1Inleiding 1Een nieuwe tijd breekt aan



Dovnload 85.71 Kb.
Datum27.09.2016
Grootte85.71 Kb.

WIJSBEGEERTE: H3IJSBEGEERTE: H1: Het subject in het centrum: de moderne tijd

1Inleiding

1.1Een nieuwe tijd breekt aan

1.1.1De geboorte van een nieuwe tijd


Vanaf 16de Eeuw: transformatie in Westerse cultuur (nieuw klimaat):

  • Kunst, religie

  • Economie, politiek DE HELE CULTUUR

  • Filosofie, wetenschappen

 filosofie: speelt in op verandering, loopt er soms op vooruit!



  • Verandering: zichtbaar in

    • Schepping (Michelangelo): mens even dominante positie als God!

    • Robinson Crusoe (Daniel Defoe): nieuw bestaan opbouwen op onbewoond eiland  leefbare wereld scheppen

 Aandacht op de mens  ONTDEKKING VAN HET SUBJECT



  • Bewust handelend ‘ik’

    • Centraal in de wereld

    • Objecten krijgen zin en betekenis van daaruit

 ‘nieuwe tijd’: 16de Eeuw – 19de Eeuw



  • Geen uitvinding van historici!

  • Filosofie en wetenschappers hebben moderniteit zelf aangekondigd

    • Middeleeuwse denktrant afgedaan

    • Opkomst nieuwe wetenschap

 nieuwe wetenschap: andere verklaring voor wereld en dingen



  • Filosofie heridentificeren in confrontatie met moderne natuurwetenschap

    • Zaken niet te eenvoudig voorstellen

  • Nieuwe wetenschap is filosofie?

    • Newton: ‘moderne filosofie (gebaseerd op wiskundige principes)

  • Vanaf 18de eeuw: duidelijk dat doelstellingen filosofie ≠ doelstellingen wetenschap

  • Succes moderne wetenschap: ‘nadelig’ voor filosofie

1.1.2Renaissance en humanisme


 1ste fase: renaissance en humanisme

  • Erasmus, Morus, Vives, Lipsius

    • Willen loskomen van scholastieke middeleeuwse denkwijze

    • Aansluiting bij de Oudheid

      • Kritische edities van oude teksten

  • Luther, Calvijn

    • Godsdienstige vernieuwingbewegingen

    • Kritiek op structuur, praktijk en instellingen kerk (Reformatie)

    • Geloof van individu = beslissende factor, relatie God – individu centraal

 Vanaf 17de Eeuw: belang voor filosofische uitwerking van rol van subject



  • Nieuwe impuls aan filosofie door ontdekkingen:

    • Plaats voor god, individu en kosmos is filosofie

    • Synthese op basis van menselijke rede (aandacht voor mens en zijn kunnen)

    • Mens blijft ingeschakeld in groter geheel

1.1.3Verlichting


 Vanaf 18de Eeuw: klemtoon op mens als subject neemt toe

 grote verschillen in Europa:



  • FR: politieke en maatschappelijke dimensie

  • GER: culturele en filosofische dimensie (Aufklärung)

 gelijkenissen:



  • Kritisch karakter:

    • Al wat rationele toets niet doorstaat wordt betwijfeld

    • Wat niet redelijk te verantwoorden is: VERWERPEN

    • Redelijk denken:

      • Wiskunde

      • Natuurwetenschappen

  • Emancipatorische tendens:

    • Vrijheid van denken

      • Leidt tot vooruitgang

      • Vooruitgangsgedachte

    • Theoretisch en praktisch

    • Autonomie individu

      • Moreel vlak

      • Politiek vlak

      • Economisch vlak

    • Losmaken uit tradities, verplichtingen en conventies

      • Lusrukken religieuze en morele motieven

      • Nuttigheid en efficiëntie primeren

  • Egoïsme

    • Ten dienste van geluk, ontplooiing van de menselijke vrijheid

    • Ontwikkeling eigen talenten

    • Formulering van mensenrechten

    • Werkelijk = redelijk

      • Basis voor optimisme van die tijd

bekendst en invloedrijkst in FR



  • Diderot

Encyclopédie, ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers

  • D’Alembert




  • Franse Revolutie (1789)

 Vanaf midden 18de Eeuw: tegenbeweging  Romantiek



  • GER: Hamann, Herder

  • Aandacht voor gevoel

  • Klemtoon op eigen geschiedenis en cultuur

1.2Een nieuw type van weten


 Wat is er nu zo nieuw aan?

  • Differentiatie van het weten

  • Bijzondere rol van subject

1.2.1Succes van de wetenschap


 premoderne weten

  • Verschillende vormen van weten hiërarchisch geordend

    • Hoogste vorm van weten bevat waarheid van alle vormen van denken (ME: christendom)

    • Laagste vorm ondergeschikt (ME: alles ondergeschikt aan christendom)

 Vanaf 16de Eeuw: VERANDERING



  • Nieuwe soort weten door nieuwe methodologie van nieuwe wetenschappen (experiment, bewijsvoering, empirische toetsing)

  • Aanvankelijk: binnen filosofie

  • Eind 18de eeuw: loskoppeling wetenschap en filosofie (naast elkaar)

 Belangrijke factor voor afsplitsing: succes natuurwetenschappen



  • Verklaart natuur

  • Mens in staat om grotere domeinen van omgeving te manipuleren en beheersen

  • Zintuiglijke waarnemingen

  • KENNIS op gelijke voet met ‘op natuurwetenschappelijke wijze verkregen kennis’

    • Al bij aanvang moderniteit (Descartes)

  • Andere kennis in diskrediet (vb. filosofie)

    • Filosofie bepaald door verhouding met natuurwetenschappen

    • HERPOSITIONERING

 zintuiglijke werkelijkheid ondergeschikt aan wetenschappelijk kennen



  • Descartes: wetenschappelijke moraal

  • Hobbes: leviathan

1.2.2De dragende rol van het subject


 basis van alle kennis: SUBJECT

  • Menselijke geest = oorsprong en fundament van het weten

  • In alle verhoudingen tot werkelijkheid!

 oorsprong en fundament van kennis: kennis zelf voortbrengen, produceren



  • Subject = actief in kenproces

  • Kant: sleutel om kennis te begrijpen

 Kant’s copernicaanse revolutie:



  • Mogelijkheidsvoorwaarden van objectiviteit niet aan kant van object

  • Wel: kant van SUBJECT

    • Schept objecten van kennis uit ongeordende zintuiglijke waarnemingen  kenbare wereld

 ineenschuiven ‘kennis’ en ‘maken’



  • Subject actief in proces van kennis

  • Kloof tussen subject en object van kennis:

    • Subject actief

    • Object passief

  • Subject (drager van intelligentie) bekleedt object (ongeordende, passieve materie) met zijn redelijkheid

    • Object maakbaar

    • Subject geeft ze vorm en structuur

 positie subject:



  • Niet zomaar een gegeven

  • Opgave die subject moet vervullen om werkelijk subject te zijn

  • KANT: verlichting = aandurven om zelf te denken

    • Verbinding met ontvoogding: toename zelf denken = afname van geloof in wat gezegd wordt = bevrijding van bevoogding

2Het rationalisme: René Descartes

2.1Op zoek naar een nieuw en zeker uitgangspunt


 Nieuwe wetenschap: beslissende wending


 Descartes: radicale aanpak

  • Leverde baanbrekend werk in moderne wetenschap

    • Bewondert zekerheid en helderheid van wiskunde

    • Denkt dat filosofie hier inspiratie uit kan putten

  • Wil filosofie aanpassen aan nieuwe ontwikkelingen

    • Traditionele filosofie kan weten van nieuwe wetenschappen niet verklaren

  • Wil zekerheid in filosofie

    • Komt van mathematisch karakter van wetenschap

      • Constructieve methode

      • Inzichten, stellingen (synthese, analyse)

    • Mathematische methode toepassen op kennis van werkelijkheid = MATHESIS UNIVERSALIS

 veronderstellingen:



  • Methode bruikbaar voor kennis van werkelijkheid

  • Onbetwijfelbaar evident uitgangspunt

    • Geen veronderstellingen!

    • Bruikbaar als fundament voor ALLE WETEN

  • 1ste zekerheid nodig om zekerheden te kunnen afleiden

    • Om die te vinden: methodische twijfel


 Cartesiaanse twijfel = methodisch

  • Doelbewust gekozen techniek

  • Gericht op ontdekken van zekerheden (tegen twijfels bestand)

  • Theoretische twijfel (niet reëel)

  • Alles wat voor twijfel vatbaar is OPZIJZETTEN

    • Resultaat: veel zekerheden zijn slechts schijn (niet bestand tegen twijfel)

 schijnbare zekerheden:



  • Vroegere inzichten van filosofen en wetenschappers

  • Zintuiglijke waarnemingen

    • Argument van de illusie:

      • Bedriegen ons soms (stok in water gebroken)

    • Argument van de droom:

      • Soms denk je waar te nemen maar is het een droom ( ≠ echt!)

      • Geen zekerheid dat we niet permanent in droomwereld zitten

  • Wiskundige zekerheid

    • Afhankelijk van werking van onze geest

    • Kwade geest! (misleidt ons)

2.2Zekerheid van het cogito


 1ste zekerheid: vloeit voort uit het feit dat ik twijfel

  • Niet twijfelen over activiteit van twijfelen als ik twijfel!


 ‘denken’ volgens Descartes in ‘Over de Methode’ = dubbelzinnig

  • Reeks mentale activiteiten

  • Besef van activiteiten die aan elke twijfel ontsnappen

    • Denken dat je denkt

    • Denken dat je voelt

 onderscheid maken tussen die twee soorten ‘penser’
 Wat is precieze aard van ‘ik’?

  • Ik bestaat in denkactiviteit en geheeld op zichzelf

    • Denkend ding, substantie

    • Geen relatie tot iets buiten zichzelf

    • Bewust van zijn denkactiviteit


 1ste zekerheid = BESTAAN VAN DENKACTIVITEIT (=evidentie)

  • Inhoud geen belang

  • ‘je pense donc je suis’

2.3Van het cogito naar de wereld


 zoektocht naar nieuwe zekerheden met zelfde graad van stelligheid

  • Methodische twijfel ≠ eindpunt

= middel om nieuwe zekerheden te ontwikkelen
 Hoe nieuwe zekerheden vinden?

  • Kenmerken eerste zekerheid:

    • Klaar: uit zichzelf inzichtelijk en intrinsiek helder

    • Welonderscheiden: scherp afgelijnd van andere ideeën

= ZEKER

= vertrekpunt + criterium van zekerheid
 Binnen cogito: allerlei ideeën of bewustzijnsinhouden aanwezig

  • Klaar en welonderscheiden

    • Ingeboren ideeën

    • Vindt cogito in zichzelf

      • Geen kopie van externe wereld

      • Vooraf gegeven uitrusting van cogito zelf

  • Duister en verward

    • Zintuigen

 kunnen aantonen dat er zich buiten cogito een wereld bevindt



  • In cogito: ook zintuiglijke voorstellingen

    • Leveren kennis over buitenwereld

    • Zo bestaan van een wereld besluiten

    • WERELD = AFGELEIDE ZEKERHEID

 zintuiglijke voorstellingen:



  • Idee van lichamelijkheid in zich

  • Komen en gaan (onafhankelijk van bewustzijn)

  • Duister en verward

 NIET RECHTSREEKS DOOR MIJN BEWUSTZIJN VEROORZAAKT

    • Niets bestaat zonder oorzaak DUS: Zintuiglijke voorstellingen veroorzaakt door buitenwereld

 geen volwaardig bewijs:



  • Drang om oorzaak aan buitenwereld toe te schrijven

  • Kloof tussen ik en wereld overbruggen  Descartes doet beroep op GOD


 2de zekerheid bestaan van God: klaar en welonderscheiden

  • Idee van volmaaktheid, samen met bewustzijn van eigen onvolmaaktheid

  • Omdat we over het idee beschikken, MOET het bestaan

 Redenering Descartes: al wat is heeft een oorzaak (Even rijk als het gevolg)



  • Wat is oorzaak van idee van volmaaktheid in menselijke geest?

    • Idee niet door menselijke geest ontworpen

    • Veroorzaakt door iets buiten bewustzijn

    • Oorzaak:

      • Minstens even groot als gevolg

      • Groter kan oorzaak niet zijn, gevolg is al oneindig

    • OORZAAK = ONEINDIGHEID

= GOD
 1ste Godsbewijs steunt op afleiding van oorzaak uit gevolg

  • Resultaat: 2de zekerheid = GOD

  • God bestaat naast en buiten cogito

  • God bezit alle kenmerken van volmaaktheid (onder andere waarachtigheid)

  • God = onmogelijk bedrieger

    • Twijfel aan mathematische kennis opgeheven

 2de godsbewijs:

mathematische ideeën: betrekking op wezen (essentie), niet op hun bestaan (existentie)


  • Driehoeken bestaan niet noodzakelijk

  • ALS ze bestaan, zullen ze 3 hoeken van 180° hebben

  • Uitzondering: de mathematische ingeboren klare en welonderscheiden idee van absolute volmaaktheid

    • Bestaan = volmaakter dan ‘niet-bestaan’ en ‘noodzakelijk bestaan’ en ‘contingent bestaan’

    • Absolute volmaaktheid die niet noodzakelijk bestaat ≠ absolute volmaaktheid

    • Noodzakelijk bestaan!

  • Logische orde (denkorde)  ontologische orde (zijnsorde)


 ‘duistere en verwarde’ voorstellingen?

  • Niet door cogito veroorzaakt

  • Niet door god veroorzaakt (hypothese van bedrieger)

    • Almachtig: voorstelling in mijn geest veroorzaken

    • Voorstellingen dan door god (onwaar) of door ding in werkelijkheid (waar)?

      • Om waar te zijn: oorzaak nodig van zelfde aard

      • Mijn idee van tafel is veroorzaakt door tafel in werkelijkheid

      • Tafel veroorzaakt door god: god bedrieger  onmogelijk!

 ook argument van de droom weerlegd

 + 3de zekerheid: bestaan van een afzonderlijke stoffelijke wereld

  • Optica leert ons brekingseffect in water

  • Argument van illusie weerlegd



2.4Slotbeschouwing


 Descartes: poging om hele werkelijkheid te herconstrueren vanuit cogito

  • Brug tussen ik en wereld = mediaat realisme

    • Realisme: wereld onafhankelijk van subject ( idealisme)

    • Mediaat: kennis van buitenwereld wordt bemiddeld via bevestiging van bestaan van God ( is niet even direct als kennis van het eigen ‘ik’)

radicale vraag naar beginpunt van zekerheid en waarheid: PROBLEMATISCH (inhoud & methode)



  • Moeilijkheden zichtbaar bij nader onderzoek van 1ste zekerheid! (invloeden)

1ste moeilijkheid: hij noemt ‘ik denk’ een substantie (def.:bestaat op zichzelf, niets nodig om te bestaan, behalve schepping van god)



  • Invloed van Scholastiek

  • deel van ons natuurlijk verstaan van wereld: bestaat uit autonome dingen

 2de moeilijkheid: noemt cogito denkend ding



  • stapje te ver!!  subject = substantie betekent:

    • ‘ik’ is autonoom en identiek door verschillende denkactiviteiten  NIET BEWEZEN!

  • wel goed: als er gedacht wordt moet er ook een subject zijn van dat denken

 3de moeilijkheid: ‘ik’ is niet alleen substantie, het is substantie die essentieel denkend is



  • volgt niet uit eerste zekerheid

  • hoe weet Descartes dit?

  • Invloed van zijn intellectualisme: hij denkt in welbepaalde richting

 4de moeilijkheid: ik denkende substantie  lichaam van andere orde



  • Dualisme: geestelijk  lichamelijk

  • Lichaam = uitgebreidheid

 veronderstellingen bij interpretatie van Descartes van cogito:



  • Cogito is substantie, in essentie denken

    • Dualisme lichaam – geest

 NIET EVIDENT OM ABSOLUTE ZEKERHEID TE VINDEN ALS UITGANGSPUNT VIA METHODISCHE TWIJFEL

 Descartes merkt eigen veronderstellingen niet op door methode


 belangrijkste kritiek: van fenomenologische kant:

  • Cogito als denkende substantie: Descartes sluit binnen 1ste zekerheid elke mogelijkheid uit om relatie te zien met object

  • Wordt in hedendaagse fenomenologie GESLOTEN BEWUSTZIJN genoemd

    • Elke verwijzing naar buiten als tweede denkmoment

    • Probleem van de brug tussen ‘ik’ en wereld

      • Ofwel gesloten bewustzijn en geen buitenwereld

      • Ofwel geen gesloten bewustzijn en buitenwereld

 toch: Descartes zeer belangrijk



  • Subject centraal = breuk in geschiedenis westerse filosofie

  • = reden waarom hij vader van moderne wijsbegeerte wordt genoemd

  • Vanaf Descartes herziet filosofie haar taak: wordt zoektocht naar fundament van wetenschappelijk weten

  • Wel alleen kennis op basis van ervaring en geen methodologie meer zoals bij Descartes (te mathematisch)

3Het empirisme: John Locke en David Hume


 inhoudelijke verschillen met rationalisme, toch gelijkenissen:

  • Zoektocht naar fundament van onze kennis

  • die tijd: oorsprong, draagwijdte en zekerheid van menselijke kennis

    • beide stromingen voor zelfde probleem

    • elk andere oplossing

    • rationalisten: inhoud van denken (ingeboren ideeën)

    • empiristen: kennisinhoud op basis van ervaring (kennis kan niet op zichzelf bestaan)




  1. LOCKE

 geest is bij geboorte leeg (onbeschreven blad)  geen vooraf gegeven inhoud in bewust-zijn

  • Kennis verklaren: uitleggen hoe geest gevuld wordt

    • Bewustzijn van onszelf

    • Dingen door ervaring

  • Ideeën in geest via 2 soorten ervaring:

    • Uitwendige sensation (zintuiglijke waarneming)

      • Primaire kwaliteiten: meet- en telbaar  kennis mogelijk

      • Secundaire kwaliteiten: niet meet- en telbaarnt mogelijk

    • Inwendige reflection (inwendige zelfwaarneming van mentale handelingen)

      • Geloven

      • Willen

 onderscheid tussen

  • elementaire ideeën: rechtstreeks in ervaring gegeven  bouwstenen voor onze kennis

  • complexe ideeën: combinatie van elementaire ideeën (geen rechtstreeks equivalent met ervaring)

(~ nominalisme
 bij waarneming: ervaren van eigenschappen

  • zelfde bundel van eigenschappen  ZELFDE DING (appel)

  • blijvende kern waarin al die kwaliteiten permanent vastzitten (appel = rond, zoet)

    • verscheidene kwaliteiten samenhouden

 substantie = ‘a something we know not what’
 Wat is kennis dan?

  • Waarneming van overeenstemming van onze ideeën

 Ervaringskennis: nooit absolute zekerheid!



  • Enkelvoudige ideeën: meer kans op werkelijk bestaan (zeker bij primaire kwaliteiten)

  • Verband tussen ideeën en waar ze naar verwijzen




  1. HUME

 radicaliseert empirisme  WAAROM?

  • empirisme gaat uit van vooronderstellingen die hij niet kan bewijzen

    • bewustzijn met ideeën

    • realiteit met karakter van substantie

RADICAAL SCEPTICISME



  • alle kennis steunt op indrukken (basis voor voorstellingen)

  • overeenstemming tussen mijn indrukken en werkelijkheid?

    • Voorstelling vergelijken met dingen in de werkelijkheid

    • Probleem: werkelijkheid alleen via voorstellingen toegankelijk!!

    • Geen indruk van substantie zelf

    • Innerlijke, psychische noodzaak

    • GEEN aantoonbare band met empirische werkelijkheid

 enige werkelijkheid: wisselen en opeenvolgen van fenomenen in een bewustzijn dat zelf geen zelfstandige substantie is


 Volgens Descartes: uitweg door beroep doen op causaliteitsprincipe

 Volgens Hume:



  • Ons denken kan dergelijk principe niet funderen

  • Relatie oorzaak - gevolg slechts waarschijnlijkheid

    • We zien na elkaar, maar niet ‘en gevolge van elkaar’

    • Geneigd causaal verband te zien MAAR associatie is geen werkelijke fundering!

  • Sluit alle vaste begrippen uit: wereld, ik, causaliteit, God

    • Gevolg: radicale scepticisme

    • Niet in staat om onomstootbaar fundament voor onze kennis te leveren

 moeilijkheid voor alle wetenschap: PROBLEEM VAN INDUCTIE


4Het kritische idealisme: Immanuel kant


 verlichting met sterk geloof in mogelijkheden van de rede

  • 1ste successen nieuwe wetenschappen

  • ‘kritik der reinen Vernunft’: menselijk kenvermogen onderwerpen aan kritisch onderzoek

    • Rede zowel object(voorwerp) als subject(uitvoerder) van kritisch onderzoek

4.1Kants probleem


 wiskunde en natuurwetenschap grote vooruitgang, metafysica NERGENS zekerheid over gevonden

  • Wiskunde en wetenschap WEL zekerheid: volgens Kant door de omkering naar subject centraal = COPERNICAANSE REVOLUTIE

  • Traditioneel: kennis richt zich naar object en is er een getrouwe weergave van

  • Volgens Kant: omgekeerd: objecten richten zich op subjecten dat ze vormt

    • Moment om Copernicaanse revolutie door te voeren in filosofie!

    • Probleem van metafysica oplosbaar als subject uitgangspunt is?

 Experiment moet 2 vragen beantwoorden:



  • Hoe is wetenschap mogelijk?

    • Ze is mogelijk, dat staat vast. Alleen nog geen voldoende verklaring

  • Is metafysica mogelijk?

    • Hoe werkt de rede?  antwoord zal waarschijnlijk duidelijk worden of bereik ligt in metafysica

4.1.1Oordelen


 voorwaarden voor wetenschappelijke kennis: nog te algemeen

  • Wetenschap = gehelen van oordelen

  • Kant moet oordelen onderzoeken

    • Analytische oordelen: predikaat in subject vervat (vb. cirkel is rond, want als we weten wat een cirkel is, weten we ook dat hij rond is)

      • Algemeen en noodzakelijk

      • Geen ervaring nodig

      • A priori

    • Synthetische oordelen: predikaat toegevoegd aan subject (vb. bord is groen)

      • Geen algemeenheid en noodzakelijkheid

      • We moeten ons tot onze ervaring richten om na te gaan of ze met oordeel overeenstemmen

      • A posteriori

    • Synthetische oordelen die toch a priori zijn: oordelen waarin nieuwe kennis wordt aangebracht, toevoeging is a priori

      • Algemeenheid en noodzakelijkheid

      • Vertrekpunt in ervaring

      • Vb.: [wiskunde (5+7=12), fysica (water kookt bij 100°) geldigheid niet betwist] en [metafysica (alles heeft een oorzaak) geldigheid betwist]

 Hoe zijn synthetische a priori oordelen mogelijk? ZE BESTAAN! Maar rationalisme en empirisme kunnen geldigheid niet verklaren



  • Kant: wil definitieve poging ondernemen om mogelijkheid te verklaren met EXPERIMENT van de Copernicaanse revolutie

 Kant noemt zijn onderzoek transcendentaal = bezighouden met wijze waarop we voorwer-pen kennen in plaats van met voorwerp zelf

  • Bevraagt geen inhouden van oordelen

  • WEL: wil aangeven dat we moeten veronderstellen om geldigheid van oordelen in te kunnen zien

  • ONDERZOEK NAAR A PRIORI MOGELIJKHEIDSVOORWAARDEN VAN KENNIS

 grondige analyse van kenproces = GESLAAGD!



  • Stelt ons in staat mogelijkheid tot wiskunde en fysica te begrijpen

  • Metafysica blijkt mogelijk

 kritisch onderzoek naar kenproces: originele synthese tussen empirisme en rationalisme



  • Kennis: 2 componenten

    • Iets dat kent

    • Iets dat gekend wordt

  • ‘Kennen’ volgt niet eigen weg, ontvangt wel inhouden die gegeven zijn

  • Hij wil openheid van zintuiglijkheid en activiteit van het denken in overeenstem-ming brengen

    • Mens GEEN onbeschreven blad (empirisme) en GEEN ‘ik’ met ingeboren ideeën (rationalisme)

  • Wat dan wel? VERWERKINGSMECHANISME DAT AAN INHOUDEN VAN WAARNEMING VORMGEEFT

 Onderzoek van menselijk kennen: 3 onderdelen



  • Transcendentale esthetica: a priori mogelijkheidvoorwaarden van zintuiglijke kennis

  • Transcendentale analytica: a priori mogelijkheidvoorwaarden van werking verstand

  • Transcendentale dialectiek: kritisch onderzoek van menselijke rede

4.2De analyse van het kenproces: de zintuiglijkheid


 transcendentale esthetica: Kants theorie over zintuiglijkheid

  • Als je waarneemt: er is mij iets ‘gegeven’ in die waarnemingen

  • Gewaarwordingen = materie van zintuiglijkheid

    • Zonder zintuigen: geen realiteit

    • Alle kennis begint bij gewaarwordingen via zintuigen

 Naar voorwerp kijken, onmiddellijk gegeven (kleur, licht, schaduw)



  • Structuur die aan basis van gewaarwordingen ligt achterhalen: alles wat tot concrete gewaarwording hoort wegdenken

    • Wat overblijft = kenmerk van waarnemen

    • Zo abstractie maken van eigenschappen van voorwerp

  • Ruimtelijk aspect niet wegdenken

    • Hoort tot de aanschouwing, maar is niet zintuiglijk gegeven

    • Ruimte = eigenschap van waarnemen zelf

    • Alles wat we waarnemen bevindt zich in de ruimte

  • Tijd gelijkaardig als ruimte

    • Gewaarwording neemt ‘tijd’ in beslag

    • Kenmerk van waarnemen

    • Verschil met ruimte: ruimte = aanschouwing van uiterlijke dingen, tijd= ook aanschouwing van innerlijke dingen

 Elke gewaarwording is gewaarwording in ruimte en tijd



  • Ruimte en tijd: vormen van zintuiglijkheid

  • A priori mogelijkheidsvoorwaarden aan kant van subject: noodzakelijke structurering van elke ervaring door tijd en ruimte

  • Gewaarwordingen gestructureerd in tijd en ruimte = AANSCHOUWINGEN

 Ruimte en tijd ≠ object van waarneming = manier om objecten waar te nemen



  • Behoren niet tot wereld van objecten!

    • Ruimte kan niet van ervaring afgeleid zijn

    • Wat ik werkelijk waarneem, neem ik waar in de ruimte  noodzakelijke voorwaarde = zonder ruimte geen voorwerpen

  • Ruimte is noodzakelijke aanschouwing a priori

    • Kunnen ons niet voorstellen dat er geen ruimte zou zijn! Wel kunnen we alle voorwerpen wegdenken uit ruimte

 Ruimte en tijd begrijpen als a priori structuren aan kan van subject: Kant kan wiskunde verklaren



  • Rekenkunde behandelt verhoudingen in tijd

    • Tellen = opeenvolging in tijd

  • Rekenkundige moet toch geen beroep doen op zintuiglijke ervaring om uitspraken te doen over synthetische a priori uitspraken

    • Genoeg aan a priori aanschouwingen van tijd in zichzelf

  • Meetkundige kan ook zonder ervaring

    • Subject beschikt over tijd en ruimte als zuivere a priori vormen van zintuiglijkheid

  • Meer verklaard dan waarom ze kunnen tellen en meten!

    • Fundeert de mogelijkheid van a priori systeem toepasbaar op elk voorwerp dat verschijnt (noodzakelijk in tijd en ruimte verschijnen)

    • Structuur van menselijke waarneming voor alle mensen zelfde (stellingen wiskunde algemeengeldig!)

 objectiviteit van wiskunde = noodzakelijkheid, geldigheid en toepasbaarheid op werkelijk-heid: GRONDSLAG IN TRANSCENDENTALE SUBJECTIVITEIT



  • Structuur in aan ons verschijnende dingen niet afkomstig uit dingen zelf

  • Wel: uit onze subjectiviteit

 TRADITIONEEL REALISME

4.3De analyse van het kenproces: het verstand


 transcendentale analytica: werking van verstand

  • Zintuiglijkheid levert ons aanschouwingen (geordend volgens tijd en ruimte)

  • Aanschouwingen op zich zijn GEEN kennis (enkel 1ste component: receptiviteit)

 inhoud gewaarwording: kleurvlekken  toch herkennen we voorwerpen!
 tafel die ik zie in tijd en ruimte: karakter van voorwerp: Tegenover mij, zelfstandig, ‘zijn-op-zich-zelf’  TAFEL ALS SUBSTANTIE (Locke)

  • Verklaring volgens Kant:

    • Verstand ≠ leeg, beschikt over begrippen, toepassen op waarneming

    • Tafel ≠ substantie: verband ligt in werkelijkheid, denken zelf legt verband!

    • Verstand werkzaam: verbanden altijd al in onze ervaring aanwezig

    • Principes aan hand waarvan wij ordenen: CATEGORIEËN

 Welke categorieën zijn er? Oordelen = verbindingen van begrippen door verstand



  • Predikaat verbonden met subject

  • 12 types volgens wijze van verbinding

    • Kwantiteit:

      • Algemeen (alle S zijn P) eenheid

      • Bijzonder (sommige S zijn P) veelheid

      • Singulier (één S is P) alheid

    • Kwaliteit:

      • Bevestigend (S is P) realiteit

      • Ontkennend (S is-niet P) negatie

      • Oneindig (S is niet-P) begrenzing

    • Relatie:

      • Categorisch (S = P) substantie en accident

      • Hypothetisch (als S dan P) oorzaak en gevolg

      • Disjunctief (S of P) gemeenschap (wisselwerking)

    • Modaliteit:

      • Problematisch (mogelijk dat S P is) (on)mogelijkheid

      • Assertorisch (inderdaad dat S P is) (niet)bestaan

      • Apodictisch (noodzakelijk dat S P is) noodzaak/toeval

Oordelen categorieën

  • Oordelen: verschillende verbinding van voorstellingen of begrippen

    • Verbinding = veelheid dat in onze voorstelling vervat zit

    • Verbinding zuiver denken: ‘synthesebegrip’ (empirische inhoud weglaten) = categorie

 betekenis van kennis volgens categorieën: verduidelijken aan hand van categorie van causaliteit



  • Causaliteit = klare welonderscheiden idee (speelt rol bij verbinding tussen object en voorstelling in ons bewustzijn)

    • Volgens Hume: subjectieve constructie, geen objectieve geldigheid

    • Kant deels akkoord: causaliteit zit niet in ervaren werkelijkheid

    • Kant niet akkoord: structuur van onze hersenen is zo gemaakt dat het waarnemingen structureert als oorzaak en gevolg  causaliteit komt voort uit verstand

 Kant: zo natuurwetenschap funderen (gelijkaardig als wiskunde)



  • Fysica onderzoekt wetmatige ordening in natuur

  • Ordening in natuur = product van ons verstand

  • Natuurwetten dus niet IN natuur, maar menselijk verstand legt ze Opnatuur

Overal de zelfde grondgedachte: ONZE KENNIS HEEFT EEN DUBBELE OORSPRONG



  • Receptiviteit van de zintuigen (a posteriori)

  • Spontaneïteit van het verstand (a priori)

 voordurend op elkaar aangewezen! (in hun eenheid bestaat ECHTE KENNIS)

aanschouwingen zonder begrippen zijn blind, begrippen zonder aanschouwingen zijn leeg


 er ontbreekt nog 1 element!! Iets wat eenheid brengt in kern-acten

= transcendentale apperceptie

  • Zelfbewustzijn dat denktact begeleidt

  • Eenheid van ervaring ligt niet in ervaring zelf: kan alleen als a priori element van subject begrepen wordt

  • Eenheid van zelfbewustzijn: ‘ich denke’

    • ‘ich’ ≠ empirische ik of denkende substantie = subject dat als a priori mogelijkheidsvoorwaarde van kennis nooit voorwerp van ervaring is

    • = transcendentale subject

 wat heeft Kant tot hier bereikt?



  • Mogelijkheid om wereld te ervaren als geordende werkelijkheid

  • Causaal gedetermineerde wereld (kan wetenschap kennen)

  • Vermogen van de mens om verschijningen tot eenheid te brengen

    • Complexiteit reduceren

    • Inzicht in fenomenale werkelijkheid

  • Rede verbindt veelheid van begrippen tot nog hogere samenhang

4.4De analyse van het kenproces: de rede


 transcendentale dialectiek: onderwerpt ‘structuren die tot ultieme synthese leiden’ aan kritisch onderzoek

  • NOEMT ZE TRANSCENDENTALE IDEEËN

  • Ordeningsprincipes zijn op onvoorwaardelijke eenheid gericht: ik, wereld en GOD

 geen zintuiglijke ervaringen over ‘hogere ideeën’



  • DUS: geen sprake van kennis (wel denken maar geen zintuiglijke waarnemingen om er kennis van te maken)

  • Over IK,WERELD EN GOD geen bevestigende of ontkennende uitspraken mogelijk

= kern van theoretisch agnosticisme
 ideeën tot geontologiseerd: (ideeën beantwoorden dan aan werkelijkheid)  transcendentale schijn/illusie

  • Daar leidt Westerse metafysica aan volgens Kant

mogelijkheid wetenschappelijke kennis te verklaren: OOK grenzen van kennis blootgelegd



  • Kennis van mens = constructie

    • Komt tot stand door wetmatige verwerking van zintuiglijke gegevens via a priori vormen van zintuiglijkheid en verstand

    • We kennen dingen zoal ze zich aan ons voordoen, niet zoals ze op zichzelf zijn (bril van tij, ruimte en categorieën)

 betekenis voor metafysica: theoretisch is metafysica ONMOGELIJK (beantwoordt niet aan criteria voor echte kennis)



  • Kennis steunt op zintuiglijkheid, metafysica wil die overstijgen

  • Grens: ervaring  Kant verhindert dat wetenschap buiten haar domein treedt

  • Rede kan transcendentale ideeën niet bewijzen of ontkennen

  • Metafysica onmogelijk EN kennis beperken tot zintuiglijkheid: tot blijven metafysische vragen overeind!

    • Beantwoorden op andere manier: via praktisch rede

    • Praktische rede = domein van menselijke vrijheid

    • = ETHIEK









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina