1geschiedenis van het dorp (Kris Merckx)



Dovnload 238.97 Kb.
Pagina1/6
Datum23.07.2016
Grootte238.97 Kb.
  1   2   3   4   5   6
1GESCHIEDENIS VAN HET DORP

(Kris Merckx)


Over de geschiedenis van het dorp kan weinig met zekerheid worden gezegd omdat men over te weinig geschreven bronnen beschikt. Naast een aantal kasteel- en vierkantshoeven, een drietal kastelen en de kerk, zijn er geen historische gebouwen. In de onmiddellijke omgeving van het dorp bevinden zich drie Romeinse tumuli (= grafheuvels) en het dorp wordt gekruist door de Romeinse heerweg (heer, heir = leger) Bavai - Keulen. In het dorp werd een Romeins zegel met het opschrift "C. Lentulus" gevonden. Dit zou wijzen op een bewoning van het dorp in de Romeinse periode.
Romeinen

Dat Hakendover belangrijk was in de Romeinse periode leidt geen twijfel. Ook op het grondgebied Hakendover zelf bevonden zich tumuli die reeds lang verdwenen zijn. Bij de collectorwerken in 1995 zouden op het kruispunt Hakendoverstraat - Oude Heerweg Romeinse overblijfselen en het skelet van een paard zijn bovengehaald.


Prehistorie

We kunnen ons de vraag stellen of Hakendover een vorm van bewoning kende in de Pre-Romeinse periode. In het Landense, meer bepaald langs de Kleine Gete in Wange, Laar en Overhespen werden sporen gevonden van de Bandkeramische Cultuur die opklimmen tot 7300 voor onze tjidrekening (Dr. M. Lodewijckx, Archeologie in het Landense). Ook van de latere Michelsbergcultuur, de zogenaamde Oude Belgen, de Romeinen en de Franken werden in vermelde dorpen sporen teruggevonden. Het betreft in deze gevallen zowel materiële resten als sporen van nederzettingen en graven.

Vermoedelijk uit de Bronstijd (vanaf 1300 voor Chr.) dateert een merkwaardig voorwerp dat te Hakendover werd gevonden in een laag verspoelde grond. Het kreeg de naam "couteau-scie à 4 encoches" en betreft "een grote stenen zaag met 4, bij dit stuk weinig uitgewerkte inkepingen, waarin de koorden voor het vastmaken van het handvat vasthaakten. Dergelijke artefacten, waarvan er tot nu toe slechts een 15-tal gekend zijn , komen nagenoeg enkel voor in Midden-Brabant." (Dr. Lodewijckx) S. Dewaelheyns vond in het Hakendoverse gehucht Wulmersum nog tal van vermoedelijk prehistorische voorwerpen.
Dieperik

Het oudste gedeelte van het huidige Hakendover situeert zich wellicht rond de kerkheuvel, meer bepaald in het deel aan de voet van deze heuvel langs de Ramshovense beek, de "Dieperik". Volgens plaatsnaamkundige F. Vollon is de naam "Hakendover" van Germaanse oorsprong en betekent hij zoveel als "hakendieperik, dieperik in haakvorm, de kronkeldieperik, de bochtendieperik" (zie: DDD, Pasen 1994).


690

Voor de vroege middeleeuwen beschikken we voor Hakendover over geen bronnen. Volgens een legende die in 1432 voor het eerst werd opgetekend door drie kerkmeesters, werd de kerk gesticht in 690. In dat jaar zouden drie vrome maagden besloten hebben een kerk te bouwen voor de Goddelijke Zaligmaker. Nadat de kerk tweemaal bij nacht was afgebroken door engelen, gebeurde er op de dertiende dag na Driekoningen een wonder. Een engel leidde de maagden naar een plaats waar de natuur -ondanks de wintertijd- in volle bloei stond. In een boom zat een vogel met een brief van God in zijn recherpoot: "Op deze plaats wil ik mijn kerk bouwen." Tijdens de werkzaamheden waren er telkens dertien werklieden aanwezig, bij de uitbetaling slechts twaalf. Die dertiende werkman was God zelf. Ter ere van Hem gaat jaarlijks op 16 en 17 januari de winterbedevaart, genaamd het "Dertienmaal". Dit is een tocht dwars door de akkers tussen de kerk van Hakendover en de O.-L.-Vrouw-ten-Steenkapel te Grimde (waar de drie maagden zouden begraven liggen), dertien keer heen en weer, in totaal ongeveer 40 km. Op de eerste zondag volgend op 16 januari wordt het feest van de kerkwijding gevierd, "Hakendoverwijn".

Tweede feestdag voor de parochie is paasmaandag, dan gaat de beroemde paardenprocessie eveneens dwars door de velden. Op de Tiense Berg verzamelen duizenden bedevaarders (sinds eind vorige eeuw vooral Nederlanders) zich en de circa 200 (soms meer) paarden beginnen hun stormloop rond het volk.

Over de preciese oorsprong van legende en bedevaart tasten we in het duister. De kerk van Hakendover beschikte over geen relikwieën en de bouwlegende moest dit gebrek opvangen. Toch is de legende zeker meer dan alleen maar een "uitvinding" van middeleeuwse kerkmeesters die hun kerk aantrekkelijk wilden maken voor bedevaarders. Zowel de legende als de processie bevatten immers sporen van vroeg-middeleeuwse en zelfs voor-christelijke elementen. De paardenprocessie is duidelijk een soort van vruchtbaarheidsritus. Deze veronderstelling is niet zo gek als we bedenken dat we hier aan de poorten staan van het vruchtbare Haspengouw. De Tiense Berg vormt als het ware de grens tussen Hageland en Haspengouw.


Kerk

Petrus a Thyomo (E1394 - + 1474), kanunnik van de Sint-Goedelekathedraal te Brussel, schreef in zijn "Kronyken van Brabant" dat de kerk van Hakendover in 803 of 804 door paus Leo III in het bijzijn van keizer Karel de Grote was bezocht en gewijd.

Toch wijst niets aan de huidige kerk op zo'n oude oorsprong. Kunsthistoricus Halflants reconstrueerde a.h.v. archiefbronnen, oude afbeeldingen een een onderzoek van de gebruikte steensoorten, het dakgebinte en de architecturale vormen de bouwgeschiedenis van de kerk. Zo slaagde hij erin een vrij precies overzicht te geven van de verschillende verbouwingen en uitbreidingen die de kerk van de Goddelijke Zaligmaker te Hakendover heeft gekend. Je hoeft geen geoefend oog te hebben om te zien dat de kerk een amalgaam is van stijlen die in elkaar lijken te vervloeien (zijn "Bouwgeschiedenis van de kerk van Hakendover" verscheen in "Oost-Brabant" XXVII, 81, 1990)

Het oudste gedeelte van de kerk, de Romaanse toren en de zuidelijke kruisbeuk, stamt uit de 12e eeuw. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat er niet eerder een kerk was te Hakendover.


In de 9e eeuw waren vele kerken in lekenhanden terechtgekomen. Een kerk met bijhorende "parochie" werd eerst in vruchtgebuik (= beneficium) aan een (plaatselijke) heer gegeven. Dit vruchtgebruik werd al spoedig erfelijk en tenslotte werd het leen als eigendom beschouwd. Vanaf de elfde eeuw kwam daar verandering in. "Overal rezen nieuwe kloosters en abdijen als paddestoelen uit de grond. Grote bedevaarten met enorme vokstoeloop kwamen van heinde en ver. Het kon niet anders: ook de eenvoudige parochie ging nieuwe wegen op. Door de zorgen van de bisschoppen vaardigden de conciliën strenge bepalingen uit tegen lekenbezitters van kerken en kerkgoederen. De schrik deed zijn werk. Giften en legaten stroomden toe" (Verbesselt). Vele heren -zowel graven en hertogen, als plaatselijke heren- deden "schenkingen" aan de kloosters. "Niet de parochiën profiteerden van deze wisseling, maar wel de kloosters en kapittels, deze nieuwe brandpunten van devotie zouden er wel bij varen" (Verbesselt).

Zo moet het wellicht ook de parochie van de Goddelijke Zaligmaker zijn vergaan. In 1139 werd de kerk voor de eerste maal vermeldt in een oorkonde als "ecclesia integra". Zo'n kerk betaalde de volledige bisschoppelijke belastingen. De kerk van Wulmersum, die een "ecclesia media" was, diende slechts de helft van voornoemde belastingen te betalen. Vermoedelijk werd de kerk van Wulmersum in 1036 aan de kerk van Sint-Lambertus afgestaan door de edele heer Radulphus en zijn vrouw Gisla (Bets).

Het recht om een priester te benoemen in de kerk van Hakendover kwam toe aan de abdij van Vlierbeek. In 1248 stond Hendrik III, hertog van Brabant, de grote tienden af aan de abdij van Vrouwenpark d.w.z. het tiende gedeelte van de voornaamste landbouwprodukten (tarwe, koren, haver, gerst...) verschuldigd aan de parochiepriester. De priester behield de kleine tienden (geheven op hooi, wol, schapen, kippen, eieren...) tot deze in 1443 overgingen op het kapittel van de Sint-Pieterskerk te Leuven. Dit kapittel was verplicht in het onderhoud van de priester te voorzien. De abdij van Park was verplicht de kerk te onderhouden en voorzag in het onderhoud van de koster en leverde in het octaaf van Hakendoverwijn stro "tot gemak van de pelgrims".
Naast een pastoor waren er in Hakendover een onderpastoor en verschillende andere priesters waardoor er dagelijks tot 5 à 6 missen konden gedaan worden. Het bestaan hiervan werd verzekerd door 'beneficia' d.w.z. elk beneficium of leen had een eigen altaar, eigen inkomsten, eigen benodigdheden en was onafhankelijk van het kerkelijk bestuur en de parochiedienst.

Zulks wijst zonder twijfel op het belang dat Hakendover had als bedevaartplaats. Vooral in de eerste helft van de 15e eeuw moet het dorp een belangrijke expansie hebben doorgemaakt als bedevaartplaats. In 1432 werd -zoals hoger gemeld- de legende ter schrift gesteld. Uit diezelfde periode stamt ook het Driemaagdenretabel dat de kerklegende aanschouwelijk voorstelt. Het is één van de oudste en merkwaardigste retabels van Brabantse oorsprong. Vroeger schreef men het toe aan een zekere meester Denis die in 1485 in Hakendover zou hebben verbleven. Duidelijk zijn er echter meerdere beeldensnijders aan het werk geweest en is het verantwoord te spreken over een atelier (Van Eeckhoudt). De beelden die het portaal van het stadhuis te Brussel sieren, zijn wellicht van hetzelfde atelier.

Eveneens onderging de kerk in die periode haar voornaamste verbouwing en uitbreiding. De toren werd verhoogd waardoor hij instortte. Daarom bouwde men zware steunberen. Op de zuidwestelijke hoek van de toren werd een traphoektorentje opgetrokken. Het koor werd vervangen door het huidige koor in hooggotiek. Naast de zuiderkruisbeuk verrees pal op het koor een tweede zijkapel.

Hakendover moet toen zeer welvarend zijn geweest, want in 1435 telde het dorp 179 huizen waarvan 22 te Wulmersum.


Hertogen van Brabant

Hakendover lag op de grens van het prinsbisdom Luik en het hertogdom Brabant. Lange tijd moet Hakendover betwist grongebied zijn geweest tussen de hertogen van Brabant en het prinsbisdom Luik waartoe het aanvankelijk behoorde. Reeds voor 1248 moet het zijn overgegaan naar het hertogdom Brabant want in dat jaar stond hertog Hendrik III de kerkelijke tienden af aan de abdij van Park. Op 20 oktober 1283 verklaarde hertog Jan I dat hij Hakendover in zijn bezit hield.

De hertogen bestuurden het dorp zelf en gaven het tal van voorrechten. Dit leidde ondermeer tot de oprichting van de hoeve Bosschellen die reeds in 1396 wordt vermeld. Zij hoorde toe aan de befaamde orde der Ridders van Malta. "Aan het pachthof van Bosschellen, dat verscheidene malen werd herbouwd, werd omtrent 1686 een kapel gebouwd, waarin de onderpastoor op de zon- en Heiligdagen een mis opdroeg"(Bets).

De hertogen zouden herhaalde malen in het dorp hebben verbleven en gingen op jacht in een warande gelegen aan de "Drie Tommen".


Rechtbank

De hertogen hadden naast bestuurlijke en militaire macht ook de rechterlijke macht in hun grondgebied. In Hakendover werd er aldus recht gesproken over de inwoners van Hakendover en Wulmersum, maar ook over die van Outgaarden, Laar, Goetsenhoven, Eliksem, Ardevoor, Overhespen, Neerhespen, Overwinden, Neerwinden, Rumsdorp, Waasmont, Gussenhoven, Walsbergen en Wommersom...


Oorlog

"De devotie ende toeloop tot deze Plaetse, is begonst van't eerste der Stichtinge der zelve Kerke, te weten: van't jaer 690. ende duert tot op den dag van heden: niet-tegenstaende de groote oorlogen, die in deze Landen dikwils geweest zyn, tusschen de Koningen en Princen, ende die van den Lande van Luyck en Brabant, van gelyken tusschen Spagnien en de Rebellen van Holland, die in't jaer 1568. zoo ik hier vinde geschreven in den hoogen Autaer, zyn geweest in deze Kerke, daer den Prince van Oragnien, hunnen Veld-oversten in vernacht heeft, die alle de Beelden dede in stukke slagen en verbranden: meynende de Stad van Thienen te belegeren: maer het wird hem belet door onzen Hertog, en mits dat eenige Beelden verborgen waeren, als den hoogen Autaer, die tot noch toe in onse Kerke staet, zoo en heeft hy die niet gehindert: nogtans en is de devotie noyt achter-gebleven. Noch erger is'er geschied ten tyde van de Muyteneerders door de welke dit Dorp geheel is af-gebrand geweest, en ook de Kerke, in't jaer 1604. in-der-voegen, dat'er van de Kerke niet is overgebleven als de mueren rond-om, en den thoren: zoo dat de Gemeynte geen huyzen hebbende, waeren genoodzaekt Barakken te maeken rond-om de mueren van de Kerke, zoo men tot nu toe noch kan zien aen de mueren: en dat meerder is, in het midden van den oorloge en desolatie, is deze Kerke herbouwt, en wederom in staet gestelt in't jaer 1610. ..." zo schreef E.H. Cartuyvels in 1704.


Tijdens de oorlogen die onze gewesten teisterden in de 15e eeuw, werd Hakendover tweemaal verwoest nl. in 1489 en in 1507. In 1526 telde het dorp nog slechts 92 huizen. Meer dan een eeuw later had het dorp te lijden onder een epidemie van melaatsheid. Keizer Karel V gaf toelating om een lazerij (= een soort gasthuis voor melaatsen) op te richten.

Tijdens de godsdienstoorlogen verbleef Willem de Zwijger, Prins van Oranje, met zijn leger in het dorp. Hij werd door de Spaanse soldaten verdreven. Onder de regering van Albrecht en Isabella werden alle huizen en de kerk platgebrand door een bende muitende soldaten. De bedevaart en de herstelling van de Romeinse Heerweg door de aartshertogen brachten het dorp er weer bovenop.

In 1627 kwma het bestuur van Hakendover , Outgaarden en Wulmersum in handen van Lodewijk de Casuso de Mayedo. Hij werd opgevolgd door Isabella Strossy, en daarna bleef het tot in 1749 in handen van de familie Gaethovius.

Ondanks de heropleving had het dorp in de 17e eeuw nog herhaaldelijk te lijden onder plunderingen van vijandige legers. In de eerste helft van de 18e eeuw was het realtief rustig. In deze periode, toen onze streken onder het bewind van de Oostenrijkers stonden, werd de Sint-Truidensesteenweg aangelegd.

Na de slag bij Neerwinden in 1793 vond er ook een schermutseling plaats in Hakendover tussen Fransen en Oostenrijkers. Talrijke woningen brandden af en alle paarden werden door de Fransen in beslag genomen. Bij de onafhankelijkheid van België in 1830 vonden er nog kleine gevechten plaats tegen de Hollanders en Hakendover leed weerom grote schade.

Hakendover moest nog door de twee wereldoorlogen. Door het bombardement van het vliegveld van Goetsenhoven in mei '40 was er schade te Wulmersum.

Sindsdien sluimerde Hakendover in tot een vrij onooglijk dorp. In 1976 werd het als deelgemeente gefusioneerd bij Tienen.

DE LEGENDE VAN DE MIRAKULEUZE STICHTING VAN DE KERK VAN HAKENDOVER

(Geert Weenen)


Omstreeks het jaar 690 waren er in Hakendover drie vrome maagden die stamden uit het geslacht van de Romeinse keizer Octavianus. Deze drie vrouwen besloten -door een goddelijke ingeving- een kerk te bouwen voor de Goddelijke Zaligmaker, voor wie zij een bijzondere verering koesterden.

Te Hakendover aangekomen lieten zij op een plaats, "Hooibout" geheten, de werken beginnen. Maar 's avonds braken de engelen alles terug af. Hierop kozen de maagden de plek uit die men "Steenberg" noemt. Wederom braken de engelen 's nachts af wat overdag gebouwd was.

Uiteraard waren de maagden nu wel zeer ontgoocheld en bedroefd, temeer daar zij dachten een zonde begaan te hebben en God zich van hen had afgewend. Hierom smeekten zij de Heer om vergeving en vroegen God hen een geschikte bouwplaats aan te wijzen.

God zond hen een engel die zei: "Maagden, uw verzoek wordt verhoord. Sta op en volg mij naar de plaats die de Heer welgevallig is." Dit gebeurde op de dertiende dag na Drikoningen en er lag een dik pak sneeuw. Op de aangewezen plek echter, in een kring afgespannen met een rode zijden draad, stond alles in bloei en geurden fijne kruiden en bloemen, alle besprenkeld met fijne dauwdruppels.

Daarenboven stond er op de plek waar het hoofdaltaar zich nu bevindt een spikdoorn in volle bloei, groen en heerlijk geurend. In de boom zongen vogels een prachtige zang. Eén van hen hield in zijn rechterpoot een brief waarin te lezen stond: "Dit is de plaats door God uitverkoren en door God aan de drie maagden toegewezen om er een kerk te bouwen ter ere van de Goddelijke Zaligmaker."

De engel geleidde de maagden naar deze plaats en sprak: "Deze plaats heeft God uitverkoren, bouw hier een kerk en stel daarvoor 12 werklieden aan, want God zelf zal de dertiende zijn." Gedurende de bouw werden door iedereen steeds 13 werklieden gezien. Bij de maaltijden en de uitbetalingen waren er echter slechts 12 aanwezig. Niemand echter vermoedde of wist wie er ontbrak, omdat steeds leek of ze voltallig waren. God zelf was de dertiende werkman.

Toen de kerk voltooid was, werd zij door God als volgt gewijd: "Deze plaats wijd Ik in Mijn naam, zodat ze verder door niemand anders hoeft gewijd te worden." Toen twee bisschoppen de kerk wilden wijden, werd de ene plots blind en de andere lam. Omwille van hun berouw schonk God hen vergiffenis en herstelde hun gezondheid. Hiervoor zeer dankbaar, zijn deze bisschoppen grote beschermers van onze kerk geworden.

AARDE, WATER EN BOOM

over de veelheid van motieven in de bouwlegende

(Kris Merckx)


De bouwlegende van de kerk van de Goddelijke Zaligaker te Hakendover staat niet alleen. Ook op talrijke andere plaatsen treft men gelijkaardige legenden aan. Wat maakt deze legende echter zo speciaal dat zij steeds wordt aangehaald in bijdragen over folklore en legenden?

In de eerste plaats is dat te wijten aan het feit dat de legende "aanleiding heeft gegeven tot vormen van volksdevotie die op het einde van de 20e eeuw nog steeds springlevend zijn"(Roeck, A.). Wat de legende nu echt bjzonder maakt, is de rijkdom aan legendemotieven. Terwijl er elders sprake is over bv. een rood lint bij de bouw of een bijzondere boom ... zijn in Hakendover al die motieven in één enkel verhaal gebundeld.

Is de legende dan maar een samenraapsel?

Belangrijk is hier de vraag te stellen in hoeverre de legende steunt op een oorspronkelijk mondeling overgeleverd verhaal.


Grondslag

De legende werd voor het eerst (?) ter schrift gesteld in 1432 door Walter van Binckem ("Binkom") schildknaap , Thomas Thomas en Nikolaas Zauwels. Het gaat hier om wereldlijke bestuurders van de kerk die hun deel van de kerkelijke inkomsten kregen toegewezen.

Roeck wijst erop dat kerkmeesters vaak een bouwlegende in het leven riepen, als de kerk niet over het nodige relikwieën beschikte. En relikwieën -Hakendover had er geen- waren nodig om bedevaarders naar de kerk te brengen. Het is echter niet waarschijnlijk dat bovengenoemde personen deze legende volledig zelf hebben "verzonnen". Temeer daar het retabel, vermoedelijk ontworpen omstreeks 1400, deze legende reeds aanschouwelijk voorstelt voor de ongeletterde gelovigen en bedevaarders. Dat is natuurlijk geen garantie voor de echtheid zoals Bets beweert. Denkelijk werd de legende ter schrift gesteld om de bedevaart een steviger (financiële) basis te geven. De toenmalige uitbreiding van de kerk en het ontwerpen van het retabel wijzen op een expansie van Hakendover als bedevaartsplaats in die tijd. Wellicht kan men de legende plaatsen in het kader van de mirakelboeken "die in de grote bedevaartsbasilieken werden geschreven in de buurt van de reliekhouders die het meest werden vereerd, en die tot doel hadden daar meer bekendheid aan te geven." (Duby).

Een schriftelijke neerslag van de legende schiep ook de mogelijkheid haar te laten erkennen door een hogere kerkelijke instantie, hetgeen gebeurde in 1508. Over de echtheid van deze "erkenning" bestaat in vakkringen reeds lang betwisting ("Bevestigt door de Bulle van den Referendarius van den Paus Julius den II gegeven tot Roomen in het paleys van den zelven Paus in het jaer 1508")


Origineel of verzonnen?

Moeten we dan besluiten dat de legende voor 100% werd "ontworpen" om gelovigen te lokken? Geenszins. Een aantal motieven verwijzen immers naar vroeg-christelijke en zelfs voor-christelijke elementen. De opstellers (of anderen) hebben mogelijk een aantal motieven uit de mondelinge verteltraditie van de lokale bevolking aangevuld of aangedikt met andere motieven. Het is echter moeilijk te achterhalen (en meer nog: te bewijzen) welke verhaalgegevens "oorspronkelijk" zijn, welke latere "aanvulling". Aldus stellen we hier de vraag naar de originaliteit van het verhaal.


Datering

Tussen vermelde stichtingsdatum en het optekenen van de legende ligt een periode van 733 jaar. Dat is zowat hetzelfde als in 1997 schrijven over het jaar 1307. Een hedendaags historicus zal zich, bij het bestuderen van een vroegere periode, steunen op een heleboel historische bronnen zoals handschriften, archeologische vondsten enz. waarmee hij dan zal trachten een zo objectief mogelijk beeld te schetsen van de bestudeerde periode. De middeleeuwse opstellers beschikten niet over deze bronnen, maar steunden zich vermoedelijk op mondeling overgeleverde verhalen.

Bovendien waren schriftelijke bronnen toen uiterst zeldzaam daar de boekdrukkunst in Europa nog niet was uitgevonden. De weinige schriftelijke bronnen bevonden zich in de geslotenheid van de kloosters, waar zij minutieus met de hand werden gekopieerd, of in de collectie van een edelman. Zo zou pastoor Cartuyvels zich in 1703 voor de publicatie van zijn boek over de kerk van Hakendover ("Kort klaer en waerachtig verhaal van den oorsprong en voortgang der stichtinge van de mirakuleuze kerke van den Zaligmaeker des werelds in de parochie van Haeckendoren") verdiepen in de "oude registers van S. Lambrecht te Luyck en d'oude schriften van het Rood-Klooster by Brussel" voor de beschrijving van de talrijke te Hakendover geschiede mirakelen (zie: "Kreupelen lopen en doden verrijzen")
Men hoeft geen kunsthistoricus te zijn om vast te stellen dat de huidige kerkgebouwen niet dateren uit 690. Was dat wel het geval dan zou Hakendover kunnen pronken met een Merovingisch of Karolingisch gebouw. Onze kerk zou dan voortdurend in de belangstelling staan van kunsthistorici daar zulke gebouwen zeer zeldzaam bewaard zijn gebleven.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat hier mogelijk reeds vroeger een bedehuis is geweest dat verdween en werd vervangen door de romaanse en later gotische gebouwen. Vaak waren de vroeg-middeleeuwse gebouwen slechts houten constructies. Vooral de onrustige 8e en 9e eeuw, de periode van de invallen van de Noormannen (Arnulf van Karinthië versloeg hen te Leuven in 891), droegen ertoe bij dat vele kerken werden vervangen door de robuuste romaanse kerken die de dorpsbevolking de nodige bescherming moesten bieden.

Als de kerkmeesters de kerkstichting situeerden in 690 dan was het hen wellicht niet te doen om historische exactheid (geen enkele legende trouwens), maar dan was dit wel met een bepaalde bedoeling. De zevende eeuw was de periode van de Karolingische hofmeiers en het was de periode voor het rijk van Karel de Grote (in de middeleeuwen werd hij als heilig aanbeden) en voor het Heilig Roomse Rijk (962). 690 is het jaar waarin Willibrord, een Angelsaksische monnik met elf metgezellen landde aan de Rijnmond. Het kan gezien worden als het begin van de kerstening van de gebieden ten noorden van de grote rivieren Rijn en Maas, die voordien zonder uitzondering heidens waren gebleven. Eerder, in de periode 639 - 678, had St.-Amandus veel succes geboekt bij het bekeren van Midden-België.
Romeinse Rijk

"...drie edele maagden uit het geslacht van keizer Octavianus van Rome". Bedoeld wordt hier keizer Augustus (Gaius Octavius, E63 v. Chr., regeerde als keizer over het Romeinse Rijk (van 27 v. Chr. tot 14 na Chr. als Augustus Octavianus) bij Jezus' geboorte en in de ogen van de middeleeuwers was hij zowat het symbool van de keizerlijke macht. Net zoals de Romeinse geschiedschrijvers het ontstaan van Rome in verband brachten met de oudste Griekse geschiedenis, zochten de Hakendoverse kerkmeesters wellicht een aanknopingspunt met de Romeinse "wereld"geschiedenis. Het Romeinse Rijk was immers het "laatste wereldrijk". Wellicht hebben de aanwezigheid van de Oude Heerweg (=Romeins), de Drie Tommen (= grafheuvels van Romeins generaal) en de tommen van Hakendover (thans verdwenen) de fantasie van de opstellers geprikkeld en behoorde dit gegeven niet tot de mondelinge verteltraditie.



  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina