1e mars avondvierdaagse (maandag) De naam Bergsingel



Dovnload 45.22 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte45.22 Kb.
1e mars avondvierdaagse (maandag)
De naam Bergsingel is, evenals veel andere namen zoals b.v Berglustlaan, Bergselaan en Bergstraat, terug te voeren op Hillegersberg; minder makkelijk is vast te stellen waar de naam Hillegersberg zélf vandaan komt. Wel bekend is het verhaal van de reuzin Hildegonda, die een hoeveelheid zand uit haar schoot liet vallen en daar een slot stichtte, dat het reuzenhuis zou worden genoemd. Andere theoriën: Hillegersberg zou afgeleid zijn van Hildeger, wellicht de eerste burchtheer, Sint Hildegardis, een profetes, zou daar hebben gewoond; Keizerin Hildegarde, de vrouw van Keizer Karel, wordt genoemd; Dirk II, graaf van Holland, was getrouwd met Hildegard, de dochter van Koning Lodewijk van Frankrijk.

Feit is, dat het eerste bewijs voor het bestaan van een kerk op de zandheuvel uit 1028 dateert en dat in de kerkelijke oorkonden van de twaalfde eeuw wordt gesproken van Hildegersberg of Hildegartsberg. Het kasteel (Reuzenhuis) wordt voor het eerst genoemd in 1269. Kerk en slot werden in 1426 tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten verwoest. Van het kasteel, dat toen bewoond werd door Adriaan van Mathenesse, is de ruïne nog altijd aanwezig.

Eind zestiende eeuw was Rotterdam al ambachtsheer van Hillegersberg. In 1941 werd de gemeente door Rotterdam geannexeerd.

Om één straat uit de reeks te lichten: de naam Berchweg komt al in 1387 voor, maar vóór 1897 heette de Bergweg van nu Oost-Blommerdijkschenweg en de Straatweg in Hillegersberg heette vroeger:….. Bergweg.


Berkelselaan naar het dorp Berkel (en Rodenrijs), dat pas door de tweede wereldoorlog uit de volmaakte rust werd gehaald. De Berkelse moordzaak (Dr.O.) bracht het dorp in slechte zin in opspraak; drukte in positieve zin werd gebracht door forenzen uit Rotterdam.
Dr. de Visserstraat Dr. Johannes Theodorus de Visser (1857-1932) was theoloog en staatsman, van 1897 tot 1918 lid van de tweede kamer voor de CHU. Hij was ook de eerste voorzitter van die partij én de eerste minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in ons land (1918-1925). Van 1925 tot 1929 was hij weer kamerlid. Voor het einde van de schoolstrijd heeft hij als minister veel betekend.
Gordelweg Langs het Noorderkanaal vormt deze weg een gordel langs een groot deel van de stad.
Noorderhavenkade is genoemd naar het water, dat zich hier vóór de demping bevond.
Stadhoudersweg evenals de Stadhouderslaan en het Stadhoudersplein genoemd naar de stadhouder. Dit was de man, die de landsheer verving en diens rechten uitoefende. Bij de opstand tegen Filips de Tweede was één van de ontevreden stadhouders Willem van Oranje; hij legde het stadhouderschap over Holland, Zeeland en Utrecht neer in 1567. In zijn plaats werd de graaf van Bossu benoemd. Velen bleven de prins van Oranje trouw en van toen af verscherpten de tegenstellingen zich snel.
Dresselhuysstraat. Hendrik Coenraad Dresselhuys (1870-1926) werd in 1911 secretaris-generaal van het ministerie van justitie, in 1916 lid van de tweede kamer voor de liberale partij. In 1921 was hij een van de stichters van de vrijheidsbond.


Statensingel – Statenlaan-Statenpad-Statenplein-Statenweg.

Staten waren de colleges, waarin moeizaam medezeggenschap werd verworven tegenover vorsten, die zelf de dienst wensten uit te maken. Staten-generaal is sinds de grondwet van 1814 de naam van de vertegenwoordiging van het gehele volk.


Doezastraat Johan van der Does (Janus Doesa) was staatsman, geleerde en geschiedschrijver (1545-1604). Tijdens het beleg van Leiden in 1574 voerde hij in de belegerde stad een afdeling geuzen aan, en hij was mede-gouverneur in de geteisterde vesting. Zijn inzet voor een leidse Universiteit, de stad gegund als beloning voor het moedige verzet, werd gehonoreerd doordat hij de eerste curator werd. Als raadsheer in de Hoge Raad had hij veel invloed. Hij schreef een geschiedenis van Holland in Latijnse verzen, die later in proza werd omgewerkt. Op een gedenkteken in de kerk van Noordwijk, werd van hem getuigd, dat “zijn wederga ons vaderland zeldzaam gezien heeft”.
Baljuwstraat-Baljuwplein. Van het oudfranse Baillif. De baljuw was in Frankrijk en Vlaanderen de vertegenwoordiger van de vorst voor bestuur en rechtzaken.

De Hollandse graven stelden de titel ook in, maar het baljuwschap beperkte zich daar tot rechtspraak; soms gecombineerd met het ambt van dijkgraaf. In de steden heette de baljuw veelal schout.


Walenburgerweg – Walenburgerplein-Walenburgerhof. Het landgoed Walenburg werd gebouwd op grond, die in 1579 in Beukelsdijk werd aangekocht door Hillegont Pieters en haar man Adriaen Pietersz. In 1594 tooide hun zoon zich met de naam Pieter Adraensz. Walenburg, naar het inmiddels gebouwde landgoed. De naam ontstond waarschijnlijk naar een waal of wiel op dat land (een kolk, na een dijkbreuk ontstaan). De samentrekking van Waal en Burg tot Walenburg komt ook voor bij een ingepolderde inham op Texel, zij het dat het daar om de dorpen De Waal en Burg ging.

Het prachtige landgoed met fraaie tuinen, kassen, singels, hertenkamp en vijvers werd in 1881 verkocht als bouwgrond. De naam Walenburgerweg werd vijf jaar later gegeven ter herinnering aan de glorie van weleer.


Klein Coolstraat – Coolhaven-Coolsestraat-Coolsingel Alles genoemd naar het ambacht Cool, dat al genoemd wordt in een oorkonde van rond 1280.

In 1596 kocht Rotterdam de ambachtsheerlijkheid Cool, Blommersdijk en Beukelsdijk van jonkheer Jacob van Almonde voor tweeduizend gulden…..

“ende daertoe een silvere kop van omtrent tweehonderd guldens, als hij soude komen te huwelijken.”

Een belangrijk moment was toen het ambachtsbestuur in 1667 besloot om de vergaderingen, tot dan toe gehouden in stadsherberg De Romeyn, voortaan te houden in de St Jorisdoelen aan het haagseveer, want dat was een symbool voor de verbondenheid van de stad.

Op 20 september 1809 werd het ambacht Beukelsdijk, Oost- en West Blommersdijk, genaamd Cool, een zelfstandige gemeente, weer bij Rotterdam ingelijfd.

Een gedeelte van Cool kwam al in 1358 bij de stad, nadat hertog Aelbrecht vergunning had gegeven om grachten te gravenen het stadsgebied uit te breiden. Het Rodezand in het ambacht Cool, eigendom van de heer Willem van de Wateringe en diens vrouw Janne van Teylingen, kwam aan de stad en de Coolvest (later na de demping Coolsingel O.Z.) was de scheiding tussen stad en ambacht. De Coolsingel werd van 1913 tot 1922 gedempt. De Coolsestraat heette vroeger Coolweg en was de grens tussen Rotterdam en Delfshaven.


Spoorsingel. De naam (uit 1892) hield verband met de nabijgelegen emplacementen van de maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen en de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij.
Schepenstraat. Schout en schepenen maakten in het oude Holland de dienst uit, maar het woord “schepen” is hier na de inlijving bij Frankrijk in onbruik geraakt. In België heet een wethouder nog altijd zo.
Loeffstraat. Mr.Herman Cornelis Verviers van der Loeff was in de negentiende eeuw afgevaardigde voor Rotterdam in de tweede kamer.
Nolensstraat. Dr.Willem Hubert Nolens (1860-1931) was priester en hoogleraar, eer hij in de politiek verzeild raakte. In 1896 kwam hij voor het kiesdistrict Venlo in de tweede kamer; in 1903 werd hij voorzitter van de fractie van de R.K.Staatspartij; in 1918 formateur van het kabinet Ruys de Beerenbrouck.

Na de eerste wereldoorlog verkreeg hij ook internationaal groot gezag door zijn kennis van de arbeidswetgeving, wat resulteerde in zijn benoeming tot waarnemend voorzitter van de Hoge Raad van Arbeid. Zijn invloed was mede door zijn sterke persoonlijkheid bijzonder groot.


Kappeynestraat. Naar Johannes Kappeyne van de Coppello (1822-1895), een jurist, die via het lidmaatschap van de tweede kamer minister van Binnenlandse zaken werd (1877-1879) in het door hem samengestelde kabinet. Na een ruzie met de koning over de grondwetsherziening trad zijn ministerie af, maar in die tussentijd was toch de belangrijke wet op het lager onderwijs er door gedrukt, die wel bijdroeg tot verscherping van de schoolstrijd. Kappeyne van de Coppello kon in het debat fel uithalen en had daardoor veel vijanden; om zijn scherpe verstand werd hij van 1888 tot 1893 toch weer voor de Eerste kamer uitverkoren.
Abraham Kuyperlaan. “Abraham de Geweldige” leefde van 1837 tot 1920: theoloog en politicus van groot formaat en de verpersoonlijking van de oude machtsverhoudingen tegenover de opkomende sociaaldemocratie. In zijn periode als Minister President (1901-1905) viel de spoorwegstaking, die mede door zijn toedoen, uiteindelijk mislukte. In 1905 moest hij aftreden door de verkiezingsresultaten, maar als voorzitter van de A.R. bleef hij machtig.

Als medeoprichter van de vrije Universiteit te Amsterdam en van het dagblad De Standaard. Een man van grote deugden en fouten, maar, zoals men getuigde:

Altijd een persoonlijkheid.
Heemskerkstraat. De Nederlandse staatsman Jan Heemskerk Az (1818-1897) was kamerlid van 1860-1864; In 1866 werd hij belast met de portefeuille van Binnenlandse Zaken in het kabinet van Zuylen. Politieke omstandigheden zorgden dat hij slechts twee jaar die post bekleedde, maar in die tijd wist hij maatregelen tegen de veepest door te voeren en de wetsontwerpen tot aanleg van de spoorbrug bij Moerdijk en het verlenen van concessies voor de spoorlijnen Den haag – Gouda en Breukelen-Harmelen er door te drukken. In 1874 werd hem verzocht een nieuw ministerie te vormen, dat na drie jaar struikelde over de herziening van de wet op het lager Onderwijs. In 1883 kwam hij opnieuw aan het bewind en in 1887 kreeg hij de grondwetsherziening er door. Hij trad af toen het jaar daarop de kerkelijke partijen een meerderheid kregen. Zijn zoon Theodorus heemskerk (1852/1932) sloot zich, tegen de opvattingen van zijn vader in, aan bij de anti/revolutionairen, die hem naar de tweede kamer afvaardigden. In 1908 werd hij belast met de kabinetsformatie en hij bleef zelf Minister van Binnenlandse zaken tot 1913. Later werd hij nog enkele malen minister van justitie. De hervorming van het gevangeniswezen was één van de hoogtepunten in zijn politieke loopbaan.
Talmastraat. De politicus Aritius Sybtandus Talma )1864/1916’ werd als predikant in 1901 lid van de tweede kamer voor de ARP. Van 1908 tot 1913 was hij minister van landbouw, Nijverheid en handel. Dit gaf hem de gelegenheid sociale wetten tot stand te brengen, waarvan hij de noodzak van het Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium had leren kennen. In 1911 kwam de Arbeidswet, niet lang daarna de Steenhouwerswet.
Schieweg / Schiehaven/Schiemond/Schieplein/Schiekade. Het water de Schie is inzet geweest van machtsstrijd en verbitterde processen, met als hoogtepunt de uitspraak van het hoogste gerechtscollege in de Nederlanden, de grote Raad van Mechelen, op 24 december 1512. Daar werd bepaald welke rechten de partijen, Delft en Rotterdam, hadden op de Delfshavense Schie (van de Schie bij Overschie naar de haven van Delft aan de Maas)en de Rotterdamse Schie (van Overschie naar Rotterdam). De Rotterdamse Schie was het van een privilege van 1340, uitgegeven door graaf Willem van henegouwen. Door gekonkel had delft het recht gekregen die nieuwe route met een dam en een overtoom te bemoeilijken, maar dat werd later weer ongedaan gemaakt. Na eindeloze narigheden trok Rotterdam uiteindelijk aan het langste eind.

De Schiehaven werd voltooid in 1908 en de straat kreeg in dat jaar de naam, evenals het Schiehoofd bij de monding van de delfshavense Schie gelegen. De Schiekade lag bij dat gedeelte van de Schie, dat in de oorlog met stadspuin werd gedempt. De Schielandstuin is genoemd naar het Hoogheemraadschap Schieland, dat hier vroeger in het Gemeenlandshuis was gevestigd. Dat werd later museum Boymans en nog later tot op heden het Historisch Museum.


2e mars avondvierdaagse (dinsdag)
Schieveenstraat. Naar de polder bij Overschie, waarin vliegveld Zestienhoven is gelegen (thans Rotterdam Airport) op een kaart van Jan Stampioen, helft zeventiend eeuw, is midden in de polder Schieveen bij de Schie Rodenrijs te zien. Later kwam hier ten noorden het buiten De Tempel te liggen. Niet de ambachtsheerliujkheid Rodenrijs is hier bedoeld maar de hofstad Rodenrijs, die al in de veertiende eeuw voorkwam.
Willebrordusstraat – Willebrordusplein. De heilige Willebrordus (hij leefde rond 658 tot 739) was een apostel der friezen. In 690 begaf hij zich naar Noord-nederland om het geloof te verkondigen; in 659 werd hij door de paus gewijd tot aartsbisschop der friezen. In 714 overleed zijn beschermer, de Frankische Pippijn II, en d eens verdreven Friese koning Radboud deed een greep naar de macht. Willebrordus moest uitwijken naar Echternach, maar Karel martel versloeg Radboud en gaf Willebrordus alle kansen om zijn invloed uit te breiden, waardoor een groot deel van Nederland tot het christendom werd bekeerd. Erwordt beweerd, dat Willebrordus een van de beide schutspatroons van Hillegersberg zou zijn geweest.
Van den Hoonaardstraat Willem van den Hoonaard was in 1823 schoolmeester te Hillegersberg en daarna eerste leermeester aan een Amsterdamse diaconieschool. Hij behaalde de gouden medaille van de maatschappij tot Nut van ’t Algemeen met “Korte uittreksels uit merkwaardige land- en zeereizen”. In 1862 is hij overleden.

Naast rekenboekjes, zangbundels en aardrijkskundeboeken schreef hij “Geschiedkundige en Topografische beschrijving van de dorpen Hillegersberg en Bergschenhoek” (1824) en

“Korte aardrijkskundige beschrijving der stad Rotterdam”(1825).
Gerard Scholtenstraat. Naar Gerard Scholten die leefde van 1835 tot 1894 en van 1873 tot 1882 adjunct-directeur van Gemeentewerken was. Daarna was hij landmeter van Schieland wen directeur van de Academie van Beeldende Kunsten en technische Wetenschappen.

Niet aan deze functies dankt hij de eer van een straatnaam , maar aan een nevenfunctie als adviseur van bouwmaatschappijen. De straat was officieel al Zwarte weg genoemd, maar b. en w. zwichtten voor de aandrang van de bouwmaatschappij om, kort na de dood van Scholten, die straat naar hem te mogen vernoemen. De naam Zwarteweg was geïnspireerd door de sintels, waarmee deze straat in 1828 was verhard.


Benthuizerstraat. Genoemd naar de heerlijkheid Benthuizen, die in 1692 werd aangekocht door de gemeente Rotterdam. Verkoopster was Catharina van Zuidland van Moermont, de weduwe van Daniël van Wijngaarden. Met geld van Rotterdam werden enkele verveende gronden drooggemaakt (Noordplas), maar Rotterdam werd d eer als ambachtsheer van Benthuizen kennelijk te zwaar, want in 1853 werd Benthuizen weer verkocht aan de heer Otto Boudewijn ’t Hooft. De aankoop van benthuizen maakte deel uit van een weloverwogen beleid van het gemeentebestuur om zoveel mogelijk te trachten de heerlijke rechten te verqwerven van de ambachten, die langs de belangrijke waterwegen, zoals de Schie en de Rotte waren gelegen. Niet alleen Benthuizen werd gekocht maar ook Bleiswijk, Charlois, Katendrecht, Moordrecht. e.d.
Pijnackerplein – Pijnackerstraat. In 1257 wordt het dorp Pijnacker, in de gelijknamige polder in Delftland, al genoemd als een plaats van enig belang.
Zwart Janstraat. De smid Zwart Jan werd vermoord, nadat Bossu door een verraderlijke manoeuvre op 9 april 1572 door de Oostpoort Rotterdam was binnengemarcheerd. Een bouwondernemer vond, dat deze straatnaam bij de Burgemeester Roosstraat niet mocht ontbreken.

Burgemeester Roosstraat. In de vroege morgen van de negende april 1572 verschenen voor de Oostpoort te Rotterdam, waar de smid Zwart Jan het bevel voerde, enige Spanjaarden onder aanvoering van Bossu, die om doortocht vroegen. Het groepje zag er grimmig uit, de nederlaag te Den Briel had hen verbitterd en Zwart Jan voelde er niets voor de groep binnen te laten, maar Bossu drong aan en beloofde zo snel mogelijk door de stad te trekken.

Op het stadhuis, waar Zwart Jan instructies ging halen, besloot men dat de Spanjaarden “met ongeladen roer en gedoofde lont als goede vrienden” door de stad mochten trekken.

Bij de Oostpoort naar binnen en door de Schiedamsepoort weer naar buiten. Dat zou gebeuren in groepjes van vijftig en Bossu zei dat hij daar genoegen mee nam.

Üw woord als edelman, heer?”vroeg Zwart Jan, of de bouten gaan niet van onze deuren”.

De Vlaming Bossu gaf zijn erewoord mar achter de eerste vijftig Spanjaarden drongen de soldeniers op en Zwart Jan ging strijdend onder. Zijn stoffelijk overschot werd met dat van Jan Dominisusz. Op de Groote markt gevierendeeld; het beeld van Erasmus, die als ketter werd beschouwd, werd vernield.

De oude burgemeester Roos, die vijftien tevoren als burgemeester te Rotterdam was benoemd, werd ook vermoord. Gerard van Spaan beschrijft dat aldus:

“Den ouden burgemeester Roos in deze furie doodgeschoten, smeten zij deselven in ’t water. Langen tijd had men dezen heer vermist, zonder dat men wist waar hij gestorven of gevlogen was. Eindelijk werd hij gevonden omtrent de Delftsche Poort in ’t Verlaet acher Leendert Klaasz. Van Velzen’s huis. De man was zo veranderd dat hij niet kenbaar was; dog eigenlijk werd hij herkend door ene wapenring, die hij nog aan zijn vinger had.”

In het huis op de hoek van de Markt en het Hang (later bekend als “in duysend vreezen” ) wachtten tachtig mensen de plunderaars af. Men zou bloed van een geit langs de deurposten hebben gesmeerd om de Spanjaarden te misleiden, maar Stadssecretaris van Welzenes vertelt: De Spanjaarden hingen een burger aan een been voor zijn woning en gebruikten hem als een schietschijf. De man was niet dood en zag al de gruwelen in duizend vreezen.

Bossu werd in 1573 gevangen genomen, hij overleed in 1578.
Noordsingel. Was de noordelijke grens van het waterproject, dat in de tweede helft van de

negentiende eeuw werd voltooid. Dit project was ontworpen door Nicolaas Willem Rose (1801-1877) stadsarchitect van Rotterdam. Het waterproject was hoognodig, want door de overbevolking in Rotterdam waren er hemeltergende toestanden ontstaan. De vervuiling van de sloten was ontstellend; ze waren niet meer dan open riolen en van waterverversing kon nauwelijks worden gesproken. Maar uit dezelfde sloten en grachten werd in de binnenstad het drinkwater geput. In 1832 kreeg de stad een eerste waarschuwing over de gevolgen van deze toestand door een epidemie van Aziatische Braakloop (cholera), die meer dan 1700 slachtoffers eiste. Pas toen in 1848 en 1849 een cholera-epidemie meer dan 2000 mensen velde, werd er nieuwe aandrang op de raad uitgeoefend, maar de wijze heren bleken niet te vermurwen, al kwamen er ook enkele riolen in de meest bedreigde gedeelten.

Pas in 1853 kwam er door de heer H.van Rijckevorsel schot in de zaak, maar als in datzelfde jaar niet opnieuw een cholera-epidemie was uitgebroken (ver over de duizend slachtoffers) zou de zaak nog op de lange baan zijn geschoven.
Heer Bokelweg. Naar het adellijk geslacht Bokel, eens bewoners van het Hof van Weena.
Rottestraat. Het onaanzienlijke boezemwater, dat Rotte heette, liep uit in de slikken en gorzen van de Maas. Na indijking werd een dam gebouwd en uit dat prille begin groeide een stad zo groot, die nog steeds niet af is, en dat ook nooit zal worden.

Men veronderstelt dat “rotta” o.a. de betekenis heeft van moerasplas (Sumpf-lache) volgens “Ortsnamen” van Förstermann. Dergelijke wateren in deze omgeving heetten “Stink” en “Gael” (d.i. niet bruikbaar), zodat het aannemelijk is, dat Rotte in debetekenis werd gebruikt, die we nu nog kennen.



Rechter Rottekade. Loopt, in de stroomrichting gezien, rechts van de Rotte.
Vriendenbrug Brug in het verlengde van de Vriendenlaan over het water van de Rotte dat met een lus is doorgetrokken door de bebouwing van het v.m. Heliportterrein.

De naam Vriendenlaan komt al in het begin van de negentiende eeuw voor; niemand weet meer, wie de “vrienden”waren, die de straat een naam hebben gegegeven.


Pompenburg. Op de hoek van Pompenburg en Goudsesingel stond de molen de Pomp of De Pompenburg. In 1740 moet de molen al niet meer hebben bestaan, want toen werd het erf verkocht met het uitdrukkelijk verbod er ooit weer een molen te bouwen. Het is niet aannemelijk, dat de buurt Pompenburg, die al in 1589 wordt vermeld, naar de molen werd genoemd. Er is een mogelijkheid, dat een toren als onderdeel van de stadswal daat ter plekke onder die naam werd opgericht.
Strooveer. In een ordonnantie op het hooi (en dus ook voor het stro) uit 1720 staat te lezen, dat schepen met hooi (en stro), die langs Schie en Rotte binnenkwamen om gevisiteerd te worden, moesten blijven liggen in de buurt van de Hofpoort. In het begin van de negentiende eeuw werd er een vaste ligplaats voor een stroschip bij de langbrug aangewezen en een plaats voor de “Stromarkt”ingeruimd. De toevoeging “veer”bij de straatnaam slaat wellicht op het vroegere Amsterdamse buitenveer.
Hofdijk. Voerde vroeger naar de ridderhofstede Weena; de dijk beschermde het slot tegen het water.
Simonstraat Naar Simon van Benthem, die met Agniese Bokel was getrouwd. Sinds hij in 1339 werd beleend met Teylingen noemde hij zich Simon van Teylingen.
Teillingerstraat Het slot Teyllingen lag bij Sassenheim, tot 1296 was het in het bezit van het beroemde geslacht van die naam. Wegens het aandeel van Willem van Teyllingen bij de aanslag op Floris V werd het landgoed verbeurd verklaard. Jacoba van Beijeren heeft er gewoond en is er overleden in 1456. Door huwelijk was de familie Teyllingen aan vele andere beroemde geslachten geparenteerd. Zo was Jacob van der Duyn, heer van Spangen, gehuwd met vrouwe Christina van Teyllingen.
Vijverhofstraat Hier lag vroeger de tuin van het landgoed Vijverhof, dat door Dirk Smits werd geroemd als een Edens Eden (een woordspeling op de eigenaar Egbert Edens).
Eudokiaplein Naar het gelijknamige ziekenhuis dat hier stond.
Voorburgstraat Het viaduct van de voormalige Zuid Hollandse Spoorweg Maatschappij heeft tot straatnamen in deze buurt geïnspireerd; ook het aan die lijn gelegen Voorburg werd vernoemd.
Veurstraat Naar station Leidschendam. Ooit werden Veur en Leidschendam in één adem genoemd en de straatnaam was zo beter uit te spreken. Er bestaat een interessante theorie over de herkomst van de naam Veur, vroeger ook geschreven als Fore. Dat zou een verkorting zijn van Forum, marktplaats, en ook Voorburg en Voorschoten zouden daaraan hun naam te danken hebben.
Vlaggemanstraat. Nabij de heulbrug over de Schie (waar nu de Walenburgerweg de Schiekade kruist) stonden vele molens en één daarvan was de beroemde Vlaggeman (oud woord voor leider), een zaagmolen-bovenkruier) De molens werden alle gekocht door Abr. Van Stolk. De Vlaggeman werd in 1681 als paltrokmolen gebouwd, in 1810 door van Stolk gekocht en verbouwd. Toen de molens overbodig waren geworden werd de Vlaggeman nog lang in stand gehouden, maar nadat de terreinen door de gemeente waren onteigend, werd de Vlaggeman in 1929 gesloopt.
De Savornin Lohmanlaan. De Nederlandse politicus jhr. Alexander frederik de Savornin Lohman (1837-1924) was rechter en raadsheer, toen hijzich steeds meer voor de politiek ging interesseren. Hij was aanhanger van groen van Prinsterer, lid van de tweede kamer en minister van Binnenlandse Zaken van 1890 tot 1891, In 1884 werd hij hoogleraar; van 1894 tot 1921 was hij hoofdredacteur van De Nederlander. Een conflict over de kiesrechtvoorstellen sytelde De Kuyper en De Savornin Lohman lijnrecht tegenover elkaar en de anti-revolutionaire fractie viel in twee kampen uiteen. In 1898 leidde dat tot een formele scheuring in de partij. Rond Lohman ontstond de Vrij anti-revolutionaire partij. Deze laatste partij vormde met andere groepen in 1908 de Christelijk-Historische Unie; Lohman werd tot 1921 de leider van de CHU. In schoolstrijd en onderwijsveranderingen heeft Lohman een werkzaam aandeel gehad.

3e mars avondvierdaagse (donderdag)
Insulindestraat. Genoemd naar de vroegere kolonie in Nederlands Oost Indië.
Keucheniusstraat. De politicus Levinus Wilhelmus Christiaan Keuchenius is door één enkele motie zeer bekend geworden. Keuchenius (1822-1893) begon zijn carrière in Indië, in 1865 werd hij door de AR lid van de tweede kamer. Als kamerlid diende hij een motie in tegen de aanstelling van P.Meijer als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en de kamer keurde de benoeming, die door Koning Willem III was gedaan, af. Dit feit betekende een ommekeer in de gezagsverhoudingen; van nu af aan stond de ministeriële verantwoordelijkheid tegenover de kamer vast. In 1879 werd Keuchenius opnieuw kamerlid en in 1888 minister van Koloniën.
Noorderkade – Noorderbocht Naar het kanaal in het noordelijk stadsdeel, dat de verbinding heeft gelegd tussen Rotte en Schie. Het kanaal was een belangrijke factor bij de moeizame onderhandelingen tussen de gemeente en Abraham van Stolk over verplaatsing van de terreinen van de firma. Uiteindelijk werd in de twintiger jaren een nieuw terrein in de Blijdorpsche polder aanvaard, dat aan het nieuwe noorderkanaal was gelegen.
Vroesenpad –Vroesenkade –Vroesenlan. In het Rotterdamse gemeentebestuur hebben vele personen met de naam Vroesen een vooraanstaande rol gespeeld. Drie van hen brachten het tot burgemeester. Daar was allereerst de koopman Adriaan Vroesen, die burgemeester was in 1661/62 en 1666/67. Zijn naamgenoot mr. Adriaan Vroesen was burgemeester in 1672. En daar was Cornelis Pietersz.Vroesen, burgemeester in 1579,1580,1581, 1578/88, 1590/91, 1593/94 en 1600.
Borgesiusstraat.Hendrik Goeman Borgesius, politicus (1847-1917) Hij was o.m. leraar staatsrecht, hoofdredacteur van Het vaderland, lid van de tweede kamer als vooruitstrevend liberaal (1977-1917) Van 1897-1901 was hij minister van Binnenlandse zaken en in zijn periode vielen leerplichtwet, woningwet, gezondheidswet en ongevallenwet. Ook de uitbreiding van de wet op de kinderarbeid viel onder verantwoordelijkheid van deze staatsman.


4e mars avondvierdagse (vrijdag)
Zwaanshals – Zwaanshalskade. Er bestaat over de Zwaanshals een passage in een studie van J.,G,van gelder over het etswerk van Willem Buytewech. Het vroegste tekenwerk van de later zo beroemde schilder toont een fluitspeler en een jonge man met kan en zwaan. In een randschrift staat vermeld: Ick hou by my ’t Swaenshals en by ’t goet bier; als die can vol is soo maek ick goet cier. Van Gelder schrijft daarbij:” Het Swaenshals is nu nog zo genoemde bocht in de Rotte, die toen even buiten de muren van Rotterdam lag, waaraan een herberg stond. Het was en van de eerste “soete buerten” bij Rotterdam, waar de jongelingschap, de eerste cier leerde maken en zich aan de dagelijkse sleur wist te onttrekken. Als geestige woordspeling houdt dan ook de jongen de zwaan bij de hals en het gehele geval is waarschijnlijk slechts een gevatte interpretatie van en spreuk op het uithangbord van de herberg.” Over een “huysinge genaamt het Swaenshals”wordt reeds in 1572 gesproken, en de herberg wordt genoemd in 1593, 1643 en 1667: …”daer uythangt het Swaenshals.”

De naam kan op de bocht slaan, die de Rotte hier maakte, maar ook op de vele stadszwanen die in de omgeving hun winterverblijf hadden.


Zaagmolenstraat – Zaagmolendrift- Zaagmolenkade –Zaagstraat.

Naar de houtzaagmolens aan de Rotte. De noordelijkste houtzaagmolen van het oude Rotterdam stond tussen Zwaanshals en Rotte, oorspronkelijk heette de molen uit 1654 De Twee Zwanen, wat later werd afgekort tot De Zwaan. Die molen werd in 1877 veranderd in een stoommolen en in 1911 werd de Zwaan gesloopt. Later stonden daar de gebouwen van de Roteb en brandweer, diue alweer plaats hebben gemaakt voor nieuwe woningen.

In diezelfde omgeving stonden de zaagmolens De ooievaar en De Arend.
Wolstraat Op het gras van het buiten Woelwijk (17e eeuw) graasden de schapen die wol leverden.
Crooswijksebocht-Crooswijksekade-Crooswijksestraat enz.

Als eigenaar van het Huis te Crooswijk, komen we rond 1337 de heer van Voorne tegen, later kwam het aan de grafelijkheid. Beleend werden hiermee o.a. Dirk en Vranck Visscher en Gillis van Kralingen. In 1828 kocht de stad het Duifhuis of Huis te crooswijk; de legendevorming over het Duifhuis was toen al in volle gang. Bij de oude Dijk zou het Duifhuis een toltoren van de Romeinen zijn geweest. Dirk Smits dichte in “De Rottestroom”:

…’t Duifhuis dat, naar mijn onthoudt,

Aan het eind van mijne zoomen,

Door den Vorst van ’t oude Romen

Hadriaen is opgebouwd;

Dit gesticht, dat beemd en plas

Door zijn luister kon bekoren,

Spiegelde zijn hoogen toren

In mijn vloeijend spiegelglas.

Dat inspireerde W.H.Peijpers in het eerste del van zijn “Rotterdam in opkomst, ontwikkeling en bloei”(1863) tot het hoofdstuk “Het Duifhuis”. (Rotterdams Omtrek 150 jaren na Chr.)

“Des batouwers helder blaauw oog, zijn vol en blozend gelaat, met den langen blonden baard gesierd, die hem afgolft tot op de borst, verraden goedhartige opregtheid; maar datzelfde goedhartige wezen kan vreeselijk door de woede misvormd, wanneer de vijand zijn hoogsten rijkdom: zijne vrijheid belaagt.”Geen wonder dat de Romeinen hier een sterkte wensten!

De gemeente kocht de ruimte trouwens met een prozaïsch doel: hier moest de begraafplaats komen, die in 1832 bij de cholera-epidemie in gebruik werd genomen.

Peypers weer in een voetnoot: “Bij den aanleg van de stedelijke begraafplaats, vóór het woeden der eerste cholera, gebeurde er een opmerkelijke feit: zekere de Koning, één der werklieden, satelde aan zijn makkers voor, dat d eerste hunner, die stierf, op onderlinge kosten zoude begraven worden. De Koning was een der eerste slachtoffers van deze vreselijke ziekte binnen Rotterdam en tevens die aldaar begraven werden. Zijn makkers hielden woord en naar men wil, gaf deze gebeurtenis aanleiding tot de keuze van het thans op de poort prijkende beeld”.


Soetendaalsekade –Soetendaalseplein-Soetendaalseweg enz.

Ooit lag hier de buitenplaats Soetendaal aan de Rotte.


Sint Agathastraat Sint Agatha was een der meest vereerde heiligen van de oude kerk. Zij zou na de vervolging door Decius de marteldood zijn gestorven in Catania; nadat haar borsten waren afgesneden werd zij verbrand. Zij is de patrones voor gevaar bij brand. Naar haar was het Sint Agathagesticht genoemd, dat door de gemeente werd aangekocht en in 1908 werd geopend, als tweede stedelijk ziekenhuis (ziekenhuis aan de Bergweg)

Lisplein – Lisstraat. De lis of iris komt in ons land nog veel als waterplant voor. De plant kwam ook overvloedig voor in het Liswater; een plas, die door kortstondige vervening op het einde van de achttiende eeuw was ontstaan.
Berkelselaan nar het dorp Berkel (en Rodenrijs), dat pas door de tweede wereldoorlog uit de volmaakte rust werd gehaald. De Berkelse moordzaak (Dr.O.) bracht het dorp in slechte zin in opspraak; drukte in positieve zin werd gebracht door de forenzen uit Rotterdam.
Rodenrijsestraat – Rodenrijselaan. De buurtschap Rodenrijs wordt meestal in één adem genoemd met Berkel . Het geslacht Rodenrijs stierf in de zestiende eeuw uit met Aleid van Rodenrijs; de goederen waren al eerder naar andere geslachten overgegaan, o.a. naar dat van Van Kralingen. Kort na 1830 werd de Hofstad Rodenrijs aan de Schie, ten noorden van de Doenkade, afgebroken. Een zer uitgebreid artikel over deze Hofstad swerd door mr. H.C.Hazewinkel gepubliceerd in het Rotterdams Jaarboekje 1951.
Ik hoop dat u plezier aan deze beschrijvingen hebt beleefd en dat het uw “Rotterdam-gevoel”

heeft versterkt, want Rotterdam is een stad om van te houden !



Hans de Wit




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina