesandten Meginhards seine Sache führte und der Papst die Vermittlung zwischen dem Grafen und dem Bischof übernahm. Schon Dümmler hat den Streit zwischen Graf Meginhard und Bischof Ratbod mit der Ermordung Eberhards in Verbindung gebracht, sich aber über den Grund, warum der Utrechter Bischof Ratbod in den Streit zwischen Waldger und Meginhard hineingezogen wurde, nicht näher geäußert. Der Grund kann nur in der nahen Verwandtschaft Ratbods mit dem Mörder Eberhards gelegen haben, so dass sich Graf Meginhard, der die Ermordung seines Bruders an Waldgers Geschlecht zu rächen hatte, veranlasst fühlte, auch gegen Ratbod feindlich aufzutreten.

bron: http://www.mittelalter-genealogie.de/mittelalter/bistuemer/utrecht/ratbod_bischof_von_utrecht_+_917.html


Radboud van Utrecht

Radboud werd omstreeks het midden van de 9e eeuw geboren uit een aanzienlijke Frankische familie in de buurt van Namen. Zijn moeder was van Friese afkomst en een afstammelinge van de beruchte Friese aanvoerder Radboud († 719). Onze Radboud begon zijn studie onder hoede van zijn oom van moederskant Gunthar (Günther), aartsbisschop van Keulen van 850 tot aan zijn afzetting in 863. Na 863 zette Radboud zijn studie voort aan de hofschool van de West-Frankische koning Karel II de Kale (843-877), wiens kapelaan hij werd. Na Karels dood trad hij vermoedelijk in als benedictijner monnik in het beroemde Sint-Martinusklooster van Tours. In 899 werd Radboud met toestemming van de keizer, Arnulf van Karinthië (r. 887-899), tot bisschop van Utrecht gekozen. Omdat Utrecht door de vikingen was verwoest, resideerde hij niet daar maar in Deventer, evenals zijn voorgangers Hunger en Adalbold I hadden gedaan.

Als bisschop was Radboud de belangrijkste vertegenwoordiger van het Oost-Frankische gezag in noordelijk Nederland. In 911 echter kwam het hertogdom Lotharingen, waarbinnen het bisdom Utrecht lag, aan het West-Frankische rijk. Radboud lijkt daarna te hebben geweifeld tussen t rouw aan zijn oude koning t rouw en aansluiting bij de nieuwe vorst. Zijn oudste heiligenleven legt hem kritiek in de mond op de inschakeling van bisschoppen in het Oost-Frankische rijksbestuur, maar mogelijk komt deze kritiek eerder voor rekening van de auteur. Omstreeks 914/915 reisde hij naar Rome waar hij een verder onbekend conflict met graaf Meginhard van Hamaland voorlegde aan paus Johannes X (r. 914-928); na Radboud en vertegenwoordigers van Meginhard te hebben gehoord, trof de paus een schikking. Radboud stierf in Ootmarsum op 29 november 917 (29 november is zijn feestdag, maar ook 25 juni, de dag van zijn translatie). Hij werd bijgezet in de Lebuinuskerk van Deventer. Zijn opvolger Balderik had hij zelf aangewezen. De verering van Radboud als heilige bleef in de Middeleeuwen beperkt tot het bisdom Utrecht.

Aan Radboud wordt een aantal kleinere geschriften toegeschreven; aan zijn auteurschap bestaat in enkele gevallen twijfel. De meeste geschriften zijn heiligenlevens, sommige in proza, andere in verzen. Hij beschreef het leven van de Angelsaksische missionarissen Bonifatius (in proza), Suitbert en Lebuinus (beiden in een preek en in verzen); ook zijn preken bewaard over de maagd Amalberga (7e/8e eeuw) en bisschop Servaas van Tongeren-Maastricht. Aan Martinus van Tours (patroon van het klooster in Tours én van Utrecht) wijdde hij verscheidene dichtwerkjes. Het leven van Radboud zelf kennen we, behalve uit kronieken, oorkonden en zijn eigen geschriften, uit een heiligenleven dat volgens recente studies tussen 962 en 975 moet zijn geschreven, vermoedelijk door een Utrechtse kanunnik. Volgens dit heiligenleven zou Radboud ook kerkelijke gezangen hebben gecomponeerd. Deze zijn niet bewaard gebleven.

In Nederland is Radboud de patroon van de katholieke wetenschapsbeoefening. In 1905 werd de Sint-Radboudstichting opgericht met als doel de bevordering van het katholiek hoger onderwijs in Nederland en in het bijzonder de oprichting van een katholieke universiteit. In 1923 werd de Katholieke Universiteit Nijmegen geopend, in 1956 het bijbehorende Sint-Radboudziekenhuis. Op 1 september 2004 zal de universiteit de naam Radboud Universiteit Nijmegen aannemen.
Literatuur:
F. Rädle, "Bischof Radbod von Utrecht", Die deutsche Literatur des Mittelalters: Verfasserlexikon, 2e ed., dl. 7: 962-965 (met overzicht van Radbouds geschriften en uitgaven daarvan);
B. Ahlers, Die ältere Fassung der Vita Radbodi (Frankfurt-Bern, 1976);
M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalende historische bronnen uit de Middeleeuwen (Den Haag, 1981); kritisch overzicht van aan Radboud toegeschreven werken (nrs. 8, 18, 52, 53, 62, 80, 88, 89, 352) en van de heiligenlevens over Radboud (nr. 75).  

(tekst met links geleend van de letterenfaculteit)



István Bejczy - Nijmegen, september 2003  
The Radboud Foundation
Its history, aims, and activities in a nutshell
history
The Radboud Foundation was established in 1905 by the Dutch bishops, in order to stimulate the academic and intellectual emancipation of Dutch catholics. The establishment of special catholic chairs in philosophy at the Dutch state universities was chosen as a means to prepare the way for the foundation of a catholic university. In 1923 the Catholic Universi-ty was established by the Radboud Foundation in the town of Nijmegen. Some years later the Radboud Foundation played a stimulating role in the establishment of a further catholic institute of higher education at Tilburg, presently the Catholic University of Brabant. Because of their proven importance and fruitfulness the special philosophy chairs at the state universities were continued. Since 1962 the Catholic University of Nijmegen is an independent foundation, financed by public funds. The same holds for the Catholic University of Brabant.

tasks

Since then the main tasks of the Radboud Foundation are:


offering catholic higher education through the endowed chairs in philosophy and theology at the state universities;

the funding and stimulation of catholic student chaplaincies;

the funding and stimulation of formative projects;

the funding and stimulati-on of scholarly work, especially in philosophy and theology;

the stimulation of catholic intellectuals by means of scholarships and fellowships.

In spite of seculari-zation processes the Radboud Foundation has experienced a rapid growth in activities and budget in the period between 1980 and 1999.



aims

The Radboud Foundation stimulates the catholic formation of students in Dutch higher education. Through the formation of future scholars and intellectual leaders, as well as by means of stimulating study and research, the Radboud Foundation has as a further aim the enrichment of catholic intellectual life.



activities
At the ten Dutch state universities the Radboud Foundation has appointed (part-time) pro-fessors in philosophy and theology. They try to bring their students in contact with themes and thinkers in those areas of thought where philosophy, science (and technology), religion and theology may meet. Their courses are academically accredited, and are mainly given at MA-/MSc-level. Presently about 800 students take these courses yearly. Furthermore the Radboud Foundation cooperated in the writing and production of a course in cultural philosophy which is part of the curriculum of the Dutch Open University.
The Radboud Foundation funds a considerable part of the expenses (including salaries) of the catholic student chaplains, and funds hundreds of small formative projects yearly, set up by student chaplaincies and student organizations. About 3000 students take part in these activities.

The Radboud Foundation gives financial support to young individual scholars and occasionally to research projects. About 20 PhD-theses and other scholarly books appear yearly which are made possible by (i.a.) the Radboud Foundation. Apart from these the Radboud Foundation has its own series of books and popular brochures on philosophical and religious subjects.

Recently the Radboud Foundation has been enabled to start a program of scholarships and fellowships. On a yearly basis a number of thirty scholarships is available for young scholars with a Master's degree in other subjects than philosophy, theology and (applied) ethics to enable them to study for a supplementary year in either philosophy, theology and (applied) ethics at a catholic university. A further number of scholarships is available for graduated professionals who want to write a PhD-thesis in philosophy, theology or ethics. A number of fellowships is available for those who have been professionally wor-king for a considerable time within a catholic (academic) institution or organization and who need a period of study and intellectual refreshment.

The Radboud Foundation coordinates a national programme to stimulate the public presence of catholic intellectuals in the newsmedia.

By intensive fundraising the activities mentioned above are made possible. The main income stems from private philantropic foundations, from religious orders and from private donations

 

De eerste Nijmeegse universiteit



Voordat de eerste universiteit in de noordelijke-Nederlanden werd gesticht, gingen studenten naar het buitenland. De universiteit van Leiden is de oudste van de Republiek. De stichting ervan vond plaats in 1575. Tien jaar later volgde de universiteit van Franeker. De overige universiteiten werden opgericht in Groningen (1614), Utrecht (1636), Harderwijk (1648) en Nijmegen (1656 en 1753). De eerste Nijmeegse academie verdween na 24 jaar, de tweede poging mislukte al na vier jaar. De hogescholen van Franeker en Harderwijk kwamen in 1811 aan hun einde. Deze zes waren alle academies tijdens de Republiek. Hedendaagse universiteiten als die van bijvoorbeeld Maastricht, Wageningen en Amsterdam zijn van na deze periode (Zoeteman: 83-84).

Diverse universiteiten zijn voortgekomen uit illustere scholen, athenea of gymnasia. Deze scholen werden door het stadsbestuur of de gewestelijke dan wel kwartierlijke Staten opgericht. Zij konden later door de gewestelijke Staten worden verheven tot universiteit, zoals gebeurde met de scholen van Harderwijk, Utrecht en Nijmegen. De overige illustere scholen stonden in Deventer, Zutphen, Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht, Middelburg, Den Bosch, Breda en Maastricht. Een poging tot stichting in Den Haag mislukte. Het lesaanbod kon op illustere scholen variëren van één tot meer faculteiten. Het grootste verschil tussen een universiteit en een illustere school is dat alleen eerstgenoemde het jus promovendi, het promotierecht bezat (Zoeteman: 84).

Van de Nijmeegse universiteit is geen inschrijvingsregister bewaard gebleven. Er is wel een soort reconstructie gemaakt. (J. van den Boom en J. Driessen, Reconstructie Album studiosorum, Nijmegen: KUN, Gerard Noodt Instituut 1983, in Zoeteman: 89). Van Nijmegen is geen promotieregister bewaard gebleven. Wel is bekend dat daar studenten gepromoveerd zijn. In het artikel van Y.H. Rogge worden er enkelen genoemd. (Y.H. Rogge, De Academie te Nijmegen, Oud-Holland 18, 1900 153-180, in Zoeteman: 93).

Er zijn ook mensen uit Nijmegen die elders gaan studeren, zoals in 1624 ene Petrus Fabricius aan de universiteit van Douai (Begheyn: 76). Zie ook op de cd-rom van NGV: Nijmeegse studenten aan de universiteit van Keulen 1389-1559 (1978), pag. 53-57, 199-202 en Nijmeegse studenten aan de universiteit van Leuven 1428-1567 (1969) pag. 240-243 (artikelen uit Gens Nostra).



In 1923 is de huidige universiteit opgericht door de St. Radboudstichting (Godgeleerdheid, Letteren en Wijsbegeerte, Rechtsgeleerdheid) (GVV: 259). Aanvankelijk is de naam van de universiteit Keizer Karel Universiteit; later Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN).
Bron:

GW 1942 Reisboek voor Gelderland, 3e druk, Arnhem: Provinciale Geldersche Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer (GVV)

Begheyn, P.  2000 Nederlandse studenten aan de universiteit van Douai (1605-1625), in: Gens Nostra, vol. 55 no. 2, Amsterdam: Ned. Genealogische Ver.

Zoeteman, M. 1997 Het universiteitsarchief als genealogische bron voor de vroegmoderne tijd, in: Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel 51, Den Haag: Centraal Bureau voor Genealogie
KDC: Katholiek zijn het jaar door  

Katholiek Nederland

http://www.noviomagus.nl/ geschiedenis van Nijmegen

 

 

 



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina